Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1089

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
12-04-2017
Zaaknummer
05/987001-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank in Gelderland heeft een slachthuis veroordeeld tot een deels voorwaardelijke geldboete.

Het slachthuis had een erkenning voor het ritueel onbedwelmd slachten van dieren.

Tijdens de slacht van een stier zag een medewerker van een keuringsdienst dat de regels niet werden nageleefd. De stier was te groot voor de fixatiekooi. Getracht werd de stier op andere wijze te fixeren. Daarbij werd veel letsel en pijn toegebracht aan de stier. Pas na 25 minuten werd de stier geschoten.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen van de medewerkers aan het slachthuis kunnen worden toegerekend en acht bewezen dat is gehandeld in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1 van de Wet dieren.

De man die destijds directeur was, is vrijgesproken, omdat de rechtbank niet bewezen acht dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/987001-16

Datum uitspraak : 28 februari 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] handelend onder de naam [verdachte],

gevestigd aan de [adres] , hierna te noemen: [verdachte]

raadsman: mr. A.H. Westendorp, advocaat te ’s-Gravenhage.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 14 februari 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 4 mei 2015 te Elst, in de gemeente Overbetuwe, althans

(elders) in Nederland, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van

zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier, te weten een stier, pijn of

letsel heeft veroorzaakt danwel de gezondheid of het welzijn van die stier

heeft benadeeld, immers heeft zij, verdachte, aldaar in een slachterij gelegen aan of nabij de

[adres] , onder meer

- het dier in een te kleine fixatiebox gehouden, en/of

- het dier niet meteen na het mislukken van de fixatie bedwelmd met een

penschiettoestel (om dit dier zonder extra lijden te doden), en/of

- een slachthaak door het neustussenschot van het levende dier gehaald, en/of

- de, in ieder geval 2, poten samengebonden (waarna het dier op zijn zij werd

gegooid), en/of

- met behulp van kettingen aan de horens en de slachthaak door de neus het

dier omhooggetrokken (waarna het met een klap op zijn rechterzij op de grond

is neergekomen),

- het dier ongeveer 25 minuten laten lijden zonder in te grijpen.

art 2.1 lid 1 Wet dieren

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ontslag van alle rechtsvervolging bepleit. Hij heeft daartoe betoogd dat de stier, anders dan [naam 1] heeft verklaard, niet in de fixeerkooi is geweest, maar via een deur in de ruimte naast de fixeerkooi is terechtgekomen. Daar is getracht de stier te fixeren. Volgens de raadsman is de stier niet opzettelijk mishandeld en is sprake geweest van een overmachtsituatie, omdat de stier een gevaar was voor zijn omgeving/de medewerkers van [verdachte] . Nadat de stier onder controle was gebracht is hij doodgeschoten.

Beoordeling door de rechtbank

[naam 1] , als operationeel coördinator in dienst van Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS), heeft verklaard dat zij op 4 mei 2015 omstreeks 15:00 uur in opdracht van KDS in het slachthuis [verdachte] te Elst was voor onder andere een post-mortumkeuring. Ze hoorde afwijkende geluiden en ging kijken wat er aan de hand kon zijn. Ze zag een grote stier in de fixeerkooi staan. Door het neusschot van de stier was een grote metalen haak, een zogenoemde kophaak die aan een metalen rail in het slachthuis kan worden gehangen, gehaald. Het bloedde hevig. Minimaal vier medewerkers probeerden met deze haak de kop van de stier omhoog te krijgen. Medewerkers probeerden een voor- en een achterpoot van de stier te fixeren terwijl de stier in de kooi stond.

[naam 1] zag later dat de haak uit de neus van de stier was gehaald, dat de poten niet gefixeerd waren en dat de stier naast de fixeerkooi in de gang stond. Ze dacht dat de stier geschoten zou worden.

Hierna hoorde ze de stier weer hevig loeien. Ze zag dat de stier nu met een ketting om de horens aan een metalen buis was bevestigd. Twee medewerkers waren bezig om een ketting aan de rechtervoorpoot en de rechterachterpoot van de stier te bevestigen. Een derde persoon had de bediening van een takel in zijn hand. Met deze takel werden de twee rechterpoten van de stier omhooggetrokken, waardoor de stier met een klap op zijn linkerzij kwam. Een medewerker zag [naam 1] staan en vroeg haar niet te bellen, hij wilde geen tumult naar aanleiding van het “gerommel” met deze stier. Een van de medewerkers zei tegen haar dat ze de stier direct hadden moeten schieten, maar dat er dan geen afzet was voor de stier omdat deze dan niet halal geslacht zou zijn.

