Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:981

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-02-2016
Datum publicatie
25-02-2016
Zaaknummer
AWB - 13 _ 6411
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Navorderingsaanslagen IB/PVV en VB over buitenlandse tegoeden als gevolg van informatie van tipgever. Geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan weigering van verweerder om ongeschoonde versies van stukken met betrekking tot tipgever te overleggen (8:31 Awb). Identificatie eiser als rekeninghouder. Omkering bewijslast. Redelijke schatting. Vermindering boetes wegens overschrijding redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/436
V-N 2016/25.1.1
FutD 2016-0521
NTFR 2016/982 met annotatie van Mr.drs. A.J. Meijer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 13/6411, 13/6413 tot en met 13/6415, 13/6417 tot en met 13/6421, 13/6423 tot en met 13/6425, 13/6518 en 13/6519

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 25 februari 2016

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Leeuwarden, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser (BSN [000] ) de volgende belastingaanslagen opgelegd:

- navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) over de jaren 1997 tot en met 2007;

- navorderingsaanslagen vermogensbelasting (hierna: VB) over de jaren 1998 tot en met 2000.

Verweerder heeft de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1997 en 2004 en VB over het jaar 1998 met 50 percent verhoogd (hierna ook boetes genoemd) dan wel opgelegd met boetes van 50 percent. De navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1998 tot en met 2003 en 2005 tot en met 2007 en VB over de jaren 1999 en 2000 zijn opgelegd met boetes van 100 percent. Gelijktijdig met de navorderingsaanslagen is bij beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 4 september 2013 de navorderingsaanslagen IB/PVV en VB, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen gehandhaafd. De door eiser verschuldigde bedragen (belasting, heffingsrente en boete) zijn als volgt weer te geven (bedragen tot en met 2000 in guldens en vanaf 2001 in euro’s):

IB/PVV

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

verschuldigde IB/PVV

29.924

43.641

28.130

48.933

11.593

7.177

10.247

5.718

14.478

14.613

13.634

boete

14.962

32.813

28.130

37.668

7.835

7.177

8.804

2.859

9.892

10.330

11.114

heffingsrente

13.851

14.942

11.965

14.657

2.706

2.243

2.513

1.288

1.982

1.863

1.600

VB

1998

1999

2000

verschuldigde VB

7.136

7.921

7.728

boete

3.568

7.921

7.728

heffingsrente

3.071

3.607

3.287

Eiser heeft daartegen bij faxbericht van 16 oktober 2013, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Beide partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

Een verzoek van eiser tot uitstel van de zitting is afgewezen, omdat geen sprake is van een acute verhindering voor de zitting en een verandering in de situatie van eiser zich niet laat aanzien.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en twee van eisers dochters. Namens verweerder zijn verschenen drs. [gemachtigde] en mr. [A] .

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van twee foto’s door eiser.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is geboren op [1942] en is gehuwd met [Y] . De voornamen van eiser zijn voluit [B] . Eiser en [Y] waren van [1989 1] tot en met [2005] woonachtig aan de [A-straat 1] , [Z] . Eiser dreef op hetzelfde adres in de onderhavige jaren een onderneming in de vorm van een eenmanszaak onder de naam “ [C] ”.

2. Eiser heeft een zoon [D] (hierna: [D] .). De voornamen van [D] . zijn voluit [B] en hij is geboren op [1963] . [D] . is in 1986 gehuwd met [E] . Volgens het systeem Beheer van Relaties van de Belastingdienst (hierna: BVR) en een uittreksel uit de Basisregistratie Personen (hierna: BRP) van de gemeente Apeldoorn was [D] . in 1996 woonachtig aan de [A-straat 2] te [Z] . Dit is tegenover de woning en de loods van eiser gelegen. [D] . heeft een zoon die eveneens [F] heet en is geboren op [1989 2] .

3. In maart van het jaar 2009 heeft een tipgever zich bij de FIOD gemeld. Deze tipgever beweert informatie te hebben over Nederlandse belastingplichtigen met een rekening bij Rabobank Luxembourg S.A. (hierna: Rabobank Luxembourg). In een eerste gesprek is door de FIOD met de tipgever afgesproken dat de tipgever een deel van de informatie overdraagt zodat de FIOD kan beoordelen of deze informatie van belang is voor de belastingheffing. De eerste informatie is door de tipgever verstrekt op 30 maart 2009. Naar aanleiding van diverse gesprekken heeft de tipgever zijn informatieverstrekking uitgebreid.

