Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:873

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-02-2016
Datum publicatie
20-04-2016
Zaaknummer
4247021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

“Vordering tot betaling van declaraties systeemtherapeut voor in 2011/2012 middels GGZ instelling Europsyche verleende zorg deels toegewezen.

De verleende zorg vond plaats in de periode dat Europsyche als GGZ-instelling DBC’s aan de verzekeraar factureerde. De tekst van artikel 23 van de Verzekeringsvoorwaarden 2011 en 2012

in combinatie met het feit dat de systeemtherapeut gedurende langere tijd de via Europsyche verleende zorg wel vergoed kreeg en zijn functie extern is getoetst, heeft tot gevolg dat de declaraties

in beginsel vergoed moeten worden. Het zijn van hoofdbehandelaar was in die periode een niet voldoende duidelijk kenbare voorwaarde.” (zie ook eclinummer 2015/8315)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 4247021 \ CV EXPL 15-10171 \ 512

uitspraak van 17 februari 2016

vonnis

in de zaak van

[eisende partij] , h.o.d.n. [handelsnaam]

wonende te [woonplaats]

eisende partij

gemachtigde mr. E. Aartsen

tegen

de naamloze vennootschap VGZ Zorgverzekeraar N.V.

gevestigd te Arnhem

gedaagde partij

gemachtigde mr. M.H.P. Claassen

Partijen worden hierna [eisende partij] en VGZ genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 9 december 2015 en de daarin genoemde processtukken;

- de akte van [eisende partij] met daarin een wijziging van eis;

- de akte van VGZ.

2 De verdere beoordeling van het geschil

2.1.

De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 9 december 2015.

2.2.

[eisende partij] heeft bij akte een overzicht overgelegd waaruit een zestal behandelsessies in 2011 en een tweetal sessies in 2012 volgt. Naast het feit dat behalve [verzekerde sub 1] soms ook [verzekerde sub 2] en/of [verzekerde sub 3] aanwezig waren, is ook sprake van directe en indirecte (met de behandeling gemoeide) tijd. [eisende partij] heeft bij akte een toedeling gemaakt van de aan [verzekerde sub 1] toe te rekenen (directe en indirecte) behandeltijd, alsmede van de behandelingen over 2011 en 2012. Dit komt neer op een bedrag van € 915,44 over 2011 en (60% van € 228,86) € 137,31 over 2012. [eisende partij] wijzigt zijn eis in die zin dat hij thans € 823,89 vordert, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten van € 159,53 (inclusief btw) en de wettelijke rente over € 823,89 vanaf 13 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede een proces- en nakostenveroordeling.

2.3.

VGZ heeft bij antwoordakte aangegeven geen aanleiding te zien voor het geven van een reactie op de in r.o. 2.2. weergegeven toerekening van kosten door [eisende partij] . Ook overigens heeft zij de stellingen van [eisende partij] op dit punt niet weersproken, zodat de kantonrechter deze berekening tot uitgangspunt neemt.

2.4.

Partijen verschillen nog van mening over de gevolgen van de reeds door [verzekerde sub 1] betaalde behandelkosten. [eisende partij] stelt dat hij met [verzekerde sub 1] is overeengekomen dat hij in verband met de behandeling van zowel [verzekerde sub 1] , [verzekerde sub 2] als [verzekerde sub 3] een maximumbedrag van € 1.750,00 bij hen in rekening zou brengen, waarbij is afgesproken dat [eisende partij] zou trachten bij VGZ het gehele bedrag terug te vorderen. Wanneer dit succes zou hebben, zou het bedrag van

€ 1.750,00 weer gerestitueerd worden. Van dit bedrag is volgens [eisende partij] een deel van

€ 915,44: € 3.575,88 = 25% toe te rekenen aan [verzekerde sub 1] , derhalve een bedrag van

€ 448,00. VGZ heeft geen belang bij haar verweer dat dit deel van de vordering niet toegewezen kan worden, nu dit enkel tot gevolg heeft dat [verzekerde sub 1] dit bedrag zelf bij VGZ zal declareren, aldus [eisende partij] .

2.5.

VGZ handhaaft haar stelling dat [eisende partij] dit, reeds betaalde, deel van de factuur niet (ook) bij VGZ in rekening brengen. VGZ stelt voorts dat geen sprake is van lastgeving tot incasso, maar enkel van een toezegging van [eisende partij] aan [verzekerde sub 1] dat bij toewijzing van zijn vordering op VGZ, de door [verzekerde sub 1] gedane betaling zal worden gerestitueerd. VGZ stelt dat zij wel degelijk belang heeft bij het voeren van dit verweer.

2.6.

De kantonrechter gaat op grond van het voorgaande uit van het onweersproken bedrag van € 448,00 dat reeds door [verzekerde sub 1] aan [eisende partij] is voldaan terzake (het op hem betrekking hebbende deel van) de factuur van 14 december 2014. De kantonrechter volgt VGZ in haar stelling dat de toezegging van [eisende partij] aan [verzekerde sub 1] dat een eventuele toewijzing van zijn vorderingen op VGZ zal leiden tot restitutie van reeds door [verzekerde sub 1] betaalde bedragen er niet toe kan leiden dat hij dit bedrag thans (namens [verzekerde sub 1] ) bij VGZ in rekening kan brengen. Overeenkomstig hetgeen bij tussenvonnis is overwogen, zal een bedrag van € 448,00 in mindering strekken op het, na wijziging van eis, gevorderde bedrag van € 823,89, zodat een bedrag van € 375,89 resteert. Dit bedrag zal worden toegewezen, vermeerderd met de onweersproken wettelijke rente over een bedrag van € 375,89 vanaf 13 januari 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

2.7.

[eisende partij] vordert thans een bedrag van € 159,53 aan buitengerechtelijke kosten. VGZ heeft daartegen verweer gevoerd. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden. [eisende partij] heeft aan VGZ een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. De hoogte van het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke kosten is niet in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en die geacht worden redelijk te zijn. Op basis van deze tarieven wijst de kantonrechter een bedrag toe van € 68,22 inclusief btw.

2.8.

VGZ wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. De gevorderde nakosten zullen worden begroot op een bedrag van € 30,00 zijnde een half salarispunt van het toe te wijzen salaris van de gemachtigde met een maximum van € 100,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

3 De beslissing

De kantonrechter

3.1.

veroordeelt VGZ om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 375,89, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten van € 68,22 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 375,89 vanaf 13 januari 2013 tot aan de dag van volledige betaling;

3.2.

veroordeelt VGZ in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [eisende partij] begroot op € 94,19 aan dagvaardingskosten, € 221,00 aan griffierecht en € 150,00 aan salaris voor de gemachtigde;

3.3.

veroordeelt VGZ in de nakosten van € 30,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;

3.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. C.J.M. Hendriks en in het openbaar uitgesproken op 17 februari 2016.