Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1136

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-01-2017
Datum publicatie
06-03-2017
Zaaknummer
291787
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop onroerend goed kort voor veroordelend vonnis

Pauliana

Benadeling twv executiewaarde of vrije verkoopwaarde?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/291787 / HA ZA 15-606

Vonnis van 4 januari 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.W. Mouthaan te Renswoude,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. W.M. Bijloo te Middelharnis.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagden] genoemd worden. Afzonderlijk worden [gedaagden] aangeduid met Van [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] .

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 januari 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 24 maart 2016

  • -

    de akte van [eiser] van 26 oktober 2016

  • -

    de antwoordakte van [gedaagden] van 9 november 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] heeft een timmer- en klusbedrijf. In 2011/2012 heeft [eiser] in opdracht van Van [gedaagde sub 1] bouwwerkzaamheden verricht. Een aantal facturen is niet betaald. Bij vonnis van deze rechtbank van 4 februari 2015 (nummer 266487 / HA ZA 14-355) is Van [gedaagde sub 1] ter zake veroordeeld om aan [eiser] aan hoofdsom het bedrag van € 65.418,47 te betalen, vermeerderd met een aanvullende schadevergoeding van € 9.429,80, buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 1.429,18, renten en kosten. Van [gedaagde sub 1] is van dit vonnis in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Dit hoger beroep (zaaknummer 200.165.072) is nog niet afgedaan.

2.2.

Van [gedaagde sub 1] is op huwelijkse voorwaarden gehuwd met [gedaagde sub 2] .

2.3.

Van [gedaagde sub 1] is/was eigenaar van twee onroerende zaken, zijnde:

- Gedeelte I: bedrijfsgebouwen met ondergrond, met bijbehorend woonhuis in aanbouw, plaatselijk bekend [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie L, nummer 187, groot 00.81.80 ha, en nummer 1207 gedeeltelijk, groot 00.02.50 ha, alzo tezamen groot 00.84.30 ha en

- Gedeelte II: agrarische percelen plaatselijk bekend nabij [adres] , kadastraal bekend gemeente [gemeente] , sectie L, nummer 501, groot 01.59.65 ha, nummer 503, groot 00.39.60 ha, en nummer 1207 gedeeltelijk, groot 01.57.10 ha, alzo tezamen groot 3.56.30 ha.

De onroerende zaken waren belast met hypotheek ten gunste van de Deutsche Bank.

2.4.

Bij koopovereenkomst gedateerd 28 januari 2015, heeft Van [gedaagde sub 1] voormelde onroerende zaken verkocht aan [gedaagde sub 3] , waarbij voor Gedeelte I een koopprijs van € 340.000,00 en een leveringsdatum van, in beginsel, 1 april 2018 is overeengekomen en voor Gedeelte II een koopprijs van € 140.000,00 en een leveringsdatum van, in beginsel, 1 april 2015. Voorts is daarbij overeengekomen dat [gedaagde sub 3] de hypothecaire lening van de Deutsche Bank zal overnemen tot een maximum van € 500.000,00 met overname van het eerste recht van hypotheek.

De koopovereenkomst is door de notaris op 24 februari 2015 bij het kadaster geregistreerd.

2.5.

Op 7 mei 2015 is Gedeelte II (grotendeels) geleverd aan [gedaagde sub 3] voor het bedrag van € 140.000,00. Het van perceel nummer 1207 geleverde gedeelte (01.56.30 ha) is daarbij aangeduid als sectie L nummer 1696. Uit de overgelegde stukken volgt dat 3.30 are van perceel nummer 1207 aan Van [gedaagde sub 1] verbleef (het deel vallend onder Gedeelte I en 0.80 are van Gedeelte II).

2.6.

Voorts is op 7 mei 2015 bij notariële akte van geldlening met hypotheek, opgemaakt tussen Van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] enerzijds en [gedaagde sub 3] anderzijds, door [gedaagde sub 3] aan Van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een geldlening verstrekt van € 400.000,00 en is daarvoor zekerheid aan [gedaagde sub 3] verleend in de vorm van het recht van hypotheek op de aan Van [gedaagde sub 1] verbleven onroerende zaken van Gedeelte I (en een klein stuk van Gedeelte II) en een pandrecht op alle roerende zaken van Van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De geldlening heeft een looptijd tot 1 april 2018.

2.7.

Met de koopsom voor Gedeelte II en de geldlening is de schuld bij de Deutsche Bank afgelost. De Deutsche Bank heeft aan Van [gedaagde sub 1] finale kwijting verleend. De totale schuld van Van [gedaagde sub 1] aan de Deutsche Bank bedroeg op 7 mei 2015 € 701.920,40. Tevens heeft Van [gedaagde sub 1] uit de opbrengst en de lening andere schuldeisers dan [eiser] geheel of gedeeltelijk voldaan.

2.8.

Bij aangetekende brieven van 10 juli 2015 aan [gedaagde sub 3] en Van [gedaagde sub 1] en latere brief van 22 september 2015 aan [gedaagde sub 2] heeft [eiser] de koopovereenkomst van 28 januari 2015 vernietigd op grond van de Pauliana en hen gesommeerd tot vergoeding van zijn schade ten bedrage van € 83.108,99.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - samengevat - primair [gedaagde sub 3] te veroordelen tot betaling van € 79.226,24, vermeerderd met rente en kosten, en subsidiair de verkoopovereenkomst, de verhypothekering en de verpanding aan [gedaagde sub 3] te vernietigen of voor vernietigd te verklaren met gebod tot ongedaanmaking c.q. doorhaling daarvan op straffe van een dwangsom, dan wel veroordeling van [gedaagde sub 3] tot betaling van voormelde schadevergoeding indien één of meer van de percelen en/of opstallen inmiddels geen eigendom meer zijn van [gedaagde sub 3] , alles met hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.567,26 en de proceskosten en nakosten.

