Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2017:1025

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-02-2017
Datum publicatie
08-05-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2293
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:1139, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor het bouwen van een Action met een oppervlakte van 1100 m² te ’s-Heerenberg (artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wabo in combinatie met artikel 2.1, eerste lid, onder c Wabo en artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wabo).

Verweerder heeft voor het bouwplan ten onrechte geen verklaring van geen bedenkingen (VVGB) aan de gemeenteraad gevraagd.

Het bouwplan is vanwege de oppervlakte aan te merken als een “nieuwe stedelijke ontwikkeling” als bedoeld in artikel 3.1.6 Bro, zodat de ladder duurzame verstedelijking van toepassing is. Met het later opgestelde rapport van DTNP heeft verweerder alsnog voldaan aan de ladder-toets.

Eisers hebben voorts diverse beroepsgronden aangevoerd op het gebied van parkeren, luchtkwaliteit, geluid en milieuzonering, archeologie en verkeersveiligheid. Deze gronden slagen niet.

Het beroep is gegrond vanwege het ontbreken van de VVGB. De rechtbank ziet, vanwege de alsnog verkregen VVGB en de door verweerder aangeleverde nadere motivering voor diverse onderwerpen, aanleiding de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2364
Omgevingsvergunning in de praktijk 2017/7655
JBO 2017/120 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/2293

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], [eiser 3], [eiser 4], [eiser 5], [eiser 6], [eiser 7], [eiser 8a] [eiser 9], [eiser 10] en [eiser 11], [eiser 12], [eiser 13] en [eiser 14], [eiser 15] , [eiser 16] , [eiser 17] , [eiser 19] , [eiser 20] , [eiser 21] , [eiser 22] , [eiser 23] , [eiser 24] , [eiser 25] en [eiser 26] , [eiser 27] , [eiser 28] , [eiser 29] [eiser 30] , [eiser 32] , [eiser 33] , [eiser 34] [eiser 35]

te [woonplaats]

eisers

(gemachtigde: mr. J.H.B. Averdijk),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland, verweerder.

(gemachtigde: mr. J.H. Meijer)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] te [plaats] .

Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor een detailhandelsvestiging met parkeervoorzieningen aan de Molenpoortstraat 16-18 te ’s-Heerenberg (hierna: het perceel).

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij besluit van 26 mei 2016 heeft de gemeenteraad een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2016. Namens eisers zijn verschenen [eiser 1] . en [eiser 2] , [eiser 4] en [eiser 5] , bijgestaan door mr. I.C. Dunhof-Lampe. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden L.M.N.J. Meuleman en M.G.M. Tonin. Namens de derde-partij is verschenen [naam] .

Bij brief van 5 oktober 2016 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak doorverwezen naar de meervoudige kamer. Vervolgens hebben eisers desgevraagd geen toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvond.

Bij brief van 11 januari 2017 heeft verweerder diverse stukken en rapporten in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 23 januari 2017. Namens eisers zijn verschenen [eiser 1] en [eiser 2] , [eiser 4] , [eiser 5] , [eiser 28] , [eiser 15] en [eiser 7] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.N.J. Meuleman, M.G.M. Tonin en een kantoorgenoot van zijn gemachtigde, mr. V.A. Texor. Namens de derde-partij is verschenen [naam] .

Overwegingen

1. Het bouwplan heeft betrekking op de vestiging van een Action met een oppervlakte van 1100 m² in een nieuw te bouwen verdieping boven de reeds bestaande Aldi-supermarkt, alsmede op de aanleg van parkeervoorzieningen op het perceel. Door de extra verdieping gaat de bouwhoogte 9 meter bedragen. Voor de Aldi-supermarkt, die gebouwd is op de plaats waar voorheen een Coöp-supermarkt was gevestigd, heeft verweerder op 12 mei 2015 reeds een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” verleend. Deze omgevingsvergunning is in rechte onaantastbaar.

Het bouwplan is op een aantal punten in strijd met het op 30 januari 2014 vastgestelde bestemmingsplan “Centrum ’s-Heerenberg e.o.” (hierna: het bestemmingsplan):

  • -

    het bouwplan is deels gesitueerd op gronden met de bestemming ‘verkeer’ terwijl ter plaatse gebruik voor winkeldoeleinden is voorzien;

  • -

    het bouwplan overschrijdt de bouwgrens met 170 m²;

  • -

    de maximaal toegestane bouwhoogte van 5 meter wordt met 4 meter overschreden;

  • -

    nieuwe parkeerplaatsen worden gecreëerd ter plaatse van de voormalige woning De Bleek 8 waar de bestemming ‘wonen’ geldt.

In het bestreden besluit heeft verweerder aan de derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten “bouwen” op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), alsmede voor de activiteit “strijdig gebruik” op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, onder 3°, van de Wabo. De omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ingevolge 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3˚, van de Wabo, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Ontvankelijkheid

2. Ingevolge artikel 6.13 van de Awb kan bij de rechtbank geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijze heeft ingediend tegen de ontwerp-omgevingsvergunning.

2.1.

Eisers [eiser 1] en [eiser 2] , [eiser 9] , [eiser 7] , [eiser 10] , [eiser 11] , [eiser 5] , [eiser 12] , [eiser 8] , [eiser 3] , [eiser 6] , [eiser 4] en [eiser 13] (hierna: eisers X), hebben een zienswijze ingediend.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat eisers X woonachtig zijn in de directe omgeving van het perceel waarop de Action is gepland. De rechtbank is dan ook van oordeel dat wordt voldaan aan het zogenaamde nabijheidscriterium zodat eisers X kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van de Awb.

2.2.

Eisers [eiser 15] , [eiser 8a] [eiser 14] , [eiser 16] , [eiser 17] , [eiser 19] , [eiser 20] , [eiser 21] , [eiser 22] , [eiser 23] , [eiser 24] , [eiser 25] , [eiser 26] , [eiser 27] , [eiser 28] , [eiser 29] [eiser 32] , [eiser 33] , [eiser 30] , [eiser 34] en [eiser 35] (hierna: eisers Y) hebben geen zienswijze ingediend.

