Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6936

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-08-2016
Datum publicatie
22-12-2016
Zaaknummer
C/05/303802 / FA RK 16-1934
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking voorlopige voorzieningen over de verhouding tussen de artikelen 1:81 en 1:84 BW en de overeengekomen huwelijkse voorwaarden en de betekenis daarvan voor de behoefte van de vrouw aan partneralimentatie

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 81, geldigheid: 2009-08-01
Burgerlijk Wetboek Boek 1 84, geldigheid: 2002-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/303802 / FA RK 16-1934

Datum uitspraak: 22 augustus 2016

beschikking voorlopige voorzieningen

in de zaak van

[verzoekster] (nader te noemen: de vrouw),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. R. van Coolwijk te Eindhoven,

tegen

[verweerder] (nader te noemen: de man),

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. A. van den Berg te Arnhem.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:
- het verzoekschrift namens de vrouw, ingekomen op 16 juni 2016;
- het verweerschrift namens de man, ingekomen op 4 augustus 2016;
- het faxbericht (met bijlagen) namens de vrouw, ingekomen op 9 augustus 2016;
- de brief (met bijlagen) namens de man, ingekomen op 10 augustus 2016;
- het e-mailbericht namens de man, ingekomen op 10 augustus 2016;
- de namens de vrouw ter zitting overgelegde uitdraaien van Facebook.

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 11 augustus 2016. Daarbij waren aanwezig de beide partijen, bijgestaan door hun advocaten.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [datum] onder huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Zij hebben de Nederlandse nationaliteit.

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat de man vanaf de indiening van het verzoekschrift een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud zal betalen van € 2.232 bruto per maand, althans een zodanig bedrag en met ingang van zodanige datum als de rechtbank juist acht. Zij stelt daartoe dat zij niet in staat is om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien en dat zij behoefte heeft aan een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud.
Ter zitting is namens de vrouw gesteld dat na een “jusvergelijking” een door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw van € 1.597 per maand in overeenstemming met de wettelijke maatstaven is. De rechtbank zal verstaan dat de vrouw haar verzoek aldus heeft gewijzigd.

3.2.

De man verzoekt de rechtbank de vrouw in haar verzoek niet-ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen. Subsidiair verzoekt de man de rechtbank het vaststellen van een maandelijkse bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te matigen. Hij voert daartoe een behoefte-, behoeftigheid- en draagkrachtverweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna nader ingaan, voor zover voor de beoordeling van het verzoek van belang.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat de voorlopige voorzieningenprocedure is gericht op het verkrijgen van een ordemaatregel in een situatie waarin een beslissing in de hoofdzaak niet kan worden afgewacht en waarin een zekere mate van spoedeisend heeft aan de orde is. Gelet hierop zal de rechtbank volstaan met een beknopte motivering.

De behoefte / behoeftigheid van de vrouw

4.2.

Partijen verschillen van mening over de vraag of er sprake is van een aan het huwelijk gerelateerde behoefte van de vrouw. Met name staat daarbij ter discussie welke betekenis moet worden toegekend aan de huwelijkse voorwaarden en de wijze waarop partijen daar tijdens hun huwelijk in de praktijk invulling aan hebben gegeven.

4.3.

In het kader van deze voorlopige voorzieningen procedure geldt als uitgangspunt dat partijen, nu het huwelijk nog niet is geëindigd, op grond van artikel 1:81 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verplicht zijn elkaar het nodige te verschaffen. Artikel 1:84 BW geeft hiervoor een nadere uitwerking. Partijen hebben ter uitwerking daarvan afspraken gemaakt, die zijn vastgelegd in de op [datum] ten overstaan van de notaris verleden akte huwelijkse voorwaarden. Deze huwelijkse voorwaarden betreffen een koude uitsluiting.

4.4.

