Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:986

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1919
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:2583, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, sub 1 van de Wet OB en Artikel 135, eerste lid, onderdeel e, van de Btw-richtlijn. Handel in euromunten met verzamelwaarde. De handel valt niet onder de vrijstelling op geld, omdat de munten verzamelwaarde hebben. Voor die gevallen geldt een uitzondering. Toepassing van de margeregeling. Niet voldaan aan vereisten voor Intracommunautaire Levering (ICL) en daarom correctie 0% tarief. Correctie terecht. Bij Intracommunautaire verwervingen (ICV) geen recht op aftrek van voorbelasting, omdat wordt doorgeleverd onder de margeregeling.

Formeel belastingrecht: prematuur bezwaarschrift per e-mail is ontvankelijk, omdat er ook een e-mail over het bezwaar is dat binnen zes weken na de naheffingsaanslag is binnengekomen. Per e-mail bezwaar indienen kon in dit geval, omdat eiseres vaak e-mailde met verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/424
V-N 2016/26.1.3
FutD 2016-0510
FutD 2016-0511
NTFR 2016/963 met annotatie van mr. J. Sanders jr.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/1919

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 februari 2016

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almelo, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 op 30 april 2014 een naheffingsaanslag (aanslagnummer [000] .F.01.2501) omzetbelasting opgelegd van € 36.497. Tevens is bij beschikking € 1.547 aan belastingrente in rekening gebracht alsmede een vergrijpboete van € 504 opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 maart 2015 de naheffingsaanslag verminderd tot € 20.000, de beschikking belastingrente verminderd tot € 847 en de boetebeschikking vernietigd.

Eiseres heeft daartegen bij brief van 31 maart 2015 opnieuw bezwaar gemaakt bij verweerder. Verweerder heeft het bezwaarschrift aangemerkt als een beroepschrift en het doorgestuurd naar de rechtbank, waar het is ontvangen op 9 april 2015.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar echtgenoot. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres drijft vanaf 10 mei 2005 een eenmanszaak onder de naam [A] . Eiseres handelt in bijzondere munten, waarbij de nadruk ligt op speciale euromunten, die interessant zijn voor verzamelaars. Die euromunten zijn wettig betaalmiddel.

2. Verweerder heeft vanaf 27 mei 2013 een boekenonderzoek ingesteld bij eiseres. Het definitieve rapport daarvan is gedateerd 10 april 2014. In dat rapport is opgenomen dat er op vier punten correcties moeten worden aangebracht.

3. De in de naheffingsaanslag opgenomen omzetbelasting is, op basis van de uitkomsten van het boekenonderzoek, als volgt samengesteld:

a.

Herberekening marge-btw

€ 26.094

b.

Niet geaccepteerde in aftrek gebrachte voorbelasting

€ 2.018

c.

Minder verschuldigde btw ICV

€ 412 -/-

d.

Niet geaccepteerde aftrek voorbelasting ICV

€ 8.797

Totaal nageheven btw

€ 36.497

4. In de brief van verweerder van 15 december 2014 (geschreven door bezwaarbehandelaar [B] ) zijn de vier correcties besproken naar aanleiding van het bezwaar. De eerste en grootste correctie betreft een correctie in verband met intracommunautaire leveringen (ICL). Deze correctie is volgens de berekeningen van verweerder te hoog vastgesteld. De totaal verschuldigde btw onder de margeregeling moet daarom worden verminderd van € 26.094 tot € 18.492. De tweede en derde correctie zijn, zo bleek tijdens de bespreking in de bezwaarfase, niet in geschil. De vierde correctie betreft intracommunautaire verwervingen (ICV). De berekening van deze correctie van € 8.797 klopt volgens verweerder wel. In de brief is een nieuwe totaalberekening gemaakt, die uitkomt op een te betalen bedrag van € 22.020. De berekening is nader uitgewerkt in de bijlage die bij de brief is gevoegd.

