Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:7185

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-11-2016
Datum publicatie
07-05-2021
Zaaknummer
265000
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

“Vervolg op ECLI:NL:RBGEL:2015:2164. Overheidsprivaatrecht. Garantie- of resultaatsverbintenis voor gemeente, bestaande in het leveren van industriegrond. Verklaring voor recht (dat gemeente is tekortgeschoten in haar verplichting om industriegrond te leveren) toewijsbaar. Comparitie gelast.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: 265000 / HA ZA 14-302 \ 17

Vonnis van 2 november 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

FLOOR HOLDING B.V.

gevestigd te Nijmegen

eiseres

advocaat: mr. R.A.M. Saedt te Nijmegen

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE WIJCHEN

zetelend te Wijchen

gedaagde

advocaat: mr. T.E.P.A. Lam te Nijmegen

Partijen zullen hierna Floor Holding - waar de precieze hoedanigheid niet ter zake doet ook wel: Floor - en de gemeente worden genoemd.

1 De procedure

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 oktober 2015

- de brief van de rolrechter aan partijen van 5 april 2016

- de akte van Floor d.d. 24 augustus 2016 naar aanleiding van het arrest van 31 mei 2016 met één productie

- de akte uitlating tevens akte houdende overlegging productie van de gemeente van 24 augustus 2016.

1.2

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

Op 9 juni 2015 heeft de gemeente hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis van 11 maart 2015. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft in dat hoger beroep op 31 mei 2016 arrest gewezen en de zaak terugverwezen naar de rechtbank ter verdere afdoening met inachtneming van hetgeen in dat arrest is beslist. Ingevolge (de ratio van) artikel 350 lid 1 Rv had het ingestelde hoger beroep schorsende werking voor de procedure in eerste instantie. De tussenvonnissen van 24 juni 2015 en 21 oktober 2015 missen daardoor echter geen rechtskracht. De rechtbank blijft bij hetgeen daarin is overwogen en beslist, voor zover daarvan in het navolgende niet zal worden afgeweken. Voor zoveel nodig wordt de inhoud van die vonnissen hier in zoverre geacht te zijn herhaald en ingelast.

2.2

Aan de orde is nu of een eventuele schadevergoedingsvordering van Floor Holding door verjaring is tenietgegaan. Volgens de dagvaarding is die vordering erop gebaseerd dat met de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 maart 2013 is komen vast te staan dat de gemeente is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting om aan de rechtsvoorgangers van Floor industriegrond te leveren. Volgens de gemeente is de vermeende bevoegdheid om naleving van de vordering tot schadevergoeding te verlangen ontstaan in 1973, 1974 en 1978, toen de grond is geleverd. Op grond van artikel 1 van de Verjaringswet van 31 oktober 1924 is de vordering derhalve op (zijn laatst op) 1 januari 1984 verjaard, aldus de gemeente. Subsidiair betoogt de gemeente dat de termijn van twintig jaar van artikel 3:310 BW is gaan lopen op de respectieve leveringsdata, zodat de verjaring deels in 1993, deels in 1994 en deels in 1998 is voltooid. Meer subsidiair doet de gemeente er een beroep op dat Floor niet tijdig heeft geklaagd als bedoeld in artikel 7:23 lid 1 BW althans dat haar vordering ingevolge artikel 7:23 lid 2 BW is verjaard.

2.3

De rechtbank heeft in het vonnis van 10 december 2003 onder meer overwogen:

In dit verband is van belang dat de gemeente zich indertijd zonder enig voorbehoud heeft verbonden aan Floor industriegrond te leveren, terwijl zij bij levering op 5 april 1973, 26 maart 1974 en 29 december 1978 feitelijk gronden heeft geleverd met een recreatieve bestemming. Aldus beantwoordde het geleverde niet aan de koopovereenkomst (..)

En het hof heeft in zijn arrest onder meer overwogen:

Met het volgen van bedoelde bestemmingsplanprocedure heeft de gemeente, gegeven het falen daarvan, niet aan haar verbintenis tot levering van industriegrond kunnen voldoen. Voor de - door Floor niet prijsgegeven - vordering tot (vervangende) schadevergoeding van Floor Holding is mitsdien nog plaats.

2.4

Ondanks de door de rechtbank geconstateerde tekortkomingen in de jaren ’70 zijn toen geen verbintenissen tot schadevergoeding ontstaan. In de ogen van partijen was er immers niets aan de hand. Op 30 maart 1978 werd al een industriële bestemming vastgesteld, zij het dat GS daar op 12 april 1979 een streep door trokken. Daarna zijn partijen steeds met elkaar in overleg geweest over het gebruik van de gronden en het wijzigen van de bestemming. Pas in 2003 heeft de gemeente zich op het standpunt gesteld dat een bestemmingswijziging geen kans van slagen had. Aldus kan worden geconcludeerd dat, ondanks de objectief gebrekkige leveringen, de gemeente in de jaren ’70 naar oud BW (zie artikel 182 Overgangswet Nieuw BW) niet in verzuim is gekomen (vgl. HR 22 mei 1981, NJ 1982, 59 en HR 26 maart 1982, NJ 1982, 626). Van de gestelde verjaring op grond van de Verjaringswet van 1924 en die op grond van artikel 3:310 BW is dus geen sprake.

2.5

Daarna is de focus - via de eerdere procedure bij de rechtbank - steeds gericht gebleven op nakoming, totdat met de uitspraak van de afdeling bestuursrechtspraak op 20 maart 2013 duidelijk is geworden dat een industriële bestemming er niet in zat. Toen kwamen partijen pas in het stadium dat - in de woorden van artikel 7:23 BW - de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordde. Daar is vervolgens binnen bekwame tijd werk van gemaakt: in het gesprek op 23 mei 2013 heeft Floor al gesteld dat de gemeente moet leveren wat zij aan Floor verkocht heeft; en op 17 juli 2013 wordt aan de gemeente een nadere onderbouwing van de door Floor geleden schade gestuurd. De dagvaarding dateert vervolgens van 27 mei 2014. Van de tweejarige verjaring van artikel 7:23 lid 2 BW is dus evenmin de rede.

2.6

Zoals het hof heeft overwogen, blijkt uit de rechtsoverwegingen van het vonnis van 10 december 2003 dat voor de gemeente sprake was van een garantie- of resultaatsverbintenis, bestaande in het leveren van industriegrond. Het verweer van de gemeente dat zij heeft voldaan aan de veroordeling tot nakoming moet dan ook worden verworpen. Het volgen van de bestemmingsplanprocedure heeft er immers niet toe geleid dat sprake is van industriegrond.

2.7

De gevorderde verklaring voor recht is hiermee toewijsbaar.

2.8

Omtrent de omvang van de schade dient nog nadere instructie plaats te vinden. De rechtbank zal daartoe nogmaals een comparitie van partijen bepalen. Daarbij zal ook aan de orde kunnen komen de ter bepaling van de omvang van de schade eventueel te benoemen deskundige(n) en de aan deze(n) te stellen vragen.

2.9

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 De beslissing

De rechtbank

3.1

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen op de terechtzitting van mr. R.J.J. van Acht in het paleis van justitie te Arnhem aan de Walburgstraat 2-4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd;

3.2

bepaalt dat partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen;

3.3

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 16 november 2016 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de woensdagen in de maanden januari tot en met april 2017, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald;

3.4

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen;

3.5

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd;

3.6

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken;

3.7

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 2 november 2016.