3.2.

[gedaagden] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om het verhaal van de vordering van [eiser] op Van [gedaagde sub 1] , waarin [eiser] zich ziet gefrustreerd door de door hem als paulianeus beschreven transacties met [gedaagde sub 3] . Op de comparitie is met partijen besproken dat Van [gedaagde sub 1] de grondvordering van [eiser] nog steeds betwist en dat dit nu voorligt bij het gerechtshof in het hoger beroep van Van [gedaagde sub 1] . Zolang daarop nog niet onherroepelijk is beslist, kan het vorderingsrecht van [eiser] niet als vaststaand worden aangenomen.

4.2.

Daags voor de comparitie bij de rechtbank op 24 maart 2016 was een tussenarrest van het gerechtshof ontvangen, waarbij het gerechtshof in het hoger beroep tussen Van [gedaagde sub 1] en [eiser] een comparitie had bevolen. Uit dat arrest kon volgens de (toenmalige) advocaat van [eiser] worden afgeleid dat er misschien wel iets viel af te dingen op de vordering van [eiser] . Volgens de advocaat van [gedaagden] viel er zelfs erg veel op af te dingen. Voorts is besproken dat Van [gedaagde sub 1] maandelijks nog steeds een bedrag afloste aan [eiser] .

4.3.

In verband met het een en ander is op de comparitie bij de rechtbank de procesafspraak gemaakt dat deze vervolgzaak naar de parkeerrol zou worden verwezen ‘in afwachting van het verdere verloop van de procedure bij het gerechtshof’ en dat [eiser] , indien de onderhavige zaak opnieuw wordt opgebracht, daarbij een akte dient te nemen met daarin een eiswijziging en een voorstel voor het benoemen van een of drie deskundigen.

4.4.

De comparitie bij het gerechtshof is gehouden op 11 juli 2016. Blijkens het overgelegde proces-verbaal is daar geen schikking bereikt en moet bij het gerechtshof worden doorgeprocedeerd. Daarbij is gesproken over bewijslevering. [eiser] wil intussen voort procederen in deze pauliana-zaak, terwijl [gedaagden] betogen dat was afgesproken dat dat pas zou gebeuren na afloop van de procedure bij het gerechtshof.

4.5.

De rechtbank overweegt dat de afdoening van de bodemzaak bij het gerechtshof blijkbaar meer tijd vergt dan destijds werd verwacht. In dit geval kan aan [eiser] niet het recht worden ontzegd om intussen deze pauliana-procedure te vervolgen. De procesafspraak op de comparitie kan in redelijkheid immers niet aldus worden uitgelegd dat voordien de zaak bij het gerechtshof bij onherroepelijk arrest moet zijn afgedaan. Dit ligt te minder in de rede nu vooralsnog geen aanwijzing bestaat dat het gerechtshof de vordering van [eiser] op Van [gedaagde sub 1] helemaal zal afwijzen.

4.6.

Nu het gerechtshof te dien aanzien nog niet heeft beslist, kan van [eiser] ook niet worden gevergd dat hij zijn vervolgvordering bij de rechtbank daaraan aanpast. De rest van de procesafspraak blijft wel overeind en dit betekent dat partijen een of drie makelaars of deskundigen dienen voor te dragen, die de executiewaarde en de vrije verkoopwaarde van de bedrijfsgebouwen met ondergrond, het woonhuis in aanbouw en de agrarische percelen aan/nabij de [adres] zal/zullen vaststellen. Dit deskundigenonderzoek acht de rechtbank noodzakelijk omdat de reeds overgelegde rapporten over en weer betwist worden en die taxatie(s) van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of de schuldeisers van Van [gedaagde sub 1] , in het bijzonder [eiser] , benadeeld zijn door de gewraakte transacties en of Van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 3] met die benadeling bekend waren of behoorden te zijn. Omdat partijen nog van mening verschillen welke waarde voor de vaststelling van de benadeling van belang is, wil de rechtbank aan de deskundige(n) de vragen voorleggen wat volgens zijn/hun inschatting omstreeks 28 januari 2015 de executiewaardes en wat de vrije verkoopwaardes waren van de verschillende onroerende zaken, omschreven als Gedeelte I en Gedeelte II.

4.7.

Conform de procesafspraak zal [eiser] als eerste in de gelegenheid worden gesteld om een of meer deskundigen voor te dragen. De eerste vraag is of volstaan kan worden met één deskundige. De tweede vraag is wie [eiser] als zodanig benoemd wil zien. Voorts kan [eiser] zich uitlaten over de vraagstelling en zijnerzijds vragen formuleren die volgens hem aan de deskundige(n) moeten worden voorgelegd. [gedaagden] kunnen daarop bij antwoordakte reageren en hunnerzijds deskundigen en vragen voorstellen.

4.8.

Iedere verdere beslissing wordt thans aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 1 februari 2017 voor het nemen van een akte door [eiser] over hetgeen is vermeld onder 4.7, waarna de wederpartij op de rol van vier weken daarna een antwoordakte kan nemen,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2017.