Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1078

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-02-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
C/05/284754 HA ZA 15-341
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2016:3049: Bewijs dat erfdienstbaarheid is tenietgegaan is niet geleverd. Erfdienstbaarheid mag worden afgesloten met elektronisch hek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/284754 / HA ZA 15-341

Vonnis van 1 februari 2017

in de zaak van

1 [eiser conventie gedaagde reconventie] ,

2. [eiser conventie gedaagde reconventie],

beiden wonende te Nijkerk,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. A.C. de Kanter te Amersfoort,

tegen

[gedaagde conventie en eiser reconventie] ,

wonende te Nijkerk,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. M.F.H. van Delft te Leusden.

Partijen zullen hierna [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. en [gedaagde conventie en eiser reconventie] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het incident van 14 september 2016

  • -

    de akte naar aanleiding van de vermeerdering van eis in reconventie, tevens houdende voorwaardelijke vermeerdering van eis in conventie van [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s.

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde conventie en eiser reconventie] .

1.2.

Daarna is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

De rechtbank verwijst naar hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 20 april 2016 en het vonnis in het incident van 14 september 2016.

2.2.

In het tussenvonnis van 20 april 2016 is [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. opgedragen te bewijzen dat de in de akte van 1890 gevestigde erfdienstbaarheid van weg ten laste van het perceel van [eiser conventie gedaagde reconventie] ( [kadastrale aanduiding 1] ) en ten behoeve van het perceel van [gedaagde conventie en eiser reconventie] ( [kadastrale aanduiding 2] ) is geëindigd.

[eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. heeft daartoe bij akte nadere stukken overgelegd. [gedaagde conventie en eiser reconventie] heeft daarop bij antwoordakte gereageerd.

2.3.

[eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. voert aan dat mogelijk in of na de akte van 18 maart 1890 afstand is gedaan van de erfdienstbaarheid, nu de erfdienstbaarheid daarna in geen enkele notariële akte meer voorkomt. Hij stelt voorts dat [naam 1] niet is gelegen op perceel

[kadastrale aanduiding 2] maar op perceel [kadastrale aanduiding 3] en dat de locatie van boerderij [naam 1] kennelijk in de loop van de jaren is gewijzigd. Voorts voert hij aan dat uit latere aktes blijkt dat vroeger aan de familie [gedaagde conventie en eiser reconventie] zowel [naam 1] als [naam 2] in eigendom toebehoorden. In die aktes is een exceptie opgenomen ten aanzien van erfdienstbaarheden, zodat daaruit volgt dat afstand is gedaan van de erfdienstbaarheid dan wel dat deze op een andere wijze is teniet gegaan, aldus [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s.

2.4.

[eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. heeft het kadaster een erfdienstbaarhedenonderzoek laten uitvoeren naar inschrijvingen waarin mogelijk erfdienstbaarheden ontstaan of tenietgaan (tot stand komen of zijn vervallen) ten laste van het perceel [kadastrale aanduiding 1] in de periode van 30 maart 2016 terug tot en met 1 oktober 1838. In het rapport van 6 april 2016 heeft het kadaster het volgende verklaard:

“(…)

Gebleken is dat in genoemde inschrijvingen de volgende tekst voorkomt die mogelijk de gevraagde erfdienstbaarheden betreft:

Akte ingeschreven te Arnhem op 29 mei 1890 in deel 882 nr. 101 (verleden op 18 maart 1890 voor notaris R.A.I. Colenbrander ter standplaats Nijkerk):

“benevens de vroegere tot het erf [naam 1] behoorenden steeg gekadastreerd in sectie [kadastrale aanduiding 1] ter grootte van drieentwintig roeden dertig ellen welke steeg alhier belast blijft met de erfdienstbaarheid van weg ten nutte van het erf [naam 1] ”.

“tot welk erf behoort de erfdienstbaarheid van weg van de onder nummer [kadastrale aanduiding 1] gekadastreerde kaart tot [naam 2] behoorende steeg.”

(In akte 56054/82 is er sprake van vermenging, waardoor de mogelijke erfdienstbaarheden zoals vermeld in akte van 11570/24, teniet gaan, welke akte reeds in uw bezit is.

I.v.m. de overzichtelijkheid is akte 882/101 bijgevoegd en tevens de hulpkaart en de kad. kaart.)

Bijzonderheden: Akte 59956/150 en akte 56054/82 zijn reeds bekend.