Volgens [naam 1] duurde het geheel tot het moment van ingrijpen door haar ongeveer 25 minuten.2

[naam 2] , directeur van [verdachte] , heeft op 2 juli 2015 het verklaard dat de voorman tijdens het slachtproces de leiding heeft. Op 4 mei 2015 werd een nieuwe gehaktmachine geïnstalleerd, waarbij de voorman heeft geholpen. Medewerkers wilden een stier slachten. De stier was te groot voor de slachtkooi. De medewerkers hebben het volgens [naam 2] verkeerd gedaan. Hij heeft de betreffende medewerkers mondeling gewaarschuwd en gedreigd met ontslag.3

Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat hij een geluid hoorde dat hem een onbehaaglijk gevoel gaf en dat hij met de KDS-medewerkster naar de slachthal is gegaan. Ze zagen een overstuur geraakte stier naast de fixeerkooi. [getuige 2] is naar [naam 2] gegaan om te zeggen dat het niet goed ging in de slachthal, waarop [naam 2] opdracht gaf om de stier te schieten.4

Getuige [getuige 1] heeft ter terechtzitting verklaard dat het gewicht van de stier 650 à 700 kg was. De stier was volgens hem niet te hoog maar wel breed. De stier was gestrest, stond naast de fixeerkooi en maakte bij het zien van het bloed in de ruimte rare geluiden. [getuige 1] heeft gevraagd de kop van de stier vast te binden. [getuige 2] en [naam 1] kwamen erbij en nadat hij contact met hen had gehad, is de stier geschoten. Naar aanleiding van het incident is het penschiettoestel dat voorheen in de kluis in het kantoor lag, opgehangen in de ruimte bij de slachters.5

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [naam 1] betrouwbaar is. Uit de stukken komt naar voren dat [naam 1] ongeveer tien jaar werkzaam is bij KDS, waarvan vier jaar als officiële assistente en zes jaar als operationeel coördinator in roodvlees slachterijen. Uit de stukken komt verder naar voren dat [naam 1] als medewerker van KDS onder meer kennis had van de methoden en procedures voor slachting en keuring.6 Gelet op haar functie is het aannemelijk dat [naam 1] met grote regelmaat in slachthuizen komt en dat zij weet waarover zij spreekt. Dat [naam 1] een verkeerde inschatting zou hebben gemaakt ten aanzien van de plaats waar zij de stier heeft gezien, acht de rechtbank mede gezien haar deskundigheid dan ook niet aannemelijk geworden.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van [naam 1] op onderdelen wordt ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] en de verklaring van [naam 2] . Uit deze verklaringen kan worden afgeleid dat medewerkers een stier wilden slachten, dat deze te groot en/of te breed was voor de fixeerkooi en dat de stier op enig moment in de ruimte naast de fixeerkooi stond. Volgens [naam 2] hebben medewerkers bij het incident verkeerd gehandeld. [getuige 1] heeft ter zitting verklaard dat hij heeft gevraagd de kop van de stier vast te binden. Uit de verklaring van [getuige 1] kan verder worden afgeleid dat het penschiettoestel niet in de ruimte van de slachterij was, maar in een kluis op het kantoor.

De rechtbank acht op grond van de verklaring van [naam 1] bewezen dat de medewerkers van verdachte handelingen hebben verricht bij de stier zoals door [naam 1] verklaard. Gelet op de verklaring van [naam 1] acht de rechtbank eveneens bewezen dat het hele incident ongeveer 25 minuten heeft geduurd, wat ook niet door de verdediging is weersproken. De stier is pas geschoten nadat [getuige 2] daarover contact had gehad met [naam 2] . De rechtbank acht de verklaringen van de pas veel later gehoorde medewerkers, waaronder [getuige 1] , inhoudende dat een medewerker een deur had open laten staan en dat de stier de verkeerde ingang had genomen, niet aannemelijk geworden. De rechtbank houdt er rekening mee, mede vanwege het tijdsverloop, dat de medewerkers hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd, dan wel niet volledig zijn geweest in hun verklaringen over de gebeurtenissen om hun relatie met verdachte, hun werkgever, niet onder druk te zetten.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de gedragingen van de medewerkers aan verdachte kunnen worden toegerekend.

Een belangrijk oriëntatiepunt bij toerekening aan een rechtspersoon is volgens het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF7938) of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon:

‘Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:

- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon,

- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf,

- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.’

De rechtbank overweegt dat verdachte een slachterij in stand houdt met een erkenning voor het onbedwelmd slachten van dieren.7 Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat de medewerkers van verdachte een stier wilden slachten. Dit is een activiteit in de sfeer van het bedrijf en behorend tot de normale bedrijfsvoering. Bovendien kan niet worden gezegd dat verdachte er alles aan heeft gedaan om de bewezenverklaarde gedragingen te voorkomen. Uit de verklaring van [naam 1] komt naar voren dat het incident ongeveer 25 minuten heeft geduurd, dat zij door een medewerker is aangesproken met het verzoek het incident niet te melden omdat hij geen tumult wilde naar aanleiding van het “gerommel” met de stier en dat een van de medewerkers tegen [naam 1] heeft gezegd dat ze de stier direct hadden moeten schieten, maar dat er dan geen afzet was voor de stier omdat het dan niet halal zou zijn geslacht. De rechtbank overweegt dat uit de verklaring van [getuige 1] ter terechtzitting volgt dat het penschiettoestel niet in de slachtruimte aanwezig was maar in de kluis in het kantoor lag. Deze omstandigheden leiden ertoe dat niet kan worden geconcludeerd dat verdachte er alles aan heeft gedaan de gedragingen te voorkomen. Kennelijk speelden financiële motieven mee om de stier niet direct te schieten, immers in dat geval zou de stier minder opbrengen.

