Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6869

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-12-2016
Datum publicatie
23-12-2016
Zaaknummer
AWB - 14 _ 3619, 15_802, 15_803 en 16_7167
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Naheffingsaanslagen. Doorbelaste kosten. Geen fiscale eenheid. Geen kosten voor gemene rekening. Overige correctieposten zijn eveneens terecht. Geen strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Boetes ambtshalve verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2890
V-N 2017/12.2.3
FutD 2017-0015
NTFR 2017/548 met annotatie van mr. J. Sanders jr.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 14/3619, AWB 15/802, AWB 15/803 en AWB 16/7167

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 20 december 2016

in de zaken tussen

[X] B.V., te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder,

en

de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie), te Den Haag, de Staat.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 een naheffingsaanslag omzetbelasting (hierna: OB) opgelegd van € 72.384. Tevens is bij beschikking € 10.188 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Bij afzonderlijke beschikking heeft verweerder aan eiseres een boete van € 8.030 opgelegd.

Eiseres heeft tegen het uitblijven van een uitspraak op bezwaar ter zake van de naheffingsaanslag bij brief van 28 mei 2014, ontvangen door de rechtbank op 2 juni 2014, beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 8 augustus 2014 de naheffingsaanslag OB verminderd tot € 41.990 en de beschikking heffingsrente tot € 5.910.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 24 oktober 2014 de boetebeschikking verminderd tot € 6.386.

Bij brief van 23 september 2014 heeft eiseres de gronden van het beroep tegen de naheffingsaanslag aangevuld.

Bij brief van 7 november 2014 heeft eiseres de gronden van het beroep tegen de boetebeschikking aangevuld.

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 een naheffingsaanslag OB opgelegd van € 54.348,92, alsmede bij beschikking een boete van € 13.587. Tevens is bij beschikking € 6.902 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010 een naheffingsaanslag OB opgelegd van € 650, alsmede bij beschikking een boete van € 65. Tevens is bij beschikking € 66 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 5 januari 2015 de naheffingsaanslagen over 2009 en 2010 en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd. Over 2009 heeft hij de boetebeschikking verminderd tot € 9.796. Over 2010 heeft hij de boetebeschikking gehandhaafd.

Bij brieven van 9 februari 2015, ontvangen door de rechtbank op 10 februari 2015, heeft eiseres tegen deze uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en vier verweerschriften ingediend.

Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2016.

Namens eiseres zijn [gemachtigde] en [A] verschenen. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , mr. [B] en [C] .

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Eiseres heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen.

De Staat heeft afgezien van het voeren van verweer (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is op 11 november 2004 opgericht. Volgens het uittreksel van de Kamer van Koophandel is eiseres ingedeeld in de categorie financiële holdings en bestaan de activiteiten uit: beheer- en pensioendoelstelling, callcenter, autoverhuur, kopieer en drukkerij.

2. De aandelen van eiseres zijn in handen van Stichting [D] . Bestuurder van eiseres is [gemachtigde] (hierna: [gemachtigde] ). [gemachtigde] is niet in dienst van eiseres, maar van een dochteronderneming van eiseres, [E] BV.

3. Eiseres verschaft middelen aan en verzorgt de financiële coördinatie van - voor zover thans van belang - vier stichtingen (hierna ook: de stichtingen), die alle de naam “Stichting [F] ” dragen, aangevuld met een regio, onderscheidenlijk [G] , [H] , [I] en [J] . Het bestuur van elk van die stichtingen bestaat uit [gemachtigde] , [A] en [K] .

4. Eiseres heeft op 2 januari 2008 en op 31 december 2008 een factuur opgemaakt, elk voor een bedrag van € 80.000, gericht aan Stichting [F] in verband met de doorbelasting van auto- en administratiekosten. Eiseres heeft daarbij geen OB in rekening gebracht.

5. Eiseres heeft in 2009 voor € 245.428,10 aan kosten doorbelast aan de stichtingen. Hierbij heeft zij evenmin OB in rekening gebracht.

6. Op 27 augustus 2008 heeft eiseres een overeenkomst tot financial lease gesloten met [L] ter zake van de lease van een Lexus [M] (hierna: de Lexus). Bij de stukken bevindt zich tevens een factuur aan eiseres ter zake van de auto waarop een factuurbedrag van € 135.385 is opgenomen. Eiseres heeft de hierop vermelde OB ter hoogte van € 16.444,10 in aftrek gebracht. De auto is feitelijk gebruikt door [gemachtigde] .