(…)”

2.5.

Uit de in het voormelde rapport aangehaalde passages van de akte van 18 maart 1890 volgt dat perceel [kadastrale aanduiding 1] kennelijk eerst deel heeft uitgemaakt van het erf [naam 1] maar dat perceel [kadastrale aanduiding 1] later is gaan behoren tot [naam 2] en dat perceel [kadastrale aanduiding 1] toen belast is gebleven met de erfdienstbaarheid van weg ten nutte van [naam 1] . Hieruit volgt dat, anders dan in het tussenvonnis van 20 april 2016 is overwogen, de erfdienstbaarheid van weg ten behoeve van [naam 1] niet is gevestigd bij akte van 18 maart 1890, maar toen reeds was gevestigd en in ieder geval op

18 maart 1890 nog bestond. Voorts volgt daaruit dat perceel [kadastrale aanduiding 1] in ieder geval vanaf 18 maart 1890 behoorde tot [naam 2] .

2.6.

Uit de akte van 11 juli 1960 (productie 28) volgt dat [naam 3] de boerderij “ [naam 1] ”, gelegen te Nijkerk aan de Bloemendaalseweg 15, bestaande uit een bouwmanswoning met aangebouwde veestallen (…), kadastraal bekend sectie C nummers 407 tot en met 414, 430 tot en met 434 bis, 439, 441 tot en met 445, 1262 en 1263 en sectie D nummers (…), heeft verkocht en in eigendom heeft overgedragen aan zijn drie zonen, waaronder [naam 5] , geboren op 4 maart 1933, derhalve aan de vader van [gedaagde conventie en eiser reconventie] . Uit deze akte blijkt voorts dat [naam 3] het verkochte heeft verkregen door toedeling uit de boedel van zijn ouders bij akte van

30 augustus 1938.

Bij akte van 21 oktober 1965 (productie 27) hebben de vader van [gedaagde conventie en eiser reconventie] en zijn twee broers de boerderij “ [naam 1] ”, zoals hiervoor omschreven, kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 6] (…), verdeeld, waarbij deze geheel is toegedeeld aan de vader van [gedaagde conventie en eiser reconventie] en aan zijn broer [naam 6] . De boerderij “ [naam 1] ”, zoals hiervoor omschreven, is in die akte derhalve tevens aangeduid met de kadastrale aanduiding [kadastrale aanduiding 4] . Deze aanduiding komt in de akte van 11 juli 1960 nog niet voor. Kennelijk zijn de percelen sectie [kadastrale aanduiding 5] (gedeeltelijk) vernummerd naar

[kadastrale aanduiding 4] .

Bij akte van 23 april 1971 (productie 21) hebben de vader van [gedaagde conventie en eiser reconventie] en zijn broer [naam 6] de boerderij “ [naam 1] ”, zoals hiervoor omschreven, kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 6] (…), ingebracht in een bij akte van 1 januari 1971 opgerichte vennootschap onder firma. Uit die akte blijkt voorts dat de bungalow, plaatselijk genummerd 15a, (…), uitmakende een kennelijk aangeduid gedeelte (…) van het perceel, kadastraal bekend (…) sectie C nummer [kadastrale aanduiding 4] , niet wordt ingebracht in de vennootschap onder firma, maar gezamenlijk privé eigendom blijft van de vader van [gedaagde conventie en eiser reconventie] en zijn broer [naam 6] .

Bij akte van 1 oktober 1991 (productie 22) hebben de vader van [gedaagde conventie en eiser reconventie] en zijn broer [naam 6] , na de beëindiging van de vennootschap onder firma per 31 december 1987, de boerderij “ [naam 1] ”, zoals hiervoor omschreven, kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 7] nummers (…), verdeeld en toegedeeld aan de vader van [gedaagde conventie en eiser reconventie] .

Kennelijk is perceel sectie C nummer [kadastrale aanduiding 4] vernummerd naar sectie C nummer [kadastrale aanduiding 7]

Vervolgens is bij akte van 31 december 2012 (productie 5) de boerderij “ [naam 1] ”, zoals hiervoor omschreven, kadastraal bekend sectie [kadastrale aanduiding 2] (ontstaan uit perceel sectie [kadastrale aanduiding 7] , na de ontbinding van de maatschap tussen [gedaagde conventie en eiser reconventie] en zijn ouders, door zijn ouders toegedeeld aan [gedaagde conventie en eiser reconventie] . De bungalow gelegen aan de [adres 2] te Nijkerk, kadastraal bekend sectie C nummer 3329 (ontstaan uit sectie [kadastrale aanduiding 7] is bij de beëindiging van de maatschap eigendom gebleven van de ouders van [gedaagde conventie en eiser reconventie] .

