Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:985

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-02-2016
Datum publicatie
23-02-2016
Zaaknummer
05/860826-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank van 6 juli 2015 is veroordeelde tot straf veroordeeld ter zake van het in haar strafzaak bewezen verklaarde feit, gekwalificeerd als valsheid in geschrift, meermalen gepleegd. De rechtbank concludeert dat een bedrag van € 115.070,00 aan veroordeelde moet worden toegerekend als geschat wederrechtelijk voordeel. Het draagkrachtverweer is door de rechtbank verworpen. In het onderhavige geval is niet gebleken dat veroordeelde nu en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben De rechtbank heeft geen zicht op de huidige vermogenssituatie van veroordeelde, en kan voorts niet uitsluiten dat veroordeelde in de toekomst op andere wijze dan door inkomen uit arbeid voldoende draagkracht zal verkrijgen om het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/860826-13 (ontneming)

Datum zitting : 08 februari 2016

Datum uitspraak: 22 februari 2016

Tegenspraak ( artikel 279 Sv)

Uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[veroordeelde] (hierna te noemen: veroordeelde),

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] .

Raadsman: mr. R.J. Mesland, advocaat te Haarlem.

Onderzoek van de zaak

Ter terechtzitting van 11 november 2014 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt. De zaak is toen aangehouden voor onbepaalde tijd en heeft op 22 juni 2015 wederom op zitting gestaan. Bij tussenbeslissing van 6 juli 2015 is het onderzoek heropend en geschorst, omdat de rechtbank het noodzakelijk en wenselijk achtte dat zij nader zou worden geïnformeerd over de vraag of er een bestuursrechtelijke terugvordering zal gaan plaatsvinden of heeft gevonden. De zaak heeft vervolgens op 8 februari 2016 op zitting gestaan.

Procesgang

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in deze rechtbank van 6 juli 2015 is veroordeelde tot straf veroordeeld ter zake van het in haar strafzaak bewezen verklaarde feit, gekwalificeerd als valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

De rechtbank heeft de processtukken gezien, waaronder het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vordering van het Openbaar Ministerie

De vordering van het Openbaar Ministerie houdt in dat aan veroordeelde als wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden ontnomen een bedrag van € 115.070,-.

Ter terechtzittingen van 22 juni 2015 en 8 februari 2016 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen. Op de terechtzitting van 8 februari 2016 heeft de officier van justitie zich gebaseerd op de door [naam 1] op 16 november 2015 verstrekte informatie dat de door veroordeelde onterecht ontvangen PGB-gelden vanwege de verjaringstermijn niet meer kunnen worden teruggevorderd. Nu [naam 1] niet meer kan terugvorderen, heeft de officier van justitie gepersisteerd bij de vordering.

Standpunt van de veroordeelde / de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er wel sprake is van een invordering en heeft daartoe verwezen naar de brieven van [naam 2] , incasso & gerechtsdeurwaarders te [woonplaats] , van 29 juli 2014, 7 oktober 2013, 25 februari 2013 en 23 januari 2013, die naar de bewindvoerder zijn verzonden en waarin veroordeelde wordt verzocht een totaalbedrag van € 70.750,36 (hoofdsom € 63.050,10) te betalen. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat een bedrag van € 63.050,- in mindering dient te worden gebracht op de ontnemingsvordering.

De raadsman heeft ten slotte aangevoerd dat de ontnemingsvordering een leedtoevoeging is voor veroordeelde, gelet op de omstandigheid dat zij chronisch ziek is en daardoor beperkt is in haar vrijheid.

Overweging met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank stelt allereerst vast dat veroordeelde nog niet is overgegaan tot enige terugbetaling van de ten onrechte ontvangen PGB-gelden. De rechtbank verwijst hiertoe naar de verklaring van de raadsman op de terechtzitting van 8 februari 2016.

De rechtbank overweegt dat uit de door de raadsman overgelegde stukken van de bewindvoerder, waarvan het meest actuele dateert van 29 juli 2014, blijkt dat veroordeelde weliswaar is aangeschreven door een incassobureau teneinde een betalingsachterstand te voldoen, maar dat kennelijk geen verdere actie is gevolgd teneinde het bedrag te incasseren.