Eisers Y zijn, nu niet gesteld of gebleken is dat het niet indienen van een zienswijze hen niet verweten mag worden , niet-ontvankelijk in hun beroep.

Inspraak

3. Eisers betogen dat de inspraak gebrekkig is verlopen en dat geen informatieavond voor omwonenden is georganiseerd om hen te informeren over de bouwplannen.

3.1.

De rechtbank overweegt dat verweerder heeft voldaan aan de wettelijke inspraakmogelijkheden met het volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als gevolg waarvan zienswijzen tegen het besluit konden worden ingediend. Er bestaat geen wettelijke verplichting om daarnaast een informatieavond voor omwonenden te organiseren.

De beroepsgrond faalt.

Verklaring van geen bedenkingen

4. Eisers betogen dat verweerder ten onrechte geen gewijzigd besluit heeft vastgesteld en bekend gemaakt, nadat de gemeenteraad op 26 mei 2016 en derhalve na het verlenen van de omgevingsvergunning, alsnog een verklaring van geen bedenkingen had verleend.

4.1.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 8 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2134) stelt de rechtbank voorop dat de door de gemeenteraad op 27 januari 2010 opgestelde algemene verklaring van geen bedenkingen op grond waarvan nooit een verklaring van geen bedenkingen is vereist, niet kan worden aangemerkt als een aanwijzing van een categorie van gevallen, als bedoeld in artikel 6.5, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor). Gelet hierop is het besluit van 27 januari 2010 onverbindend en was alsnog een verklaring van geen bedenkingen, ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Bor, voor het project vereist. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is dit reeds overwogen. Vervolgens heeft de gemeenteraad op 26 mei 2016 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Dit is te laat, aangezien ingevolge artikel 6.5, eerste lid, van het Bor de gemeenteraad deze verklaring had moeten afgeven alvorens verweerder de omgevingsvergunning verleende. Het bestreden besluit is daarom genomen in strijd met het bepaalde in artikel 2.27, vijfde lid, van de Wabo en artikel 6.5, eerste lid, Bor. Voorts heeft verweerder geen nieuw besluit genomen nadat de verklaring van geen bedenkingen is verleend. Het betoog slaagt.

Het beroep is daarom gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

Nu de verklaring van geen bedenkingen er ondertussen is, ziet de rechtbank aanleiding te bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand kunnen blijven.

5. Eisers betogen daaromtrent dat in de verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad geen afzonderlijke ruimtelijke afweging is gemaakt en dat niet blijkt dat de belangen van omwonenden in dit besluit zijn betrokken. In hun ogen behelst de verklaring niet meer dan een blanco cheque voor het bouwplan.

5.1.

De rechtbank stelt aan de hand van de door verweerder op 11 januari 2017 toegezonden stukken, waaronder de brief met bijlagen aan de gemeenteraad van 23 februari 2016, vast dat de gemeenteraad in ieder geval beschikte over de ingediende zienswijzen en de reactie van verweerder daarop via het zienswijzenverslag. Voorts overweegt de rechtbank dat, indien de gemeenteraad kan instemmen met de ruimtelijke afweging die het college van burgemeester en wethouders heeft gemaakt, een zelfstandige ruimtelijke afweging, die daarmee gelijkluidend zou zijn aan de motivering in het bestreden besluit, niet noodzakelijk is. Deze situatie doet zich hier voor. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de stelling dat de gemeenteraad de belangen van de omwonenden niet bij het besluit tot het afgeven van de verklaring van geen bedenkingen heeft betrokken. De omstandigheid dat uit de tekst van het besluit niet expliciet blijkt dat de gemeenteraad het standpunt van verweerder ten aanzien van de belangenafweging heeft overgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. De door eisers bepleite expliciete motiveringsplicht van de gemeenteraad kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden afgeleid uit de door eisers aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016,1589. Het betoog faalt.

5.2.

Gelet op het voorgaande, geven de door eisers nader aangevoerde beroepsgronden ten aanzien van de verklaring van geen bedenkingen geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit reeds daarom niet in stand kunnen worden gelaten.

In het hierna volgende zal worden beoordeeld of de overige beroepsgronden daartoe aanleiding geven. Daarbij wordt uitgegaan van de feiten en omstandigheden ten tijde van het doen van deze uitspraak, en niet die van het moment van het bestreden besluit (zie de uitspraak van de Afdeling van 13 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO0267).

Welstand

6. Eisers betogen dat het bouwplan te massaal is en niet past in de omgeving. Volgens eisers had verweerder, gelet op het negatieve welstandsadvies van de welstandscommissie van 23 oktober 2015, geen omgevingsvergunning mogen verlenen.

6.1.

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de gemeenteraad op 13 november 2014 heeft besloten om het gehele grondgebied van de gemeente welstandsvrij te verklaren, met uitzondering van de historische kern van ’s-Heerenberg. Vooruitlopend op een aangepaste welstandsnota, heeft verweerder ten tijde van het ontwerpbesluit besloten om hierop te anticiperen en af te wijken van het negatieve welstandsadvies. Verweerder heeft voorts overwogen dat de ontwikkeling van het kernwinkelgebied op deze locatie van economisch belang is, zodat ook daarom van het negatieve welstandsadvies wordt afgeweken.

6.2.

Ingevolge artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet kan de gemeenteraad besluiten dat, in afwijking van het eerste lid en artikel 2.10, eerste lid, onder d, van de Wabo, voor een daarbij aan te wijzen gebied of voor een of meer daarbij aan te wijzen categorieën van bestaande en te bouwen bouwwerken geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

6.3.

De rechtbank stelt vast dat op grond van de op 26 november 2015 gewijzigde, en op 1 januari 2016 in werking getreden, welstandsnota het perceel is gelegen in een welstandsvrij gebied. Er zijn daardoor geen welstandseisen op het bouwplan van toepassing, zodat het eerdere negatieve welstandsadvies is achterhaald en door verweerder niet bij zijn besluitvorming behoefde te worden betrokken. Dit welstandsadvies was immers gebaseerd op een eerdere versie van de welstandsnota, op grond waarvan wel een welstandstoets diende plaats te vinden. De beroepsgrond faalt.

