Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:7111

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-12-2016
Datum publicatie
18-01-2017
Zaaknummer
05/780043-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van poging tot afpersing en verboden wapenbezit

Een 47-jarige consultant en een 34-jarige voetbalmakelaar zijn veroordeeld voor het medeplegen van poging tot afpersing. De mannen hebben met de hulp van tenminste één onbekend gebleven persoon in 2015 het slachtoffer bedreigd om € 40.000 van haar los te krijgen. De bedreigingen werden gedaan tijdens “huisbezoeken” en via telefoontjes en tekstberichten. De afpersing is niet gelukt omdat de politie werd ingeschakeld. De mannen zijn beiden veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. De rechtbank legt hogere straffen op dan geëist omdat de zaak bijzonder ernstig is. Daarnaast moet de 47-jarige man een geldboete van € 550,- betalen wegens verboden (vuur)wapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/780043-15

Datum uitspraak : 30 december 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte 1]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

ingeschreven op de [adres] .

Raadsman: mr. S.B. Kleerekooper, advocaat te Hoenderloo.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 juli 2016 en 16 december 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van de maand april 2015 tot en met 30 juni 2015, althans in de periode van het jaar 2014 tot en met 30 juni 2015, te Huizen en/of Wezep, gemeente Oldebroek, en/of (elders) in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich

en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 40.000 euro, althans een groot geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een overeenkomst/factuur/vordering /brief/schriftelijk bescheid (aangaande een -mogelijke/vermeende- schuld van die [slachtoffer 1] / [slachtoffer 2] / [slachtoffer 3] aan hem, verdachte/ [bedrijfsnaam] ) ter beschikking heeft gesteld van [verdachte 1] , waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) een/die brief aan die [slachtoffer 1] hebben/heeft gestuurd en/of een/die brief in de brievenbus van die [slachtoffer 1] hebben gedeponeerd waarin -zakelijk weergegeven- was vermeld dat die [slachtoffer 1] binnen 5 dagen 40.000 euro moest storten op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [bedrijfsnaam] , en/of een of meer SMS-berichten hebben/heeft gestuurd naar die [slachtoffer 1] inhoudende (zakelijk weergegeven):

# Reminder! De betaling van 40.000 euro moet binnen 2 dagen voldaan zijn. Zo niet komen er kosten bij en zijn wij genoodzaakt om langs te komen totdat er betaald is en/of

# Is het gezellig in Frankrijk. Wil voor volgende week vrijdag het geld binnen (hebben), anders laat ik je begin juni als je terugkomt wel voelen wat er met wanbetalers gebeurt. Haal politie erbij en ik betrek je kleinkinderen erbij die je vrijdag ophaalt. 40.000 euro op rekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijfsnaam] en/of

# Nog een paar dagen....hoop dat je goed verzekerd bent en de rest van de

familie ook en/of

# Tot snel, en/of

een of meerdere malen hebben/heeft gebeld naar de huistelefoon/mobiele telefoon van die [slachtoffer 1] waarbij de volgende woorden -zakelijk weergegeven- jegens (de echtgenoot van) die [slachtoffer 1] werden gebezigd (door een persoon die zich bekend maakte als [naam 1] ):

# "Zo gaat het niet, ze moet betalen. Ze heeft extra weken genoeg gehad om ons te betalen. We komen zelf wel langs om het geld op te halen" en/of

# "Het gaat zo niet. Het bedrag is opgelopen tot 40.000 euro" en/of

# "Als er voor vrijdag niet betaald is, dan zorgen we er voor dat er deze week een ongeluk gebeurt in uw directe omgeving. En vrijdag gebeurt er dan iets met de kleintjes als er dan nog niet betaald is. Voor vrijdag betalen, anders als ze de kleintjes haalt, gaat er iets gebeuren" en/of # Ja nou is het tijd om te gaan sterven tut, nou is het tijd om te sterven, nou is het jouw tijd", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

Aangeefster [slachtoffer 1] , woonachtig in Wezep, heeft bij de politie onder meer verklaard dat zij op 20 april 2015 thuis, na een bezoek van twee mannen in een zwarte auto, een brief heeft aangetroffen waarin stond dat zij € 40.000 moest overmaken naar een bankrekening van [bedrijfsnaam] . Hierna heeft zij in de periode van april tot en met juni 2015 anonieme telefoontjes en bedreigende (sms-)berichten ontvangen om haar tot betaling te bewegen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van medeplegen van poging tot afpersing van aangeefster, zoals ten laste is gelegd. Ter zitting heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en nader toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Niet kan worden bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van telefoonnummer [telefoonnummer 1] en aangeefster op enigerlei wijze heeft bedreigd. Verdachte had ook geen enkel belang bij de ten laste gelegde bedreiging van aangeefster. Verdachte had geen geld tegoed van [medeverdachte] en de bankrekening, vermeld op de door aangeefster ontvangen factuur, behoort toe aan [medeverdachte] . Verdachte heeft uitsluitend een factuur afgeleverd bij aangeefster.

