Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1077

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
C/05/281065 HA ZA 15-190 en 288277 HA ZA 15-472 en 294041 HA ZA 15-687
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2016:2971. Schadebegroting na asbestbesmetting loodsen. Aannemer en onderaannemer aansprakelijk. Schadevergoeding grotendeels toegewezen, behoudens toekomstige schade, deel interne kosten en advocaatkosten, die niet zijn aan te merken als proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

Vonnis in de hoofdzaak, vrijwaring en ondervrijwaring van 25 januari 2017

in de hoofdzaak met zaaknummer / rolnummer: C/05/281065 / HA ZA 15-190 van

de vennootschap onder firma

[eiser in de hoofdzaak] ,

gevestigd te Ter Aar, gemeente Nieuwkoop,

eiseres in de hoofdzaak,

advocaat mr. M. Van Schoonhoven te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN DE HAAR MONTAGE B.V.,

gevestigd te Barneveld,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN DE HAAR BEHEER B.V.,

gevestigd te Barneveld,

3. [gedaagde in de hoofdzaak / eiser in vrijwaring],

[adres]

gedaagden in de hoofdzaak,

advocaat mr. B.H.M. Karens te Ede,

in de zaak in vrijwaring met zaaknummer / rolnummer C/05/288277 / HA ZA 15-472 van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN DE HAAR MONTAGE B.V.,

gevestigd te Barneveld,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VAN DE HAAR BEHEER B.V.,

gevestigd te Barneveld,

3. [gedaagde in de hoofdzaak / eiser in vrijwaring],

[adres]

eisers in de vrijwaring,

advocaat mr. B.H.M. Karens te Ede,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMF SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te Barneveld,

gedaagde in de vrijwaring,

advocaat mr. A. Klaassen te Barneveld,

en in de zaak in ondervrijwaring met zaaknummer / rolnummer C/05/294041 / HA ZA

15-687 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AMF SOLUTIONS B.V.,

gevestigd te Barneveld,

eiseres in de ondervrijwaring,

advocaat mr. A. Klaassen te Barneveld,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RPS ANALYSE B.V.,

gevestigd te Breda,

gedaagde in de ondervrijwaring,

advocaat mr. C.E.E.S.M. Spierings te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiser in de hoofdzaak] Van de Haar c.s. (en afzonderlijk Van de Haar Montage, Van de Haar Beheer en [gedaagde in de hoofdzaak / eiser in vrijwaring] ), AMF en RPS worden genoemd.

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 april 2016

  • -

    de akte nadere toelichting producties en onderbouwing schade, overlegging nadere producties 76 tot en met 84, tevens houdende een vermeerdering van eis, namens [eiser in de hoofdzaak]

  • -

    de antwoordakte met producties 8 tot en met 10 namens Van de Haar c.s.

  • -

    de akte met productie 11 namens Van de Haar c.s.

  • -

    de nadere akte met productie 85 namens [eiser in de hoofdzaak]

  • -

    de akte met producties 12 en 13 namens Van de Haar c.s.

  • -

    de antwoordakte namens [eiser in de hoofdzaak] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de vrijwaring

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 april 2016

  • -

    de akte uitlating gestelde schadeposten namens AMF

  • -

    de antwoordakte namens Van de Haar c.s.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De procedure in de ondervrijwaring

3.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 20 april 2016.

3.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

4 De verdere beoordeling

4.1.

De rechtbank verwijst naar en volhardt in hetgeen is overwogen in het tussenvonnis van 20 april 2016.

in de hoofdzaak

4.2.

In voormeld tussenvonnis is [eiser in de hoofdzaak] in de gelegenheid gesteld haar schade bij akte nader toe te lichten en te onderbouwen. [eiser in de hoofdzaak] heeft daartoe een akte genomen en heeft daarbij haar eis gewijzigd, in die zin dat zij thans onder IV. vordert dat Van de Haar c.s. hoofdelijk zal worden veroordeeld tot betaling van de door [eiser in de hoofdzaak] geleden schade, die vooralsnog wordt begroot op € 864.301,36, te vermeerderen met de btw en de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente, te rekenen vanaf de afzonderlijke betaaldata van de desbetreffende facturen, althans vanaf de datum van de dagvaarding, althans vanaf de datum van het te wijzen vonnis, tot aan de dag der algehele voldoening.

Daarna heeft Van de Haar c.s. bij antwoordakte gereageerd en producties overgelegd. Vervolgens heeft Van de Haar c.s. bij een nadere akte nog een productie overgelegd. [eiser in de hoofdzaak] heeft bij akte op de door Van der Haar c.s. overgelegde producties gereageerd. Daarna heeft Van der Haar c.s. bij akte nogmaals nadere producties overgelegd, waaronder de akte uitlating gestelde schadeposten, die namens AMF in de procedure in de vrijwaring is genomen (productie 13). Over die producties heeft [eiser in de hoofdzaak] zich wederom bij akte uitgelaten.

4.3.

In de procedure in de vrijwaring is AMF toegestaan een akte te nemen om zich uit te laten over de door [eiser in de hoofdzaak] gestelde schadeposten. Deze akte is door Van de Haar c.s. als productie 13 in het geding in de hoofdzaak overgelegd. De rechtbank zal hetgeen namens AMF in voormelde akte is aangevoerd en waarnaar Van de Haar c.s. heeft verwezen bij de beoordeling van de vorderingen in de hoofdzaak betrekken, nu [eiser in de hoofdzaak] zich daarover nog heeft kunnen uitlaten.

4.4.

[eiser in de hoofdzaak] heeft de volgende schadeposten opgevoerd:

  1. kosten aanvullende en toekomstige sanering,

  2. extra kosten gas en elektriciteit in verband met aanvullende sanering,

  3. huurderving en vergoeding schade aan [naam 3] en [naam 4] ,

  4. kosten extra onderzoeken RPA-advies,

  5. kosten herstelwerkzaamheden,

  6. kosten tijdsbesteding adviseurs [eiser in de hoofdzaak]

  7. diverse kosten.