4. In het “Memo Tipgever Luxemburg”, welke in geschoonde versie tot het dossier behoort, is verweerder tot de conclusie gekomen dat de door de tipgever verstrekte informatie van belang is voor de belastingheffing en dat deze informatie betrouwbaar is. Naar aanleiding van deze bevindingen is met de tipgever een overeenkomst gesloten welke door de tipgever is ondertekend op 15 september 2009. Door verweerder is deze overeenkomst ondertekend op 16 september 2009. Naar aanleiding van het sluiten van deze overeenkomst heeft de tipgever alle hem bekende informatie verstrekt. Voorts is door verweerder de identiteit van de tipgever gecontroleerd. Van deze controle is een ambtsedige verklaring opgemaakt.

5. Verweerder heeft renseignementen ontvangen betreffende rekeningen bij Rabobank Luxembourg. De renseignementen betreffen uitdraaien van gegevens per 7 februari 1996. Hierop staat onder meer een rekening vermeld met de volgende gegevens:

“Ag. A/M Rek. Naam Relatie Nr. Munt Vreemde Assets B/F Tel. call Visit R.

Nr. Munt in NLG

31 31 [001] [G] e NLG 1.050.001 11-sep-95

Town Count Private Work

[005] [Z] Netherl. [002] [003] ”

6. Bij brief van 16 oktober 2009 heeft verweerder eiser bericht dat hem uit onderzoek is gebleken dat eiser gerechtigd is of is geweest tot in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Hij verzoekt eiser daarbij gegevens en inlichtingen te verstrekken overeenkomstig de formulieren “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)”. In deze brief is eiser gewezen op de verplichtingen van de artikelen 47 en 49 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), en de in de artikelen 25 en 27e (omkering bewijslast) van die wet aan weigering verbonden gevolgen.

7. Op 23 oktober 2009 heeft eiser voornoemde verklaring teruggezonden aan verweerder. Eiser heeft aangegeven buitenlandse bankrekeningen aan te (hebben ge)houden in België, geopend in 2008 en met een saldo op 23 oktober 2009 van nihil.

8. Bij brief van 22 december 2009 heeft verweerder eiser medegedeeld dat volgens zijn gegevens de verklaring niet volledig en juist is ingevuld, omdat eiser volgens die gegevens in het verleden aanzienlijke bedragen heeft aangehouden bij Rabobank Luxembourg. Verweerder verzoekt eiser nogmaals om gegevens en inlichtingen te verstrekken overeenkomstig het formulier “Verklaring in het buitenland aangehouden bankrekening(en)”. Eiser is niet aan dit verzoek tegemoetgekomen.

9. Met dagtekening 30 december 2009 zijn de navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1997 en 2004 en VB over het jaar 1998 opgelegd. Eiser heeft daartegen tijdig bezwaar gemaakt.

10. Bij brief met bijlagen van 4 februari 2010 heeft [H] van de Belastingdienst (hierna: [H] ) aan een collega, voor zover hier van belang, het volgende geschreven:

“Hierbij kopieën van de stukken die uiteindelijk hebben geleid tot de identificatie van [X] . Je treft hierbij aan:

 Een geanonimiseerde versie van de lijst die door de tipgever is verstrekt

Het zal duidelijk zijn dat we gezocht hebben op de naam, de toenmalige woonplaats en het toenmalige telefoonnummer.

 Een printje van een bladzijde uit een ‘omnummergids’.

Het systeem van telefoonnummers is op zeker moment gewijzigd. Dat zorgde ervoor dat het nummer [002] wijzigde in [004] .

 Volgens de nummerchecker (een site van de ‘white list’ van de Belastingdienst) leidt dit nummer naar [C] , [A-straat 1] in [Z] .

 Als je in diezelfde nummerchecker zoekt op postcode, kom je niet alleen [C] tegen, maar ook een privé-persoon [X] (overigens met bijna hetzelfde telefoonnummer).

 Drie BVR-printjes laten zien dat we te maken hebben met [X] BSN [000] , wiens woonadres volgens de gemeente in 1996 [A-straat 1] was. Op dat adres wonen nu de schoondochter en drie kleinkinderen.

Het handschrift op de BVR-prints is van een FIOD-collega die al in juni 2009 met de identificatie van een aantal posten bezig geweest is.

Zoeken naar het ‘Work-telefoonnummer’ leverde helaas niets op. Ik heb geen idee of dat nummer destijds ook gewijzigd is. Wanneer je het nu belt, krijg je in elk geval een toon die laat merken dat het niet bestaat.