2.7.

Uit het voorgaande volgt dat de boerderij “ [naam 1] ”, gelegen aan de [adres 1] , onder meer bestaande uit een bouwmanswoning met aangebouwde veestallen, in 1938 is verkregen door de grootvader van [gedaagde conventie en eiser reconventie] uit de boedel van diens ouders, dat deze daarna steeds (mede)eigendom is geweest van de vader van [gedaagde conventie en eiser reconventie] en dat deze bij akte van 31 december 2012 is toegedeeld aan [gedaagde conventie en eiser reconventie] . Daaruit volgt tevens dat de boerderij “ [naam 1] ” thans is gelegen op het perceel

[kadastrale aanduiding 2] . Voorts volgt daaruit dat er op het adres [adres 2] , in ieder geval vanaf 1971, sprake was van een bungalow, welke zich bevindt op het perceel thans kadastraal bekend [kadastrale aanduiding 2] . Dat betreft derhalve de woning van de ouders van [gedaagde conventie en eiser reconventie] .

De rechtbank is van oordeel dat hieruit genoegzaam volgt dat met de aanduiding “ [naam 1] ” in de akte van 18 maart 1890 is bedoeld de boerderij op het huidige perceel

[kadastrale aanduiding 2] van [gedaagde conventie en eiser reconventie] . Dat in het kadaster mogelijk het nummer van de adressering van de boerderij “ [naam 1] ” is verwisseld met het nummer van de adressering van de bungalow van de ouders van [gedaagde conventie en eiser reconventie] van 15 naar 15a doet daaraan niet af. Bovendien heeft de rechter ter gelegenheid van de bezichtiging ter plaatse geconstateerd dat de boerderij van [gedaagde conventie en eiser reconventie] op perceel [kadastrale aanduiding 2] een oude bouwmanswoning met aangebouwde veestallen betreft en dat de woning van de ouders van [gedaagde conventie en eiser reconventie] op perceel [kadastrale aanduiding 2] een moderne woning is, zoals die in de jaren ’70 van de vorige eeuw werden gebouwd.

2.8.

Naar het tot 1 januari 1992 geldende recht ging een erfdienstbaarheid teniet door de onmogelijkheid van de uitoefening daarvan (artikel 750 oud BW), door vermenging (artikel 753 oud BW) of wanneer daarvan gedurende dertig jaar geen gebruik werd gemaakt (artikel 754 oud BW). De erfdienstbaarheid kon onder het tot 1 januari 1992 geldende recht ook teniet gaan door het doen van afstand (Hof ’s-Hertogenbosch 16 januari 21962, NJ 1962, 507). Naar huidig recht gaat een erfdienstbaarheid teniet door het doen van afstand, door vermenging of door opheffing door de rechter. Voorts gaat een erfdienstbaarheid teniet indien sprake is van een situatie, zoals bedoeld in artikel 3:106 BW.

2.9.

De stelling van [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. dat het mogelijk is dat in de akte van 18 maart 1890 in het volgens hem onleesbare gedeelte afstand is gedaan van de erfdienstbaarheid, dat deze daarin is beperkt of is komen te vervallen, is niet nader onderbouwd. Zoals reeds is overwogen in het tussenvonnis van 20 april 2016 betekent de enkele omstandigheid dat de erfdienstbaarheid na 1890 niet in latere notariële aktes wordt genoemd niet dat de erfdienstbaarheid teniet is gegaan.

Uit de door [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. aangehaalde passage “de verkopers zullen tot geene vrijwaring hoegenaamd jegens den kooper gehouden zijn wegens verborgen gebreken noch wegens erfdienstbaarheden noch wegens eenige schuldplichtigheid van welken aard en onder welke benaming voorkomende” uit de akte van 24 december 1920 (productie 23), waarbij [naam 2] is geleverd door de gebroeders [gedaagde conventie en eiser reconventie] aan Geurt [gedaagde conventie en eiser reconventie] Corneliszoon, en uit de omstandigheid dat in latere aktes deze passage is aangehaald, volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat afstand is gedaan van de erfdienstbaarheid. Het betreft immers slechts een in algemene bewoordingen gestelde vrijwaringsexceptie.