Daarnaast maakt [eiser in de hoofdzaak] aanspraak op de btw over voormelde schadeposten en op de wettelijke handelsrente.

4.5.

Van de Haar c.s. voert – kort gezegd – aan dat [eiser in de hoofdzaak] haar schade had moeten beperken door te kiezen voor een minder tijdrovende en een goedkopere wijze van sanering. Zij betwist voorts het causaal verband tussen haar tekortkoming en de gestelde schade. Zij voert daarnaast aan dat de schade voor haar niet voorzienbaar was en dat niet is voldaan aan het relativiteitvereiste. Zij betwist tevens de hoogte van de gestelde schadeposten. Voor zover de schade aan [eiser in de hoofdzaak] wordt vergoed door de verzekeraar, kan [eiser in de hoofdzaak] jegens haar geen aanspraak meer maken op vergoeding van de schade, aldus Van de Haar c.s. Voorts beroept Van de Haar c.s. zich op matiging van de schadevergoeding.

4.6.

De rechtbank stelt het volgende voorop.

Nu Van de Haar Montage jegens [eiser in de hoofdzaak] toerekenbaar is tekortgeschoten vanwege de ondeugdelijke asbestsanering door AMF, die aan Van de Haar Montage kan worden toegerekend, en Van de Haar Montage in verzuim is geraakt, heeft [eiser in de hoofdzaak] in beginsel aanspraak op volledige vergoeding van de werkelijk door haar geleden schade en dient zij zoveel mogelijk in de toestand te worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd indien de wanprestatie van Van de Haar Montage achterwege was gebleven. Van [eiser in de hoofdzaak] mocht worden verwacht dat zij binnen redelijke grenzen maatregelen zou nemen om de schade te beperken. Of zij daaraan heeft voldaan is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

4.7.

Nu Van de Haar c.s. haar algemene verweren met betrekking tot het causaal verband, de voorzienbaarheid van de schade en het ontbreken van relativiteit niet nader heeft toegelicht of onderbouwd, volstaat de rechtbank met een algemeen oordeel over deze verweren. Vaststaat dat de door [eiser in de hoofdzaak] gestelde schadeposten zich niet zouden hebben voorgedaan, indien de asbestsanering door AMF, in onderaanneming van Van de Haar Montage, deugdelijk zou hebben plaatsgevonden. Het causaal verband is daarmee in beginsel gegeven. Voorts was het ontstaan van de schade redelijkerwijs voorzienbaar. Van de Haar Montage heeft de opdracht tot asbestsanering immers aangenomen in de wetenschap dat de loodsen door de huurders van [eiser in de hoofdzaak] werden gebruikt en dat de inventaris van de huurders in de loodsen tijdens de asbestsanering en de renovatie van de daken van de loodsen zou blijven staan. Indien de asbestsanering van de daken ondeugdelijk plaatsvindt, is het risico dat de loodsen en de daarin aanwezige inventaris met asbest besmet raken en dat daarna opnieuw asbestsanering dient plaats te vinden dan ook te voorzien. Gelet op de aard van de aansprakelijkheid van Van de Haar Montage, namelijk dat het aan haar schuld is te wijten dat de schade zich heeft voorgedaan, aangezien zij moest instaan voor AMF, en het feit dat voor het uitvoeren van asbestsanering uit het oogpunt van veiligheid strenge normen gelden, welke normen zijn geschonden door AMF, hetgeen aan Van de Haar Montage kan worden toegerekend, is tevens voldaan aan het relativiteitsvereiste.

4.8.

[eiser in de hoofdzaak] heeft in november 2014 de schade gemeld bij haar verzekeraar Reaal Schadeverzekeringen N.V. (hierna: Reaal), bij wie zij een milieuschadeverzekering had afgesloten. Naar aanleiding hiervan heeft Reaal opdracht verstrekt aan EMN Expertise voor nader onderzoek omtrent de schadeoorzaak en de schadeomvang. Op 5 november 2015 heeft EMN Expertise een definitief rapport uitgebracht. Daarin is de door [eiser in de hoofdzaak] geleden schade begroot op € 733.103,92. Reaal heeft het beroep van [eiser in de hoofdzaak] op de milieuschadeverzekering afgewezen. [eiser in de hoofdzaak] heeft Reaal in verband hiermee in rechte betrokken. Deze procedure loopt thans nog.

Voor zover Van de Haar c.s. zich met betrekking tot de mogelijk door [eiser in de hoofdzaak] te ontvangen schade-uitkering van Reaal beroept op voordeelsverrekening op grond van artikel 6:100 BW, geldt het volgende. Van de Haar c.s. heeft niet weersproken dat indien en voor zover Reaal schadevergoeding uitkeert aan [eiser in de hoofdzaak] Reaal wordt gesubrogeerd in de vordering van [eiser in de hoofdzaak] op Van de Haar Montage, zodat [eiser in de hoofdzaak] die vordering dan in zoverre niet meer heeft en er dan dus geen voordeel ontstaat. Dit verweer van Van de Haar c.s. wordt dan ook verworpen.

4.9.

De rechtbank zal hierna de afzonderlijke schadeposten bespreken.

A. kosten aanvullende en toekomstige sanering

4.10.

EcoReno heeft bij facturen van 24 november 2014 tot en met 10 februari 2015 in totaal een bedrag van € 338.247,66 exclusief btw voor de saneringswerkzaamheden van de loodsen bij [eiser in de hoofdzaak] in rekening gebracht. Op enig moment is tussen [eiser in de hoofdzaak] en EcoReno een conflict ontstaan over de wijze waarop EcoReno haar werkzaamheden uitvoerde en heeft [eiser in de hoofdzaak] de betaling van de facturen opgeschort. In het kader van een minnelijke regeling in een gerechtelijke procedure tussen EcoReno en [eiser in de hoofdzaak] zijn zij tot een schikking gekomen. In totaal heeft [eiser in de hoofdzaak] aan EcoReno een bedrag van € 297.721,20 voldaan voor de sanering van de beide loodsen. Daarbij is de afspraak gemaakt dat [eiser in de hoofdzaak] nog € 20.000,00 aan EcoReno zal voldoen op het moment dat zij een uitkering heeft verkregen van haar verzekeraar, dan wel van Van de Haar Montage.