Ik hoop dat e.e.a. voldoende overtuigend is om de heer/familie [X] te laten erkennen dat de rekening wel degelijk bestond.”

11. Bij brief van 1 juli 2010 heeft verweerder medegedeeld dat hij voornemens is om navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1998 tot en met 2003 en 2005 tot en met 2007 en VB over de jaren 1999 en 2000 op te leggen. Hierbij heeft verweerder tevens aangekondigd dat hij voornemens is om boetes op te leggen.

12. De navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 1998 tot en met 2003 en 2005 en VB over de jaren 1999 en 2000 zijn opgelegd met dagtekening 31 december 2010. De navorderingsaanslagen IB/PVV over de jaren 2006 en 2007 zijn opgelegd met dagtekening respectievelijk 4 en 11 december 2010. Eiser heeft daartegen tijdig bezwaar gemaakt.

13. Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 4 september 2013 de navorderingsaanslagen IB/PVV en VB, de beschikkingen heffingsrente en de boetebeschikkingen gehandhaafd.

14. Tot de stukken van het geding behoort een ambtsedige verklaring van 9 oktober 2014 van [H] met bijlagen. In deze verklaring heeft [H] de identificatie van eiser als rekeninghouder van de bankrekening beschreven.

Geschil

15. In geschil is of de navorderingsaanslagen IB/PVV en VB, de beschikkingen heffingsrente en de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is het antwoord op de volgende vragen in geschil:

- heeft verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd;

- is eiser op correcte en juiste wijze geïdentificeerd als rekeninghouder;

- is de bewijslast terecht omgekeerd en verzwaard en zijn de navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen opgelegd;

- zijn de beschikkingen heffingsrente tot de juiste bedragen vastgesteld; en

- zijn de boetes terecht en tot de juiste bedragen opgelegd.

Beoordeling van het geschil

Stukken van het geding

16. Verweerder heeft zich ten aanzien van een aantal stukken van het geding op geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb beroepen en slechts geschoonde versies overgelegd. Eiser heeft in de motivering van het beroepschrift verzocht om openbaarmaking van de stukken. Hij heeft dit verzoek ter zitting herhaald. De rechtbank begrijpt dat verweerder, ook indien de rechtbank van oordeel is dat de stukken openbaar dienen te worden gemaakt, de stukken niet openbaar zal maken.

17. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb kan de rechtbank aan het niet voldoen aan de verplichting stukken over te leggen de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om aan de weigering van verweerder om de betreffende stukken in te brengen gevolgen te verbinden. Gelet op de gegevens waarover de rechtbank thans beschikt, heeft de rechtbank de betreffende gegevens voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet nodig. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat eiser door de weigering van verweerder om de betreffende gegevens te verstrekken in zijn procesbelangen is geschaad. De vraag of verweerder zich op geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb kan beroepen, behoeft derhalve geen beantwoording.

Identificatie eiser als rekeninghouder

18. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de betrouwbaarheid van de in de renseignementen opgenomen gegevens te twijfelen. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verweerder – onweersproken – heeft gesteld dat in 55 zaken, waartoe de door de tipgever verstrekte informatie aanleiding heeft gegeven, de behandeling is afgerond en in elf zaken belastingplichtigen hebben erkend een rekening te hebben (gehad) en in geen van de gevallen de gerechtigdheid tot de volgens de broninformatie aangehouden buitenlandse bankrekening onjuist is gebleken. Uit het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3600, r.o. 2.4.3, volgt overigens dat in die zaak – waar het ging om dezelfde tipgever – in hoger beroep ervan is uitgegaan dat van de 76 personen aan wie naar aanleiding van de door de tipgever verstrekte informatie een vragenbrief is verstuurd, er inmiddels 71 hebben erkend in Luxemburg (een) bankrekening(en) te hebben aangehouden.

19. De wijze van identificatie van eiser is beschreven in de brief van [H] van 4 februari 2010 en de ambtsedige verklaring van diezelfde [H] van 9 oktober 2014. De gegevens als vermeld onder 5. hiervoor – in het bijzonder het telefoonnummer zoals vermeld onder ‘Private’ – leiden naar [C] , [A-straat 1] in [Z] . Vaststaat dat eiser in de onderhavige jaren op dit adres woonde en dat hij een eenmanszaak dreef onder de naam [C] . Daar komt bij dat – zoals ter zitting is komen vast te staan – eiser slechts beschikte over één telefoonnummer dat hij zowel zakelijk als privé gebruikte. Dit is het nummer zoals genoemd op de uitdraaien ( [002] ). Eiser heeft dit nummer bij een latere verhuizing meegenomen. Tussen partijen is niet in geschil dat de zoon van eiser vanaf [1986] niet langer ingeschreven heeft gestaan op het adres [A-straat 1] te [Z] . Gelet op al de hiervoor genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat eiser door verweerder terecht als rekeninghouder bij Rabobank Luxembourg is aangemerkt.