Beoordeling door de rechtbank

Bewijsmiddelen

Verklaringen

Aangeefster [slachtoffer 1] , woonachtig in Wezep, gemeente Oldebroek, heeft op 29 mei 2010 namens [slachtoffer 2] een overeenkomst gesloten met medeverdachte [medeverdachte] , ook gespeld als [medeverdachte] , verbonden aan [bedrijfsnaam] Vervolgens constateerde aangeefster dat de door [medeverdachte] aangeboden diensten niet betrouwbaar waren, waarna ze de door hem aan haar verzonden facturen niet heeft voldaan. Bij vonnis van 4 juni 2014 heeft de kantonrechter de namens [bedrijfsnaam] ingediende vordering tegen [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk verklaard. Op 20 april 2015 heeft aangeefster in de brievenbus op haar woonadres een aan haar geadresseerde factuur aangetroffen, gedateerd 14 april 2015 te Amsterdam, waarin haar wordt verzocht om binnen 5 dagen na factuurdatum € 40.000,- te voldoen op bankrekening [rekeningnummer] t.n.v. [bedrijfsnaam] , onder vermelding van overeenkomst 29-05-2010. Vervolgens ontving aangeefster in de periode van april tot en met juni 2015 anonieme telefoontjes en diverse bedreigende (sms)-berichten, waardoor zij zich erg angstig voelde.2

Getuige [getuige 1] , de echtgenoot van aangeefster, heeft bij de politie verklaard dat er op 20 april (de rechtbank leest: 2015) twee mannen, die reden in een zwarte auto, aan de deur zijn geweest, die wilden spreken met aangeefster en haar persoonlijk een document wilden overhandigen. Aangeefster was niet thuis. De grootste van de twee mannen deed het woord. In de brievenbus trof [getuige 1] die avond de opgevouwen factuur aan. Op 21 april 2015 nam getuige de huistelefoon op en hoorde hij een mannenstem die zich bekendmaakte als [naam 1] . Getuige herkende direct de donkere zware stem van een van de twee mannen die hij die dag ervoor thuis aan de deur had gezien en gesproken. Ook diens taalgebruik maakte dat getuige de man herkende. De man sprak niet met een accent maar wel plat. De man vroeg getuige of hij zijn vrouw al had gesproken. Op 8 juni 2015 belde die [naam 1] opnieuw naar de huistelefoon en zei tegen getuige: “Zo gaat het niet, ze moet betalen. Ze heeft extra weken genoeg gehad om ons te betalen. We komen zelf wel langs om het geld op te halen”. Even later belde de man opnieuw en zei tegen getuige: “Het gaat zo niet. Het bedrag is opgelopen tot € 40.000. Als er voor vrijdag niet betaald is, dan zorgen we ervoor dat er deze week een ongeluk gebeurt in uw directe omgeving. En vrijdag gebeurt er dan iets met de kleintjes als er dan nog niet betaald is. Voor vrijdag betalen, anders als ze de kleintjes haalt, gaat er iets gebeuren”. Even later werd er opnieuw gebeld en hoorde getuige dat de man bovenstaande tekst herhaalde.3

Getuige [getuige 2] , werkzaam als huishoudelijke hulp bij aangeefster, heeft verklaard dat zij op 10 of 17 april 2015 een paar keer een zwarte, luxe auto met geblindeerde ramen voor de woning van aangeefster zag rijden. Het kenteken van de auto bestond in ieder geval uit de tekens [kenteken] en er stond een D op. De auto viel haar op omdat aan de weg waar de woning van aangeefster is gelegen slechts twee huizen staan en de weg normaliter alleen door de bewoners wordt gebruikt. Het gevoel bekroop haar dat er iets niet klopte. Even later vroegen de twee mannen die in de zwarte auto zaten haar of mevrouw [slachtoffer 1] gauw thuis kwam. Getuige heeft toen onder meer gezegd dat aangeefster mogelijk haar kleinkinderen ophaalde. Na het gesprek met de twee mannen kreeg getuige een onbehaaglijk gevoel en dacht ze dat er iets niet in orde was.4

Medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) heeft bij de politie en ter zitting als getuige verklaard dat hij tegen verdachte [verdachte 1] (hierna: [verdachte 1] ) heeft gezegd dat aangeefster de enige persoon is van wie hij nog geld tegoed heeft en dat [medeverdachte] hem in 2014 zijn vordering op aangeefster heeft meegegeven. Ook heeft hij aan [verdachte 1] het bankrekeningnummer van [bedrijfsnaam] gesms’t, als vermeld in de brief die aangeefster op 20 april 2015 heeft ontvangen. Die bankrekening wordt door [medeverdachte] beheerd. Vervolgens heeft [verdachte 1] tegen [medeverdachte] gezegd dat [medeverdachte] krijgt wat hem toekomt en dat hij, [verdachte 1] , de rest zelf regelt. Verder volgt uit de verklaringen van [medeverdachte] dat hij in het voorjaar van 2015 speciaal ten behoeve van de communicatie met [verdachte 1] over de betaling door aangeefster een prepaid telefoon heeft aangeschaft omdat hij moeilijk traceerbaar wilde zijn. Ook heeft [medeverdachte] verklaard dat hij [verdachte 1] meerdere malen heeft gevraagd of hij het geld al had ontvangen en dat [verdachte 1] hem telkens zei van niet.5

[verdachte 1] , onder meer werkzaam als voetbalmakelaar, heeft bij de politie verklaard dat hij een incassobureau wilde beginnen. Het is bij één klant gebleven. [verdachte 1] heeft van [medeverdachte] een door de laatste opgestelde factuur ter hoogte van € 40.000 gekregen, die moest worden geïncasseerd bij aangeefster. Vervolgens heeft [verdachte 1] de factuur bij de woning van aangeefster afgegeven samen met ene [naam 1] , een grote, kale man. [verdachte 1] kende [naam 1] niet, maar [medeverdachte] had hem opgedragen zich te laten begeleiden door [naam 1] en [naam 1] vooraf op te halen. [naam 1] was erbij om te horen wat [verdachte 1] zei. [verdachte 1] en [naam 1] reden in een zwarte Maserati Ghibli met Duits kenteken [kenteken] . [verdachte 1] en [naam 1] zijn tweemaal langs geweest bij de woning van aangeefster om haar de brief te overhandigen. [verdachte 1] heeft toen gesproken met de huishoudelijke hulp van aangeefster en met de man des huizes.6

Tussenconclusies

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat [verdachte 1] in april 2015 samen met ‘ [naam 1] ’ enkele malen langs de woning van aangeefster is gereden in een zwarte auto met geblindeerde ramen. Ook concludeert de rechtbank dat [verdachte 1] en ‘ [naam 1] ’ in april 2015 tweemaal bij aangeefster aan de deur zijn geweest met de mededeling dat zij mevrouw [slachtoffer 1] gauw wilden spreken, wilden weten wanneer zij thuis kwam en een aan haar geadresseerde brief in de brievenbus hebben achtergelaten. De rechtbank concludeert dat deze handelswijze van [verdachte 1] en ‘ [naam 1] ’ ongebruikelijk is te noemen voor incassoactiviteiten. Van de twee grote mannen die thuis aan de deur zijn gekomen, die herhaald willen weten wanneer aangeefster thuiskomt, haar gauw willen spreken en een brief bij zich hebben die ze niet willen afgeven maar aan aangeefster zelf willen overhandigen, is een intimiderende werking uitgegaan.

Voorts constateert de rechtbank dat in de telefoontjes die aangeefster en getuige [getuige 1] hebben ontvangen van een persoon die zich uitgaf voor [naam 1] , wordt gedreigd met het gebruik van geweld tegen aangeefster en haar naasten teneinde aangeefster ertoe te bewegen de € 40.000 te betalen. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij de stem van de persoon die zich bekend maakte als [naam 1] , herkende als de stem van een van de twee mannen die op 20 april 2015 aan de deur is geweest. Gelet ook op de verklaringen van [verdachte 1] dat hij en ‘ [naam 1] ’ bij het afleveren van de brief aan aangeefster de man des huizes hebben gesproken, concludeert de rechtbank dat de bedoelde telefoontjes van [naam 1] afkomstig zijn van [verdachte 1] of [naam 1] .

Door aangeefster ontvangen berichten en gesprekken 7

Op 29 april (de rechtbank leest 2015) om 16:31 uur heeft aangeefster het volgende sms-bericht ontvangen, afkomstig van [telefoonnummer 2] met de tekst: “REMINDER! De betaling van 40.000 EURO moet binnen 2 dagen voldaan zijn. Zo niet komen er kosten bij en zijn wij genoodzaakt om langs te komen totdat er betaald is”.