Ladder duurzame verstedelijking, omgevingsverordening Gelderland en detailhandelsbeleid

7. Eisers betogen dat het bouwplan ten onrechte niet is getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de ladder). Volgens eisers heeft verweerder niet inzichtelijk gemaakt of er sprake is van een kwalitatieve en kwantitatieve behoefte, en wordt voorbijgegaan aan het aspect relevante leegstand. Eisers betogen voorts dat ten onrechte geen distributieplanologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, en dat geen behoefte bestaat aan de Action, gelet op het aanbod hiervan in de regio (Zevenaar, Dinxperlo en Ulft).

Volgens eisers is voorts ten onrechte niet getoetst aan artikel 2.3.3.1 van de Omgevingsverordening Gelderland. Uit het bestreden besluit wordt niet duidelijk of de ontwikkeling leidt tot een duurzame ontwrichting van de detailhandelsstructuur en hoe de ontwikkeling zich verhoudt tot de eventueel gemaakte intergemeentelijke afspraken met betrekking tot detailhandel.

Eisers betogen voorts dat blijkens de gemeentelijke detailhandelsstructuurvisie het toevoegen van detailhandel ongewenst is vanwege het hoge winkelaanbod in vergelijking met soortgelijke kernen, de bovengemiddeld hoge leegstandscijfers, de trends in winkelgedrag en de bevolkingskrimp. Volgens eisers wordt in deze detailhandelsstructuurvisie ook niet gesproken over de vestiging van de Action, zodat in de ruimtelijke onderbouwing voor wat betreft de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de Action ten onrechte wordt verwezen naar de detailhandelsstructuurvisie.

7.1.

Indien met een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3o, van de Wabo een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, dient een gemeente aan de hand van drie ‘treden’ van de ladder deze voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting bij het besluit te onderbouwen. De drie treden van artikel 3.1.6., tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bestaan uit:.

1. een beschrijving van de actuele regionale behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling;

2. een motivering in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins;

3. en in hoeverre de ontwikkeling – indien hierin niet kan worden voorzien binnen bestaand stedelijk gebied – plaatsvindt op een locatie die goed bereikbaar is voor verschillende middelen van vervoer.

7.2.

Naar het oordeel van de rechtbank dient dit bouwplan, gelet op de extra oppervlakte aan detailhandel die planologisch mogelijk wordt gemaakt, aangemerkt te worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zodat de ladder hierop van toepassing is. Anders dan verweerder en de derde-partij hebben betoogd, maakt de wijzigingsbevoegdheid die in het bestemmingsplan voor de locatie is opgenomen, en waarmee 1900 m² supermarkt en 1.250 m² overige detailhandel mogelijk kon worden gemaakt, dit niet anders. Van deze bevoegdheid om het bestemmingsplan te wijzigen is geen gebruik gemaakt zodat ook niet eerder is getoetst of de vestiging van een Action ter plaatse in een actuele regionale behoefte voorziet. Verweerder heeft ervoor gekozen om de Action-vestiging mogelijk te maken via een buitenplanse afwijking en ingevolge artikel 5.20 van het Bor is de ladder dan van toepassing.

7.3.

Nu de ladder op het project van toepassing is, dient te worden beoordeeld of verweerder voldoende is ingegaan op de vraag of het bouwplan voorziet in een actuele regionale behoefte. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:743) dient bij de beoordeling of sprake is van een actuele regionale behoefte, de behoefte te worden afgewogen tegen het bestaande aanbod. Voor detailhandel betekent dit dat wordt gemotiveerd dat rekening is gehouden met het voorkomen van winkelleegstand. Inzichtelijk moet zijn gemaakt dat het plan niet een zodanige leegstand tot gevolg zal hebben dat dit tot een uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening onaanvaardbare situatie zal leiden.

7.4

Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting van 26 september 2016 betoogd dat de vereiste toets aan de ladder heeft plaatsgevonden en dat hij zich in dit kader heeft laten adviseren door Droogh Trommelen en Partners (DTNP). Bij de stukken die verweerder na de eerste zitting in het geding heeft gebracht bevindt zich een rapport “Ruimtelijk-economisch onderzoek Action ’s-Heerenberg-centrum” (hierna: het DTNP-rapport) dat DTNP in opdracht van de derde-partij op 18 november 2016 heeft opgesteld.

7.5.

In het DTNP-rapport wordt geconcludeerd dat de Action in kwalitatieve zin inspeelt op een behoefte. In de Detailhandelsstructuurvisie ’s-Heerenberg 2013 is reeds gesignaleerd dat er geen kwantitatieve uitbreidingsruimte voor detailhandel is. Er is daarom beleidsmatig gekozen voor versterking van de winkelfunctie in een compacter winkelgebied. De beoogde locatie voor Action valt binnen dit kernwinkelgebied. De Action-formule speelt goed in op de behoefte van veel consumenten (wisselend/divers assortiment tegen een lage prijs). Action is populair bij een breed publiek en functioneert als een van de belangrijkste publiekstrekkers in winkelcentra. Een Action wordt doorgaans frequent bezocht en sluit goed aan bij de functie van het centrum van ’s-Heerenberg als compleet bovenlokaal winkelgebied voor alle (semi)dagelijkse boodschappen. Het benodigde klantenpotentieel voor Action komt overeen met het natuurlijke verzorgingsgebied van ’s-Heerenberg-centrum en in dit gebied is nog geen Action of vergelijkbare winkel(formule). Mede door de recente sluiting van de vestiging van Blokker en Dobey, is de Action een uitbreiding en aanvulling op het totale winkelaanbod in het centrum. Voor een Action of vergelijkbaar discountwarenhuisaanbod zijn inwoners van ’s-Heerenberg en omgeving momenteel aangewezen op de Action-vestigingen in Ulft, Doetinchem of Zevenaar, op respectievelijk ruim een kwartier of ruim 20 minuten autoreisafstand. Voor het doen van frequente/gerichte aankopen is dit een behoorlijke afstand, met name voor ouderen en mensen met een beperkte mobiliteit.