20. De tegen de identificatie gerichte gronden kunnen niet slagen. Eiser stelt ten eerste dat valt af te leiden uit de verklaring van [H] , afgelegd op 1 juli 2014 ten overstaan van de rechter‑commissaris van rechtbank Zeeland-West-Brabant en door eiser als nader stuk in deze procedure gebracht, dat [H] niet zeker was dat eiser rekeninghouder was, maar dat hij behoorde tot de twijfelgevallen. Naar het oordeel van de rechtbank berust deze stelling van eiser op een onjuiste lezing van de verklaring van [H] . Laatstgenoemde heeft immers verklaard dat hij “(…) zeker [weet] dat er geen twijfel over de identificatie was.”

21. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat hij om te bewijzen dat hij ten onrechte is geïdentificeerd naar (de rechtsopvolger van) Rabobank Luxembourg is afgereisd. De bank heeft zijn identiteitspapieren aan een verificatieprocedure onderworpen, maar hem niet kunnen identificeren als rekeninghouder. Verweerder voert daartegen aan dat eiser zich had moeten voorstellen als een (ex)cliënt, omdat anders de gevraagde informatie niet wordt verstrekt. De rechtbank is van oordeel dat hetgeen eiser naar voren heeft gebracht ter zake van zijn bezoek aan Rabobank Luxembourg onvoldoende is om tot een ander oordeel te komen ten aanzien van de identificatie. Eiser heeft om hem moverende redenen niet de door verweerder opgestelde brief overgelegd en laten invullen door Rabobank Luxembourg. Door dit na te laten heeft eiser met hetgeen hij naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt dat verweerder hem ten onrechte als rekeninghouder heeft geïdentificeerd.

22. Ten slotte voert eiser aan dat mogelijk sprake is van identiteitsfraude als gevolg van gestolen identiteitspapieren en / of als gevolg van gebruik door anderen van zijn telefoonnummer. Naar het oordeel van de rechtbank had het, gelet op de gemotiveerde betwisting van verweerder, op de weg van eiser gelegen zijn stellingen nader te onderbouwen. Dit heeft hij nagelaten. De rechtbank acht beide scenario’s dan ook niet aannemelijk gemaakt.

Omkering van de bewijslast

23. Bij invoering van artikel 52a van de AWR per 1 juli 2011 is geen overgangsrecht opgenomen en het artikel heeft derhalve onmiddellijke werking. Dit brengt mee dat voor elke vanaf 1 juli 2011 gedane uitspraak op bezwaar heeft te gelden dat verweerder zich slechts op de in artikel 25, derde lid, van de AWR voorziene omkering en verzwaring van de bewijslast kan beroepen indien hetzij een informatiebeschikking onherroepelijk geworden is, hetzij de vereiste aangifte niet is gedaan (zie HR van 2 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2903). Niet (langer) in geschil is dat omkering van de bewijslast niet kan plaatsvinden op de grond dat niet is voldaan aan de inlichtingenverplichting, aangezien de uitspraken op bezwaar zijn gedaan na 1 juli 2011.

24. Omkering van de bewijslast kan derhalve slechts plaatsvinden indien de vereiste aangifte niet is gedaan. Naar vaste jurisprudentie geldt dat bij inhoudelijke gebreken in een aangifte slechts dan kan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van deze gebreken niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd, aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale bewijsregels van stelplicht en bewijslast (zie HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083).