De andere door [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. genoemde omstandigheden dat er geen noodzaak was om de erfdienstbaarheid van weg over perceel [kadastrale aanduiding 1] ten gunste van [naam 1] te handhaven omdat [naam 1] al een eigen uitweg had en dat in 1960 ten laste van [naam 1] en ten gunste van het perceel aan de Bloemendaalseweg 17 (perceel [kadastrale aanduiding 8] ) een erfdienstbaarheid van uitweg is gevestigd, waarvan in 1992 afstand is gedaan, betekenen evenmin dat de erfdienstbaarheid van weg ten laste van perceel [kadastrale aanduiding 1] en ten gunste van [naam 1] heeft opgehouden te bestaan.

2.10.

Evenmin is gebleken dat de erfdienstbaarheid is teniet gegaan door vermenging. De in het rapport van het kadaster van 6 april 2016 vermelde aktes 56054/82, 59956/150 en 56054/82, welke kennelijk in het bezit zijn van [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s., zijn door hem niet overgelegd. De akte 11570/24 betreft de akte van 5 oktober 1992, waarbij een aantal percelen die eerder behoorden tot [naam 2] zijn geleverd aan E. Woudenberg. Daaruit volgt evenmin dat sprake is geweest van vermenging, waardoor de erfdienstbaarheid ten laste van perceel [kadastrale aanduiding 1] en ten behoeve van [naam 1] teniet zou zijn gegaan.

2.11.

Voor zover [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. zich beroept op rechtsverwerking, gaat ook dat beroep niet op. Niet gesteld of gebleken is dat de erfdienstbaarheid onder het tot 1 januari 1992 geldende recht is teniet gegaan door de onmogelijkheid van de uitoefening daarvan of het niet gebruiken daarvan. Van opheffing van de erfdienstbaarheid door de rechter is evenmin gebleken en ook niet van een situatie zoals bedoeld in artikel 3:106 BW.

2.12.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. er niet in is geslaagd te bewijzen dat de erfdienstbaarheid is tenietgegaan. De rechtbank ziet geen reden om een deskundige te benoemen om onderzoek te verrichten naar de inhoud van de aktes van vóór 1890, zoals [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. heeft verzocht. Niet valt in te zien wat de inhoud van de aktes van vóór 1890 zou kunnen toevoegen. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat de erfdienstbaarheid van weg, waarvan het bestaan blijkt uit de akte van 18 maart 1890, is tenietgegaan en dat deze thans dus nog steeds bestaat.

2.13.

[eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. stelt voorts dat, indien komt vast te staan dat de erfdienstbaarheid nog bestaat, de rechtbank zal moeten ingaan op zijn aanvullende verweren dat [gedaagde conventie en eiser reconventie] geen onverkorte nakoming kan verlangen om de erfdienstbaarheid te gebruiken omdat het dienend erf thans onredelijk zwaarder wordt belast dan in 1890 was bedoeld, gelet op het huidige gebruik van de erfdienstbaarheid door [gedaagde conventie en eiser reconventie] met zwaar materieel. Voor zover [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. hiermee wil betogen dat om die reden [gedaagde conventie en eiser reconventie] en al de zijnen die gebruik maken van de erfdienstbaarheid moet worden verboden perceel [kadastrale aanduiding 1] te betreden, gaat de rechtbank daaraan voorbij. [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. heeft immers geen wijziging of opheffing van de erfdienstbaarheid gevorderd.

2.14.

Het in conventie onder 1 gevorderde verbod zal dan ook worden afgewezen en de in reconventie primair gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen als na te melden. De subsidiaire vorderingen in reconventie behoeven derhalve geen bespreking.

2.15.

[eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. heeft voorts gevorderd te bepalen dat hij bevoegd is om erfafsluitingen te plaatsen tegen de erfgrens tussen zijn percelen (vordering in conventie onder 2) en die van [gedaagde conventie en eiser reconventie] . Hij voert aan dat hij er belang bij heeft om zijn perceel op twee plaatsen af te sluiten via een hek en de 15 beukenbomen. Na het tussenvonnis van 20 april 2016 heeft [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. in mei/juni 2016 een automatisch hek geplaatst aan het begin van de toegangsweg ( [kadastrale aanduiding 1] ) naar zijn perceel.

2.16.