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser in de hoofdzaak] voldoende maatregelen heeft getroffen om de schade zoveel mogelijk te beperken. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen.

Op 11 november 2014 is door één van de huurders van [eiser in de hoofdzaak] de aanwezigheid van asbest in loods 5 geconstateerd. Daarna is op 19 november 2014 nader onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van asbest in de loodsen door RPA-advies. Van de Haar Montage heeft met dit nader onderzoek ingestemd. Uit dit onderzoek is gebleken dat in de beide loodsen restanten asbesthoudend materiaal zijn aangetroffen. RPA-advies heeft in het rapport van

19 november 2014 daarom geadviseerd de toegang tot de loodsen direct af te sluiten en de loodsen door een erkend SC530 bedrijf in containment te laten reinigen. Vervolgens heeft [eiser in de hoofdzaak] Van de Haar Montage verzocht mee te delen of zij in staat was die saneringswerkzaamheden op korte termijn te laten uitvoeren. Van de Haar Montage bleek daartoe echter niet in staat en daarom heeft [eiser in de hoofdzaak] op 24 november 2014, na een daartoe strekkende offerte, aan EcoReno de opdracht tot sanering van de loodsen op regiebasis verstrekt. Deze offerte met de daarbij behorende regielijsten is op 25 november 2014 aan Van de Haar Montage gezonden. Bij e-mailbericht van 28 november 2014 heeft Van de Haar Montage bezwaar gemaakt tegen de inschakeling van EcoReno omdat volgens haar onder leiding van een “Hoge Veiligheids Kundige” (hierna: HVK) de aanbevelingen uit het rapport van RPA-advies op een simpelere en goedkopere manier zouden kunnen worden uitgevoerd. Op 5 december 2014 heeft vervolgens nog een gesprek plaatsgevonden tussen partijen waarbij aan de zijde van [eiser in de hoofdzaak] tevens aanwezig waren vertegenwoordigers van EcoReno en de heer [naam 1] van RPA-advies en aan de zijde van Van de Haar Montage de heer [naam 2] van Adviber. Partijen zijn het niet eens over de inhoud van dit gesprek, maar vaststaat dat tijdens dit gesprek een discussie is gevoerd over de juiste wijze van sanering van de loodsen en dat partijen daarover geen overeenstemming hebben bereikt.

Onvoldoende weersproken is dat, gelet op het feit dat de huurders van de loodsen door de geconstateerde asbestbesmetting geen toegang hadden tot de loodsen en de daarin aanwezige voorraden, de beide loodsen met spoed dienden te worden gesaneerd, teneinde de bedrijfsschade voor de huurders te beperken. [eiser in de hoofdzaak] heeft Van de Haar Montage de gelegenheid geboden om de asbestsanering zelf te doen laten uitvoeren, maar Van de Haar Montage achtte zich hiertoe niet in staat, zodat het [eiser in de hoofdzaak] vrijstond daartoe een derde in te schakelen. De rechtbank is van oordeel dat gelet op voormelde omstandigheden het niet van [eiser in de hoofdzaak] gevergd kon worden dat zij een aanbesteding of nader uitgebreid onderzoek naar de meest optimale wijze van sanering zou laten plaatsvinden alvorens een opdracht aan een derde te verstrekken voor de asbestsanering. [eiser in de hoofdzaak] heeft op advies van de heer [naam 1] van RPA-advies, een gecertificeerd Deskundig Inventariseerder Asbest, de opdracht tot sanering verleend aan EcoReno, een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf. [eiser in de hoofdzaak] mocht op dit advies afgaan en zij behoefde geen nader onderzoek te doen naar een wellicht goedkopere oplossing. AMF voert weliswaar aan dat RPA-advies niet over de juiste accreditatie zou beschikken, maar dit is gemotiveerd weerlegd door [eiser in de hoofdzaak] . Daar komt bij dat niet is gesteld of gebleken dat een eventuele onvoldoende accreditatie van RPA-advies voor [eiser in de hoofdzaak] als leek op dit gebied, kenbaar kon zijn. Bovendien heeft Van de Haar Montage zelf ingestemd met het onderzoek door RPA-advies. Dat zij eerder AVS Advies had aanbevolen bij [eiser in de hoofdzaak] doet daaraan niet af. Daarbij is tevens van belang dat [eiser in de hoofdzaak] Van de Haar Montage in het overleg van 5 december 2014 heeft betrokken bij het overleg over de wijze van sanering. Bij dat overleg werd ieder van partijen bijgestaan door eigen deskundigen en kennelijk konden die deskundigen niet tot overeenstemming komen over de meest adequate wijze van sanering. Gelet op de spoed die was geboden bij het saneren van de loodsen kan [eiser in de hoofdzaak] niet worden verweten dat zij is gebleven bij haar keuze voor EcoReno en de door RPA-advies geadviseerde wijze van sanering.

Voorts staat niet vast dat [eiser in de hoofdzaak] EcoReno een blanco cheque heeft gegeven, zoals Van de Haar c.s. betoogt. [eiser in de hoofdzaak] heeft immers een procedure tegen EcoReno aangespannen met betrekking tot de hoogte van de facturen. Daaruit volgt dat [eiser in de hoofdzaak] heeft getracht de schade te beperken en, gelet op de met EcoReno bereikte schikking, met succes. Dat [eiser in de hoofdzaak] geen vaste prijs met EcoReno is overeengekomen, kan haar niet worden tegengeworpen, nu onvoldoende is weersproken dat de omvang van de saneringswerkzaamheden door EcoReno bij de aanvang daarvan onvoldoende konden worden ingeschat. Bovendien heeft EMN-Expertise in opdracht van verzekeraar Reaal nader onderzoek laten verrichten door Arcadis Nederland B.V. naar de werkzaamheden en facturen van EcoReno. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen onterechte werkzaamheden zijn uitgevoerd door EcoReno en zijn er evenmin onregelmatigheden geconstateerd ten aan zien van de facturering. Van de Haar c.s. heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld, op grond waarvan aan de uitkomsten van dit onderzoek zou moeten worden getwijfeld.