25. Uit de informatie op de renseignementen blijkt van een tegoed van eiser op de bankrekening van ƒ 1.050.001 per 7 februari 1996. De rechtbank is van oordeel dat voor het jaar 1997 het bewijsvermoeden kan worden aangenomen dat ter zake van rente-inkomsten uit de tegoeden op de bankrekening te weinig inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen is geheven en voor latere jaren ter zake van tegoeden op de bankrekening en rente-inkomsten daaruit te weinig vermogensbelasting en inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen is geheven. Zoals hiervoor is overwogen is aannemelijk dat eiser rekeninghouder was van de bankrekening, dat de bankrekening op 7 februari 1996 een aanzienlijk positief saldo vertoonde en dat eiser het saldo en de rente-inkomsten op die rekening niet in de aangifte over de betreffende jaren heeft betrokken en de rentevrijstelling reeds was benut dan wel niet toereikend was voor de rente waarvan kan worden aangenomen dat die is ontvangen. Dit vermoeden is gerechtvaardigd omdat eiser op 7 februari 1996 een aanzienlijk saldo aanhield bij de Rabobank en dit aanzienlijke tegoed niet uit het vermogen van een belastingplichtige pleegt te verdwijnen en een bank rente pleegt te vergoeden over een zodanig tegoed (vergelijk Hoge Raad 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63). Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid dit vermoeden te ontzenuwen. Dit betekent dat aan het vermoeden het bewijs mag worden ontleend dat van eiser over 1997 en de latere jaren te weinig vermogensbelasting en inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen is geheven ter zake van tegoeden bij de Rabobank of rente-inkomsten daaruit.

26. Verweerder heeft bij zijn berekeningen dat sprake is van absoluut en relatief aanzienlijke bedragen aan verschuldigde belasting die niet zijn voldaan als gevolg van het niet opnemen van de bankrekening in de aangiften, als uitgangspunten gehanteerd dat geen stortingen hebben plaatsgevonden na 7 februari 1996, ten minste een rendement is behaald van drie percent per jaar en dat eiser ƒ 50.000 per jaar voor consumptieve doeleinden heeft opgenomen.

27. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met zijn berekeningen aannemelijk gemaakt dat voor elk van de in geschil zijnde jaren de vereiste aangifte niet is gedaan. Door het niet in de aangiften opnemen van het saldo op de rekening bij Rabobank Luxembourg, dat op 7 februari 1996 ƒ 1.050.001 bedroeg, zijn gelet op de omvang van het inkomen dat hiermee samenhangt en dat eiser niet in zijn aangifte heeft vermeld, in relatieve en absolute zin aanzienlijke bedragen aan verschuldigde belasting niet voldaan. Gelet op de omvang van het genoten voordeel en het feit dan van algemene bekendheid was dat banktegoeden en rente-inkomsten daaruit die de vrijgestelde bedragen te boven gaan, waren onderworpen aan heffing van vermogensbelasting dan wel inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en daarom aangegeven moesten worden als vermogen respectievelijk inkomsten uit vermogen, moet eiser zich ervan bewust zijn geweest dat hij, door dit voordeel niet op te nemen in zijn aangifte, niet de vereiste aangifte heeft gedaan. De rechtbank verwijst hierbij naar het door verweerder overgelegde overzicht op pagina vijf en zes van de op 30 december 2015 door de rechtbank ontvangen pleitnota dat door eiser niet is betwist. Het beroep moet op de voet van artikel 27e, eerste lid, van de AWR, ongegrond worden verklaard, tenzij eiser heeft doen blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is.

Hoogte van de navorderingsaanslagen

28. De zogenoemde omkering en verzwaring van de bewijslast ontslaat verweerder evenwel niet van zijn verplichting om door hem aangebrachte correcties niet naar willekeur vast te stellen. De belastingaanslagen dienen te berusten op een redelijke schatting (zie onder meer HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4483, r.o. 3.5). Als de door verweerder gebruikte gegevens kunnen worden geaccepteerd als basis voor de redelijke schatting, ligt het op de weg van eiser om, voor zover hij de juistheid van die gegevens of de juistheid anderszins van de schatting van verweerder betwist, daarvoor het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren (zie HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

29. Verweerder heeft zich bij vaststelling van de navorderingsaanslagen gebaseerd op het saldo vermeld op het renseignement. Verweerder heeft vervolgens rekening gehouden met een vermogenstoename van zes percent per jaar voor de vermogensbelasting (tot het jaar 2001) en het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (vanaf het jaar 2001), alsmede een rendement van zes percent per jaar voor de te belasten vermogensinkomsten begrepen in de inkomstenbelasting voor de jaren 1998 tot en met 2000. De rechtbank acht dit een redelijke schatting van de inkomsten en het vermogen in de verschillende jaren. Hieraan doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat verweerder andere grondslagen hanteert om aannemelijk te maken dat de vereiste aangifte niet is gedaan, zie onder 24. hiervoor, aangezien verweerder in die berekening in het voordeel van eiser er rekening mee houdt dat geen stortingen hebben plaatsgevonden, dat een rendement van drie percent is behaald en dat kasopnamen van ƒ 50.000 per jaar hebben plaatsgevonden.