In verband met het plaatsen van het hek heeft [gedaagde conventie en eiser reconventie] bij akte van 29 juni 2016 een provisionele vordering ingesteld, waarop bij vonnis in het incident van 14 september 2016 is beslist. Voorts heeft [gedaagde conventie en eiser reconventie] zijn eis in reconventie vermeerderd. [gedaagde conventie en eiser reconventie] vordert thans tevens [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. te veroordelen tot het staken en gestaakt houden van enige belemmering - daaronder begrepen het verwijderen van het hekwerk - inzake het gebruik van het eerste deel van de oprijlaan van [eiser conventie gedaagde reconventie] ( [kadastrale aanduiding 1] ) tot aan het pad van [gedaagde conventie en eiser reconventie] over zijn perceel ( [kadastrale aanduiding 2] ), zodat [gedaagde conventie en eiser reconventie] en het verkeer dat de onderneming van [gedaagde conventie en eiser reconventie] bezoekt via deze route onbelemmerd de vrije toegang zullen behouden tot het perceel van [gedaagde conventie en eiser reconventie] , onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag dat [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. niet aan die veroordeling voldoet, met een maximum van € 200.000,00.

In reactie daarop heeft [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. zijn eis in conventie eveneens (voorwaardelijk) vermeerderd en vordert hij thans tevens om [gedaagde conventie en eiser reconventie] en al degenen die zijn onderneming of woning bezoeken te verbieden om de doorgang over het eerste deel van perceel [kadastrale aanduiding 1] op welke wijze dan ook te belemmeren, zodat [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. en het verkeer dat de woning van [eiser conventie gedaagde reconventie] bezoekt, onbelemmerd de vrije doorgang zullen behouden tot de percelen van [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. en tot de openbare weg, onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding van dit verbod, ofwel per dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 200.000,00.

2.17.

De rechtbank stelt voorop dat [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. op grond van artikel 5:48 BW bevoegd is zijn erf af te sluiten. Dat geldt ook indien het erf is belast met een erfdienstbaarheid van weg. Indien [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. van die bevoegdheid gebruik maakt, dan dient hij ervoor te zorgen dat [gedaagde conventie en eiser reconventie] , als eigenaar van het heersend erf, onbelemmerde toegang behoudt tot het dienend erf teneinde de erfdienstbaarheid uit te oefenen. Aangezien [gedaagde conventie en eiser reconventie] op zijn erf een boerenbedrijf uitoefent, betekent dit dat [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. [gedaagde conventie en eiser reconventie] en de bezoekers van zijn erf de mogelijkheid moet bieden om op elk moment en zonder afhankelijk te zijn van de directe medewerking van [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. toegang te hebben tot perceel [kadastrale aanduiding 1] en dat de bezoekers van het erf van [gedaagde conventie en eiser reconventie] , ook indien [gedaagde conventie en eiser reconventie] zelf niet aanwezig is, daartoe toegang moeten hebben (vergelijk: Hoge Raad 23 juni 2006, NJ 2006, 352).

2.18.

[eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. heeft geen belang bij het onder 2. gevorderde, nu reeds uit artikel 5:48 BW voortvloeit dat hij bevoegd is zijn erf af te sluiten. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.

2.19.

[gedaagde conventie en eiser reconventie] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het afsluiten van het erf van [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. door middel van de door [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. geplante beukenbomen langs de toegangsweg

(tussen perceel [kadastrale aanduiding 1] en perceel [kadastrale aanduiding 2] ). Hij voert weliswaar aan dat hij van mening is dat die bomen niet aan de kant van de weg behoren te staan, maar stelt voorts dat dat thans geen punt van geschil is. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de vordering van [gedaagde conventie en eiser reconventie] met name ziet op het door [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. geplaatste elektronische hek.

2.20.

[gedaagde conventie en eiser reconventie] voert aan dat het elektronische hek, ondanks het gebruik van een code ter bediening, problemen oplevert voor de leveranciers van [gedaagde conventie en eiser reconventie] omdat zij niet over de code beschikken en [gedaagde conventie en eiser reconventie] op het moment dat hij niet aanwezig is, die code ook niet aan hen kan verschaffen. De intercom aan de voorzijde van het hek geeft slechts verbinding met [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. en niet met [gedaagde conventie en eiser reconventie] , zodat bij afwezigheid van [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. en [gedaagde conventie en eiser reconventie] , de toegang voor zijn leveranciers onmogelijk is, aldus [gedaagde conventie en eiser reconventie] . Het is volgens [gedaagde conventie en eiser reconventie] voor zijn bedrijfsvoering essentieel dat zijn erf via de erfdienstbaarheid bereikbaar blijft voor grote vrachtwagens, die anders zijn perceel niet kunnen bereiken.

[eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. betwist dat het hek een belemmering vormt. Hij voert aan dat hij de code van het hek tijdig aan [gedaagde conventie en eiser reconventie] ter beschikking heeft gesteld, zodat [gedaagde conventie en eiser reconventie] het hek kan bedienen en dat hij de betreffende code ter beschikking kan stellen aan het verkeer dat zijn onderneming bezoekt. [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. heeft een aantal foto’s overgelegd waaruit volgens hem volgt dat [gedaagde conventie en eiser reconventie] de code van het hek ook aan zijn leveranciers en andere personen ter beschikking heeft gesteld.

2.21.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde conventie en eiser reconventie] , gelet op het gemotiveerde verweer van [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s., onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat het hek een belemmering vormt voor de toegang van zijn leveranciers tot zijn erf. Uit de door [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. overgelegde foto’s volgt immers dat de vrachtwagens van de leveranciers na opening van het hek toegang hebben tot de erfdienstbaarheid en dus tot het erf van [gedaagde conventie en eiser reconventie] . Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in dat [gedaagde conventie en eiser reconventie] de code niet op voorhand kan verstrekken aan zijn leveranciers, zodat deze ook buiten zijn aanwezigheid het hek kunnen openen met de code. Ervan uitgaande dat het hek zonder tussenkomst van [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. en [gedaagde conventie en eiser reconventie] met een code kan worden geopend door de leveranciers van [gedaagde conventie en eiser reconventie] , is de rechtbank daarom van oordeel dat de aanwezigheid van het elektronische hek geen belemmering vormt voor het gebruik van de erfdienstbaarheid

Verder is niet gesteld of gebleken dat [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. het gebruik van de erfdienstbaarheid door [gedaagde conventie en eiser reconventie] of de bezoekers van zijn erf op andere wijze belemmert, zodat de (vermeerderde) vordering in reconventie zal worden afgewezen.

2.22.

Nu het bestaan van de erfdienstbaarheid van weg ten laste van perceel [kadastrale aanduiding 1] is komen vast te staan, komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de vermeerderde eis in conventie van [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s.

2.23.

De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde conventie en eiser reconventie] en de bezoekers van zijn perceel de erfdienstbaarheid op de minst bezwarende wijze dienen te gebruiken. Dat betekent dat zij niet zonder noodzaak de doorgang op perceel [kadastrale aanduiding 1] mogen belemmeren. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde conventie en eiser reconventie] of zijn bezoekers de doorgang belemmeren, zodat de vordering van [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. als onvoldoende onderbouwd zal worden afgewezen.

2.24.

[eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. zal in conventie als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in conventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde conventie en eiser reconventie] worden begroot op:

- griffierecht 285,00

- salaris advocaat 1.356,00 (3 punten × tarief € 452,00)

totaal € 1.641,00

2.25.

Nu partijen in reconventie over en weer in het ongelijk zijn gesteld, zal de rechtbank de proceskosten in reconventie compenseren in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.

wijst de vorderingen af,

3.2.

veroordeelt [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde conventie en eiser reconventie] tot op heden begroot op € 1.641,00,

3.3.

verklaart dit vonnis in conventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in reconventie

3.4.

verklaart voor recht het bestaan van de erfdienstbaarheid van weg, ten laste van het perceel [kadastrale aanduiding 1] van [eiser conventie gedaagde reconventie] c.s. en ten behoeve van het perceel [kadastrale aanduiding 2] van [gedaagde conventie en eiser reconventie] , zoals als volgt is vermeld in de akte verleden op 18 maart 1890 voor notaris R.A.I. Colenbrander te Nijkerk, welke akte is ingeschreven in het kadaster op 29 mei 1890 in deel 882 nummer 101:

“Het boerenerf [naam 1] (…)

tot welk erf behoort de erfdienstbaarheid van weg van de onder nummer [kadastrale aanduiding 1] gekadastreerde kaart tot [naam 2] behoorende steeg.”,

3.5.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.6.

compenseert de proceskosten, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt,

3.7.

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2017.