In de huwelijkse voorwaarden zijn partijen ten aanzien van de kosten van de huishouding in artikel 7 het volgende overeengekomen (voor zover hier van belang):
" 1. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden door de echtgenoten gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. Zijn de inkomens onvoldoende, dan worden de kosten gedragen naar evenredigheid van ieders vermogen. Een en ander geldt niet voor zover bijzondere omstandigheden zich daartegen verzetten.
2. Onder de kosten van de huishouding zijn begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de tot het gezin behorende kinderen, de premies voor de gebruikelijke verzekeringen, de kosten van vakanties, de huurprijs van de echtelijke woning en rente van de geldleningen die verband houden met de aanschaf van de echtelijke woning en de vakantiewoning. (…………..).
3. Indien de echtgenoten in onderling overleg niet samenwonen, worden de gezamenlijke kosten van de afzonderlijke huishoudens, waaronder begrepen de kosten die verband houden met de huisvesting van de echtgenoten, gedragen op de wijze als in lid 1 is bepaald.
4. De echtgenoot die in een kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan hij op grond van het bepaalde in dit artikel zou moeten dragen, kan dit meerdere van de andere echtgenoot terugvorderen, mits hij die vordering instelt binnen een jaar na afloop van het desbetreffende kalenderjaar.
(…………..)."

4.5.

Nu de echtgenoten (in onderling overleg) niet samenwonen, worden - gelet op het bepaalde in artikel 7 lid 3 juncto lid 1 van de huwelijkse voorwaarden - de gezamenlijke kosten van de afzonderlijke huishoudens, waaronder begrepen de kosten die verband houden met de huisvesting van de echtgenoten, gedragen naar evenredigheid van ieders inkomen. De man stelt dat partijen feitelijk een strikte inkomensscheiding hadden in die zin dat zij ieder voor de helft bijdroegen in de gezamenlijke kosten en verder hun eigen kosten droegen. De vrouw betwist dat zij hun financiën zo strikt verdeeld hadden. In het kader van deze voorlopige voorzieningen procedure kan de rechtbank dat niet vaststellen. Gelet op het verschil in inkomens en gegeven de ervaring dat binnen een relatie kosten vaak verweven raken lijkt dat voorshands niet erg aannemelijk. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de vrouw behoefte heeft aan een bijdrage van de man die gerelateerd is aan het huwelijk van partijen.

4.6.

Op grond van het Rapport Alimentatienormen dient voor de vaststelling van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan een onderhoudsbijdrage rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als uitgaven van partijen tijdens het huwelijk. Daarin kan een aanwijzing worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd. Voorts dient zoveel mogelijk rekening te worden gehouden met concrete gegevens van de reële of met een redelijke mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde. De bepaling van de behoefte aan partneralimentatie is maatwerk. In standaardgevallen is het mogelijk de netto behoefte van de onderhoudsgerechtigde te berekenen aan de hand van een vuistregel die ervan uitgaat dat het besteedbaar gezinsinkomen, na aftrek van de kosten van kinderen, beschikbaar was voor de kosten van levensonderhoud van beide partijen, de zogenoemde Hofnorm. Omdat een huishouding van een alleenstaande relatief duurder is dan van iemand die samenwoont, kan de behoefte gesteld worden op 60% van het voor partijen resterende deel van genoemd inkomen.

4.7.

Nu partijen daarover van mening verschillen en gelet op de specifieke afspraken voortvloeiend uit de huwelijkse voorwaarden, neemt de rechtbank in het onderhavige geval niet de Hofnorm tot uitgangspunt bij het bepalen van de behoefte van de vrouw. Zonder meer hantering van de Hofnorm zou immers miskennen dat de behoefte aan alimentatie in redelijkheid moet worden bepaald met inachtneming van alle door partijen aangevoerde relevante omstandigheden. De rechtbank zal de behoefte daarom berekenen op basis van het door de vrouw overgelegde behoefteoverzicht, enerzijds met inachtneming van de welstand van partijen tijdens het huwelijk en anderzijds rekening houdend met de concrete en reëel te verwachten kosten van de vrouw.

4.8.

De kosten van huisvesting begroot de vrouw op € 1.122 per maand. De man acht de opgevoerde kosten van huur (€ 850) en van elektriciteit (€ 128) te hoog. De vrouw heeft door het overleggen van bankafschriften het bestaan en de hoogte van genoemde kosten echter genoegzaam aangetoond. Met de kosten huisvesting van € 1.122 per maand zal daarom rekening worden gehouden.

4.9.

De kosten huishouden begroot de vrouw op € 775 per maand. De man betwist de gestelde kosten voor de hond (€ 200 per maand). Nu de hond een huidziekte heeft en daarvoor injecties, zalf en speciaal voer nodig zijn, zal de rechtbank in redelijkheid rekening houden met een kostenpost van € 125 per maand. Van hogere kosten is niet gebleken. De kosten huishouden bedragen daardoor € 700 per maand.