5. De te betalen omzetbelasting is als volgt berekend:

Over omzet/marge verschuldigde btw volgens aangifte

€ 0

Verschuldigde marge-btw

€ 18.492

Totaal verschuldigde btw over omzet/marge

€ 18.492

Verschuldigde btw ICV volgens aangifte

€ 9.700

Correctie i.v.m. tariefwijziging

€ 412 -/-

Per saldo verschuldigd

€ 9.288

Verschuldigde btw privégebruik volgens aangifte

€ 2.436

Totaal verschuldigde btw

€ 30.216

Voorbelasting volgens aangifte

€ 19.011

Niet aftrekbaar

€ 2.018 -/-

Niet aftrekbare btw ICV

€ 8.797 -/-

Per saldo aftrekbaar

€ 8.196

Saldo te betalen btw in 2012

€ 22.020

6. In de uitspraak op bezwaar is het te betalen bedrag afgerond op € 20.000.

Geschil

7. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Eiseres heeft aangevoerd dat zij recht heeft op toepassing van de margeregeling en dat zij daarop ook heeft vertrouwd naar aanleiding van contact met de Belastingdienst in 2005. Ook heeft eiseres aangevoerd dat er geen btw op geld zit. Daarom wil zij dat de naheffingsaanslag wordt vernietigd.

Beoordeling van het geschil

Ambtshalve: bezwaar niet prematuur

8. De rechtbank moet ambtshalve, dus ook zonder dat partijen dit betogen, beoordelen of het bezwaar ontvankelijk is. In dit geval is de vraag wanneer het bezwaarschrift is ingediend, want als dit te vroeg is gebeurd (prematuur), dan kan dat betekenen dat het bezwaar niet-ontvankelijk is.

9. De bezwaartermijn van zes weken begint op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) op zijn vroegst te lopen op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking. De dagtekening van de naheffingsaanslag is 30 april 2014.

10. Verweerder heeft in het verweerschrift opgemerkt dat eiseres bij e-mail van 12 april 2014 bezwaar heeft gemaakt en dat hij dit heeft aangemerkt als een prematuur bezwaar, omdat de naheffingsaanslag pas daarna is opgelegd. Volgens verweerder is het bezwaar desondanks ontvankelijk, omdat de e-mail van 12 april 2014 een reactie is op het controlerapport en eiseres mocht menen dat de beslissing om een naheffingsaanslag op te leggen, al was genomen. Verweerder past daarbij de regeling toe van artikel 6:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van dit artikel blijft de niet-ontvankelijkverklaring van een prematuur bezwaarschrift achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening van het bezwaar reeds was genomen, of indien het besluit toen nog niet tot stand was gekomen maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit wel reeds het geval was.

11. De rechtbank is van oordeel dat de redenering van verweerder niet voldoende is om het bezwaar ontvankelijk te achten, gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 22 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ5038. Toch is het bezwaar wel ontvankelijk. Uit de stukken van het dossier volgt dat er vanaf de controle tot en met de uitspraak op bezwaar veel contact is geweest tussen eiseres en verweerder, vaak per e-mail. Zo heeft eiseres op 1 juni 2014 een e-mail gestuurd aan verweerder, waarbij als onderwerp onder meer is ingevuld “Bezwaarschrift 2012” (bijlage 9 bij motivering beroep). In de mail wordt opgemerkt: “Wat betreft het bezwaarschrift 2012 sturen we U hierbij als bijlage een PDF file.”. Deze e-mail is binnen zes weken na de naheffingsaanslag van 30 april 2014 ingestuurd en is dus niet te vroeg en ook niet te laat. De rechtbank merkt daarom deze e-mail aan als het bezwaarschrift. De omstandigheid dat het een e-mail betreft, is evenmin een probleem, omdat e-mailverkeer heel gebruikelijk was tussen eiseres en verweerder en dus kan worden aangenomen dat deze digitale weg voor eiseres was opengesteld om bezwaar te maken. Verweerder heeft overigens ook niet aan eiseres laten weten dat zij in een brief bezwaar diende te maken. De conclusie is dus dat verweerder het bezwaar terecht ontvankelijk heeft verklaard.

Naheffingsaanslagen 2006 tot en met 2011

12. Eiseres merkt in haar beroepschrift op dat haar verhaal ook zal gelden voor de naheffingsaanslagen die zijn opgelegd over de jaren 2006 tot en met 2011. Eiseres heeft in de motivering van haar beroep opgemerkt dat zij geen beroep heeft kunnen aantekenen tegen de aanslagen over 2006 tot en met 2011, omdat er door omstandigheden met allerlei aanslagen geen juiste informatiestroom meer was. Ze kondigt aan dat ze dit in een aparte procedure zal gaan doen. Verweerder heeft in het verweerschrift opgemerkt dat hij van de rechtbank geen bericht heeft ontvangen over ingestelde beroepen over de jaren 2006 tot en met 2011. Dit is juist, want de rechtbank heeft geen beroepschrift(en) ontvangen van eiseres over die jaren. Overigens volgt uit de stukken dat eiseres de beroepstermijn voor die jaren ongebruikt heeft laten verstrijken en zich hiervan ook bewust is. Dit betekent dat de rechtbank geen oordeel over die jaren kan geven.