7. In 2009 heeft inventaris het bedrijfsvermogen van eiseres verlaten. Hierover is geen OB afgedragen.

8. Eveneens in 2009 hebben negen auto’s het bedrijfsvermogen van eiseres verlaten. Ook hierover is geen OB afgedragen.

9. Eiseres heeft bij de aangiften OB over 2010 in totaal een bedrag van € 2.640 in aftrek gebracht.

10. Op 3 september 2012 heeft verweerder een boekenonderzoek bij eiseres ingesteld naar de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de jaren 2008 tot en met 2011. Het rapport boekenonderzoek heeft als dagtekening 27 mei 2014. Naar aanleiding daarvan zijn de onderhavige naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen opgelegd.

Geschil

11. In geschil is of verweerder de naheffingsaanslagen terecht heeft opgelegd. Meer specifiek is in geschil of:

  • -

    eiseres en de stichtingen tezamen als één ondernemer als bedoeld in artikel 7, vierde lid, van de Wet op de omzetbelasting (hierna: Wet OB) kunnen worden aangemerkt;

  • -

    sprake is van kosten voor gemene rekening;

  • -

    de voorbelasting van de Lexus aftrekbaar is;

  • -

    vanwege de verkoop van voertuigen en inventaris OB is verschuldigd;

  • -

    te veel vooraftrek heeft plaatsgevonden in 2010;

  • -

    de boetebeschikkingen terecht zijn opgelegd.

Daarbij voert eiseres mede aan dat verweerder in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft gehandeld.

Beoordeling van het geschil

Niet-tijdig beslissen op bezwaar 2008

12. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet-tijdig beslissen op bezwaar door verweerder. Ingevolge het derde lid van artikel 6:20 van de Algemene wet bestuursrecht heeft het beroep van eiseres mede betrekking op de nadien door verweerder gedane uitspraak op bezwaar van 8 augustus 2014. Voor zover het beroep is gericht tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar heeft eiseres daarbij inmiddels geen belang meer, nu alsnog uitspraak op bezwaar is gedaan. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder inmiddels de (maximale) dwangsom van € 1.260 heeft vergoed. Verweerder heeft daarnaast schriftelijk meegedeeld dat hij bereid is het griffierecht te vergoeden. Het beroep tegen het niet-tijdig beslissen is daarom niet-ontvankelijk.

Betrokken inspecteur

13. Ter zitting is komen vast te staan dat de stelling van eiseres dat de naheffingsaanslag en de uitspraak op bezwaar door dezelfde inspecteur zijn vastgesteld op een misverstand berust. Aan die stelling wordt reeds daarom voorbijgegaan.

Doorbelaste kosten

14. In het dossier bevinden zich twee facturen op naam van Stichting [F] , elk voor € 80.000, gedateerd onderscheidenlijk 2 januari en 31 december 2008. Volgens de verklaring van eiseres betreft dit Stichting [F] [G] . Voorts bevinden zich in het dossier drie facturen gedateerd 1 augustus 2009, gericht aan onderscheidenlijk de stichtingen [I] , [H] en [J] . Deze facturen bedragen onderscheidenlijk € 50.140,65, € 41.150 en € 51.122. Op geen van de facturen is OB in rekening gebracht. Volgens het onderzoeksrapport en de daarbij gevoegde saldibalans is het totaal van de doorbelaste kosten in 2009 € 245.428,10 en geeft het journaalpostenoverzicht over 2009 naast de drie genoemde facturen nog twee posten, te weten “memoriaal” op 31 oktober 2009 ter hoogte van € 82.309,45 en “verkf” op 3 november 2009 ter hoogte van € 20.706. Ter zake van deze posten is niet in geschil dat eiseres evenmin OB in rekening heeft gebracht.

15. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij bij het doorberekenen van de kosten die zij bij de stichtingen in rekening heeft gebracht geen OB behoefde te berekenen. Daartoe heeft zij zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat sprake is van een fiscale eenheid, naar ter zitting nader is toegelicht: tussen eiseres en de vier stichtingen.

16. Op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet OB worden - voor zover hier van belang - lichamen die ondernemer zijn in de zin van de wet en die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven, dat zij een eenheid vormen, aangemerkt als één ondernemer.