In het DTNP-rapport staat voorts dat binnen het kernwinkelgebied geen alternatieve locaties direct beschikbaar zijn voor een winkelpand van deze omvang, in combinatie met de benodigde ruimte voor de bevoorrading. Het voormalige Blokker-pand en het naastgelegen recent vrijgekomen Dobey-pand zijn bij elkaar te klein (<650m² winkelvloeroppervlak) voor inpassing van Action. Ook de herontwikkelingslocatie ten zuiden van Kruidvat (Stadswal) is te klein. Direct grenzend aan het kernwinkelgebied is eveneens geen locatie beschikbaar voor de beoogde Action-ontwikkeling. Een locatie op afstand van het winkelgebied is ongewenst, doordat een solitaire locatie het kernwinkelgebied beconcurreert in plaats van versterkt, aldus DTNP in haar rapport.

7.6.

Eisers hebben ter zitting aangegeven dat zij de juistheid van het DTNP-rapport op een aantal punten in twijfel trekken. Zo stellen zij dat in het rapport Didam ten onrechte tot het natuurlijke verzorgingsgebied is gerekend aangezien op korte afstand van Didam al een Action aanwezig is. Verweerder heeft dit betwist.

De rechtbank overweegt dat uit het rapport blijkt dat alleen het zuidelijk van de A18 gelegen deel van de gemeente Montferland, waartoe Didam niet behoort, is meegerekend, naast de inwoners uit de Duitse grensstreek die gebruik maken van het winkelaanbod van ’s-Heerenberg. Het betoog van eisers mist derhalve feitelijk grondslag.

Ook het betoog dat er alternatieve locaties voor een Action-vestiging beschikbaar zijn kan niet slagen. Uitgaande van de niet betwiste keuze dat alleen locaties binnen het kernwinkelgebied in aanmerking worden genomen, is in het rapport vermeld dat de beoogde vestiging van de Action circa 900 m² verkoopvloeroppervlak heeft (en circa 1.100 m² brutovloeroppervlak) terwijl de door eisers als alternatief genoemde winkels van Blokker en Dobey bij elkaar minder dan 650 m² vloeroppervlak bieden. Eisers hebben slechts een brutovloeroppervlak genoemd en hebben derhalve niet aannemelijk gemaakt dat het beschikbare vloeroppervlak van beide panden groot genoeg is, nog daargelaten het feit dat het Dobey-pand ten tijde van de vergunningverlening niet leeg stond.

De ter zitting door eisers meegenomen lijst met andere locaties die geschikt zouden kunnen zijn, is wegens strijd met de goede procesorde geweigerd en wordt derhalve niet bij deze uitspraak betrokken. Eisers hadden deze lijst eerder aan de rechtbank en de wederpartij dienen toe te zenden, zodat verweerder in de gelegenheid was geweest om hierop inhoudelijk te reageren.

Tenslotte hebben eisers betoogd dat de reeds bestaande leegstand uitsluitend zal toenemen door de vestiging van de Action. Deze conclusie wordt echter niet ondersteund door het DTNP-rapport en eisers hebben geen tegenrapport in het geding gebracht, waarin die stelling wordt onderbouwd. In het DTNP-rapport wordt geconcludeerd dat de Action naar verwachting per saldo niet of nauwelijks negatief effect op de leegstand in het centrum heeft. Het risico op structurele leegstand in het kernwinkelgebied wordt naar verwachting zelfs verkleind, doordat met de komst van publiekstrekker Action het aantal bezoekers in het kernwinkelgebied toeneemt, aldus DTNP.

7.7.

Het voorgaande leidt ertoe dat verweerder en de derde-partij met het DTNP-rapport genoegzaam aannemelijk hebben gemaakt dat aan de vereisten uit de ladder is voldaan. Verweerder heeft hierin dan ook geen belemmering hoeven zien voor het verlenen van de omgevingsvergunning.

8. Ten aanzien van de toets aan de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: de Verordening) wordt als volgt overwogen.

8.1.

Ingevolge artikel 2.3.3.1. van de Verordening worden geen nieuwe locaties voor detailhandel mogelijk gemaakt die leiden tot een duurzame ontwrichting van de bestaande detailhandelstructuur (lid 1) en wordt in de toelichting aangegeven hoe een nieuwe detailhandelontwikkeling zich verhoudt tot het bepaalde in het eerste lid (lid 4).

Ingevolge artikel 1.1.1, eerste lid, onder c, van de Verordening geldt het voorgaande niet alleen bij de vaststelling van een bestemmingsplan maar ook bij de verlening van een vergunning om af te wijken van het bestemmingsplan ten behoeve van een project van lokaal ruimtelijk belang.

8.2.

De rechtbank oordeelt dat, anders dan verweerder betoogt, de ligging binnen bestaand bebouwd gebied niet betekent dat zonder meer is voldaan aan de Verordening aangezien hier geen sprake is van een reeds bestaande detailhandelslocatie. Er wordt een nieuwe detailhandelslocatie toegevoegd bovenop een bestaande detailhandelslocatie, en dat betekent dat getoetst dient te worden of die toegevoegde locatie leidt tot een duurzame ontwrichting van de bestaande detailhandelstructuur.

Uit het DTNP-rapport blijkt dat een dergelijke toets (alsnog) heeft plaatsgevonden en dat het plan in overeenstemming is met artikel 2.3.3.1, eerste lid, van de Verordening. Volgens DTNP wordt de detailhandelsstructuur voor de consument juist versterkt door het plan.

Ingevolge het tweede lid van artikel 2.3.3.1. van de Verordening mag de ontwikkeling niet in strijd zijn met een eventueel door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale afspraak over de programmering van detailhandel. Ook hiervan is geen sprake. Door verweerder is onweersproken aangevoerd dat regionale afspraken die door Gedeputeerde Staten op dit gebied zijn vastgesteld, ontbreken. Overigens wordt in het DTNP-rapport onderbouwd dat indien het plan wordt getoetst aan de regionale afspraken die de gemeenten in de Achterhoek onderling hebben gemaakt, het plan hieraan voldoet. In aanvulling hierop heeft verweerder in de brief van 11 januari 2017 nog nader onderbouwd dat dit initiatief, gelet op het bruto vloeroppervlak (bvo) van minder dan 1.500 m² niet voor regionale toetsing hoefde te worden voorgelegd in het kader van het Regionaal Programma Detailhandel (RPD) 2013 Stadregio Arnhem Nijmegen, zodat ook in zoverre geen strijdigheid met deze regionale afspraak bestaat.