4.12.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat Van de Haar Montage het door [eiser in de hoofdzaak] aan EcoReno betaalde bedrag van € 297.721,20 dient te vergoeden. Niet gesteld of gebleken is waarop het bedrag van € 20.000,00 ziet. [eiser in de hoofdzaak] heeft onvoldoende onderbouwd dat dit bedrag als door haar geleden schade kan worden aangemerkt. Los hiervan is de verschuldigdheid van dit bedrag door [eiser in de hoofdzaak] gekoppeld aan uitkering van een schadevergoeding aan [eiser in de hoofdzaak] door Reaal of Van de Haar Montage, beide toekomstige onzekere gebeurtenissen. Een veroordeling tot betaling van dat bedrag is dan ook prematuur.

In zoverre zal de vordering worden afgewezen.

4.13.

In februari 2015 is volgens [eiser in de hoofdzaak] nog asbest op de vloer van loods 5 aangetroffen. Aangezien [eiser in de hoofdzaak] op dat moment nog een conflict had met EcoReno is aan de [naam 5] opdracht gegeven voor de aanvullende sanering van loods 5. Voor die werkzaamheden heeft [eiser in de hoofdzaak] € 4.450,00 aan [naam 5] voldaan.

Van de Haar c.s. heeft dit onvoldoende weersproken. Zij verwijst slechts naar het rapport van [naam 6] dat zij heeft overgelegd als productie 11. In dat rapport is over deze schade echter voor de rechtbank niets aanwijsbaar ter zake dienends vermeld. Deze schadepost zal dan ook worden toegewezen.

4.14.

Voorts maakt [eiser in de hoofdzaak] aanspraak op de kosten voor de toekomstige sanering van de harde isolatieplaten in loods 5 van in totaal € 100.824,00. Uit het rapport van RPA-advies van 16 januari 2015 volgt dat op de isolatieplaten van loods 5 asbestresten zijn aangetroffen, dat er geen verplichting bestaat tot het verwijderen hiervan, mits er geen werkzaamheden aan of boven de plafondbeplatingen of achter de wandbeplating worden uitgevoerd, en dat kan worden volstaan met het duurzaam onder asbestcondities sealen van de naden en openingen in de plafond- en wandplaten. Uit een offerte van EcoReno volgt dat de kosten van de sanering van de isolatieplaten van loods 5 € 100.824,00 zullen bedragen.

[eiser in de hoofdzaak] heeft niet toegelicht waarom zij nog niet is overgegaan tot het laten saneren van de plafondplaten van loods 5 en evenmin of zij daartoe alsnog zal overgaan en zo ja, op welke termijn. Zij heeft voorts niet gesteld dat zij thans daadwerkelijk schade lijdt doordat er nog asbestresten op de plafondplaten aanwezig zijn. Uit het rapport van RPA-advies volgt immers dat zij niet verplicht is tot verwijdering van die asbestresten en dat door het sealen van de naden en openingen thans sprake is van een veilig situatie. Bovendien heeft [eiser in de hoofdzaak] de kosten van het sealen eveneens opgevoerd als schade onder de kosten van herstelwerkzaamheden (onder E.) De rechtbank zal de kosten voor de toekomstige sanering dan ook als onvoldoende onderbouwd afwijzen.

B. extra kosten gas en elektriciteit in verband met aanvullende sanering

4.15.

[eiser in de hoofdzaak] stelt dat zij gedurende de sanering door EcoReno en de [naam 5] extra kosten heeft moet maken voor gas en elektriciteit ad in totaal € 11.180,06. Zij heeft deze kosten berekend aan de hand van de meterstanden voorafgaand en na oplevering van die werkzaamheden.

Van de Haar c.s. heeft dit gemotiveerd betwist.

4.16.

[eiser in de hoofdzaak] heeft als productie 59 een overzicht overgelegd waaruit het verbruik volgt van gas en elektriciteit over het jaar 2014. Uit die gegevens volgt niet dat het verbruik aan gas in de maanden november en december 2014 substantieel hoger was dan in de maanden januari en februari van 2014. Hieruit kan dus niet worden afgeleid dat in verband met het saneren van de loodsen in de maanden november en december 2014 extra gas is verbruikt. Het betreft immers de koude maanden van het jaar en het verbruik in de maanden januari en februari 2014 is zelfs meer dan in november en december 2014. Over de maanden januari tot en met maart 2015 zijn geen gegevens van het verbruik overgelegd. Hetzelfde geldt voor het verbruik van elektriciteit. Weliswaar blijkt uit de gegevens met betrekking tot het verbruik van elektriciteit dat in december 2014 meer is verbruikt dan in januari 2014, maar dat valt niet af te leiden uit de kosten die in het overzicht zijn vermeld. Die kosten zijn in januari 2014 en december 2014 nagenoeg gelijk. Het overzicht met betrekking tot de meterstanden, dat door [eiser in de hoofdzaak] zelf is opgesteld, is ook onvoldoende om het gestelde extra verbruik af te leiden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eiser in de hoofdzaak] deze schadepost onvoldoende heeft onderbouwd. Dat deze kosten door EMN Expertise zijn geaccepteerd als schade, doet daaraan niet af.

4.17.

De rechtbank ziet geen reden om [eiser in de hoofdzaak] alsnog toe te laten tot nadere onderbouwing en bewijslevering van deze post, zoals zij heeft verzocht. Zij is hiertoe immers al bij tussenvonnis van 20 april 2016 in de gelegenheid gesteld en zij heeft nagelaten de schade nader te onderbouwen. Voor bewijslevering is dan geen plaats. In zoverre zal de vordering dan ook worden afgewezen.

C. huurderving en vergoeding schade aan [naam 3] en [naam 4]

4.18.