Van een overmachtsituatie kan gezien het voorgaande niet worden gesproken. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman in zoverre.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van de medewerkers van verdachte aan haar kunnen worden toegerekend. De rechtbank acht het ten laste gelegde feit dan ook bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij op of omstreeks 4 mei 2015 te Elst, in de gemeente Overbetuwe, althans (elders) in Nederland, zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar was, bij een dier, te weten een stier, pijn of letsel heeft veroorzaakt dan wel de gezondheid of het welzijn van die stier heeft benadeeld, immers heeft zij, verdachte, aldaar in een slachterij gelegen aan of nabij de [adres] , onder meer

- het dier in een te kleine fixatiebox gehouden, en/of

- het dier niet meteen na het mislukken van de fixatie bedwelmd met een penschiettoestel (om dit dier zonder extra lijden te doden), en/of

- een slachthaak door het neustussenschot van het levende dier gehaald, en/of

- de, in ieder geval 2, poten samengebonden (waarna het dier op zijn zij werd gegooid), en/of

- met behulp van kettingen aan de horens en de slachthaak door de neus het dier omhooggetrokken (waarna het met een klap op zijn rechterzij op de grond is neergekomen),

- het dier ongeveer 25 minuten laten lijden zonder in te grijpen.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Zich gedragen in strijd met het voorschrift vastgesteld bij artikel 2.1 van de Wet dieren, begaan door een rechtspersoon.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van
€ 10.000,- waarvan € 5.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de (financiële) omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 8 november 2016.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan overtreding van de Wet dieren. Haar medewerkers hebben bij de rituele slacht van een stier de daarvoor geldende regels niet in acht genomen. Toen bleek dat de stier te groot dan wel te breed was en niet gefixeerd kon worden in de daarvoor bestemde fixeerkooi is op andere wijze getracht de stier te fixeren. Daarbij is veel letsel en pijn toegebracht aan de stier en is pas na ongeveer 25 minuten en na raadpleging van de directeur besloten de stier te schieten. De gedragingen kunnen aan verdachte worden toegerekend nu niet is gebleken dat zij er alles aan heeft gedaan om dergelijk handelen te voorkomen.

De rechtbank heeft bij de strafmaat rekening gehouden met de gestelde goede reputatie van verdachte en met haar verklaring dat het een incident zou betreffen. Dat naar aanleiding van dit incident is besloten het penschiettoestel in de slachtruimte op te hangen, beoordeelt de rechtbank als positief.

De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde onvoorwaardelijke geldboete passend. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke geldboete opleggen om te voorkomen dat verdachte opnieuw strafbare feiten begaat. Anders dan de officier van justitie heeft geëist zal het voorwaardelijke deel tot € 3.000,- worden beperkt. Gelet op het blanco strafblad van verdachte ziet de rechtbank geen aanleiding voor een langere proeftijd dan twee jaar.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen:

  • -

    14a, 14b, 14c, 23, 24 en 91 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    2.1, 8.11 en 8.12 van de Wet dieren.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een geldboete van € 8.000,- (achtduizend euro);

  • -

    bepaalt, dat een gedeelte van de geldboete groot € 3.000,- (drieduizend euro), niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

  • -

    legt als algemene voorwaarde op dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.C. van Lookeren Campagne (voorzitter), mr. M.F. Gielissen en mr. Y.M.J.I. Baauw, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 februari 2017.

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer: 05/987001-16Fout! De documentvariabele ontbreekt.

Uitspraak d.d.: 28 februari 2017

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van
28 februari 2017.

Tegenwoordig:

mr. Gielissen , rechter,

mr. , officier van justitie,

en mr. Fransen , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte,

[verdachte]

gevestigd aan de [adres] ,

is wel/niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De raadsman, mr. A.H. Westendorp, is wel/niet verschenen.

De rechter spreekt het vonnis uit

en wijst verdachte op de mogelijkheid om binnen veertien dagen na heden hoger beroep tegen dit vonnis in te stellen.

Waarvan proces-verbaal, dat door de rechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, opgemaakte proces-verbaal, nummer 114270/86995/6023913/1, gesloten op 20 augustus 2015, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van 20 augustus 2015, p. 8-10, bijlage 3, p. 20.

3 Proces-verbaal, p. 11, bijlage 5, p. 26.

4 Aanvullend proces-verbaal van 11 januari 2017, bijlage 9, p. 50.

5 Verklaring van getuige [getuige 1] ter terechtzitting van 14 februari 2017.

6 Aanvullend proces-verbaal van 15 juli 2016.

7 Aanvullend proces-verbaal van 11 januari 2017, pagina 2 van 8.