Op 13 mei 2015 om 16:11 uur heeft aangeefster het volgende sms-bericht ontvangen, afkomstig van [telefoonnummer 3] met de tekst: “Is het gezellig in Frankrijk ?? wil voor vlg week vrijdag het geld binnen anders laat ik je begin juni als je terug komt wel voelen wat met wanbetalers gebeurd. haal politie erbij en ik betrek je kleinkinderen erbij die je vrijdag vaak ophaalt. 40.000 euro op reknr. [rekeningnummer] tvn [bedrijfsnaam] ”.

Op 15 mei 2015 om 19:24 uur heeft aangeefster het volgende sms-bericht ontvangen, afkomstig van [telefoonnummer 3] met de tekst: “nog een paar dagen…. Hoop dat je goed verzekerd bent. En de rest van de familie ook”

Op 16 mei 2015 om 01:41 uur heeft aangeefster het volgende sms-bericht ontvangen, afkomstig van [telefoonnummer 3] met de tekst: “Is het gezellig in Frankrijk ?? wil voor vlg week vrijdag het geld binnen anders laat ik je begin juni als je terug komt wel voelen wat met wanbetalers gebeurd. haal politie erbij en ik betrek je kleinkinderen erbij die je vrijdag vaak ophaalt. 40.000 euro op reknr. [rekeningnummer] tvn [bedrijfsnaam] ”.

Op 29 juni 2015 om 8:50 uur is er een gesprek opgenomen van aangeefster (telefoonnummer [telefoonnummer 4] ), afkomstig van [telefoonnummer 5] met de tekst: “(…) nnm: Ja nou is het tijd om te gaan sterven tut (…) nnm: Nou is het tijd om te sterven, nou is het jou tijd”.8

Telefoonnummers van de verdachten

[verdachte 1] heeft verklaard dat hij gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer 6] .9

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat telefoonnummer [telefoonnummer 7] het nummer van zijn Nokia telefoon is.10

Op 23 juni 2015 heeft de politie bij een huiszoeking op het adres van medeverdachte [medeverdachte] een Samsung telefoon met bijbehorende SIM-kaart gevonden met nummer [telefoonnummer 8] . Getuige [getuige 3] , de partner van [medeverdachte] en eveneens woonachtig op het adres waar de huiszoeking heeft plaatsgevonden, heeft verklaard dat telefoonnummer [telefoonnummer 8] in gebruik is bij [medeverdachte] .11

Geconfronteerd met telefoonnummer [telefoonnummer 1] , heeft [medeverdachte] bij de politie verklaard dat hij ervan uitging dat dit nummer in gebruik is bij [verdachte 1] .12 [medeverdachte] heeft dit nummer en het toestel aangeschaft op aandringen van [verdachte 1] om contact met hem te houden. Voorts is er op 22 juni 2015 om 12:33 uur een gesprek opgenomen tussen [medeverdachte] , telefoonnummer [telefoonnummer 7] , en [verdachte 1] , telefoonnummer [telefoonnummer 6] . In dit gesprek verwijst [verdachte 1] naar zijn sms-bericht van die ochtend.13 Uit het procesdossier blijkt dat er eerder op 22 april 2015, te weten om 11:34 uur, een sms-bericht is verzonden van telefoonnummer [telefoonnummer 1] naar telefoonnummer [telefoonnummer 8] van [medeverdachte] . Later die dag om 22:22 uur is door [medeverdachte] via telefoonnummer [telefoonnummer 8] een sms-bericht verzonden naar [telefoonnummer 1] met onder meer de tekst: ”Heb je sms gezien”.14 Daarnaast is door twee verbalisanten, die [verdachte 1] beiden hebben gesproken, geconcludeerd dat de stem van [verdachte 1] overeenkomt met de stem van de man die de op 19 en 24 juni 2015 gevoerde – uitgewerkte - tapgesprekken heeft gevoerd middels de telefoonnummers [telefoonnummer 6] en [telefoonnummer 1] .15

Anders dan de raadsman die heeft betoogd dat dit proces-verbaal niet mag worden gebruikt voor het bewijs omdat, kort gezegd, de stemherkenning niet nader is onderbouwd of geanalyseerd, is de rechtbank van oordeel dat dit proces-verbaal voor het bewijs mag worden gebruikt. Uit het proces-verbaal blijkt dat het onderzoek niet slechts door [verbalisant 1] is uitgevoerd, maar ook door een tweede verbalisant, [verbalisant 2] . Bovendien hebben beide verbalisanten [verdachte 1] persoonlijk gesproken op vrijdag 26 juni 2015 en heeft [verbalisant 2] daarna nog een aantal malen telefonisch gesproken met [verdachte 1] over de teruggave van diverse goederen.