17. Van economische verwevenheid is sprake indien de activiteiten van eiseres en de stichtingen in hoofdzaak strekken tot verwezenlijking van eenzelfde economisch doel (Hoge Raad 22 februari 1989, ECLI:NL:HR:1989:ZC3993). Van economische verwevenheid kan ook sprake zijn in een situatie waarin een houdstermaatschappij alle aandelen bezit van een of meer vennootschappen en voorts tussen de vennootschappen onderling niet verwaarloosbare economische betrekkingen bestaan (Hoge Raad 11 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:837).

18. Voor financiële verwevenheid is vereist dat de financiële positie en/of de financiële gedragingen van de aangesloten stichtingen rechtstreeks afhankelijk zijn van de financiële positie van eiseres dan wel de financiële positie van eiseres rechtstreeks van invloed is op de stichtingen (Hoge Raad 30 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4297, en Hoge Raad 26 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BF0401).

19. Voor verwevenheid in organisatorisch opzicht is vereist dat eiseres en de stichtingen onder een gezamenlijke, althans als een eenheid functionerende, leiding staan, dan wel de leiding van het ene lichaam ten opzichte van die van het andere lichaam in een positie van feitelijke ondergeschiktheid verkeert (zie het arrest van de Hoge Raad van 22 februari 1989).

20. Gelet op het feit dat [gemachtigde] enig bestuurder van eiseres is, terwijl de bestuurders van de stichtingen [gemachtigde] , [A] en [K] zijn, is niet voldaan aan het vereiste van organisatorische verwevenheid. Gesteld noch anderszins aannemelijk geworden is dat de bestuurders van de stichtingen tezamen met [gemachtigde] als een eenheid functioneren dan wel in een positie van feitelijke ondergeschiktheid van [gemachtigde] verkeren. Reeds om deze reden is geen sprake van een fiscale eenheid.

21. De rechtbank voegt hieraan toe dat eiseres ook onvoldoende heeft gesteld om de conclusie te rechtvaardigen dat sprake is van economische en financiële verwevenheid tussen haar en de stichtingen.

22. Als tweede grondslag voor de stelling dat bij de doorbelaste kosten geen OB in rekening zou hoeven te worden gebracht heeft eiseres aangevoerd dat het om kosten voor gemene rekening gaat. Aangezien de doorbelasting van kosten in beginsel een economische activiteit is die aan de heffing van omzetbelasting is onderworpen (Hoge Raad 14 september 1988, ECLI:NL:HR:1988:ZC3901, en Hof van Justitie EU 15 maart 2001, nr. C-108/00, ECLI:EU:C:2001:173), draagt eiseres de bewijslast dat sprake is van de uitzondering waarop zij zich beroept.

23. Er is sprake van kosten voor gemene rekening indien kosten worden gemaakt ten behoeve van twee of meer ondernemers die in eerste instantie door een van hen worden betaald en voor het werkelijke bedrag volgens een tevoren vaststaande verdeelsleutel over de bedoelde ondernemers worden omgeslagen, terwijl het risico van die kosten allen volgens de overeengekomen verdeelsleutel aangaat (Hoge Raad 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:981).

24. Reeds gelet op het feit dat namens eiseres ter zitting is verklaard dat de doorberekende kosten slechts de stichtingen aangaan (en dus niet mede haarzelf) is niet voldaan aan de definitie van kosten voor gemene rekening. Daar komt in ieder geval voor de autokosten in 2009 nog bij dat geen sprake is van een vooraf vaststaande verdeelsleutel, nu eiseres heeft verklaard dat de kosten per auto gespecificeerd worden bijgehouden en per auto worden doorberekend.

25. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres ten onrechte geen OB op de door verweerder in de correctie betrokken facturen aan de stichtingen in rekening heeft gebracht en dat verweerder dit terecht heeft gecorrigeerd.