9. Ten aanzien van het gemeentelijke detailhandelsbeleid wordt tenslotte nog als volgt overwogen. Eisers betogen terecht dat verweerder in zijn ruimtelijke onderbouwing een passage uit de detailhandelsstructuurvisie (hierna: de Structuurvisie) onjuist weergeeft, althans ten onrechte suggereert dat de Action in de visie expliciet wordt benoemd als gewenste ontwikkeling om te komen tot een compacter en aantrekkelijker kernwinkelgebied. Dit geldt uitsluitend voor de supermarkt (zie pagina 24 van de Structuurvisie). . Deze onjuiste suggestie neemt echter niet weg dat in de Structuurvisie al wel wordt gekozen voor versterking van de winkelfunctie in een compacter kernwinkelgebied waarbinnen winkelontwikkelingen worden gestimuleerd, en dat de locatie van de beoogde Action daarbinnen ligt. In die zin past het initiatief derhalve in het gemeentelijke detailhandelsbeleid. Op pagina 13 van de Structuurvisie wordt onder ‘Ontwikkelingen’ alleen genoemd dat de eigenaar van de voormalige Coöp een herontwikkelingsplan heeft, waarbij wordt uitgegaan van een supermarkt met een Action op de verdieping

Dat de Structuurvisie ervan uitgaat dat geen kwantitatieve uitbreidingsruimte in ’s-Heerenberg bestaat in verband met het (te) hoge winkelaanbod in vergelijking met soortgelijke kernen, de bovengemiddeld hoge leegstandscijfers, de trends in winkelgedrag (minder fysiek winkelen, meer internetaankopen) en de bevolkingskrimp, heeft verweerder niet tot een ander besluit hoeven te brengen. . Verweerder concludeert immers in navolging van het DTNP-rapport dat er sprake is van een kwalitatieve behoefte, waarin de beoogde Action-vestiging voorziet.

10. Bij deze stand van zaken staan noch de ladder, noch de Verordening, noch de Structuurvisie eraan in de weg de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten.

Woon- en leefklimaat, uitzicht

11. Eisers betogen dat het beoogde gebouw dermate kolossaal wordt, dat het niet past in de kern van een historisch pittoresk stadje en dat het uitzicht van woningen aan de Zeddamseweg en Molenpoortstraat compleet wordt ontnomen. Volgens eisers heeft verweerder, tevens voorbijgaande aan het negatieve welstandsadvies, onvoldoende rekening gehouden met de directe omgeving.

11.1.

Gelet op de omstandigheid dat de tweede verdieping van 9 meter hoog wordt gerealiseerd in een intensief bebouwd en gebruikt winkelgebied waar in de nabije omgeving aanzienlijk hogere bouwhoogtes (van circa 15 meter) voorkomen, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor het standpunt van eisers dat verweerder dit bouwplan in redelijkheid niet heeft kunnen beschouwen als passend in het gebied of dat het bouwplan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat van eisers.

Ten aanzien van de aantasting van het uitzicht van eisers en anderen wordt overwogen dat uit vaste jurisprudentie volgt dat er geen blijvend recht op een vrij uitzicht bestaat (de Afdeling 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3094). Ook volgt uit de jurisprudentie dat enige aantasting van het woon- en leefklimaat niet tot een weigering van een omgevingsvergunning hoeft te leiden, maar dat het gaat om de vraag of sprake is van een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat (Afdeling 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2211). In dit geval heeft verweerder bij zijn belangenafweging in redelijkheid betekenis mogen toekennen aan de ligging van het project in een intensief bebouwd gebied. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van een onaanvaardbare aantasting van het woon- en leefklimaat in verband met het uiterlijk van het gebouw en de gevolgen voor het uitzicht van omwonenden geen sprake is.

Luchtkwaliteit

12. Eisers betogen dat bij het berekenen van de planbijdrage aan de luchtkwaliteit verkeerde uitgangspunten zijn gehanteerd door voor de toename van het aantal verkeersbewegingen uit te gaan van de CROW-publicatie uit 2008, en niet van CROW-publicatie 317 “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie” van oktober 2012. Daarnaast wordt de Aldi ten onrechte gerekend tot het prijssegment laag tot middellaag, terwijl de Aldi moet worden gerekend tot een discountsupermarkt. Volgens eisers moet de berekening opnieuw plaatsvinden omdat de Aldi deel uitmaakt van de onderhavige herstructurering.

12.1.

In de ruimtelijke onderbouwing is beschreven hoe verweerder tot de conclusie is gekomen dat de planbijdrage van de gehele planontwikkeling (Aldi + Action) kleiner is dan de NIBM-grens, waardoor het plan ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nu het extra verkeer als gevolg van de Action minder dan de helft van de totale toename van het aantal verkeersbewegingen bedraagt (417 op een totaal van 1110), volgt uit de ruimtelijke onderbouwing dat de maximale bijdrage als gevolg van het extra verkeer door de Action nog onder 0,42 NO2 (stikstofdioxide) of 0,15 PM10 (fijnstof), en derhalve ver onder de grens van 1,2 ug/m³.

12.2.

Na de zitting van 26 september 2016 heeft de derde-partij de milieuaspecten geluid en luchtkwaliteit voor de omgevingsvergunning van de Action laten onderzoeken door DGMR Industrie, Verkeer en Milieu B.V. (DGMR). Verweerder heeft het daaruit voortgekomen rapport van 11 januari 2017 in het geding gebracht. Hiermee is tegemoet gekomen aan het bezwaar van eisers dat de berekeningen gemaakt hadden moeten worden voor enkel de Action. Bij dit laatste onderzoek is bij de inschatting van de verkeersgeneratie uitgegaan van de CROW-publicatie 317 “Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie”, gebaseerd op het woonmilieutype “weinig stedelijk, buurt- en dorpscentrum”. Het effect op de luchtkwaliteit is bepaald voor de situatie met en zonder Action. In beide gevallen is de Aldi opgenomen. De conclusie luidt dat de concentraties van de onderzochte stoffen NO2, PM10 en PM2,5 (zeer fijnstof) ruim voldoen aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Dreigende overschrijdingen van deze grenswaarden zijn niet aanwezig, aldus DGMR. Tijdens de zitting van 23 januari 2017 hebben eisers geen kanttekeningen meer geplaatst bij de laatste onderzoeksresultaten.