Hoewel het proces-verbaal geen informatie bevat over de specifieke deskundigheid van verbalisanten, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan de juistheid van de conclusies te twijfelen. Daarbij speelt een rol dat de bevindingen gebaseerd zijn op meerdere tapgesprekken en op gesprekken in persoon tussen verdachte en (een van de) verbalisanten. Daarnaast is van belang dat door [medeverdachte] verklaard is dat het telefoonnummer eindigend op [telefoonnummer 1] bij [verdachte 1] in gebruik was.

De rechtbank is van oordeel dat bovenstaande bewijsmiddelen, gelezen in onderlinge samenhang, voldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat telefoonnummer [telefoonnummer 1] in de ten laste gelegde periode in gebruik is geweest bij [verdachte 1] . De verklaring van [verdachte 1] dat hij nimmer gebruik heeft gemaakt van telefoonnummer [telefoonnummer 1] acht de rechtbank dan ook niet geloofwaardig, te minder nu het dossier geen aanwijzingen bevat dat een ander dan [verdachte 1] gebruik heeft gemaakt van dit telefoonnummer.

Sms-verkeer, chats en gesprekken afkomstig van de verdachten

Op het telefoontoestel van [medeverdachte] met nummer [telefoonnummer 8] zijn onder meer onderstaande sms-berichten van en naar [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [verdachte 1] , aangetroffen:16

1-5-2015 van [telefoonnummer 1] Alles in werking. Laatste dag is het om te betalen. Hou je op de hoogte.

9-5-2015 van [telefoonnummer 1] Ze is een maand naar Frankrijk. Ze hebben een huis daar.

naar [telefoonnummer 1] Hoe ver is het?

naar [telefoonnummer 1] Niks! van HAAR Rek. Nr. ABN [bedrijfsnaam] blijft voorlopig

actief.

naar [telefoonnummer 1] Wederom niet overgemaakt.

naar [telefoonnummer 1] Nog even voor de zekerheid. Bij deze de bank gegevens van [bedrijfsnaam] IBAN [rekeningnummer] BIC ABNANL2 tnv [bedrijfsnaam] ABN bank.

Verder heeft [medeverdachte] verklaard dat hij onder meer het volgende sms-bericht aan [verdachte 1]

heeft verzonden op 22 juni 2015: ”(…). Graag puntjes op de i nu. Bel even voor hoe en

wat. Wat mij betreft scheren! Klaar”, en op 20 juni 2015 “Geef even aan wanneer. Loop ml.

vast. Kut!(Wijf)”.17 De verklaring van [medeverdachte] dat hij met de tekst “scheren! Klaar”

bedoelt, ‘wegscheren en dat hij klaar was met de zaak omdat de door [verdachte 1] toegezegde betaling

door aangeefster uitbleef’, acht de rechtbank niet geloofwaardig. Die uitleg is immers niet te rijmen met zijn verzoek in datzelfde bericht om “de puntjes op i” te zetten en daarover contact met hem op te nemen.

Voorts heeft [medeverdachte] op 17 juni 2015 tegen een van zijn dochters, die samen met haar

zus formeel rekeninghouder is van [bedrijfsnaam] en die aangeeft dat haar zus wil dat de

rekening wordt opgeheven, gezegd dat op het moment dat ‘dat ene is afgerond’ de rekening

gelijk wordt opgeheven. Ook heeft verdachte in dit gesprek gezegd dat “het probleem is dat

die factuur is ingediend met dit rekeningnummer”.18

Verder heeft [medeverdachte] op 18 juni 2015 een telefoongesprek met [naam 2] . Hierin geeft

[naam 2] aan dat hij zijn geld terug wil van verdachte en dat hij het geld zo nodig bij diens

dochters gaat halen. [medeverdachte] zegt hierop dat hij het geld binnenkort heeft omdat ‘die

partij’ vandaag of morgen wel over de brug komt.19 De verklaring van [medeverdachte] ter zitting

dat hij met ‘die partij’ [naam 3] bedoelt, van wie hij nog commissie tegoed zou hebben,

acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Bij de politie is [medeverdachte] namelijk ook

gehoord over ‘die partij’ en toen heeft hij met geen woord gerept over te ontvangen

geld/commissie van [naam 3] . Bovendien heeft [medeverdachte] kort na dit gesprek opnieuw

contact gehad met [verdachte 1] over de betaling van aangeefster, zo blijkt onder meer uit bovenstaande

berichten die verdachte op 20 en 22 juni 2015 naar [verdachte 1] heeft verzonden.

