Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1091

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
05/820057-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een werkstraf van 160 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van negen maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren voor het veroorzaken van een verkeersongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820057-16

Datum uitspraak : 3 maart 2017

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] .

raadsman: mr. C.D.A.J. Majoie, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 februari 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 29 februari 2016 te Heteren in de gemeente Overbetuwe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto) komende vanuit de richting de Poort van Midden Gelderland Rood en gaande in de richting van de Polderstraat, daarmee rijdende op de weg, de Poort van Midden Gelderland Groen

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl hij, verdachte de wegsituatie goed kende,

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Poort van Midden Gelderland Groen) en/of die kruising/splitsing van deze weg en de Poort van Midden Gelderland Groen (richting Polderstraat) kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of

een in die weg (de Poort van Midden Gelderland Groen) gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting naar rechts verlopende bocht is doorgereden, waarbij hij, verdachte bij het uitkomen van die bocht geheel of gedeeltelijk met voormeld motorrijtuig (personenauto) op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Poort van Midden Gelderland Groen) is terechtgekomen en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gekeken of is blijven kijken op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Poort van Midden Gelderland Groen) en/of

terwijl ter hoogte van de kruising/splitsing van de Poort van Midden Gelderland Groen en de Poort van Midden Gelderland Groen (richting Polderstraat), gezien zijn, verdachtes rijrichting het zicht naar links en/of het zicht op het direct voor hem, verdachte weggedeelte van die de Poort van Midden Gelderland Groen, niet op ernstige wijze werd belemmerd,

niet of in onvoldoende mate heeft gekeken of is blijven kijken op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Poort van Midden Gelderland Groen) en/of

bij het op- en overrijden van voormelde kruising/splitsing, gezien zijn, verdachtes rijrichting naar links in de richting de Poort van Midden Gelderland Groen (richting Polderstraat) is afgeslagen, waarbij hij, verdachte "de binnenbocht" heeft genomen en in strijd met het gestelde in artikel 3 van voormeld reglement, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van voormeld reglement een hem, verdachte op dezelfde weg (de Poort van Midden Gelderland Groen), tegemoetkomende, toen dicht genaderd zijnde bestuurster van een fiets, niet voor heeft laten gaan en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die dicht genaderd zijnde, hem, verdachte tegemoetkomende fiets en/of de bestuurster van die fiets, -die gezien haar rijrichting, aan de rechterzijde over die weg, de Poort van Midden Gelderland Groen reed en/of doende was die kruising/splitsing op- en/of over te rijden en/of ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 29 februari 2016 te Heteren in de gemeente Overbetuwe, bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto) komende vanuit de richting de Poort van Midden Gelderland Rood en gaande in de richting van de Polderstraat, daarmee heeft gereden op de weg, de Poort van Midden Gelderland Groen en een in die weg (de Poort van Midden Gelderland Groen) gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting naar rechts verlopende bocht is doorgereden, waarbij hij, verdachte bij het uitkomen van die bocht geheel of gedeeltelijk met voormeld motorrijtuig (personenauto) op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Poort van Midden Gelderland Groen) is terechtgekomen en/of

bij het op- en overrijden van de kruising/splitsing van deze weg en de Poort van Midden Gelderland Groen (richting Polderstraat), gezien zijn, verdachtes rijrichting naar links in de richting de Poort van Midden Gelderland Groen (richting Polderstraat) is afgeslagen, waarbij hij, verdachte "de binnenbocht" heeft genomen en in strijd met het gestelde in artikel 3 van voormeld reglement, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van voormeld reglement een hem, verdachte op dezelfde weg (de Poort van Midden Gelderland Groen), tegemoetkomende, toen dicht genaderd zijnde bestuurster van een fiets, niet voor heeft laten gaan en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die dicht genaderd zijnde, hem, verdachte tegemoetkomende fiets en/of de bestuurster van die fiets, -die gezien haar rijrichting, aan de rechterzijde over die weg, de Poort van Midden Gelderland Groen reed en/of doende was die kruising/splitsing op- en/of over te rijden en/of ten gevolge waarvan die bestuurster van die

fiets ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 29 februari 2016 reed verdachte te Heteren als bestuurder van een personenauto op de Poort van Midden Gelderland Groen, komende vanuit de richting van de Poort van Midden Gelderland Rood en gaande in de richting van de Polderstraat. Verdachte is een in de Poort van Midden Gelderland Groen gelegen bocht naar rechts doorgereden en bij het uitkomen van deze bocht met zijn personenauto gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte terechtgekomen.2 Bij het op- en overrijden van de kruising van de Poort van Midden Gelderland Groen en de Poort van Midden Gelderland Groen in de richting van de Polderstraat is verdachte naar links afgeslagen richting de Polderstraat. Daarbij heeft hij de binnenbocht genomen en niet zoveel mogelijk rechts gehouden.3 Ter hoogte van de kruising werd het zicht van verdachte naar links en het zicht direct voor hem niet op enige wijze belemmerd.4 Op de Poort van Midden Gelderland Groen reed een bestuurster van een fiets ( [slachtoffer] ) verdachte tegemoet. Op het moment dat verdachte naar links afsloeg was zij verdachte reeds dicht genaderd. Deze bestuurster reed, gezien haar rijrichting, aan de rechterzijde van de weg en was bezig voornoemde kruising over te rijden.5 Verdachte heeft deze fietsster niet voor laten gaan en is met haar in aanrijding gekomen, waarbij zij ten val is gekomen.6