12.3.

Gelet op het voorgaande vormen de te verwachten invloed van de Action op de luchtkwaliteit, geen aanleiding om de rechtsgevolgen niet in stand te laten.

Geluid en milieuzonering

13. Eisers betogen dat de invloed van de extra verkeersbewegingen op de geluidsbelasting in de woningen niet inzichtelijk is gemaakt en dat uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening de effecten van de ontwikkeling op het woon- en leefklimaat nader hadden moeten worden onderzocht. Eisers betogen voorts dat de laad- en lostijden en de geluidsarme wielen van de winkelwagens als voorschrift aan de omgevingsvergunning hadden moeten worden verbonden.

13.1.

In de ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder overwogen dat voor een supermarkt een richtafstand van 10 meter tot geluidsgevoelige bestemmingen wordt aangehouden op grond van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Het gebied is volgens verweerder aan te merken als “gemengd gebied” zodat deze richtafstand verkleind dient worden naar 0 meter. Dan is er volgens de VNG-publicatie geen onderzoek voor het aspect ‘geluid’ nodig.

Voorts wordt in het kader van milieuzonering overwogen dat de laad- en losactiviteiten van de Aldi en de Action op dezelfde plek plaatsvinden, en dat bevoorrading maximaal éénmaal per dag gedurende 30 minuten plaatsvindt waarbij de motor van de vrachtwagen wordt afgezet en de rolcontainers rechtstreeks de expeditie ruimte worden ingerold. Met betrekking tot de winkelwagens wordt overwogen dat deze, indien nodig, zullen worden voorzien van geluidsarme wielen.

13.2.

In het onder rechtsoverweging 12 genoemde onderzoek van DGMR zijn ook de geluidseffecten onderzocht vanwege de bedrijfsactiviteiten en installaties van de Action en vanwege de toename van het verkeer. De conclusies van het rapport luiden als volgt:

geluid ten gevolge van de Action

- Voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau wordt de streefwaarde uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering niet overschreden.

- Voor piekgeluid is voor meerdere woningen een overschrijding van de streefwaarde berekend, maar voor de omwonenden die beroep hebben ingesteld is dit zonder de Action ook al het geval. Bij De Bleek 8 worden de streefwaarden overschreden in de avond- en nachtperiode door de uitbreiding van het parkeerterrein; dat was voorheen bij de indeling van het voormalige parkeerterrein al het geval bij De Bleek 2 (inmiddels gesloopt) en De Bleek 1. Op basis van de VNG-publicatie kan de gemeente Montferland (voor gemengd gebied) besluiten om het piekgeluid als gevolg van aan- en afrijdend verkeer buiten beschouwing te laten. Zonder het dichtslaan van autoportieren en het aan- en afrijden van de vrachtwagen worden de streefwaarden bij alle omliggende woningen niet meer overschreden.

geluid verkeersaantrekkende werking (geluid van aankomend en vertrekkend verkeer)

- Bij de omwonenden die beroep hebben ingesteld, neemt de geluidsbelasting beperkt toe (toename van 0 dB tot 2 dB) of neemt zelfs af (De Bleek 1).

- Bij de woning De Bleek 8 is de toename op de verdieping meer, nl 5 dB op de oostgevel, omdat de afschermende muur ontbreekt. Deze geluidsbelasting is vergelijkbaar met het maximale geluidsniveau dat aanwezig was bij de woning De Bleek 2 (gesloopt) en De Bleek 1 bij de indeling van het voormalige parkeerterrein. Dit heeft de gemeente toen als aanvaardbaar beschouwd.

13.3.

De rechtbank stelt vast dat op grond van het onderzoeksrapport van DGMR het akoestisch klimaat van eisers niet of nauwelijks verslechtert. De rechtbank ziet in het rapport van DGMR geen aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerder ter waarborging van het goede woon- en leefklimaat van eisers, de door hen bepleite voorschriften aan de vergunning had moeten verbinden. Ter zitting van 23 januari 2017 hebben eisers de conclusies van het DGMR-rapport niet bestreden.

13.4.

Gelet op het voorgaande vormen de te verwachten invloed van de Action op het akoestisch klimaat van eisers, geen aanleiding om de rechtsgevolgen niet in stand te laten.

Verkeersveiligheid

14. Eisers betogen dat vijf parkeerplaatsen van een appartementencomplex met een woongemeenschap voor begeleid wonen niet bereikbaar zijn ten tijde van het laden en lossen. Bij noodsituaties kan dit volgens eisers bij de hulpverlening tot een ongewenste situatie leiden. Eisers vrezen voorts dat het plan leidt tot een aantasting van de verkeersveiligheid ter plaatse, onder meer omdat ter plaatse van de laad- en losplaats een trottoir ontbreekt.

14.1.

De rechtbank overweegt hierover als volgt. Verweerder en de derde partij hebben aangegeven dat het laden en lossen eenmaal per dag plaatsvindt, gedurende een half uur in de ochtend. De vrachtwagen komt aanrijden via de noordzijde en rijdt het laatste stuk eerst schuin en daarna recht achterwaarts om de laad- en losplaats te bereiken.

Nog daargelaten de door verweerder gestelde afspraak die is gemaakt tussen de woningstichting en de VVE Molenpoortstraat over de betreffende vijf parkeerplaatsen, levert omstandigheid dat deze parkeerplaatsen gedurende een half uur per dag niet per auto bereikbaar zijn, naar het oordeel van de rechtbank geen onveilige situatie op aangezien het appartementencomplex in noodsituaties ook via de voorzijde bereikbaar is. Voorts concludeert de rechtbank aan de hand van de inrichtingstekening en hetgeen partijen ter zitting hebben toegelicht, dat de Aldi (en voorheen de Coöp) gebruik maakt van dezelfde laad- en losplaats en dat de situatie ten opzichte van het verleden juist is verbeterd doordat de vrachtwagen thans het eerste stuk niet meer achteruit hoeft te rijden. Het hoogteverschil ter plaatse, hetgeen volgens eisers bijdraagt aan de gestelde verkeersonveilige situatie, is een omstandigheid die niet wordt veroorzaakt door het bouwplan. Hoewel de plaats waar de vrachtauto het laatste stuk schuin achterwaarts dient te rijden niet ruim is bemeten en een trottoir ter plaatse van de laad- en losplaats ontbreekt, hebben eisers naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de (verkeers)veiligheid, mede gelet op het feit dat deze activiteiten relatief kortstondig zijn.