Daarnaast is op de iPhone van [verdachte 1] met telefoonnummer [telefoonnummer 6] een door hem op 28

april 2015 verzonden bericht aangetroffen met de volgende tekst: ”Ik ben een incasso bureau

begonnen met een vriend (die alles op zich neemt) ik doe alleen de financiering, en geloof

mij die man blijft hele dag voor de deur wachten bij iemand. Dus mocht je iemand nodig

hebben”.20

Verder heeft onderstaand sms-verkeer plaatsgevonden tussen [telefoonnummer 9] , in gebruik bij degene die aangeefster op 29 juni 2015 heeft bedreigd, en [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [verdachte 1] :21

13 juni 2015 om 20:09 van [telefoonnummer 9] naar [telefoonnummer 1] :

“Al iets gehoord. Zo niet mocht je nog buiten de stad gaan bel ze ff thuis op om ze te waarschuwen dat omdat ze niet betaald hebben ze nu ellende gaan meemaken”.

18 juni 2015 om 14:13 uur van [telefoonnummer 1] naar [telefoonnummer 9] :

“Die hoer doet niets. Geen Euro. Wat nu?”

20 juni 2015 om 21:53 uur van [telefoonnummer 1] naar [telefoonnummer 9] :

“Er is niets binnengekomen. Wat gaan we doen?”

24 juni 2015 om 11:37 uur van [telefoonnummer 9] naar [telefoonnummer 1] :

“p is prima zeg maar hoe ver je wilt gaan had al een brandje geadvis” en “eerd of één op één thuis opwachten”

Bewijsoverwegingen

De rechtbank stelt vast dat de teksten uit bovenstaande door aangeefster ontvangen berichten overduidelijk een dreigend karakter hebben en dat deze berichten, gelet op de aard en de strekking ervan, doelbewust zijn verzonden c.q. ingesproken om aangeefster te dwingen tot betaling van € 40.000. Dat blijkt ook uit de aangehaalde berichten die via de telefoons van [medeverdachte] , [verdachte 1] en het nummer eindigend op [telefoonnummer 5] zijn verzonden. Uit het procesdossier blijkt dat onbekend is bij wie de (prepaid)nummers [telefoonnummer 10] en [telefoonnummer 9] in gebruik zijn (geweest). Verder ontkennen [verdachte 1] en [medeverdachte] iedere betrokkenheid bij de bedreiging van aangeefster. Niettemin is de rechtbank van oordeel dat bovenstaande door aangeefster ontvangen dreigberichten mede kunnen worden toegeschreven aan [verdachte 1] en [medeverdachte] . Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Uit bovenstaande berichten van 29 april, 13 en 16 mei 2015 blijkt dat de afzender op de hoogte was van;

  • -

    het (tijdelijke) verblijf van aangeefster in Frankrijk,

  • -

    van een - vermeende - openstaande vordering op aangeefster van € 40.000,

  • -

    van het rekeningnummer van [bedrijfsnaam] , en

  • -

    van de kleinkinderen van aangeefster.

Deze specifieke wetenschap was eveneens aanwezig bij [verdachte 1] en [medeverdachte] . [verdachte 1] heeft immers verklaard dat hij bij aangeefster een factuur van € 40.000 heeft afgegeven en hij heeft bovenstaand bericht op 9 mei 2015 verzonden naar [medeverdachte] , inhoudende dat ‘ze’ een maand naar Frankrijk is. Verder blijkt uit de verklaringen van getuige [getuige 2] dat zij tegen de twee mannen die bij haar hebben geïnformeerd naar aangeefster, aldus [verdachte 1] en ‘ [naam 1] ’, heeft gezegd dat aangeefster wel eens de kleinkinderen ophaalt. Ook was [verdachte 1] op de hoogte van de bankgegevens van [bedrijfsnaam] , onder meer omdat [medeverdachte] deze in mei 2015 naar hem had gesms’t. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat [verdachte 1] , dan wel een van zijn medeplegers, bovenstaande berichten feitelijk heeft verzonden naar aangeefster.