4.10.

De kosten van kleding en verzorging heeft de vrouw begroot op in totaal € 400 per maand. De man acht de opgevoerde kosten van kleding / schoenen van € 250 maand te hoog. De rechtbank zal in redelijkheid rekening houden met een kostenpost van € 175 per maand. Van hogere kosten is niet gebleken. De kosten van kleding en verzorging bedragen daardoor in totaal € 325 per maand.

4.11.

De kosten van vervoer van € 360 per maand zijn niet betwist, zodat daarmee rekening zal worden gehouden, temeer nu deze kosten de rechtbank niet onredelijk hoog voorkomen en de vrouw deze kosten moet maken om inkomen te verwerven.

4.12.

De kosten van vrije tijd heeft de vrouw begroot op in totaal € 515 per maand. De man heeft deze kosten betwist. Nu enige onderbouwing van deze kosten ontbreekt en deze de rechtbank tamelijk hoog voorkomen, zal de rechtbank in redelijkheid rekening houden met een bedrag van € 325 per maand.

4.13.

De medische kosten (€ 163), verzekeringen (€ 127) en abonnementen/contributies
(€ 42) zijn niet betwist en komen de rechtbank niet onredelijk hoog voor. Met deze kosten van in totaal € 332 per maand zal daarom rekening worden gehouden.

4.14.

De noodzaak om afzonderlijk voor inventaris te reserveren met een bedrag van € 100 per maand komt de rechtbank niet aannemelijk voor. Deze kosten blijven daarom buiten beschouwing.

4.15.

De vrouw is ondernemer en daarom is het redelijk om rekening te houden met een premie arbeidsongeschiktheidsverzekering. Het door de vrouw genoemde en gespecificeerde bedrag van € 2.102 per jaar zal de rechtbank, bij gebrek aan concrete gegevens, beschouwen als een bruto premie. Nu mag worden aangenomen dat de vrouw ter zake een fiscaal voordeel geniet, zal met een netto last van € 100 per maand rekening worden gehouden.

4.16.

Het bedrag voor reservering pensioen van € 75 per maand is niet betwist. Met genoemd bedrag zal daarom rekening worden gehouden. Als ondernemer is de vrouw gehouden een pensioenpot op te bouwen en genoemde kosten komen de rechtbank niet bovenmatig hoog voor.

4.17.

Gelet hetgeen hiervoor is overwogen bedraagt de behoefte van de vrouw (huisvesting € 1.122; huishouden € 700; kleding en verzorging € 325; vervoer € 360; vrije tijd € 325; medische kosten, verzekeringen en abonnementen/contributies € 332; premie arbeidsongeschiktheidsverzekering € 100; reservering pensioen € 75) € 3.339 netto per maand.

4.18.

De vrouw exploiteert samen met mevrouw [naam] een vennootschap onder firma. In de jaren 2013, 2014 en 2015 bedroegen de resultaten respectievelijk negatief € 2.541, € 832 en € 7.364, in casu gemiddeld € 1.885 per jaar. De in de vennootschap onder firma behaalde resultaten worden gelijkelijk verdeeld.
Voorts exploiteert de vrouw een eenmanszaak. In de jaren 2013, 2014 en 2015 bedroegen de resultaten respectievelijk € 30.276, € 17.147 en € 52.071, in casu gemiddeld € 33.165 per jaar. In het kader van deze procedure zal rekening worden gehouden met het door de vrouw genoemd inkomen (winst uit onderneming) van € 34.210 per jaar. De man heeft ter zitting gesteld dat aan de vrouw, gezien de interim opdracht bij [bedrijf] , een verdiencapaciteit kan worden toegekend van € 40.000 bruto per jaar. Dat deze opdracht de vrouw in 2016 een aanmerkelijk gunstiger resultaat zou opleveren dan in 2015 het geval was, is echter niet gebleken en ook niet aannemelijk geworden. De rechtbank gaat hier dan ook niet van uit. Rekening wordt gehouden met de zelfstandigenaftrek, de MKB winstvrijstelling, de inkomensheffing (na correctie met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting) en met de op aanslag verschuldigde premie zorgverzekeringswet. Het besteedbaar inkomen van de vrouw bedraagt alsdan € 2.461 netto per maand.