26. De rechtbank ziet aanleiding in dit verband ook de stelling van eiseres te betrekken dat tevens sprake is van een onterechte correctie ter zake van de huur van de gebouwen. Eiseres brengt aan een aantal partijen huur in rekening. Dit betreft in elk geval het pand [A-straat 1] te [Q] . Dit pand huurt zij en van de door haar betaalde huur brengt zij 90% in rekening bij [E] BV, welke bv 90% van het gebruik van het pand heeft. Verweerder heeft betwist dat op dit punt een correctie heeft plaatsgevonden. Voor de berekening van de hoogte van de naheffing heeft verweerder berekend hoeveel OB in totaal verschuldigd is (onderdeel 3.4 van het onderzoeksrapport), waarop de voorbelasting in mindering is gebracht. Dit leidt tot een saldering, die vergeleken is met hetgeen werkelijk is betaald of terugontvangen op grond van de aangiften. In de berekeningen van hetgeen verschuldigd is, is inderdaad uitgegaan van 19% OB over de huuropbrengst van gebouwen. Verweerder is ervan uitgegaan dat eiseres deze OB ook daadwerkelijk heeft gefactureerd. Voor zover facturen van eiseres voorhanden waren, was daarop namelijk OB in rekening gebracht, behoudens de hiervoor genoemde gecorrigeerde facturen.

27. De rechtbank gaat er - bij gebreke van een voldoende gemotiveerde betwisting door eiseres - van uit dat eiseres inderdaad OB over de huur heeft gefactureerd. In het midden kan blijven of dit terecht is gebeurd, aangezien eiseres deze OB ook verschuldigd is als zij de OB ten onrechte heeft gefactureerd, gelet op het bepaalde in artikel 37 van de Wet OB. Op grond van dat artikel is OB verschuldigd indien deze is gefactureerd, ook als dit ten onrechte zou zijn gebeurd.

28. Gezien het voorgaande heeft verweerder de OB ter zake van de doorbelasting van kosten terecht en tot het juiste bedrag gecorrigeerd.

Lexus

29. Tussen partijen is niet in geschil dat de Lexus door eiseres op grond van financial lease is verkregen. Evenmin is tussen partijen in geschil, en de rechtbank sluit zich daarbij aan, dat dit een levering is voor de Wet OB. Eiseres heeft een bedrag van € 16.444,10 aan OB in aftrek gebracht. Verweerder heeft deze aftrek gecorrigeerd, omdat volgens hem de auto niet is gebruikt voor belaste prestaties.

30. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto door [gemachtigde] werd gebruikt. Eiseres heeft gesteld dat de auto daarmee (geheel, althans hoofdzakelijk) voor belaste prestaties is gebruikt, te weten managementtaken en het beheer van onroerend goed. Verweerder heeft daartegen aangevoerd dat [gemachtigde] niet in dienstbetrekking is bij eiseres. De auto is ofwel aan [gemachtigde] ofwel aan [E] BV ter beschikking gesteld. In beide gevallen werd de auto niet gebruikt voor belaste prestaties van eiseres, aldus verweerder. Meer subsidiair voert verweerder aan dat een aftrekbeperking op grond van het Besluit uitsluiting aftrek omzetbelasting 1968 geldt.

31. Aangezien eiseres vooraftrek heeft toegepast, draagt zij de bewijslast dat dit terecht is gebeurd. Het enkele feit dat de auto op haar naam is geleaset is daarvoor niet voldoende, gelet op het feitelijke gebruik van de auto door [gemachtigde] . De kern van het werk van [gemachtigde] bestaat uit zorggerelateerde werkzaamheden. De rol van de holding is maar beperkt. Haar werk bestaat er met name uit de financieringsstroom tussen de stichtingen te managen. Hoe het gebruik van de auto daarin past, is niet duidelijk geworden. In dat licht heeft eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de auto voor belaste prestaties is gebruikt. Om die reden heeft verweerder de aftrek terecht gecorrigeerd.

Inventaris

32. Op grond van de journaalposten is verweerder tot de conclusie gekomen dat eiseres in 2009 voor een bedrag van € 11.400 aan inventaris heeft verkocht. Hierover is geen OB afgedragen. Volgens eiseres betreft het geen verkoop aan derden, maar heeft zij de inventaris om niet ter beschikking gesteld aan een gelieerde organisatie binnen het zorgconcern. De inventaris was feitelijk afgeschreven.

33. Gelet op de journaalpost is voorshands aannemelijk dat er inventaris is verkocht en gefactureerd tot een bedrag van € 11.400. Het feit dat er geen facturen tot dit bedrag zijn aangetroffen, maakt dit niet anders. Het is aan eiseres om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen. De betwisting van eiseres is gebaseerd op de stelling dat de inventaris om niet is overgedragen. Dit geeft echter geen verklaring voor de journaalpost. Daarmee is het vermoeden dat een vergoeding is ontvangen en OB moet worden afgedragen niet ontzenuwd.