Naheffingsaanslag over 2012

13. De handel waarin eiseres actief is, betreft euromunten die niet alleen wettig betaalmiddel zijn, maar ook een verzamelwaarde hebben omdat het verzamelobjecten betreft. Eiseres handelt in deze munten juist vanwege hun verzamelwaarde. Dat heeft zij tijdens de zitting desgevraagd bevestigd. Als gevolg van die verzamelwaarde valt de handel van eiseres niet onder de wettelijke vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onderdeel i, sub 1, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet OB). Dit artikel uit de Nederlandse wet is overigens in overeenstemming met het daarmee corresponderende artikel in de Europese Btw-Richtlijn, artikel 135, eerste lid, onderdeel e. Artikel 135 van de Btw-Richtlijn bepaalt dat een vrijstelling geldt voor handelingen betreffende munten die wettig betaalmiddel zijn, maar zondert van die vrijstelling uit munten die een verzamelobject zijn. Artikel 11 van de Wet OB spreekt voor de uitzondering op de vrijstelling van munten die een verzamelwaarde hebben. Dat verschil in formulering maakt in dit geval niet uit, want de munten waarin eiseres handelt, hebben verzamelwaarde en zijn ook een verzamelobject.

14. De vrijstelling is dus niet van toepassing. Dat betekent dat er omzetbelasting (btw) moet worden berekend over de waarde van de munten. De stelling van eiseres dat er geen btw op geld zit, is in haar geval dus niet juist. Omdat het bij haar gaat om munten met verzamelwaarde, is de vrijstelling voor geld er niet op van toepassing en zit er wel btw op de munten waar eiseres in handelt. Daarbij maakt het niet uit dat iedereen gewoon met die munten kan betalen.

15. Eiseres is er overigens ook steeds van uitgegaan dat zij voor de handel in de munten te maken heeft met omzetbelasting, maar zij is ervan uit gegaan dat zij de margeregeling mag toepassen. Dat betekent dat zij slechts omzetbelasting verschuldigd is over haar winstmarge en niet over de waarde van het geld. Dit is haar in 2005 door de Belastingdienst verteld en dit is ook juist. Eiseres hoeft als uitgangspunt alleen omzetbelasting te betalen over de marge (verschil inkoop/verkoop) die zij maakt. Dit is gebaseerd op artikel 28b, eerste lid, van de Wet OB, waarin de margeregeling is opgenomen voor een wederverkoper die onder meer voorwerpen voor verzamelingen levert. Er zijn echter wel voorwaarden verbonden aan de toepassing van de regeling en er zijn ook uitzonderingen op deze regeling, onder andere voor transacties met andere EU-lidstaten. De wettelijke regeling is nader uitgewerkt in een Besluit van de Staatssecretaris van Financiën (hierna: het Besluit). De laatste versie van het Besluit dateert van 17 juli 2014 en heeft nr. BLKB2014/546M.

16. Eiseres is van mening dat de opgelegde naheffingsaanslagen onjuist zijn, omdat zij recht heeft op de toepassing van de margeregeling. Het grootste deel van de naheffingsaanslag, een bedrag van € 18.492, betreft echter een correctie die in feite niets met de margeregeling te maken heeft. Het gaat namelijk om een correctie van door eiseres aangegeven intracommunautaire leveringen (ICL). Daarbij heeft zij munten verkocht aan een afnemer in een ander land van de EU onder toepassing van het 0% tarief dat hoort bij de ICL.

Zij heeft echter niet voldaan aan de vereisten die gelden voor een ICL (geen opgaaf Intracommunautaire Prestaties (ICP), ofwel de transacties zijn niet gelist) en daarom heeft verweerder alsnog 19% respectievelijk 21% omzetbelasting over die transactie gerekend en bij eiseres nageheven. Eiseres heeft in bezwaar en beroep niets aangevoerd waaruit zou kunnen volgen dat deze correctie van verweerder onjuist zou zijn. Met name heeft eiseres niets aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat zij wel aan de vereisten voor de ICL heeft voldaan. Dit betekent dat de naheffingsaanslag in zoverre terecht is opgelegd.