Als gevolg hiervan heeft [slachtoffer] onder meer een grote hoofdwond, letsel aan haar linker ooglid, gezwollen oogwit, een zwelling en breuken in haar hand en een gedeeltelijke dwarslaesie opgelopen.7 Daarnaast is, zo begrijpt de rechtbank, haar middenrif verschoven, waardoor ze een beperkte longinhoud heeft.8

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit, met dien verstande dat hij bewezen acht dat sprake is van aanmerkelijke schuld.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het primair tenlastegelegde. Hiertoe is aangevoerd dat geen sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Nu vast is komen te staan dat verdachte fietsster [slachtoffer] heeft aangereden, waardoor zij letsel heeft opgelopen, dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Om tot het oordeel te komen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW is vereist dat het rijgedrag van verdachte zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam is geweest. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende is voor bewezenverklaring van schuld in vorenbedoelde zin. Gekeken moet worden naar het geheel van de gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.

Verdachte heeft verklaard dat hij bekend is met de weg en normaal gesproken altijd de buitenbocht neemt, maar dat hij die dag de binnenbocht heeft genomen. Hij heeft de fietsster totaal niet gezien. Pas toen zijn zoontje, die naast hem in de auto zat, zei: ‘Pas op!’, zag verdachte de fietsster en was het te laat om een aanrijding te voorkomen. Verdachte kan niet verklaren hoe het kan dat hij de fietsster niet gezien heeft.9

Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat de verkeerssituatie goed te overzien was. Er zijn ter plaatse geen obstakels die het zicht van verdachte op de fietsster belemmerd zouden kunnen hebben. Verdachte zegt dit ook niet.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte onvoldoende rechts heeft gehouden en niet of in onvoldoende mate heeft gelet op het direct voor hem gelegen weggedeelte van de weg. Verdachte heeft de snelheid van zijn voertuig kennelijk niet zodanig geregeld dat hij zijn voertuig tot stilstand kon brengen binnen de afstand waarover hij de Poort van Midden Gelderland Groen en de kruising van die weg met de Poort van Midden Gelderland Rood richting Polderstraat kon overzien en waarover deze vrij waren. Dit is in strijd met artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

Op grond van het vorenstaande en wat reeds is vastgesteld, is de rechtbank van oordeel dat verdachte niet de nodige voorzichtigheid en oplettendheid heeft betracht, als gevolg waarvan een ernstig ongeval heeft plaatsgevonden. Dit is aan verdachte toe te rekenen, omdat verdachte bij het doorkomen van de bocht naar rechts op het niet voor hem bestemde weggedeelte terecht is gekomen, vervolgens de bocht naar links heeft afgesneden en hij niet, dan wel onvoldoende heeft gelet op het weggedeelte dat voor hem lag, nu hij de fietsster in het geheel niet heeft gezien. Dit alles maakt dat naar het oordeel van de rechtbank verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden en dat het ongeval aan zijn schuld is te wijten.

Letsel

Zoals vastgesteld heeft [slachtoffer] als gevolg van het ongeval letsel opgelopen. Zij is hiervoor opgenomen in het ziekenhuis en heeft lange tijd moeten revalideren. De geschatte genezingsduur bedroeg maanden en een deel van het letsel is van blijvende aard. Gelet op de aard en de ernst van het letsel kwalificeert de rechtbank het letsel van [slachtoffer] als zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 29 februari 2016 te Heteren in de gemeente Overbetuwe, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, (personenauto) komende vanuit de richting de Poort van Midden Gelderland Rood en gaande in de richting van de Polderstraat, daarmee rijdende op de weg, de Poort van Midden Gelderland Groen

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

terwijl hij, verdachte de wegsituatie goed kende,

in strijd met het gestelde in artikel 19 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet de snelheid van dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto) zodanig heeft geregeld dat hij, verdachte in staat was dat motorrijtuig (personenauto) tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij, verdachte die weg (de Poort van Midden Gelderland Groen) en/of die kruising/splitsing van deze weg en de Poort van Midden Gelderland Groen (richting Polderstraat) kon overzien en waarover deze vrij was/waren en/of

een in die weg (de Poort van Midden Gelderland Groen) gelegen, gezien zijn, verdachtes rijrichting naar rechts verlopende bocht is doorgereden, waarbij hij, verdachte bij het uitkomen van die bocht geheel of gedeeltelijk met voormeld motorrijtuig (personenauto) op het voor het tegemoetkomende verkeer bestemde weggedeelte van die weg (de Poort van Midden Gelderland Groen) is terechtgekomen en/of

niet of in onvoldoende mate heeft gekeken of is blijven kijken op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Poort van Midden Gelderland Groen) en/of