34. Overigens heeft verweerder ter nadere onderbouwing van de stelling dat verkoop van de inventaris heeft plaatsgevonden één factuur overgelegd op naam van [K] . In totaal is € 3.960 gefactureerd, inclusief € 632 OB. Dit maakt de betwisting van de verkoop van inventaris door eiseres te minder geloofwaardig. Voor zover overigens het bedrag van € 632 wel is afgedragen, doet dat niet af aan de juistheid van de correctie van verweerder, omdat ook voor 2009 de naheffing is berekend op de hiervoor in overweging 26. omschreven wijze. Alle verschuldigde OB is verminderd met de voorbelasting die mocht worden afgetrokken en de uitkomst is vergeleken met de aangiften. Het verschil is nageheven. Indien het bedrag van € 632 in een aangifte is opgenomen, is dat aldus correct verwerkt.

Voertuigen

35. Verweerder heeft ter zitting negen facturen overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat de auto’s die in 2009 het bedrijfsvermogen van eiseres hebben verlaten zijn verkocht. De rechtbank acht dit op grond van de facturen aannemelijk. Bovendien heeft eiseres hierover wisselend verklaard. Uiteindelijk heeft zij verklaard dat zij de desbetreffende OB niet kon betalen doordat beslagen waren gelegd door de Belastingdienst. Dit doet er echter niet aan af dat zij de OB in de aangiften had dienen op te nemen en op aangifte had moeten voldoen. Dit heeft zij nagelaten. Zij heeft ook niet gemeld dat zij niet in staat was de OB te voldoen. Gelet hierop is de correctie van verweerder juist.

Hoogte voorbelasting

36. Bij de berekening van de hoogte van de naheffingsaanslagen heeft verweerder op de verschuldigde OB de aftrekbare voorbelasting in mindering gebracht. Uit de administratie komen voor 2008 en 2009 verschillende bedragen naar voren. Eiseres heeft over deze jaren de grootboekrekeningen voorbelasting niet overgelegd. Uitgaand van de journaalposten was de voorbelasting in 2008 € 47.075,65 en in 2009 € 36.459,72. Er zijn ook berekeningen gemaakt door de financieel adviseurs [O] (over 2008) en [P] (over 2009). Deze komen op respectievelijk € 46.838,56 en € 40.041 uit. Verweerder heeft in beide gevallen de laagste van de twee bedragen genomen, dus voor 2008 € 46.838,56 conform de berekening van [O] en voor 2009 € 36.459,72 op grond van de journaalposten. Eiseres heeft zich hiertegen verzet, met name met een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel dan wel het verbod van willekeur. Daarbij gaat zij er echter aan voorbij dat zij de bewijslast draagt voor zover het gaat om het recht op vooraftrek. Nu de administratie niet sluitend is en eiseres geen grootboekrekeningen voorbelasting heeft overgelegd, heeft verweerder terecht in beide jaren aangesloten bij het laagste bedrag, aangezien eiseres telkens een hogere vooraftrek niet aannemelijk heeft gemaakt.

Hoogte vooraftrek 2010

37. In 2010 heeft eiseres geen omzet behaald. In het grootboek voorbelasting 2010 is een bedrag aan voorbelasting opgenomen van € 1.989,57. In de aangiften is in totaal € 2.640 in aftrek gebracht. Verweerder heeft het verschil gecorrigeerd. Eiseres heeft geen verklaring kunnen geven voor het verschil. Nu eiseres de bewijslast draagt van de juistheid van de in aftrek gebrachte OB, is de correctie terecht opgelegd.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

38. Eiseres heeft zich - naast het hiervoor al besproken rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van willekeur - beroepen op schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en schending van het motiveringsbeginsel. In de kern komen de argumenten van eiseres erop neer dat zij zich onvoldoende gehoord voelt en de indruk heeft dat sprake is van vooringenomenheid bij verweerder. Als gevolg daarvan zou de controle onvoldoende zorgvuldig zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiseres in voldoende mate in de gelegenheid gesteld haar standpunt naar voren te brengen en haar stellingen te onderbouwen. Ook is verweerder in detail op de verschillende onderdelen ingegaan. Het stellen van nadere vragen door de controlerend ambtenaar voordat eerdere vragen beantwoord waren acht de rechtbank niet onzorgvuldig. Dat eiseres moeite had bepaalde zaken boven tafel te krijgen door diverse faillissementen is wel iets waarmee verweerder rekening diende te houden, maar in de gang van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding te concluderen dat dit onvoldoende is gebeurd. Ook voor het overige kan het beroep op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, gelet op de inhoud van de stukken, niet slagen.