14.2.

Ook deze grond slaagt derhalve niet waardoor de verkeersveiligheid geen beletsel vormt om de rechtsgevolgen in stand te laten.

Parkeren

15. Eisers betogen dat verweerder bij het berekenen van de parkeerbehoefte ten onrechte is uitgegaan van de CROW-publicatie uit 2004, en dat verweerder de CROW-publicatie van oktober 2012 had moeten gebruiken. Volgens eisers moet op grond van deze publicatie uitgegaan worden van de parkeerkencijfers voor een discountsupermarkt van 5,6 parkeerplaatsen per 100 m², hetgeen leidt tot 61,6 benodigde parkeerplaatsen.

Indien wordt uitgegaan van de CROW-publicatie van 2012 moet binnen de bandbreedte worden uitgegaan van de maximale parkeernorm van 3,1 parkeerplaatsen per 100 m² bvo vanwege de hoge parkeerdruk in de omgeving.

Eisers betogen voorts dat volgens de tekening bij het bestreden besluit slechts wordt voorzien in 73 parkeerplaatsen in plaats van de beoogde 75 parkeerplaatsen, dat het parkeerterrein niet enkel ter beschikking staat van de klanten van de Aldi en Action, maar ook voor de bezoekers aan het centrum, het kasteel, de kerk en de horeca, en dat 8 parkeerplaatsen tijdens het laden en lossen niet beschikbaar zijn. Het had het volgens eisers voor de hand gelegen om een parkeerbalans voor het gehele gebied op te stellen. Eisers hebben tenslotte op de zitting van 26 september 2016 nog betoogd dat het bouwplan in strijd is met het bepaalde in artikel 2.5.30 van de bouwverordening. Het parkeerterrein aan de overzijde van “de Bleek” is ook voor andere functies.

15.1.

Het bestemmingsplan is vastgesteld voor 29 november 2014, waardoor ten aanzien van parkeren de normen uit de bouwverordening nog steeds gelden. Artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening Montferland 2012 (hierna: de Bouwverordening) bepaalt dat ‘op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, in voldoende mate ruimte moet zijn ten behoeve van het parkeren of stallen van auto’s’.

15.2.

In de ruimtelijke onderbouwing heeft verweerder overwogen dat voor het bouwplan met een oppervlakte van 1100 m² in totaal 31 extra parkeerplaatsen moeten worden gerealiseerd, uitgaande van een parkeernorm voor detailhandel van 2,8 parkeerplaatsen per 100 m² bvo op grond van de normen, welke normen zijn afgeleid van de parkeerkencijfers van de CROW-publicatie “Parkeerkencijfers – basis voor parkeernormering“ uit 2004. In het gebied worden 75 parkeerplaatsen gerealiseerd, hetgeen een toename is van 33 parkeerplaatsen ten opzichte van de situatie ten tijde van de omgevingsvergunning voor de Aldi, zodat in voldoende extra parkeerplaatsen wordt voorzien. Op 11 januari 2017 heeft verweerder aanvullend een notitie van Meetel B.V./Roelofs (hierna: Meetel) van 10 januari 2017 in het geding gebracht waarin Meetel op basis van de CROW-normen van 2012 concludeert dat de toegenomen behoefte slechts 26 parkeerplaatsen is en dat hierin ruimschoots wordt voorzien.

15.3.

De rechtbank overweegt dat verweerder voor het berekenen van de parkeerbehoefte aansluiting heeft kunnen zoeken bij de parkeerkencijfers van het CROW uit 2004. Artikel 2.5.30 van de Bouwverordening laat ruimte om ook andere parkeernormen te hanteren dan de meest recente CROW-normen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de CROW-richtlijnen uit 2012 niet passend zijn voor de lokale situatie aangezien dan de functie ‘buurt- en dorpscentrum’ gekozen had moeten worden, terwijl ’s-Heerenberg een stad is. De functie ‘hoofdwinkelgebied’ uit de richtlijnen van 2004 vond verweerder daarom passender. De rechtbank oordeelt dat er geen aanknopingspunten zijn voor de stelling dat verweerder deze keuze in redelijkheid niet heeft kunnen maken.

15.4.

Anders dan eisers betogen, heeft verweerder mogen uitgaan van de parkeernorm voor een ‘hoofdwinkelgebied’ aangezien de CROW-normen van 2004 geen aparte parkeernorm bevatten voor supermarkten, en dus ook niet voor discountsupermarkten, nog daargelaten of de Action onder die categorie kan worden geschaard. De stelling van eisers dat vanwege de hoge parkeerdruk in de omgeving gekozen had moeten worden voor de bovenzijde van de bandbreedte wordt evenmin gevolgd. Verweerder heeft uiteengezet, en dit wordt bevestigd in de notitie van Meetel, dat binnen een acceptabele loopafstand van 100 m circa 133 parkeerplaatsen aanwezig zijn, waarvan 75 voor Aldi/Action en 57 aan de overzijde van “de Bleek”. Daarmee heeft verweerder het gerechtvaardigd geacht om uit te gaan van de minimum parkeernorm, temeer nu tevens een blauwe zone zal worden ingericht om lang parkeren te ontmoedigen en het aannemelijk is dat er sprake zal zijn van combinatiebezoek. De rechtbank kan verweerder hierin volgen.

15.5.

