Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:983

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 4431, 15_4432
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:5862, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 3.11 Wet IB 2001. Bosbouwvrijstelling. De voordelen behaald met het beheer van een bos dat niet voor rekening en risico van eiser wordt geëxploiteerd, zijn geen voordelen uit een bosbedrijf. Doel vrijstelling is om voordelen die samenhangen met bezit en exploitatie van een bos niet te belasten. In dit geval zijn de voordelen behaald met het verrichten van werkzaamheden tegen vergoeding. Het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/428
Belastingadvies 2016/9.3
V-N 2016/25.1.2
FutD 2016-0513
NTFR 2016/1542 met annotatie van mr. K. Bozia
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 15/4431 en 15/4432

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 25 februari 2016

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Doetinchem, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.06) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 10.182.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag (aanslagnummer [000] .W.06) inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 7.457.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 18 juni 2015 de aanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij faxbericht van 24 juli 2015, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend. Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn echtgenote [Y] , de gemachtigde en [A] , opzichter bij Stichting [B] (hierna: [B] ). Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , [C] en [D] .

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser en zijn echtgenote [Y] (hierna: de echtgenote) drijven een onderneming onder de naam V.O.F. [E] . De activiteiten van de onderneming bestaan uit loonwerkzaamheden, werk in de agrarische sector, werk in de bosbouw en verkoop van kersen uit eigen kwekerij. Meer specifiek omvatten de loonwerkzaamheden onder meer het hakken van grienden, oogsten van hout en onderhoud van knotbomen (hierna: de werkzaamheden). De opbrengsten van de werkzaamheden bestaan uit de vergoeding voor de loonwerkzaamheden en de opbrengst van de verkoop van het hout.

2. De werkzaamheden worden onder andere verricht voor [B] en [F] . Het bos, waaronder de grienden, zijn in eigendom van [B] en [F] .

3. In verband met de behandeling van de aangifte IB/PVV 2005 heeft verweerder bij brief van 9 november 2007 verzocht om informatie te verstrekken over de in de aangifte geclaimde landbouwvrijstelling. Bij brief van 14 november 2007 heeft eiser aangegeven dat sprake is van bosbouwvrijstelling in plaats van landbouwvrijstelling. Verweerder heeft vervolgens geen nadere vragen gesteld over de aangifte IB/PVV 2005 en de aanslag IB/PVV 2005 met toepassing van de bosbouwvrijstelling vastgesteld.

4. Op 12 maart 2012 heeft verweerder een actualiteitsbezoek gebracht aan V.O.F. [E] om inzicht te krijgen in de bedrijfsvoering op dat moment. Het rapport met de bevindingen naar aanleiding van dit bezoek behoort tot de stukken van het geding.

5. Tot de stukken van het geding behoort een verklaring van [G] (hierna: [G] ) van 10 december 2015 ten aanzien van de werkzaamheden van eiser.

Geschil

6. In geschil is of de aanslagen IB/PVV en ZVW 2010 tot de juiste bedragen zijn vastgesteld. Meer in het bijzonder is in geschil of eiser in aanmerking komt voor de bosbouwvrijstelling. Indien deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord is in geschil of de bosbouwvrijstelling evenwel dient te worden toegepast op grond van het vertrouwensbeginsel of het gelijkheidsbeginsel.

7. Voorts is in geschil of verweerder het hoorverslag in de bezwaarfase aan eiser heeft toegezonden.

Beoordeling van het geschil

Hoorverslag

8. Verweerder heeft in de beroepsprocedure een kopie van het verslag van het hoorgesprek overgelegd, alsmede een door eiser op 8 juni 2015 ondertekend formulier, waarin eiser aangeeft dat het verslag de besproken onderwerpen en de ingenomen standpunten correct weergeeft. Gelet hierop faalt de stelling van eiser dat hij het hoorverslag niet zou hebben ontvangen.

Bosbouwvrijstelling

9. Ingevolge artikel 3.11 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) behoren voordelen uit bosbedrijf niet tot de winst. Een redelijke verdeling van de bewijslast leidt ertoe dat eiser aannemelijk dient te maken dat de voordelen uit de werkzaamheden vallen onder de bosbouwvrijstelling.

10. Eiser stelt zich op het standpunt dat de werkzaamheden kwalificeren als een bosbedrijf en de voordelen daaruit derhalve vrijgesteld zijn. Eiser voert hiertoe aan dat de werkzaamheden niet alleen bestaan uit het hakken van grienden, maar ook uit onderhoud en instandhouding van de grienden. Voorts stelt eiser dat sprake is van zeer specialistisch werk dat niet (ook) door vrijwilligers wordt gedaan. Ter onderbouwing hiervan wijst eiser op de verklaring van [G] en de ter zitting gedane verklaringen van [A] hierover. Verweerder stelt, hetgeen eiser betwist, dat de vrijstelling niet van toepassing is op eiser, omdat het bos niet voor rekening en risico van eiser wordt gedreven. Eiser verricht loonwerkzaamheden die niet voor de vrijstelling in aanmerking komen, aldus verweerder.

11. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de bosbouwvrijstelling is ingevoerd vanuit de gedachte dat bossen, meer in het bijzonder de aanwas van opgaand hout, niet door de inkomstenbelasting diende te worden getroffen. Reden is het algemeen belang dat gelegen is in het bezit van een goede bosstand. Voorts is aangegeven dat het begrip bosbedrijf in ruime zin dient te worden opgevat, zodat daaronder wordt gerekend opgaand hout in het algemeen. Echter, voorgesteld werd om hakbossen niet onder de vrijstelling te laten vallen, omdat de voordelen uit deze bossen vallen onder de normale bedrijfsuitoefening (Kamerstukken II 1925/26, 266, nr. 3). In de Memorie van Antwoord is vermeld dat doordat uit de jurisprudentie volgde dat het bosbedrijf in ruime zin moest worden uitgelegd, nagenoeg alle bosbezit tot bosbedrijf was gemaakt en alle aanwas van hout belastingplichtig was. Met de vrijstelling werd beoogd daaraan een einde te maken (Kamerstukken II 1925/26, 266, nr. 80a).

12. De Hoge Raad heeft ten aanzien hiervan overwogen: ‘dat blijkens de geschiedenis van laatstgenoemde wet het de opzet is geweest, met het oog op het algemeen belang betrokken bij het behoud van bossen en houtopstanden, den aanwas van opgaand hout, waaronder men ook wegbeplantingen begreep, in het algemeen buiten de sfeer der inkomstenbelasting te brengen’ (Hoge Raad 20 januari 1954, ECLI:NL:HR:1954:AY2788, BNB 1954/79).

13. Uit de jurisprudentie blijkt voorts dat sprake dient te zijn van instandhouding van bossen en niet dient vast te staan dat het gebruik zal eindigen door bijvoorbeeld kap van de bomen (vgl. Hoge Raad 16 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2586, BNB 1999/102 en Hof Den Haag 3 april 2012, ECLI:NL:GHDHA:2012:BX2207).

14. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat met het begrip bosbedrijf wordt gedoeld op het bezit en exploitatie van een bos en met de bosbouwvrijstelling is beoogd de voordelen die samenhangen met die exploitatie vrij te stellen van de heffing van inkomstenbelasting. Hoewel de feitelijke werkzaamheden van eiser bestaan uit het beheer van een bos, is geen sprake van exploitatie van een bos door eiser. De onderneming van eiser ziet niet op de exploitatie van een bos, maar het verrichten van werkzaamheden tegen een vergoeding. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiser om die reden niet in aanmerking komt voor de bosbouwvrijstelling.

Vertrouwensbeginsel

15. Eiser stelt dat de bosbouwvrijstelling desalniettemin dient te worden toegepast, omdat bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat hij in aanmerking komt voor de bosbouwvrijstelling. Hierbij wijst eiser er onder meer op dat hij al jarenlang in zijn aangiften IB/PVV de bosbouwvrijstelling claimt, dat in verband met de aangifte IB/PVV 2005 vragen zijn gesteld door de Belastingdienst en dat de Belastingdienst in 2012 een actualiteitsbezoek heeft gedaan, en vervolgens bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV geen correcties hebben plaatsgevonden.

16. Voor een in rechte te beschermen vertrouwen is volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad (onder andere HR 13 december 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC4179) meer vereist dan de enkele omstandigheid dat verweerder de aangiften gedurende een aantal jaren heeft gevolgd. Er zullen bijkomende omstandigheden moeten zijn op grond waarvan bij de belastingplichtige de indruk is gewekt dat het volgen van de aangiften in voorafgaande jaren het gevolg is van een bewuste standpuntbepaling van de inspecteur. Een omstandigheid als vorenbedoeld kan zijn gelegen in gevoerde correspondentie met de Belastingdienst over de fiscale kwalificatie van een inkomensbestanddeel in de aangifte. In onderhavig geval heeft eiser desgevraagd aan verweerder aangegeven dat geen beroep wordt gedaan op de landbouwvrijstelling maar op de bosbouwvrijstelling. Nu verweerder vervolgens geen nadere vragen heeft gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank daarmee het gerechtvaardigde vertrouwen bij eiser gewekt dat toepassing van de bosbouwvrijstelling akkoord is bevonden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt derhalve. De overige gronden van eiser behoeven derhalve geen behandeling meer.

17. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

18. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 992 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Nu niet is gebleken dat eiser heeft verzocht om een kostenvergoeding in de bezwaarfase, ziet de rechtbank geen aanleiding om voor de behandeling van de bezwaren een kostenvergoeding toe te kennen. Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de aanslag IB/PVV 2010 tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 5.226;

- vermindert de aanslag ZVW 2010 tot een berekend naar een bijdrage-inkomen van € 2.567;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 992;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 45 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Vaatstra, rechter, in tegenwoordigheid van mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 25 februaeri 2016

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.