17. Ter nadere verduidelijking geldt dat eiseres in 2012 in haar aangifte heeft aangegeven dat zij een negatieve marge had, zodat zij geen omzetbelasting hoefde te betalen. Dit kwam doordat zij de omzet uit de ICL-transacties buiten haar berekening van de marge had gelaten, wat in dit geval niet juist is. Eiseres heeft ter zitting erkend dat zij wel degelijk winst heeft gemaakt in 2012. Zij had dus omzetbelasting moeten aangeven en betalen over de behaalde winstmarge. Dat heeft zij niet gedaan. Verweerder heeft (in de bijlage bij de brief van 15 december 2014) berekend dat de winstmarge van eiseres in 2012 een bedrag van € 113.355 beliep. Eiseres heeft die berekening niet bestreden. De verschuldigde omzetbelasting daarover bedraagt € 18.492. Die omzetbelasting heeft eiseres nog niet betaald. De naheffingsaanslag corrigeert dat bedrag dus terecht.

18. De andere correctie die in geschil is, gaat om een bedrag van € 8.797 in verband met intracommunautaire verwervingen (ICV). Daarbij gaat het om inkopen van eiseres in een ander land van de EU, waarbij de leverancier de transactie heeft aangegeven als een ICL, onder berekening van het 0% tarief. Eiseres moest als gevolg daarvan een ICV aangeven bij verweerder. Het systeem van een ICV is in beginsel dat de inkopende ondernemer de omzetbelasting over de transactie aangeeft bij de Belastingdienst en meteen ook weer als voorbelasting in aftrek brengt, zodat per saldo niets hoeft te worden betaald. De voorwaarde daarbij is echter wel dat de inkopende ondernemer de goederen daarna doorverkoopt met berekening van omzetbelasting over de hele koopprijs. Eiseres heeft de munten echter niet doorverkocht met berekening van omzetbelasting over de hele koopprijs, want zij heeft de margeregeling toegepast en dus alleen omzetbelasting berekend over haar winstmarge. Dat mocht zij op grond van het Besluit ook doen, maar dat heeft wel tot gevolg dat zij geen recht meer heeft op de aftrek van voorbelasting op de ICV-inkoop. Zo is nu eenmaal het systeem van de regeling. Eiseres heeft de voorbelasting in haar aangifte over 2012 wel in aftrek gebracht en verweerder heeft die aftrek van voorbelasting gecorrigeerd. Die correctie is dus terecht.

19. Eiseres heeft erop gewezen dat het voor haar ongunstig is als zij van buitenlandse leveranciers geleverd krijgt via een ICL. Omdat eiseres de margeregeling toepast op haar verkopen, gaat daardoor namelijk omzetbelasting op de inkoopprijs van de munten drukken. Als zij de munten zelf ophaalt bij de banken in het buitenland, is dat niet zo en zijn de munten dus goedkoper. Eiseres vindt dit niet juist en niet eerlijk. De rechtbank kan aan dit wettelijke en Europese systeem niets veranderen. Ook verweerder heeft niet de mogelijkheid om te doen alsof een buitenlandse leverancier geen ICL heeft opgegeven. Hij is verplicht om dit te volgen.

20. Overigens is het idee achter de margeregeling dat er al omzetbelasting drukt en blijft drukken op de goederen die ingekocht en doorverkocht worden onder toepassing van de margeregeling. De omstandigheid dat eiseres de margeregeling mag toepassen op munten die zij zonder omzetbelasting heeft verkregen van buitenlandse banken, is een uitzondering in haar voordeel, die is gebaseerd op een goedkeuring van de Staatssecretaris in het Besluit en die eigenlijk niet past in het wettelijke systeem van de margeregeling. Het feit dat kennelijk niet alle Europese banken de verzamelmunten leveren via een ICL, is evenmin iets waar de rechtbank of verweerder iets aan kan doen. Volgens het systeem van de Europese Btw-Richtlijn is het in beginsel wel nodig om de munten te leveren via een ICL, omdat het gaat om verzamelobjecten waarvoor de vrijstelling op geld niet van toepassing is. De omstandigheid dat kennelijk niet in alle landen de Btw-Richtlijn juist wordt toegepast, kan niet door de rechtbank worden veranderd.

21. Verweerder heeft zich bij de opgelegde naheffingsaanslag over 2012 gehouden aan het systeem van de Wet OB en de Btw-Richtlijn en aan het Besluit, dus de verwijten van eiseres aan het adres van verweerder zijn niet terecht.

22. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

23. Nu eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking belastingrente ongegrond te worden verklaard.

24. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, mr. R.A. Eskes en mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.W.H. van Brandenburg, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 25 februari 2015

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.