4.19.

Met het inkomen van € 2.461 netto per maand kan de vrouw gedeeltelijk in haar behoefte voorzien, zodat zij een door de man te betalen aanvullende behoefte aan een bijdrage in haar kosten van levensonderhoud heeft van (€ 3.339 - € 2.461) € 878 netto per maand, in casu € 1.800 bruto per maand.

De financiële omstandigheden van de man

4.20.

In het kader van deze procedure zal de rechtbank uitgaan van de huidige (financiële) situatie van de man. Sedert 1 mei 2015 is de man werkzaam bij [bedrijf] . Zijn inkomen bedraagt € 5.470,84 bruto per maand (salarisspecificatie maart 2016). Naast dit inkomen ontvangt de man een belaste internetvergoeding van € 25 bruto per maand en maakt hij aanspraak op de vakantietoeslag van 8% op jaarbasis. Niet is gebleken van een bonus, zodat hiermee geen rekening wordt gehouden. In totaal komt dit op een bruto jaarinkomen van € 71.204. Aan premies wordt maandelijks een bedrag van € 295,43 (pensioen € 289,75; WIA € 5,68) ingehouden. Voorts wordt rekening gehouden met de inkomensheffing, na correctie met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

4.21.

Van toepassing is de bijstandsnorm voor een alleenstaande.

4.22.

Aan huur is maandelijks een bedrag van € 936 verschuldigd (huurovereenkomst woonruimte 24/25 februari 2016). Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw niet aannemelijk kunnen maken dat de man samenwoont met een partner. De berichten op Facebook en het uitreiken van het betekeningsexploot aan de vriendin van de man op het adres van de man, wijzen er weliswaar op dat zij daar vaak verblijft, maar rechtvaardigen (nog) niet de conclusie is van een al dan niet duurzame samenwoning. Aldus wordt rekening gehouden met genoemd bedrag aan huur, zij het dat het in de bijstandsnorm begrepen bedrag aan gemiddelde basishuur in mindering strekt.

4.23.

Aan premie zorgverzekeringswet is maandelijks een bedrag van € 101,75 verschuldigd (polisblad 2016). Als niet betwist wordt voorts rekening gehouden met het verplicht eigen risico. Het vrijwillig eigen risico (de man voert een bedrag van € 885 per jaar op) blijft buiten beschouwing. Niet is gebleken dat dit risico telkenjare wordt gebruikt. In mindering strekt het in de bijstandsnorm begrepen nominaal deel.

4.24.

De maandelijkse aflossing van € 50 blijft buiten beschouwing. Uit de verkoop van de woning heeft de man een bedrag van € 7.000 ontvangen. Met dit bedrag had de schuld (met een saldo van € 2.098,10 per augustus 2016) kunnen worden afgelost. Dat de man het bedrag volledig heeft besteed aan de aankoop van inboedel, is de rechtbank niet gebleken. Voor zover de man er kennelijk voor heeft gekozen om de schuld niet af te lossen, regardeert dat de vrouw niet.

De “jusvergelijking”

4.25.

De vrouw heeft een jusvergelijking gemaakt (productie 13) waaruit volgt dat een vergelijking van de besteedbare inkomens van partijen, na betaling c.q. ontvangst van een partnerbijdrage, laat zien dat de man bij betaling van een bedrag van € 1.597 per maand, niet in een ongunstiger situatie ten opzichte van de vrouw komt. Nu de vrouw daarbij is uitgegaan van (nagenoeg) gelijke bruto jaarinkomens als de rechtbank hiervoor heeft berekend, zal de rechtbank bij deze jusvergelijking aansluiten. De door de man te betalen bijdrage komt dan op het genoemde bedrag van € 1.597 per maand. De man heeft ook de draagkracht om deze bijdrage te voldoen.

De matiging van de bijdrage

4.26.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage te matigen.

Conclusie

4.27.

De rechtbank zal bepalen dat de man met ingang van 16 juni 2016 de door de vrouw verzochte bijdrage in haar kosten dient te voldoen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 16 juni 2016 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen € 1.597 per maand, vanaf nu telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

5.2.

verstaat dat deze voorziening geldt voor de duur van het geding;

5.3.

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.M. Overkamp, rechter, in tegenwoordigheid van F. Wolters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 22 augustus 2016.