Doordat de loodsen vanwege de asbestbesmetting vanaf 21 november 2014 moesten worden gesloten, hebben de huurders van [eiser in de hoofdzaak] de loodsen niet kunnen gebruiken en heeft [eiser in de hoofdzaak] in die periode huurinkomsten gederfd. Ten aanzien van [naam 3] betreft het huurderving over een periode van drie maanden van in totaal € 9.184,17 en ten aanzien van [naam 4] huurderving over een periode van vijf maanden van in totaal € 63.160,05, aldus [eiser in de hoofdzaak] . Voorts hebben de huurders schade geleden als gevolg van het stilleggen van de bedrijfsactiviteiten in de loodsen en hebben zij [eiser in de hoofdzaak] daarvoor aansprakelijk gesteld. [eiser in de hoofdzaak] stelt dat zij ter zake daarvan € 9.357,80 aan [naam 3] heeft vergoed en € 101.867,97 (€ 13.007,50 + € 88.860,47) aan [naam 4] .

4.19.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.11. met betrekking tot de door [eiser in de hoofdzaak] gekozen wijzen van sanering, gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van Van de Haar c.s. dat de sanering in een periode van drie weken had kunnen worden afgerond. Op grond van artikel 7:207 BW kan de huurder in geval van vermindering van huurgenot ten gevolge van een gebrek een daaraan evenredige vermindering van de huurprijs vorderen vanaf de dag dat het gebrek bekend was bij de verhuurder tot aan de dag, waarop het gebrek is verholpen. Als onvoldoende weersproken staat vast dat [naam 3] en [naam 4] de loodsen in het geheel niet hebben kunnen gebruiken gedurende respectievelijk drie en vijf maanden. Zij konden derhalve op grond van voormeld artikel in redelijkheid vorderen dat zij over die maanden geen huur verschuldigd waren aan [eiser in de hoofdzaak] . De gevorderde huurderving van in totaal € 72.344,22 (€ 9.184,17 + € 63.160,05) zal dan ook worden toegewezen

4.20.

De rechtbank is van oordeel dat de asbestbesmetting van de loodsen een gebrek aan het gehuurde in de zin van artikel 7:204 BW oplevert. Niet gesteld of gebleken is dat de ROZ-voorwaarden, waarnaar Van de Haar c.s. verwijst, van toepassing zijn op de huurovereenkomsten tussen [eiser in de hoofdzaak] en haar huurders, zodat niet is gebleken dat de aansprakelijkheid voor gevolgschade van [eiser in de hoofdzaak] als verhuurster is uitgesloten, nog daargelaten of [eiser in de hoofdzaak] in deze omstandigheden op een dergelijke bepaling een beroep had kunnen doen. De rechtbank gaat daarom aan dit verweer als onvoldoende onderbouwd voorbij.

Van de Haar c.s. heeft geen verweer gevoerd tegen de hoogte van de door [eiser in de hoofdzaak] gestelde schade die zij aan [naam 3] heeft vergoed. Het bedrag van € 9.357,50 zal dan ook worden toegewezen.

4.21.

Nu vaststaat dat [naam 4] het gehuurde gedurende vijf maanden niet heeft kunnen gebruiken, heeft zij in redelijkheid kunnen besluiten haar bedrijfsactiviteiten tijdelijk te verhuizen naar een andere locatie. Dat [naam 4] in verband hiermee kosten heeft gemaakt voor de transporten naar die locatie, waaronder de extra inzet van personeel, is daarvan het logische gevolg. De kosten staan derhalve in direct verband met het feit dat [naam 4] het gehuurde, ten gevolge van de toerekenbare tekortkoming van Van de Haar Montage, niet heeft kunnen gebruiken. De kosten zijn door [naam 4] voldoende gespecificeerd, zodat [eiser in de hoofdzaak] in redelijkheid tot vergoeding hiervan heeft kunnen overgaan. In het overzicht van [naam 4] met betrekking tot de extra arbeidskosten van in totaal € 34.774,14 (productie 74) is een post “uithuizen van AadR naar Ter Aar conform afspraak 76 ritten” opgenomen van € 12.502,00. Kennelijk ziet deze post op de extra arbeidskosten voor het uithuizen van de vervangende locatie in Alphen aan de Rijn naar Ter Aar in mei 2015 en niet op de vervoerskosten door Van den Bos Transport van € 13.007,50 van Alphen aan de Rijn naar Ter Aar. Van een dubbeltelling is dan ook geen sprake. Het gevorderde bedrag van € 101.867,97 zal daarom worden toegewezen.

D. kosten extra onderzoeken RPA advies

4.22.

[eiser in de hoofdzaak] stelt dat RPA-advies vier aanvullende onderzoeken heeft moeten verrichten naar de aanwezigheid van asbestrestanten in de loodsen op 21 november 2014,

16 januari 2015, 18 februari 2015 en 13 maart 2015. De kosten daarvan waren in totaal € 12.450,00. Van de Haar c.s. heeft de noodzaak van de extra onderzoeken bestreden.

4.23.