30. Eiser heeft geen gronden aangevoerd dat de navorderingsaanslagen tot een lager bedrag moeten worden vastgesteld.

31. De beroepen tegen de navorderingsaanslagen zijn ongegrond.

Heffingsrente

32. Aangezien eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dienen de beroepen voor zover deze zijn gericht tegen de beschikkingen heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

Boetes

33. Verweerder heeft tegelijk met de navorderingsaanslagen vergrijpboetes opgelegd van 50 percent (IB/PVV 1997 en 2004 en VB 1998) en 100 percent (de overige navorderingsaanslagen).

34. Als uitgangspunt geldt dat aan eiser geen boete kan worden opgelegd ter zake van een beboetbaar feit waaromtrent bewijs ontbreekt dat hij dit heeft gepleegd. De bewijslast voor de boetes ligt voor ieder jaar afzonderlijk, zowel voor wat betreft de vraag of het beboetbare feit zich heeft voorgedaan als de vraag of sprake is geweest van opzet, bij verweerder (vergelijk HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6324 en HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350; r.o. 4.5.2 en 4.5.3).

35. Het bewijs dat van eiser te weinig IB/PVV en VB is geheven ter zake van tegoeden op de bankrekening bij Rabobank Luxembourg, kan worden ontleend aan een niet‑ontzenuwd bewijsvermoeden. In een geval als het onderhavige, waarin eiser een bankrekening aanhoudt in een land met een bankgeheim en aanzienlijke tegoeden daarop en de rente‑inkomsten daaruit ten onrechte niet in zijn aangifte heeft vermeld, kan in het algemeen reeds op grond daarvan worden aangenomen dat hij die aangifte opzettelijk onjuist heeft gedaan. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat het voor jaren als de onderhavige van algemene bekendheid was dat banktegoeden en rente-inkomsten daaruit die de vrijgestelde bedragen te boven gaan, waren onderworpen aan heffing van vermogensbelasting dan wel inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en daarom aangegeven moesten worden als vermogen respectievelijk inkomsten uit vermogen (zie HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, r.o. 3.11.3). Een dergelijk vermoeden is gerechtvaardigd, in aanmerking genomen (a) dat een aanzienlijk tegoed op een bankrekening niet uit het vermogen van een belastingplichtige pleegt te verdwijnen en (b) een bank, naar van algemene bekendheid is, rente pleegt te vergoeden over een zodanig tegoed (zie HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, r.o. 3.5.1). In het onderhavige geval is sprake van een aanzienlijk tegoed, immers meer dan ƒ 100.000 (zie HR 27 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:713, r.o. 3.2). Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid dit vermoeden te ontzenuwen.

36. De boetes zijn derhalve terecht opgelegd. Bij de beoordeling of een boete in de omstandigheden van het geval telkens passend en geboden is, dient acht te worden geslagen op de proportionaliteit van die boete in verband met de ernst van het gepleegde feit. De rechtbank acht de boetes passend en geboden.

37. Aangezien tussen het tijdstip dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd en deze uitspraak van de rechtbank meer dan twee jaren, te weten respectievelijk zes jaren en twee maanden en vijf jaren en acht maanden, zijn verstreken, is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overschreden (zie HR 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). De rechtbank heeft hierbij als startdatum 30 december 2009 voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 1997 en 2004 en VB 1998 (i.e. de datum van oplegging van de navorderingsaanslagen) gehanteerd en 1 juli 2010 voor de overige aanslagen (i.e. de datum van de brief waarbij eiser in kennis gesteld van het voornemen van verweerder om boetes op te leggen voor de overige jaren). De rechtbank ziet daarom aanleiding om de boetes met 20 percent te matigen.

38. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen voor zover deze zich richten tegen de boetes gegrond. De boetes dienen te worden gematigd tot 40 percent (IB/PVV 1997 en 2004 en VB 1998) en 80 percent (overige navorderingsaanslagen) van de nagevorderde belasting.

Conclusies en proceskostenvergoeding

39. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen voor zover gericht tegen de boetes gegrond te worden verklaard en de beroepen voor zover gericht tegen de navorderingaanslagen IB/PVV en VB en de beschikkingen heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

40. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.484 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond voor zover zij zijn gericht tegen de verhogingen en boetes;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover zij betrekking hebben op de verhogingen en boetes;

- vermindert de verhogingen en boetes met 20 percent;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.484;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 88 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.J.C. Pieterse, voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr. A.P. Vaatstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. S.J. Willems-Ruesink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 25 februari 2016

griffier

Voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.