Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1055

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 399
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Herplantplicht opgelegd; Bomenbeleidsplan; bomenlijst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/399

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

(gemachtigde: J.V.A.M. Ankoné)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland te Borculo, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2015 heeft verweerder eiser een herplantplicht opgelegd en aangekondigd een dwangsom te zullen gaan opleggen.

Op 4 mei 2015 heeft eiser een zienswijze ingediend.

Bij besluit van 8 juli 2015 heeft verweerder een dwangsom ten aanzien van de herplantplicht opgelegd. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 11 december 2015 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder het besluit van 8 juli 2015 ingetrokken, de motivering van het besluit van 22 april 2015 aangevuld, het besluit van 22 april 2015 aangemerkt als het besluit waartegen eiser bezwaar kon maken, omdat bij dit besluit de herplantplicht is opgelegd en het ingediende bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juni 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

M. Lubberink, T. Hendriksen en I.W. IJsebrands. Voorts is als deskundige H. Slootjes, werkzaam bij Touchtree, verschenen.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde eiser in de gelegenheid te stellen een nieuw voorstel tot herplant aan verweerder te doen. Eiser heeft dit voorstel op 14 juni 2016 aan verweerder doen toekomen. Bij brief van 7 juli 2016 heeft verweerder de rechtbank laten weten geen reden tot aanpassing van het bestreden besluit te zien.

Het nadere onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door M. Lubberink, T. Hendriksen en I.W. IJsebrands. Voorts is als deskundige H. Slootjes, werkzaam bij Touchtree, verschenen.

Overwegingen

1. De navolgende bepalingen zijn van belang.

Ingevolge artikel 1 van de Omgevingsverordening Bijzondere Bomen en –Groene Structuren 2010 van de gemeente Berkelland (hierna: de Verordening) wordt in deze verordening verstaan onder:

m: groepen: a. bomen op erven en in tuinen binnen de bebouwde kom;

b. bomen op erven en in tuinen buiten de bebouwde kom;

c. openbare houtopstanden binnen de bebouwde kom;

d. houtopstanden welke meldingsplichtig zijn op grond van de Boswet;

e. overige landschappelijke houtopstanden;

s: rooien: het geheel verwijderen of verplanten van de houtopstand;

v: kappen of het snoeien van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen, het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening zijn burgemeester en wethouders bevoegd om de lijst bijzondere bomen en –groene structuren vast te stellen. Deze ‘bijzondere’ bomenlijst wordt onderverdeeld in deellijsten naar de groepen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder m, van deze verordening. De veranderingen op deze lijst worden in beginsel half jaarlijks door het college vastgesteld.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Verordening is het verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag:

a. een boom of houtopstand die voorkomt op de lijst, bedoeld in artikel 2, eerste lid,

b. houtopstanden welke meldingsplichtig zijn op grond van de Boswet en

c. overige landschappelijke houtopstanden te (doen) vellen of te (laten) rooien.

Ingevolge het eerste lid van artikel 7 van de Verordening kan het bevoegd gezag, indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze verordening van toepassing is, zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstanden bevond, dan wel aan degene die uit andere hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn.

2. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser heeft op 11 februari 2015 op zijn perceel nabij de [locatie] in [woonplaats] zonder vergunning een esrand, bestaande uit 15 bomen, en een struikrand gekapt. Het gaat om een strook van 105 bij 5 meter met daarop 5 zomereiken met twee stammen, 1 es met twee stammen en 9 opgaande zomereiken. De struiklaag bestond uit lijsterbes, vlier en hazelaar.