terwijl ter hoogte van de kruising/splitsing van de Poort van Midden Gelderland Groen en de Poort van Midden Gelderland Groen (richting Polderstraat), gezien zijn, verdachtes rijrichting het zicht naar links en/of het zicht op het direct voor hem, verdachte weggedeelte van die de Poort van Midden Gelderland Groen, niet op ernstige wijze werd belemmerd,

niet of in onvoldoende mate heeft gekeken of is blijven kijken op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (de Poort van Midden Gelderland Groen) en/of

bij het op- en overrijden van voormelde kruising/splitsing, gezien zijn, verdachtes rijrichting naar links in de richting de Poort van Midden Gelderland Groen (richting Polderstraat) is afgeslagen, waarbij hij, verdachte "de binnenbocht" heeft genomen en in strijd met het gestelde in artikel 3 van voormeld reglement, niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden en/of

in strijd met het gestelde in artikel 18 lid 1 van voormeld reglement een hem, verdachte op dezelfde weg (de Poort van Midden Gelderland Groen), tegemoetkomende, toen dicht genaderd zijnde bestuurster van een fiets, niet voor heeft laten gaan en/of

is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met die dicht genaderd zijnde, hem, verdachte tegemoetkomende fiets en/of de bestuurster van die fiets, -die gezien haar rijrichting, aan de rechterzijde over die weg, de Poort van Midden Gelderland Groen reed en/of doende was die kruising/splitsing op- en/of over te rijden en/of ten gevolge waarvan die bestuurster van die fiets ten val is gekomen

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit:

Overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde feit zal worden veroordeeld tot het verrichten van 160 uren werkstraf, te vervangen door 80 dagen hechtenis en tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 9 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaren.

Hierbij heeft de officier van justitie opgemerkt dat voor een dergelijk strafbaar feit normaal gesproken een werkstraf voor kortere duur wordt geëist met daarnaast een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Echter, in de omstandigheid dat verdachte zonder rijbewijs niet op zijn werk kan komen, ziet de officier van justitie aanleiding een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid te eisen en de werkstraf te verhogen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. In geval van een bewezenverklaring heeft de verdediging verzocht een werkstraf op te leggen. Voorts heeft de verdediging gewezen op de omstandigheid dat verdachte op zijn auto (en rijbewijs) is aangewezen om naar zijn werk te komen. De afstand van zijn huis naar zijn werk is op de tijden dat verdachte moet werken – vroeg in de ochtend – niet met het openbaar vervoer te overbruggen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 11 januari 2017.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een ernstig verkeersongeval. Door zijn onvoorzichtige, onoplettende en onachtzame handelen heeft hij [slachtoffer] op haar fiets aangereden, waardoor zij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Van het ongeluk ondervindt zij nog dagelijks de gevolgen, zoals blijkt uit de schriftelijke slachtofferverklaring. Zij zal een deel van deze – ernstige – gevolgen mogelijk de rest van haar leven moeten dragen.

Verdachte heeft niet gehandeld zoals van hem als bestuurder mocht worden gevergd en is daarmee tekortgeschoten in de op hem als verkeersdeelnemer rustende zorgplicht jegens andere verkeersdeelnemers. Dit rekent de rechtbank verdachte aan.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Hoewel verdachte in het verleden vaak met justitie in aanraking is geweest, is ter zitting gebleken dat hij hier afstand van heeft genomen en zijn leven nu op orde heeft.

Daarnaast neemt de rechtbank mee dat verdachte er blijk van heeft gegeven dat hij spijt heeft van zijn handelen en hij zich ter terechtzitting schuldbewust heeft opgesteld. Zo verklaarde hij onder meer: “Het doet mij veel dat haar leven is ingestort door een fout van mij.”

Zonder af te doen aan de ernst van de gevolgen voor het slachtoffer – die zonder meer voor iedereen duidelijk zijn – acht de rechtbank, alles overwegende, de door de officier van justitie geëiste straf in dit geval passend en geboden.

In beginsel wordt in vergelijkbare zaken een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd. Echter, in de omstandigheid dat verdachte zonder zijn rijbewijs niet op zijn werk kan komen en hij kostwinner is van een gezin met twee opgroeiende kinderen, ziet de rechtbank aanleiding geen onvoorwaardelijke, maar een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. De rechtbank houdt bij het bepalen van de hoogte van de werkstraf rekening met het feit dat geen onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid wordt opgelegd en legt daarom een hogere werkstraf op dan in vergelijkbare zaken.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175, 178 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 160 (honderdzestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 80 (tachtig) dagen;

 ontzegt verdachte ten aanzien van het onder primair bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 9 (negen) maanden;

 bepaalt, dat deze bijkomende straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. W.L.F. Prisse en mr. M.A. Bijl, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 maart 2017.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016102564, gesloten op 29 april 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aanrijding, p. 3; proces-verbaal van bevindingen, p. 16; proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 45.

3 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 45 en 69; proces-verbaal van bevindingen, p. 16.

4 Proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, p. 64.

5 Proces-verbaal van aanrijding, p. 3; proces-verbaal van bevindingen, p. 16.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 16.

7 Geneeskundige verklaring, p. 75.

8 Proces-verbaal van verhoor benadeelde, p. 22-23.

9 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 februari 2017.