Tussenconclusie

39. De beroepen zijn ongegrond voor zover ze betrekking hebben op de hoogte van de naheffingsaanslagen.

Heffingsrente

40. Nu eiseres geen afzonderlijke gronden tegen de heffingsrente heeft aangevoerd, zijn de beroepen ook in zoverre ongegrond.

Boetes

41. Na bezwaar resteren boetes van 25% over de correcties ter zake van doorbelasting van kosten over 2008 en 2009. Hieraan ligt ten grondslag dat verweerder eiseres grove schuld verwijt.

42. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van grove schuld bij eiseres. Daarbij wordt de kennis en mate van verwijtbaarheid van haar bestuurder [gemachtigde] aan haar toegerekend. Eiseres heeft aangevoerd dat zij deskundigen heeft ingeschakeld en op die manier alles heeft gedaan wat van haar verlangd kon worden om te komen tot de juiste belastingbetaling. De inschakeling van deskundigen neemt de eigen verantwoordelijkheid van eiseres en [gemachtigde] echter niet weg. [gemachtigde] deed de dagelijkse administratie en borg de facturen op. Hij moet hebben gezien dat de ene keer met en de andere keer zonder OB werd gefactureerd aan de stichtingen. Hij had er niet zonder meer op mogen vertrouwen dat dit juist was. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij specifiek op dit punt advies heeft gevraagd en dat haar adviseur haar heeft meegedeeld dat deze facturering juist was. Daarbij weegt de rechtbank tevens mee dat eiseres verschillende argumenten heeft gehanteerd waarom de facturering correct zou zijn, maar zij niet heeft onderbouwd wat nu eigenlijk de reden is dat zo is gehandeld. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat terecht boetes zijn opgelegd. Zij acht deze in het licht van het voorgaande passend en geboden.

43. Voor 2010 is een verzuimboete opgelegd van 10% van de nageheven belasting. Naar het oordeel van de rechtbank is ook die boete terecht. Voor een verzuimboete is in beginsel geen verwijtbaarheid vereist. Nu er geen verklaring is gegeven voor het verschil tussen de aangiften en de gegevens uit het grootboek, is geen sprake van een pleitbaar standpunt of afwezigheid van alle schuld. Ook deze boete acht de rechtbank passend en geboden.

44. De beroepen ter zake van de boetebeschikkingen zijn dus ook ongegrond. Wel dient - ambtshalve - te worden beoordeeld of de boetes gematigd moeten worden wegens de overschrijding van de redelijke termijn als genoemd in artikel 6 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In beginsel is daarvan sprake als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen, uitspraak heeft gedaan (Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). Deze termijn vangt aan op het moment dat jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd.

45. De rechtbank heeft vastgesteld dat de boetes bij brief van 27 mei 2014 aan eiseres zijn bekendgemaakt. Op dat moment is de termijn begonnen. Nu tussen het moment van bekendmaking en deze uitspraak van de rechtbank meer dan twee jaren zijn verstreken, is de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM overschreden met afgerond zeven maanden. Daarin ziet de rechtbank aanleiding de boetes, die na bezwaar respectievelijk € 6.386 en € 9.796 bedragen, met 10% te verminderen tot € 5.747 voor 2008 en € 8.816 voor 2009. Gelet op de hoogte van de boete voor 2010, die € 65 bedraagt, ziet zij geen aanleiding deze te verminderen (vgl. Hoge Raad 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1971). Met de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden acht de rechtbank eiseres voor die boete voldoende gecompenseerd.

Vergoeding van immateriële schade

46. Eiseres heeft verzocht om een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

47. Uit de arresten van de Hoge Raad van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5046, 9 augustus 2013, ECLI:NL:HR:2013:199, en 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, volgt dat de rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, ertoe noopt dat ook de beslechting van belastinggeschillen binnen een redelijke termijn plaatsvindt. Een overschrijding van die termijn leidt, behoudens bijzondere omstandigheden, in de regel tot spanning en frustratie, wat grond vormt voor vergoeding van immateriële schade, aldus de Hoge Raad. Voor een uitspraak in eerste aanleg heeft te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt indien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In deze termijn is de duur van de bezwaarfase inbegrepen. In belastingzaken heeft als regel te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd voor zover de duur daarvan een half jaar overschrijdt en de beroepsfase voor zover deze meer dan anderhalf jaar in beslag neemt.