Ten aanzien van het betoog van eisers dat in werkelijkheid minder parkeerplaatsen worden gerealiseerd dan geschetst, overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting aan de hand van een terreininrichtingskaart heeft laten zien dat in totaal maximaal 76 parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd, waarvan er 73 zijn vergund en aangelegd en drie nog zullen worden aangelegd. De parkeerplaatsen aan de overzijde van “De Bleek” zijn hier overigens niet bij inbegrepen. Verweerder heeft slechts op deze parkeergelegenheid gewezen ter onderbouwing van zijn keuze om uit te gaan van de onderzijde van de bandbreedte van de parkeernorm. Dat acht van de parkeerplaatsen in feite niet beschikbaar zouden zijn, is de rechtbank niet gebleken. Hooguit is door het laden- en lossen een van deze acht parkeerplaatsen dagelijks kortstondig wat lastiger te gebruiken. Dat de parkeerplaatsen gelet op het bestaande parkeerplaatsentekort ook kunnen worden gebruikt door bezoekers van andere winkels of van de kerk of horeca, maakt niet dat de parkeerplaatsen die ten behoeve van Action zijn of worden gerealiseerd (34) niet volledig kunnen worden meegerekend. Bestaande parkeertekorten worden in beginsel niet in aanmerking genomen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder een parkeerbalans voor het gehele gebied had moeten opstellen nu genoegzaam is aangetoond dat het bouwplan ruimschoots voorziet in voldoende ruimte ten behoeve van parkeren en zoals gezegd geen rekening hoeft te worden gehouden met een eventueel bestaand tekort aan parkeerplaatsen in het gebied.

15.6.

De conclusie van het voorgaande is dat het bouwplan niet in strijd is met het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening. De parkeersituatie vormt dan ook geen beletsel voor het in stand laten van de rechtsgevolgen.

Stalling van fietsen

16. Ten aanzien van de stalling van fietsen betogen eisers dat ten onrechte aan het Bouwbesluit 2003 is getoetst in plaats van aan het Bouwbesluit 2012.

16.1.

In de ruimtelijke onderbouwing staat vermeld dat in het bestemmingsplan geen voorschriften zijn opgenomen ten aanzien van de stalling van fietsen en dat daarom ten aanzien van de toetsing het Bouwbesluit 2003 nog van kracht is. Dit is in overeenstemming met het overgangsrecht dat is opgenomen in het Bouwbesluit 2012, meer in het bijzonder met artikel 9.2, vierde lid, van het Bouwbesluit 2012. Verweerder heeft derhalve met juistheid getoetst aan het Bouwbesluit 2003.

Voor de Action (winkelfunctie) heeft verweerder gerekend met een bezettingsgraad B3. Voor de bezettingsgraadklasse van B3 dient 2% stallingsruimte te zijn voor fietsen. Zodoende gaat het om ca. 20 m². Eisers hebben niet bestreden dat deze ruimte aanwezig wordt geacht in het omliggende openbaar gebied.

16.2.

Voor wat betreft de stalling van fietsen overweegt de rechtbank dan ook dat verweerder aan het juiste Bouwbesluit heeft getoetst en dat eisers geen gronden hebben aangevoerd op grond waarvan het bouwplan in strijd zou zijn met de toepasselijke voorschriften uit dit Bouwbesluit.

Flora & Fauna

17. Eisers betogen dat in het kader van de sloop van de voormalige supermarkt ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van vleermuizen.

17.1.

De rechtbank overweegt dat dit betoog in het kader van de voorliggende omgevingsvergunning niet aan bod kan komen. De beroepsgrond faalt.

Archeologie

18. Eisers betogen onder verwijzing naar artikel 28.4.1, aanhef en onder c en f, van de planregels van het bestemmingsplan dat verweerder onderzoek had moeten verrichten naar de ter plaatse aanwezige archeologische waarden. Volgens eisers gaat de aanvraag met de ruimtelijke onderbouwing uit van de ontwikkeling als geheel (Aldi + Action + (winkel)ruimtes) en dient om die reden het archeologische aspect in het kader van de onderliggende aanvraag te worden getoetst.

18.1.

De rechtbank stelt voorop dat verweerder de reeds vergunde activiteiten in het kader van de omgevingsvergunning van de Aldi niet (wederom) mocht betrekken bij de beoordeling van de onderliggende vergunning. De omstandigheid dat in de ruimtelijke onderbouwing bij sommige aspecten ook de gevolgen van de uitbreiding van de supermarkt zijn beschreven, maakt dit niet anders. Verweerder hoeft uitsluitend te kijken naar de activiteiten die ten behoeve van de realisatie van het voorliggende bouwplan uitgevoerd zullen worden.

Niet gebleken is dat er sprake zal zijn van werkzaamheden als bedoeld in artikel 28.4.1., aanhef en sub c, van de planregels, te weten de bodem verlagen of afgraven van gronden waarvoor geen ontgrondingenvergunning is vereist. Wel zal sprake zijn van werkzaamheden als bedoeld in artikel 28.4.1. aanhef en onder f, van de planregels, te weten het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem. Ten behoeve van de Action op de eerste verdieping zal immers een lift worden gemaakt en daarvoor zullen heiwerkzaamheden plaatsvinden. Het verbod om dergelijke werkzaamheden uit te voeren zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, is echter niet van toepassing aangezien een uitzondering op de vergunningplicht geldt. Op grond van artikel 28.4.2, onder d, van de planregels geldt het verbod niet voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk. In dit geval zullen de heiwerkzaamheden plaatsvinden binnen een afstand van 2,5 m uit de fundering van de bestaande Aldi en aldus bestond er geen vergunningplicht. Het betoog faalt.

Conclusie

19. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Nu de betogen van eisers verder falen zal de rechtbank, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

20. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers dient te vergoeden.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 26 september 2016 met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1). De door [eiser 7] gemaakte reiskosten worden op basis van kosten openbaar vervoer 2e klas vastgesteld op € 9,48. De reiskosten van eisers [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 4] en [eiser 5] stelt de rechtbank vast op een bedrag van € 37,92 (4 maal € 9,48) per zitting, en derhalve € 75,84 voor beide zittingen. De totaal door eisers gemaakte proceskosten worden derhalve vastgesteld op € 1.075,32 (€ 990 + € 9,48 + € 75,85).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep van eisers Y niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van eisers X gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers X te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers X tot een bedrag van

€ 1.075,32.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.S.T. Belt, voorzitter, mr. R.J. Jue en mr. J.J.W.P. van Gastel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.