Vaststaat dat er op 21 november 2014 asbestrestanten in de loodsen zijn aangetroffen. Dat er na de vrijgaven door RPS sprake was van een asbestveilige situatie is dus niet juist. Van de Haar Montage heeft bovendien ingestemd met het onderzoek door RPA-advies op 21 november 2014. Voorts staat vast dat op de plafondplaten van loods 5 na de oplevering door AMF en Van de Haar Montage asbestrestanten aanwezig waren. Deze zijn immers bij het zagen van gaten in de harde isolatieplaten aan het licht gekomen. Anders dan Van de Haar c.s. aanvoert heeft [eiser in de hoofdzaak] niet erkend dat de isolatieplaten voldoende waren schoongemaakt. Zij heeft kennelijk per abuis gesteld dat de vraag of de isolatieplaten van loods 5 waren schoongemaakt door RPA-advies naar aanleiding van het nader onderzoek “helaas bevestigend” is beantwoord, terwijl zij bedoelde “helaas ontkennend”. Dit blijkt reeds uit het woordje “helaas” maar ook uit de rapportage van RPA-advies van 16 januari 2015 (productie 78), waarin is vermeld dat bij het onderzoek op 15 januari 2015 op twee willekeurige locaties boven de isolatiebeplating asbest is aangetroffen. [eiser in de hoofdzaak] heeft daarmee de noodzaak voor het onderzoek op 15 januari 2015 voldoende aangetoond. Dat geldt ook voor de onderzoeken die hebben plaatsgevonden op 18 februari 2015 en 13 maart 2015. Het onderzoek van 18 februari 2015 heeft ertoe geleid dat het schoonmaken van loods 5 is ingekaderd en niet geheel in containment behoefde plaats te vinden. In die zin heeft [eiser in de hoofdzaak] haar schade ook beperkt. Het onderzoek van 13 maart 2015 heeft plaatsgevonden omdat de door [naam 4] ingeschakelde Inspectie SZW een gebruiksverbod van de loodsen had opgelegd. Indien Van de Haar Montage de loodsen deugdelijk had laten saneren, waren deze onderzoeken niet nodig geweest. Het causaal verband tussen de tekortkoming van Van de Haar Montage en de schade is daarmee gegeven. De rechtbank zal deze kosten dan ook toewijzen.

E. kosten herstelwerkzaamheden

4.24.

[eiser in de hoofdzaak] maakt aanspraak op vergoeding van de kosten voor het vervangen van de poreuze binnenpanelen van de buitengevels van de beide loodsen en het sealen van de naden en openingen van de plafond- en wandplaten van loods 5. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd door Veelzijdigbouw B.V., die daarvoor in totaal € 58.661,22 in rekening heeft gebracht. Van de Haar c.s. heeft deze kosten betwist.

4.25.

Zoals hiervoor reeds is overwogen staat vast dat de harde isolatieplaten van loods 5 niet deugdelijk zijn gesaneerd door AMF. Uit het rapport van RPA-advies van 16 januari 2015 blijkt voldoende dat het sealen noodzakelijk was. Voorts volgt uit de correspondentie tussen partijen na het gesprek van 5 december 2014 (producties 41, 42 en 77) voldoende dat Van de Haar Montage geen enkele aansprakelijkheid erkende, zodat verdere ingebrekestelling geen zin had. Zoals hiervoor is overwogen staat vast dat ondanks de vrijgaven van RPS toch asbestrestanten zijn aangetroffen in de beide loodsen. Naar het oordeel van de rechtbank mocht [eiser in de hoofdzaak] in redelijkheid afgaan op de mededeling van EcoReno dat de poreuze binnenpanelen moesten worden vervangen. De kosten van deze herstelwerkzaamheden zullen dan ook worden toegewezen.

4.26.

[eiser in de hoofdzaak] maakt voorts aanspraak op de herstelkosten voor de door EcoReno toegebrachte schade aan de bekabeling van het interne telecomnetwerk van € 427,00.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ziet de rechtbank niet in dat Van de Haar Montage deze kosten moet vergoeden, nu de schade kennelijk is veroorzaakt door EcoReno bij de uitvoering van de saneringswerkzaamheden en niet is gesteld of gebleken dat deze schade onontkoombaar was. Deze kosten zullen dan ook worden afgewezen.

F. kosten tijdsbesteding adviseurs [eiser in de hoofdzaak]

4.27.

Dat door [eiser in de hoofdzaak] partiële ontbinding van de overeenkomst met Van de Haar Montage is gevorderd, betekent niet dat zij geen aanspraak kan maken op vergoeding van de kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. De schadevergoeding is immers gevorderd op grond van een toerekenbare tekortkoming van Van de Haar Montage.

4.28.

[eiser in de hoofdzaak] stelt dat zij Bart [eiser in de hoofdzaak] Advies heeft ingeschakeld om toezicht te houden op de sanering door EcoReno en het overleg met de huurders. Daarvoor is in totaal € 3.807,75 in rekening gebracht. Ook Van der Laan van Architekten- en Ingenieursbureau H.W. van der Laan B.V. heeft zij hiertoe ingeschakeld. Voorts heeft Van der Laan de gesprekken tussen partijen van 21 november 2014 en 5 december 2014 georganiseerd en is Van der Laan aanwezig geweest bij de zittingen van de rechtbank. Voor deze werkzaamheden is door Van der Laan een honorarium van in totaal € 23.062,10 in rekening gebracht. Daarnaast heeft [eiser in de hoofdzaak] Liberty Expertisebureau B.V. ingeschakeld voor technisch advies over de aanpak van de onderhavige kwestie. Liberty Expertisebureau B.V. heeft voorts een second opinion gegeven over de mogelijkheden om de door [eiser in de hoofdzaak] geleden schade zoveel mogelijk te beperken. Daarvoor is in totaal € 3.006,20 in rekening gebracht.

4.29.

De rechtbank is van oordeel dat [eiser in de hoofdzaak] de noodzaak voor het maken van de kosten in de door haar gestelde omvang onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank acht wel aannemelijk dat [eiser in de hoofdzaak] enige kosten heeft moeten maken voor overleg met de verschillende betrokken partijen. Ook indien [eiser in de hoofdzaak] die werkzaamheden niet had uitbesteed, had zij in redelijkheid aanspraak kunnen maken op vergoeding van door haar gemaakte interne kosten. [eiser in de hoofdzaak] voert overigens in het overzicht, dat is overgelegd als productie 84, ook nog een bedrag op van € 25.000,00 ter zake van haar eigen tijdsbesteding, maar zij heeft dit verder niet toegelicht. De rechtbank zal dan ook in redelijkheid voor deze advies- dan wel interne kosten een bedrag toewijzen van in totaal € 20.000,00.

4.30.

Voorts maakt [eiser in de hoofdzaak] aanspraak op vergoeding van kosten van juridische bijstand door twee advocaten van in totaal € 116.188,47.

4.31.