3. Verweerder heeft aangegeven veel belang te hechten aan het behoud en herstel van de landschapswaarden. Verweerder heeft de totale herplantplicht berekend op 5086m2. Op herplantlocatie A moet herplanting plaatsvinden van 525m2 (105 bij 5 meter) bestaande uit 232 stuks bosplantsoen: 47 stuks es, 59 stuks zomereiken, 35 stuks zoete kers, 23 stuks lijsterbes, 23 hazelaar, 23 meidoorn en 23 stuks gelderse roos alsmede 10 laanbomen met een omtrek van 10-12 dhb, bestaande uit 6 zomereiken en 4 gewone essen. Daarmee heeft eiser volgens verweerder voldaan aan (525 +500=) 1025m2 herbeplanting. Aangezien eiser 5086m2 moet herplanten, blijft er nog 4061m2 over om elders te herplanten. Op herplantlocatie B moet herplanting plaatsvinden van 670m2 (135 bij 5 meter) beplanten met 298 stuks bosplantsoen: 59 stuks gewone es, 74 stuks zomereik, 45 stuks zoete kers, 30 stuks lijsterbes, 30 stuks hazelaar, 30 stuks meidoorn en 30 stuks gelderse roos. Op herplantlocatie C moet een herplanting plaatsvinden van 3360m2 (420 bij 8 meter) met 1493 stuks bosplantsoen: 299 stuks gewone es, 373 stuks zomereik, 225 stuks zoete kers, 149 stuks lijsterbes, 149 stuks hazelaar, 149 stuks meidoorn en 149 stuks gelderse roos. Hierbij heeft verweerder bepalingen opgenomen over de maat van het bosplantsoen en rasterpalen.

Ten aanzien van de de kosten van herplant heeft verweerder overwogen dat de vermogensschade niet van dien aard is dat dit zou moeten leiden tot een vermindering van de herplant omdat er sprake is van grote verloren gegane landschappelijke waarde.

4. Eiser heeft aangevoerd dat de bomen zijn gerooid vanwege een verkeersonveilige situatie, mogelijke schade door het omwaaien van bomen en slechte afwatering. Voorts heeft eiser aangevoerd dat hij via de website van verweerder de bijzondere bomenlijst heeft geraadpleegd en dat deze bomen daar niet opstonden, zodat hij meende deze bomen te mogen vellen/rooien. Eiser is van mening dat hij te goeder trouw heeft gehandeld. Voor zover hij een herplantplicht heeft, kan eiser zich niet vinden in de berekeningswijze van verweerder. Die hanteert een m3 berekening die vervolgens in m2 wordt uitgerold. Eiser vindt dat dit punitief is en niet reparatoir en vindt de berekening van verweerder disproportioneel. Eiser beroept zich op het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de herplantplicht zoals deze bij andere gemeentes geldt.

Eiser heeft aangevoerd dat hij vele kosten moet maken om aan de herplantplicht van meer dan 5000m2 te kunnen voldoen en dat hij daarvan nog vele jaren schade zal ondervinden.

5. 1 De rechtbank overweegt als volgt.

5.2

Vaststaat dat de door eiser gerooide/gekapte bomen niet op een bijzondere bomenlijst staan en geacht worden te vallen onder “overige landschappelijke houtopstanden”. Voor het kappen van deze bomen was op grond van artikel 3 van de Verordening een vergunning vereist. Verweerder was derhalve bevoegd tot het opleggen van een herplantplicht.

5.3

Bij de toepassing van de bevoegdheid voor het geven van aanwijzingen als bedoeld in het hiervoor vermelde artikel 7 van de Verordening komt aan verweerder een ruime mate van beleidsvrijheid toe, hetgeen betekent dat de rechtbank het resultaat van de afweging van belangen terughoudend heeft te toetsen.

5.4

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij het vaststellen van de herplantplicht gebruik maakt van het Bomenbeleidsplan (hierna: beleidsplan). Daarbij heeft verweerder “de impact van de houtopstand op haar omgeving” als uitgangspunt voor de herplantplicht gekozen. Voor een solitaire boom op een erf of tuin buiten de bebouwde kom bepaalt verweerder de boomhoogte en hanteert daarbij als uitgangspunt dat de te herplanten boom minimaal de lengte van 1/3 van de hoogte van de te verwijderen boom moet hebben. Bij een solitaire boom buiten de bebouwde kom alsmede houtopstand buiten de bebouwde kom die vallen onder de groep “overige landschappelijke houtopstanden” hanteert verweerder een geheel andere wijze van berekenen, namelijk de inhoud bepalen in m3 door gemiddelde kroonprojectie x gemiddelde hoogte (3,14x R2 x m). Daarbij heeft verweerder als uitgangspunt opgenomen om de m3 inhoud als oppervlakte in m2 te laten herplanten.

5.5

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 30 november 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3175) overweegt de rechtbank dat verweerder bij het opleggen van een herplantplicht het herstel van landschappelijke waarden, voor zover die zijn aangetast door het zonder vergunning vellen van de houtopstand, als uitgangspunt mag nemen. Verweerder mocht daarbij ook betekenis toekennen aan de omstandigheid dat de gevelde bomen ongeveer 80 jaar oud waren, en dat herplant van een jonge boom pas na een ruime periode tot een vergelijkbare landschappelijke waarde zal leiden.

