Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:818

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-02-2016
Datum publicatie
17-02-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 8974 15 _ 3369 15 _ 3362 en 15 _ 5705
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wmo en Wmo 2015; de CRvB en de ABRvS hebben met de uitspraken van 26 november 2015 de jurisprudentie inzake opvang van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen herijkt.

De rechtbank begrijpt de beroepen van eisers, gelet op de toelichting ter zitting van 19 januari 2016, aldus dat deze zich niet richten tegen de aan hen toegekende opvang ingevolge de bed-, bad- en broodregeling van de gemeente Nijmegen. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder de aanvragen voor een (maatwerk)voorziening ingevolge de Wmo en Wmo 2015, mede gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 8 van het EVRM, ten onrechte heeft afwezen. Uit de uitspraken van 26 november 2015 kan volgens eisers worden afgeleid dat de CRvB het aanvragen van dergelijke voorzieningen nog steeds mogelijk acht.

Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 14/8974, 15/3360, 15/3362 en 15/5705

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiser 1] , (14/8974 en 15/5705),

[eiser 2] (15/3362)

[eiser 3] (15/3360)

te [woonplaats] ,

hierna tezamen: eisers

(gemachtigden: mr. W.G. Fischer en mr. J. Klaas),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen te Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 augustus 2014 heeft verweerder de aanvraag van [eiser 1] ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.

Bij besluit op bezwaar van 18 december 2014 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Wel heeft verweerder [eiser 1] in aanmerking gebracht voor een bed-, bad-, en broodvoorziening.

[eiser 1] heeft tegen dit besluit beroep ingesteld (zaaknummer 14/8974).

Bij besluiten van 19 februari 2015 en 2 april 2015 heeft verweerder eisers (voor wat [eiser 1] betreft opnieuw) een bed-, bad-, en broodvoorziening toegekend. De aanvragen van eisers voor een maatwerkvoorziening ingevolge de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) heeft verweerder afgewezen.

Bij besluiten op bezwaar van 12 juni 2015 en 10 augustus 2015 heeft verweerder de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen deze besluiten op bezwaar afzonderlijk beroep ingesteld (zaaknummers 15/3360, 15/3362 en 15/5705).

Het onderzoek ter zitting in de procedure met zaaknummer 14/8974 heeft plaatsgevonden op 6 oktober 2015. [eiser 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen S. Spahija, begeleider van Iriszorg. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.F Widdershoven.

Het onderzoek is vervolgens heropend teneinde deze zaak tezamen met het beroep van [eiser 1] (zaaknummer 15/5705) tegen het besluit op bezwaar van 10 augustus 2015 inzake de aanvraag op grond van de Wmo 2015 te behandelen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 januari 2016. De beroepen van eisers zijn gevoegd behandeld. Eisers en hun gemachtigde zijn verschenen. Tevens is verschenen J. Honigh, huisarts en S. Spahija, begeleider van Iriszorg. Namens verweerder is verschenen mr. A.J.F Widdershoven.

Overwegingen

1. Eisers zijn niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen en hebben bij verweerder een aanvraag gedaan ingevolge de Wmo en de Wmo 2015. Verweerder heeft eisers opvang toegekend ingevolge de bed-, bad- en broodregeling van de gemeente Nijmegen en de aanvragen ingevolge de Wmo en de Wmo 2015 afgewezen.

2. De rechtbank overweegt dat de Centrale Raad van Beroep (CRvB; ECLI:NL:CRVB:2015:3834, ECLI:NL:CRVB:2015:3803 en ECLI:NL:CRVB:2015:4093) en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS; ECLI:NL:RVS:2015:3415) met de uitspraken van 26 november 2015 de jurisprudentie inzake opvang van niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen hebben herijkt. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3834 in r.o. 4.7.1 overwogen dat het onder verantwoordelijkheid van de staatssecretaris vallende stelsel van opvangrecht voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen vanuit verdragsrechtelijk perspectief thans, anders dan voorheen, sluitend moet worden geacht.

Voorts heeft de CRvB in zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3803 in r.o. 5.11 en 5.12 overwogen dat er van mag worden uitgegaan dat een uitgeprocedeerde vreemdeling van de opvang in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) gebruik kan maken en dat een plaatsing in een VBL in het algemeen aangemerkt kan worden als een voldoende voorziening in het bieden van opvang voor deze personen. Weliswaar is die voorziening niet gebaseerd op een wettelijke bevoegdheid onderdak en andere voorzieningen te bieden, maar dat neemt volgens het CRvB niet weg dat met deze voorziening voldoende invulling wordt gegeven aan de uit het internationaal recht voortvloeiende positieve verplichting opvang te bieden. Uit zijn uitspraak van 26 november 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3834 (r.o. 4.3) blijkt dat de CRvB hiervoor van belang acht dat de staatssecretaris er blijkens de hiervoor genoemde uitspraak van de ABRvS rekening mee moet houden dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waarin de staatssecretaris aan het bieden van onderdak in een VBL niet bij voorbaat de voorwaarde mag verbinden dat die vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland. Zodanige bijzondere omstandigheden doen zich voor, indien uit hetgeen die vreemdeling aan zijn verzoek ten grondslag heeft gelegd, blijkt dat hij vanwege zijn psychische gesteldheid, althans voorlopig, niet in staat kan worden geacht de gevolgen van zijn handelen en nalaten te overzien. Zolang deze omstandigheden zich voordoen, kan die vreemdeling niet verantwoordelijk worden gehouden voor zijn weigering mee te werken aan vertrek. Het is aan die vreemdeling om aan zijn verzoek zodanige bijzondere omstandigheden ten grondslag te leggen.