Voor zover deze kosten zien op advies en rechtsbijstand met betrekking tot de aansprakelijkheidstelling van Van de Haar Beheer en [gedaagde in de hoofdzaak / eiser in vrijwaring] , als bestuurders van Van de Haar Montage, de beslaglegging ten laste van hen en de in dat kader gevoerde kort geding procedures, komen deze niet voor vergoeding in aanmerking. Die kosten zijn ten onrechte gemaakt, nu de aansprakelijkheid van Van de Haar Beheer en [gedaagde in de hoofdzaak / eiser in vrijwaring] is afgewezen. Voor zover deze kosten zien op de juridische procedures jegens EcoReno en Reaal is op zich wel aannemelijk dat deze kosten gedeeltelijk zijn gemaakt in het kader van de schadebeperkingsplicht van [eiser in de hoofdzaak] maar zij heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt welke kosten zij voor deze procedures heeft gemaakt en of zij in het kader van die procedures vergoeding van de advocaatkosten had kunnen vorderen. Nu [eiser in de hoofdzaak] de gemaakte advocaatkosten niet nader heeft gespecificeerd en uit de overgelegde facturen ook niet, althans onvoldoende kan worden opgemaakt op welke werkzaamheden deze zien, kan de rechtbank evenmin beoordelen of de gevorderde kosten zien op eventuele buitengerechtelijke werkzaamheden, die niet in het kader van een proceskostenveroordeling worden vergoed. De rechtbank zal de vordering ter zake van de advocaatkosten dan ook als onvoldoende onderbouwd afwijzen.

G. Diverse kosten

4.32.

De rechtbank is van oordeel dat de kosten van onderzoek naar de kredietwaardigheid van Van de Haar Montage in redelijkheid voor vergoeding in aanmerking komen. Dat geldt niet voor de kosten voor het onderzoek naar de kredietwaardigheid van Van de Haar Beheer en [gedaagde in de hoofdzaak / eiser in vrijwaring] , nu zij niet aansprakelijk zijn voor de door [eiser in de hoofdzaak] geleden schade. De kosten naar de kredietwaardigheid van AMF komen evenmin voor vergoeding in aanmerking nu [eiser in de hoofdzaak] de noodzaak daartoe niet nader heeft toegelicht. Een bedrag van € 625,00 zal dan ook worden toegewezen.

4.33.

Lelieveld heeft de noodzaak voor de kosten voor het opzetten en afbreken van een sluis in verband met het afvoeren van de goederen van [naam 4] en het huren van een hoogwerker en een heftruck van in totaal € 4.760,75 voldoende gemotiveerd gesteld. Van de Haar c.s. heeft deze post onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal deze kosten dan ook toewijzen.

Totaal schadeposten

4.34.

Gelet op het voorgaande wordt ter zake van voormelde schadeposten het volgende toegewezen:

  • -

    kosten aanvullende en toekomstige sanering: € 302.171,20 (€ 297.721,20 + € 4.450,00)

  • -

    huurderving en vergoeding schade aan [naam 3] en [naam 4] : € 183.569,69 (€ 72.344,22 + € 9.357,50 + € 101.867,97)

  • -

    kosten extra onderzoeken RPA advies: € 12.450,00

  • -

    kosten herstelwerkzaamheden: € 58.661,22

  • -

    kosten tijdsbesteding adviseurs [eiser in de hoofdzaak] : € 20.000,00

  • -

    diverse kosten: € 5.385,57 (€ 625,00 + € 4.760,57)

totaal € 582.237,68

4.35.

Het bedrag van € 38.447,50 dat [eiser in de hoofdzaak] aanvankelijk aan Van de Haar Montage als laatste termijn had voldaan en dat door Van de Haar Montage aan [eiser in de hoofdzaak] eind november 2014 is teruggestort (zie punt 68 van de inleidende dagvaarding), strekt in mindering op voormeld bedrag, zodat in totaal een schadevergoeding van € 543.790,18 wordt toegewezen.

wettelijke (handels)rente en btw

4.36.

Nu het gaat om betaling van schadevergoeding is er geen wettelijke handelsrente verschuldigd maar wettelijke rente. Zoals in het tussenvonnis van 20 april 2016 reeds is overwogen, was Van de Haar Montage na de ingebrekestellingen van 18 november 2014,

21 november 2014 en 25 november 2014 van [eiser in de hoofdzaak] in verzuim. Zij is dan ook de wettelijke rente aan [eiser in de hoofdzaak] verschuldigd over voormelde schadeposten, met ingang van de datum dat [eiser in de hoofdzaak] deze bedragen heeft voldaan.

4.37.

[eiser in de hoofdzaak] stelt dat het schadebedrag dient te worden vermeerderd met btw. Van de Haar c.s. heeft dit weersproken en voert aan dat [eiser in de hoofdzaak] de btw in vooraftrek kan nemen, zoals blijkt uit het rapport van EMN Expertise, waarin is vermeld dat de btw verrekenbaar is. [eiser in de hoofdzaak] heeft dat onvoldoende weersproken. Zij stelt slechts dat niet in alle gevallen de btw verrekenbaar is, zonder dit nader toe te lichten..

De rechtbank zal geen btw over de toegewezen schadeposten toewijzen, nu [eiser in de hoofdzaak] onvoldoende heeft onderbouwd dat zij de btw niet in vooraftrek kan nemen.

Matiging

4.38.

Naar het oordeel van de rechtbank is er bij toekenning van de schadevergoeding tot voormeld bedrag van in totaal € 543.790,18, vermeerderd met wettelijke rente, geen sprake van kennelijk onaanvaardbare gevolgen, die een matiging zouden rechtvaardigen. Van de Haar c.s. heeft daartoe onvoldoende gesteld. Gelet op de aard van de aansprakelijkheid van Van de Haar Montage, namelijk dat het aan haar schuld is te wijten dat de schade zich heeft voorgedaan, aangezien zij moest instaan voor AMF, en het feit dat voor het uitvoeren van asbestsanering uit het oogpunt van veiligheid strenge normen gelden, welke normen zijn geschonden door AMF, hetgeen aan Van de Haar Montage kan worden toegerekend, bestaat in de rechtsverhouding tussen [eiser in de hoofdzaak] en Van de Haar Montage geen reden op grond waarvan de gevolgen van de ondeugdelijke asbestsanering deels voor risico en rekening van [eiser in de hoofdzaak] zouden moeten blijven. Voorts heeft Van de Haar c.s. niets gesteld omtrent de feitelijke draagkracht van haarzelf en evenmin omtrent de draagkracht van [eiser in de hoofdzaak] . Van “asbesthysterie” aan de zijde van [eiser in de hoofdzaak] is niet gebleken. Het beroep op matiging wordt dan ook verworpen.