Dat niet precies is vast te stellen door wie bovenstaande berichten zijn verstuurd, is niet van belang nu op basis van bovenstaande contacten tussen de verschillende verdachten wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de berichten in nauwe en bewuste samenwerking met [verdachte 1] en [medeverdachte] zijn verzonden, dit alles met het doel om aangeefster te bewegen geld af te geven. Hierbij betrekt de rechtbank tevens dat [medeverdachte] heeft verklaard dat hij speciaal ten behoeve van de communicatie met [verdachte 1] over de betaling door aangeefster een prepaid telefoon heeft aangeschaft omdat hij moeilijk traceerbaar wilde zijn. Hieruit leidt de rechtbank af dat [medeverdachte] er alle belang bij had om zijn communicatie met [verdachte 1] geheim te houden. Dat [medeverdachte] – anders dan door hem gesteld - wel degelijk belang had bij - prompte - betaling van aangeefster, blijkt onder meer uit bovengenoemd gesprek met schuldeiser [naam 2] en uit zijn berichten aan [verdachte 1] zoals “Graag puntjes op de i nu, scheren! Klaar”.

Dat er meer plegers betrokken zijn bij de bedreiging van aangeefster dan [verdachte 1] en [medeverdachte] blijkt onder meer uit de omstandigheid dat aangeefster op 29 juni 2015 bovenstaand dreigtelefoontje heeft ontvangen van telefoonnummer [telefoonnummer 5] , terwijl [verdachte 1] en [medeverdachte] op dat moment reeds waren aangehouden.22 Dat ook tussen [telefoonnummer 9] en [telefoonnummer 1] , in gebruik bij [verdachte 1] , sprake is van een bewuste en nauwe samenwerking blijkt eveneens uit het hierboven opgenomen sms-verkeer dat heeft plaatsgevonden in de periode waarin aangeefster werd bedreigd. Daarin worden immers instructies en adviezen gegeven om ‘die hoer’ te dwingen tot betaling. Dat hiermee iemand anders dan aangeefster wordt bedoeld, is gesteld noch gebleken.

Gezien al het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de bedreiging van aangeefster teneinde haar te bewegen € 40.000 te betalen, welk bedrag in ieder geval (mede) bedoeld was voor [verdachte 1] en [medeverdachte] .

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in of omstreeks de periode van de maand april 2015 tot en met 30 juni 2015, althans in de periode van het jaar 2014 tot en met 30 juni 2015, te Huizen en/of Wezep, gemeente Oldebroek, en/of (elders) in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van 40.000 euro, althans een groot geldbedrag, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

een overeenkomst/factuur/vordering/brief aangaande een -mogelijke/vermeende- schuld van die [slachtoffer 1] / [slachtoffer 2] / [slachtoffer 3] aan hem, verdachte/ [bedrijfsnaam] ) ter beschikking heeft gesteld aan [verdachte 1] ,

waarna verdachte en/of verdachtes mededader(s) die vordering/brief aan die [slachtoffer 1] hebben/heeft gestuurd en/of een/die brief in de brievenbus van die [slachtoffer 1] hebben gedeponeerd waarin -zakelijk weergegeven- was vermeld dat die [slachtoffer 1] binnen 5 dagen 40.000 euro moest storten op rekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [bedrijfsnaam] , en/of een of meer SMS-berichten hebben/heeft gestuurd naar die [slachtoffer 1] inhoudende (zakelijk weergegeven):

# Reminder! De betaling van 40.000 euro moet binnen 2 dagen voldaan zijn. Zo niet komen er kosten bij en zijn wij genoodzaakt om langs te komen totdat er betaald is en/of

# Is het gezellig in Frankrijk. Wil voor volgende week vrijdag het geld binnen (hebben), anders laat ik je begin juni als je terugkomt wel voelen wat er met wanbetalers gebeurt. Haal politie erbij en ik betrek je kleinkinderen erbij die je vrijdag ophaalt. 40.000 euro op rekening [rekeningnummer] ten name van [bedrijfsnaam] en/of

# Nog een paar dagen....hoop dat je goed verzekerd bent en de rest van de

familie ook en/of

# Tot snel, en/of

een of meerdere malen hebben/heeft gebeld naar de huistelefoon/mobiele telefoon van die [slachtoffer 1] waarbij de volgende woorden -zakelijk weergegeven- jegens (de echtgenoot van) die [slachtoffer 1] werden gebezigd (door een persoon die zich bekend maakte als [naam 1] ):

# "Zo gaat het niet, ze moet betalen. Ze heeft extra weken genoeg gehad om ons te betalen. We komen zelf wel langs om het geld op te halen" en/of

# "Het gaat zo niet. Het bedrag is opgelopen tot 40.000 euro" en/of

# "Als er voor vrijdag niet betaald is, dan zorgen we er voor dat er deze week een ongeluk gebeurt in uw directe omgeving. En vrijdag gebeurt er dan iets met de kleintjes als er dan nog niet betaald is. Voor vrijdag betalen, anders als ze de kleintjes haalt, gaat er iets gebeuren" en/of # Ja nou is het tijd om te gaan sterven tut, nou is het tijd om te sterven, nou is het jouw tijd", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Medeplegen van poging tot afpersing, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf van 200 uur met aftrek, subsidiair 100 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is geen strafmaatverweer gevoerd en verwezen naar de bepleite vrijspraak.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- een uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 3 november 2016; en