De rechtbank stelt verder vast dat uit een mailbericht van [naam 3] van

16 november 2015 is gebleken dat [naam 1] de aan veroordeelde ten onrechte verstrekte PGB-gelden niet meer kan terugvorderen nu er sprake is van verjaring.

Gelet op de inhoud van het procesdossier, het vonnis in de strafzaak en de daaraan ontleende bewijsmiddelen, stelt de rechtbank vast dat veroordeelde met het door haar gepleegde feit wederrechtelijk voordeel heeft gekregen.

De rechtbank overweegt dat zij dient vast te stellen op welk bedrag het door veroordeelde verkregen wederrechtelijke voordeel moet worden geschat. Als grondslag voor de schatting van de hoogte van dit wederrechtelijk voordeel gebruikt de rechtbank het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de Politie Oost‑Nederland, team recherche Harderwijk, van 28 september 20131 (hierna: rapport).

In het rapport is de volgende berekening gemaakt.

Opbrengst

Jaar 2009 PGB-gelden (1e 7 maanden) € 36.178,79

Jaar 2009 PGB-gelden (laatste 5 maanden) € 25.842,00

Jaar 2010/2011 PGB-gelden € 63.050,10

Totale Opbrengst € 125.070,00 (afgerond)

Kosten

[naam 4] jaar 2009 € 1.500,00

[naam 4] jaar 2010 € 6.435,00

[naam 5] jaar 2010 € 1.200,00

Kosten, zoals telefoon- en vervoerskosten € 865,00

Totale kosten € 10.000,00 (afgerond naar

boven)

Wederrechtelijk verkregen voordeel€ 115.070,00

De rechtbank is van oordeel dat het in het rapport berekende wederrechtelijk verkregen kan worden gevolgd. De stelling van de raadsman dat een bedrag van € 63.050,10 in mindering dient te worden gebracht, onderschrijft de rechtbank niet omdat is gebleken dat veroordeelde dit bedrag niet heeft terugbetaald aan [naam 1] of het incassobureau en [naam 1] dit bedrag evenmin kan terugvorderen in verband met verjaring.

De rechtbank verwerpt voorts het verweer van de raadsman dat er sprake is van leedtoevoeging. De onderhavige maatregel ziet niet op leedtoevoeging maar is gericht op herstel van de rechtmatige toestand in financiële zin.

De rechtbank concludeert dat een bedrag van € 115.070,00 aan veroordeelde moet worden toegerekend als geschat wederrechtelijk voordeel.

Omvang van de betalingsverplichting

De raadsman heeft verder een draagkrachtverweer gevoerd. De raadsman heeft aangevoerd veroordeelde aan MS lijdt, waardoor haar verdiencapaciteit minimaal is. De levensverwachting van veroordeelde is nog niet duidelijk.

De rechtbank overweegt dat een draagkrachtverweer, zoals namens veroordeelde is gedaan, gehonoreerd dient te worden wanneer aanstonds duidelijk is dat veroordeelde tegen wie de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel gericht is, nu en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. In het onderhavige geval is dit niet gebleken. De rechtbank heeft geen zicht op de huidige vermogenssituatie van veroordeelde, en kan voorts niet uitsluiten dat veroordeelde in de toekomst op andere wijze dan door inkomen uit arbeid voldoende draagkracht zal verkrijgen om het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te voldoen. Het verweer is op dit punt onvoldoende onderbouwd, zodat het moet worden verworpen.

De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

De beslissing

De rechtbank:

 stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op € 115.070,00 (honderdvijftienduizend zeventig euro);

 legt aan de veroordeelde, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, de

verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag in totaal € 115.070,00 (honderdvijftienduizend zeventig euro).

Aldus gegeven door mr. M.J.A.L. Beljaars (voorzitter), mr. S.A. van Hoof en mr. H.G. Eskes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J. Buitenhuis, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 februari 2016.

Mr. Eskes is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

1 Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van de Politie Oost‑Nederland, team recherche Harderwijk, van 28 september 2013.