4.39.

Van de Haar Montage zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten, waaronder de kosten in het incident in vrijwaring, worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser in de hoofdzaak] worden begroot op:

- dagvaarding € 103,42

- griffierecht 3.864,00

- salaris advocaat 9.030,00 (3,5 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 12.997,42

4.40.

In het tussenvonnis van 20 april 2016 is de vordering van [eiser in de hoofdzaak] jegens Van de Haar Beheer en [gedaagde in de hoofdzaak / eiser in vrijwaring] afgewezen. De kosten van het door [eiser in de hoofdzaak] ten laste van hen gelegde beslag komen dan ook niet voor vergoeding in aanmerking. Niet gesteld of gebleken is dat Van de Haar Beheer en [gedaagde in de hoofdzaak / eiser in vrijwaring] , los van Van de Haar Montage, proceskosten hebben gemaakt, zodat er voor een proceskostenveroordeling van [eiser in de hoofdzaak] geen plaats is.

in de vrijwaring

4.41.

In het tussenvonnis van 20 april 2016 is [eiser in de hoofdzaak] in de hoofdzaak in de gelegenheid gesteld haar schade bij akte nader toe te lichten en te onderbouwen. In de vrijwaring is AMF op haar verzoek toegestaan een akte uitlating schadeposten te nemen. Van de Haar c.s. heeft daarop bij antwoordakte gereageerd. Nu partijen zich reeds hebben kunnen uitlaten over de door [eiser in de hoofdzaak] opgevoerde schadeposten, ziet de rechtbank geen reden om nog een nadere aktewisseling door partijen te laten plaatsvinden.

4.42.

De rechtbank verwijst naar hetgeen hiervoor in de hoofdzaak is overwogen en beslist met betrekking tot de door [eiser in de hoofdzaak] gestelde schade. In het tussenvonnis van 20 april 2016 heeft de rechtbank reeds beslist dat AMF gehouden is Van de Haar Montage ter zake van deze schade te vrijwaren. De vordering van Van de Haar c.s. zal dan ook als na te melden worden toegewezen.

4.43.

De vordering van Van de Haar c.s. omvat de veroordeling van AMF tot vergoeding van de proceskosten in de hoofdzaak. Het door Van de Haar c.s. in de hoofdzaak gevoerde verweer diende mede ter verdediging van de belangen van AMF. De proceskosten die in de hoofdzaak voor rekening van Van de Haar c.s. zijn gekomen, moeten daarom door AMF worden vergoed.

4.44.

AMF zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten, waaronder het incident in ondervrijwaring, worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Van de Haar c.s. worden begroot op:

- dagvaarding € 82,63

- salaris advocaat 5.160,00 (2 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 5.242,63

in de ondervrijwaring

4.45.

In het tussenvonnis van 20 april 2016 is de vordering van AMF in de ondervrijwaring reeds afgewezen.

4.46.

AMF zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van RPS worden begroot op:

- griffierecht 3.864,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2 punten × tarief € 2.580,00)

Totaal € 9.024,00

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

5.1.

verklaart voor recht dat Van de Haar Montage toerekenbaar is tekortgeschoten jegens [eiser in de hoofdzaak] in de nakoming van de tussen hen gesloten aannemingsovereenkomst van

6 oktober 2014,

5.2.

ontbindt de tussen partijen gesloten aannemingsovereenkomst van 6 oktober 2014 voor zover deze overeenkomst betrekking heeft op de ondeugdelijk uitgevoerde saneringswerkzaamheden en voor zover de overeenkomst betrekking heeft op de in de tweede fase uit te voeren werkzaamheden,

5.3.

veroordeelt Van de Haar Montage om aan [eiser in de hoofdzaak] te betalen een bedrag van

€ 543.790,18, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag telkens te rekenen vanaf de afzonderlijke betaaldata van de door [eiser in de hoofdzaak] aan derden betaalde facturen ter zake van de schadeposten, althans vanaf 23 maart 2015 voor zover het de interne kosten van [eiser in de hoofdzaak] betreft,

5.4.

veroordeelt Van de Haar Montage in de kosten van de hoofdzaak en het incident, aan de zijde van [eiser in de hoofdzaak] tot op heden begroot op € 12.997,42, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

veroordeelt Van de Haar Montage in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Van de Haar Montage niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat, alsmede de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.6.

verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de zaak in vrijwaring

5.8.

veroordeelt AMF aan Van de Haar c.s. te betalen al hetgeen waartoe Van de Haar Montage in de hoofdzaak jegens [eiser in de hoofdzaak] is veroordeeld, waaronder de proceskosten van de hoofdzaak waarin Van de Haar c.s. is veroordeeld, aan de zijde van [eiser in de hoofdzaak] begroot op

€ 12.997,42,

5.9.

veroordeelt AMF in de kosten van de vrijwaringszaak, aan de zijde van Van de Haar c.s. tot op heden begroot op € 5.242,63,

5.10.

veroordeelt AMF in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat AMF niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat, alsmede de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.11.

verklaart dit vonnis in deze zaak uitvoerbaar bij voorraad,

5.12.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in de ondervrijwaring

5.13.

wijst de vorderingen af,

5.14.

veroordeelt AMF in de kosten van de ondervrijwaringszaak, aan de zijde van RPS tot op heden begroot op € 9.024,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.15.

veroordeelt AMF in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat AMF niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat, alsmede de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.16.

verklaart dit vonnis in deze zaak tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman, mr. R.J.J. van Acht en mr. G.J. Meijer en in het openbaar uitgesproken op 25 januari 2017.