Dit neemt echter niet weg dat herplant in beginsel een equivalent dient te vormen van hetgeen verloren is gegaan door het zonder de vereiste vergunning vellen van houtopstanden. Evenmin staat het verweerder vrij om een herplantplicht op te leggen die is gericht op versterking van het ruimtelijk beeld, nu dat het herstelkarakter van de herplantplicht te boven gaat.

Verweerder diende bij het opleggen van de herplantplicht dan ook te streven naar herstel van de landschappelijke waarden zoals die bestonden in de situatie voorafgaand aan het vellen van de houtopstand. De rechtbank wijst er hierbij op dat het in dit geval voor verweerder mogelijk was om de omvang van de zonder vergunning gevelde houtopstand vrij precies vast te stellen en verweerder dus gehouden was om bij het opleggen van de herplantplicht aan te sluiten bij de feitelijke situatie zoals die voor het vellen bestond.

Door de herplantplicht vast te stellen zoals verweerder heeft gedaan, en deze bij het bestreden besluit in stand te laten, heeft verweerder het voorgaande onvoldoende in aanmerking genomen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat de opgelegde herplantplicht niet ruimer is dan nodig is ter herstel van de landschappelijke waarden die door het vellen van de houtopstand verloren zijn gegaan.

6.1

Hierbij overweegt de rechtbank nog als volgt.

6.2

Eiser heeft aangevoerd dat hij de bijzondere bomenlijst heeft geraadpleegd en dat deze bomen daar niet opstonden zodat hij mocht menen geen vergunning nodig te hebben. Daarbij heeft eiser tevens gewezen op de door hem gedane KLIC-melding.

6.3

Uit artikel 2, eerste lid, van de Verordening volgt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn om de lijst bijzondere bomen en groene structuren vast te stellen en dat deze ‘bijzondere’ bomenlijst wordt onderverdeeld in deellijsten naar de groepen als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder m, van deze verordening zijnde a. bomen op erven en in tuinen binnen de bebouwde kom; b. bomen op erven en in tuinen buiten de bebouwde kom; c. openbare houtopstanden binnen de bebouwde kom; d. houtopstanden welke meldingsplichtig zijn op grond van de Boswet en e. overige landschappelijke houtopstanden;

6.4

De rechtbank stelt vast dat op de website van verweerder, zoals deze website luidde ten tijde van de aanvraag, alleen de deellijsten voor groep a: Bijzondere bomenlijst voor bomen op erven en in tuinen binnen de bebouwde kom en groep b: Bijzondere bomenlijst voor bomen op erven en in tuinen buiten de bebouwde kom aanwezig waren. Daarbij stond vermeld: “U hoeft geen omgevingsvergunning aan te vragen voor: het vellen van houtopstanden die buiten de bebouwde kom staan en NIET voorkomen op de Bijzondere bomenlijst voor bomen op erven en in tuinen buiten de bebouwde kom.” De deellijsten voor de overige hiervoor in overweging 6.3 vermelde groepen c, d en e, die verweerder voorheen wel op de website vermeldde, ontbraken. Verweerder heeft daarover ter zitting verklaard dat de nieuwe lijsten “in brokken” op de website zijn gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat eiser door deze handelwijze van verweerder mogelijk op het verkeerde been is gezet en dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid waarmee verweerder bij het vaststellen van het nieuwe besluit op bezwaar rekening dient te houden.

7. Het beroep is gegrond. Verweerder dient een nieuw besluit op het bezwaar van eiser te nemen. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank wijst het verzoek om integrale vergoeding van de door eisers gemachtigde gemaakte kosten af en zal de kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vaststellen op

€ 1237,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1 voor het gewicht van de zaak). De door eiser gevorderde verletkosten zijn niet nader onderbouwd en bepaalt de rechtbank op € 42 (6 uren à € 7). Voorts komen de door eiser gevorderde reiskosten voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank bepaalt deze kosten op € 55,04 (2 x € 27,52) op basis van openbaar vervoer tweede klasse. Verder dient verweerder het betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar van eiser;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van beroep ten bedrage van € 1334,54;

bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 168 aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van der Linde, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.G. Smeenk, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.