In de uitspraak van 26 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:3834) heeft de CRvB bovendien in r.o. 4.4 overwogen dat colleges van burgemeester en wethouders bevoegd zijn om een verzoek om opvang op grond van de Wmo of de Wmo 2015 van een niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdeling af te wijzen op de grond dat de noodzaak om opvang te bieden ontbreekt, omdat de aanvrager gebruik kan maken van opvangvoorzieningen van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers of de staatssecretaris. In die uitspraak heeft de CRvB tevens in r.o. 4.7.2 overwogen dat primaire besluiten van na 31 december 2014 geen grondslag kunnen vinden in de Wmo 2015 en dat de CRvB zich niet langer bevoegd zal achten om in hoger beroep kennis te nemen van geschillen over de uitvoering van ten opzichte van de Wmo en de Wmo 2015 buitenwettelijke gemeentelijke opvangregelingen voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen.

3. Eisers kunnen zich niet verenigen met de bestreden besluiten. De rechtbank begrijpt de beroepen van eisers, gelet op de toelichting ter zitting van 19 januari 2016, aldus dat deze zich niet richten tegen de aan hen toegekende opvang ingevolge de bed-, bad- en broodregeling van de gemeente Nijmegen. Eisers hebben zich op het standpunt gesteld dat verweerder de aanvragen voor een (maatwerk)voorziening ingevolge de Wmo en Wmo 2015 ten onrechte heeft afwezen. Uit de uitspraken van 26 november 2015 kan volgens eisers worden afgeleid dat de CRvB het aanvragen van dergelijke voorzieningen nog steeds mogelijk acht. Eisers hebben daarbij gewezen op het bepaalde in de artikelen 3 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) en hebben benadrukt dat de aanvragen in dit licht moeten worden bezien.

Ter zitting hebben eisers voorts toegelicht op welke wijze zij door een (maatwerk)voorziening gecompenseerd kunnen worden op grond van de Wmo (2015).

4. Het betoog van eisers treft geen doel. De rechtbank stelt voorop dat het bepaalde in de artikelen 8 van de Wmo en artikel 1.2.2. van de Wmo 2015, waarin – samengevat – is bepaald dat een vreemdeling voor verlenen van een individuele voorziening dan wel het verstrekken van een maatwerkvoorziening slechts in aanmerking komt indien hij rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8, onderdelen a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, aan toekenning van de voorzieningen in de weg staat.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het bepaalde in de artikelen 3 en 8 van het EVRM in de onderhavige gevallen geen aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen, nu, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, niet is gebleken van een dusdanig dreigende teloorgang van eisers dat zij op grond van de artikelen 3 en 8 van het EVRM aanspraak zouden hebben op een (maatwerk)voorziening. Hierbij is van belang dat eisers zich kunnen melden bij de staatssecretaris voor opvang en dat er zich ten aanzien van eisers bijzondere omstandigheden kunnen voordoen waarin de staatssecretaris aan het bieden van onderdak niet bij voorbaat de voorwaarde mag verbinden dat die vreemdeling meewerkt aan zijn vertrek uit Nederland.

5. Ter voorlichting van partijen overweegt de rechtbank dat nu eisers met hun aanvraag hebben beoogd dat hen een (maatwerk)voorziening wordt toegekend ingevolge de WMO (2015) en de rechtbank van oordeel is dat verweerder deze aanvraag terecht heeft afgewezen, tegen deze uitspraak het rechtsmiddel van hoger beroep bij de CRvB openstaat.

6. Het betoog van [eiser 3] dat verweerder verzuimd heeft om vast te stellen dat er dwangsommen verschuldigd zijn treft ten slotte geen doel. Verweerder heeft de beslistermijn van zes weken in artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken, bij brief van 27 februari 2015 met toepassing van artikel 7:10, derde lid, van de Awb verlengd met zes weken. Vastgesteld wordt dat ten tijde van de ingebrekestelling op 19 mei 2015 de beslistermijn nog niet was verstreken.

7. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.G. Okhuizen, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en mr. J.A. van Schagen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.