48. In een geval als het onderhavige, waarin meer zaken van een belastingplichtige gezamenlijk zijn behandeld, dient in dit verband te worden beoordeeld of die zaken in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. Indien hiervan sprake is, wordt per fase van de procedure waarin sprake is geweest van gezamenlijke behandeling, voor die zaken gezamenlijk slechts eenmaal het tarief van € 500 per halfjaar gehanteerd (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:700). Als de rechtsmiddelen waarmee die fase van de procedure in de betrokken zaken is ingeleid niet tegelijkertijd zijn aangewend, dient daarbij ter bepaling van de mate van overschrijding van de redelijke termijn te worden gerekend vanaf het tijdstip van indiening van het eerst aangewende rechtsmiddel (zie Hoge Raad 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:540).

49. De ontvangstdatum van het eerste bezwaarschrift is 10 januari 2014. De termijn is geëindigd met deze uitspraak. Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift zijn bijna drie jaren verstreken. Dit betekent dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna een jaar.

50. In de bezwaarfase zijn de bezwaren over 2008 en die over 2009 en 2010 niet gezamenlijk behandeld. Alleen over 2008 is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn. De uitspraak op bezwaar dateert van 8 augustus 2014, zeven maanden na ontvangst van het bezwaarschrift. Dit betekent een overschrijding van de termijn met één maand.

51. In beroep zijn de zaken wel gezamenlijk behandeld. In zoverre is dus sprake van samenhangende zaken. Het eerste beroepschrift heeft betrekking op de uitspraak op bezwaar van 8 augustus 2014. Tot de datum van deze uitspraak zijn sindsdien twee jaren en bijna vijf maanden verstreken. Dit betekent een overschrijding van de termijn van anderhalf jaar met bijna elf maanden.

52. Als uitgangspunt voor de schadevergoeding wordt een tarief gehanteerd van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van in totaal € 1.000. Met inachtneming van de verdeelsleutel die volgt uit het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016 zal de rechtbank verweerder veroordelen tot vergoeding van 1/12 deel hiervan, oftewel € 83, en de Staat tot 11/12 deel, oftewel € 917. Hierin ziet de rechtbank tevens aanleiding te bepalen dat de Staat en verweerder elk de helft van het betaalde griffierecht voor de jaren 2009 en 2010 dienen te vergoeden aan eiseres. Het griffierecht ter zake van het beroep over 2008 dient, gelet op hetgeen is overwogen onder 12, voor rekening van verweerder te komen.

Conclusie

53. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard. Het verzoek tot vergoeding van immateriële schade wordt toegewezen.

Proceskostenveroordeling

54. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Voor de bezwaarfase geldt dat geen sprake is van een fout van verweerder. De naheffingsaanslagen en beschikkingen blijven inhoudelijk immers in stand. Voor de beroepsfase staat dit - gelet op de gegrondverklaring van het verzoek om vergoeding van immateriële schade - op zich niet in de weg aan toekenning van een vergoeding. Eiseres heeft gesteld dat zij advies heeft gehad van de heer [a] , en dat hij inhoudelijk bij de opstelling van het beroepschrift en de aanvulling daarop betrokken is geweest. Verweerder heeft echter betwist dat hiervoor kosten op eiseres drukken. Volgens hem is sprake van een vriendendienst. Eiseres heeft haar verzoek niet met bewijsstukken (zoals een rekening) onderbouwd. Daarmee heeft ze tegenover de betwisting door verweerder niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij kosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar over de tijdvakken 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 en 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 voor zover het de boetebeschikkingen betreft;

  • -

    vermindert de boete voor het jaar 2008 tot € 5.747;

  • -

    vermindert de boete voor het jaar 2009 tot € 8.816;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het vergoeden van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 83;

  • -

    veroordeelt de Staat tot het vergoeden van de door eiseres geleden immateriële schade tot een bedrag van € 917;

  • -

    gelast dat verweerder een bedrag van € 493,50 ter zake van het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt;

  • -

    gelast dat de Staat een bedrag van € 165,50 ter zake van het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. F.M. Smit en mr. P.J. Tikken, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 20 december 2016

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.