- een reclasseringsadvies, gedateerd 9 september 2015.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich samen met ten minste twee andere personen aan een zeer ernstig feit heeft schuldig gemaakt. Zij hebben aangeefster € 40.000,- afhandig willen maken door te dreigen haar of haar kleinkinderen wat aan te doen als zij niet zou betalen. Dit bleef niet bij één keer maar het ging om meerdere berichten en telefoontjes over een periode van bijna twee maanden. Verdachten lieten onder meer weten dat zij wisten dat zij in Frankrijk zat, waaruit blijkt dat verdachten op de hoogte waren van haar reilen en zeilen. Door de langere duur van de bedreigingen, het feit dat verdachten niet alleen handelden en door de inhoud van de bedreigingen is gebleken dat geen sprake was van een impulsieve daad maar van een berekenende actie waarbij de druk op aangeefster is opgebouwd. Dat het bij een poging tot afpersing is gebleven, is niet aan verdachte en zijn medeplegers te danken, maar aan de tussenkomst van de politie. Dit alles is voor aangeefster zeer beangstigend geweest en heeft een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Het tast voor aangeefster haar gevoel van veiligheid aan, wat niet eenvoudig te herstellen is.

De rechtbank beschouwt het bewezen verklaarde dan ook als een zeer ernstig feit waarop slechts gereageerd kan worden met een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Om die reden legt de rechtbank een zwaardere straf op dan geëist. In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat zijn strafblad nagenoeg blanco is en dat sinds het bewezenverklaarde feit sprake is van enig tijdsverloop. Dit is voor de rechtbank echter onvoldoende reden om van het uitgangspunt van de gevangenisstraf af te stappen.

Alles afwegend, vindt de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden. Met deze straf beoogt de rechtbank tevens te voorkomen dat verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. Daar de reclassering blijkens haar advies van 9 september 2015 geen aanknopingspunten ziet voor begeleiding van verdachte, ziet de rechtbank geen aanleiding om aan het voorwaardelijk strafdeel bijzondere voorwaarden te verbinden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 27, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van der Mei (voorzitter), mr. Hamaker en mr. Post, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 december 2016.

Mr. Post en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de districtsrecherche Noord- en Oost-Gelderland opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2015255734, gesloten op 22 september 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal aangifte, p. 343-345, proces-verbaal aanvullend, p. 347, gelezen in onderlinge samenhang met bovenstaand vonnis van de kantonrechter, rechtbank Midden-Nederland, van 4 juni 2014, p. 482-483 en een door partijen ondertekende overeenkomst van 29 mei 2010 tussen [slachtoffer 2] en [bedrijfsnaam] van 29 mei 2010, p. 606.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 657-660, gelezen in onderlinge samenhang met proces-verbaal aanvullend, p. 347.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 643-644, gelezen in onderlinge samenhang met proces-verbaal bevindingen wijziging datum, p. 648.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 989 en 991 en de verklaringen van [medeverdachte] afgelegd als getuige in de zaak van verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting van 16 december 2016.

6 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 522-524, 526.

7 Afbeeldingen van door aangeefster ontvangen sms-berichten, p. 586-587.

8 Gesprek sessienr. 381, p. 626.

9 Proces-verbaal verhoor verdachte p. 522.

10 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 420.

11 Proces-verbaal verhoor getuige, p. 650.

12 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 420.

13 Gesprek sessienr. 191 p. 427.

14 Gesprek sessienr. 11, p. 424.

15 Proces-verbaal stemovereenkomsten van 23 november 2015, nummer 201511231345.BEV (niet doorgenummerd), gelezen in onderlinge samenhang met proces-verbaal van 10 december 2016, nummer PL0600-2015255734-48 (niet doorgenummerd).

16 Proces-verbaal, p. 894.

17 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 408 en 421, gelezen in onderlinge samenhang met gesprek sessienr. 11, p. 424 en gesprek sessienr. 41, p. 167.

18 Tapgesprek, p. 748.

19 Gesprek sessienr. 52, p. 426.

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 944, gelezen in onderlinge samenhang met proces-verbaal, p. 941.

21 Gesprekken sessienr’s 1, 3, 9, 51, 52, p. 90-91, 753, 759- 760, 724.

22 Proces-verbaal van aanhouding, p. 359 en p. 511.