Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6860

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
19-12-2016
Datum publicatie
20-12-2016
Zaaknummer
05/740619-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, heeft op 19 december 2016 een 47-jarige man uit Groenlo veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis en een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 118 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Aan het voorwaardelijke strafdeel heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden gekoppeld. De man moet zich melden bij de reclassering en moet meewerken aan een zedenbehandeling. De tijd die de man in verzekering gesteld is geweest, wordt op de onvoorwaardelijke gevangenisstraf in mindering gebracht. De man heeft zich in de periode 1 juli 2010 tot en met 5 april 2011 in Groenlo schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje van toen 15 jaar. Er was sprake van vergaande seksuele handelingen waaronder het binnendringen van haar lichaam.

Het slachtoffer heeft verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft bepaald dat de man een bedrag van € 2000,-- aan het slachtoffer moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740619-15

Datum uitspraak : 19 december 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] .

Raadsman: mr. F.A.J.M. Peeters, advocaat te Winterswijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 december 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2010 tot

en met 5 april 2011 te [plaats] , [gemeente] , in ieder geval in

Nederland, met [slachtoffer 1] , geboortedatum [geboortedatum 2] , buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft verdachte

- geslachtsgemeenschap met die [slachtoffer 1] gehad en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- één of meer van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt en/of

- zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken en/of

- met die [slachtoffer 1] getongzoend,

terwijl die [slachtoffer 1] toen die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Verdachte heeft in [plaats] seksueel contact gehad met [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), geboren op [geboortedatum 2] . De volgende seksuele handelingen hebben plaatsgevonden:2

  • -

    Verdachte heeft met [slachtoffer 1] getongzoend;

  • -

    Verdachte heeft zijn penis in de mond van [slachtoffer 1] gebracht;

  • -

    Verdachte heeft één of meer van zijn vingers in de vagina van [slachtoffer 1] gebracht;

  • -

    Verdachte heeft de vagina van [slachtoffer 1] gelikt;

  • -

    Verdachte heeft zich door [slachtoffer 1] laten aftrekken; en

  • -

    Verdachte heeft geslachtsgemeenschap met [slachtoffer 1] gehad.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit. Hij heeft in dat kader gewezen op de aangifte van [slachtoffer 1] , de verklaring van verdachte, de MSN-gesprekken en de verklaringen van de familieleden van [slachtoffer 1] . Volgens de officier van justitie volgt, anders dan verdachte en zijn raadsman ter terechtzitting naar voren hebben gebracht, uit het dossier dat [slachtoffer 1] de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt op het moment dat de ten laste gelegde seksuele handelingen plaatsvonden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, nu uit de bewijsmiddelen niet onomstotelijk blijkt dat de ten laste gelegde seksuele handelingen in de ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden. [slachtoffer 1] en verdachte hebben niet expliciet verklaard dat de ten laste gelegde handelingen in de ten laste gelegde periode hebben plaatsgevonden. Pas nadat verdachte door de politie uitdrukkelijk in die richting wordt gestuurd, verklaart hij dat in februari 2011 geslachtsgemeenschap heeft plaatsgevonden. Volgens de raadsman heeft de politie zich schuldig gemaakt aan ‘framing’.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de vaststaande seksuele handelingen in de periode van 1 juli 2010 tot en met 5 april 2011 hebben plaatsgevonden. Zij overweegt daartoe als volgt.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat zij en haar ouders en zus in april 2010 de sleutel kregen van hun nieuwe woning. Zij heeft haar overbuurman, verdachte, toen voor het eerst ontmoet.3 Volgens [slachtoffer 1] is het ‘allemaal begonnen’ in de zomer van 2010, toen zij 15 jaar was.4 Eerst was sprake van WhatsApp contact en contact via MSN, waarna zij en verdachte voor het eerst hebben afgesproken. Tijdens de eerste afspraak hebben zij en verdachte gezoend.5

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat [slachtoffer 1] nog net 14 was toen zij bij hem in de straat kwam wonen en dat ‘de ontucht’ (de rechtbank begrijpt: het seksueel contact) is begonnen toen [slachtoffer 1] 15 jaar was. [slachtoffer 1] zei een paar keer dat het eigenlijk niet kon. [slachtoffer 1] had uitgezocht dat het niet meer strafbaar was als zij 16 zou worden en zij het vrijwillig deed. Volgens verdachte wisten [slachtoffer 1] en hij dat het niet mocht.6 Het duurde ‘wel wat maanden’ nadat hij [slachtoffer 1] had ontmoet, voordat zij seks met elkaar hadden. Toen het voor de tweede keer gebeurde (de rechtbank begrijpt: geslachtsgemeenschap), was het volgens hem al redelijk weer. Dit was in de lente van 2011, in april of mei. De eerste keer vond daarvóór plaats. Verdachte denkt dat dit in februari of maart 2011 was. Gevraagd naar welke seksuele handelingen [slachtoffer 1] en hij al vóór die eerste keer hadden gedaan, antwoordde verdachte: ‘zoenen, voelen, beffen, pijpen, vingeren en aftrekken’.7

Op de computer van [slachtoffer 1] is een MSN-gesprek tussen [slachtoffer 1] en verdachte aangetroffen. Op 20 december 2010 stuurde verdachte [slachtoffer 1] onder meer de volgende teksten: ‘Geil wijffie’ en ‘Ik wil je nog wel een keer likken, mmmm’.8

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte door de politie is gestuurd in zijn verklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het dossier dat verdachte meermalen is bevraagd over de datum van het eerste seksuele contact en dat op de door verdachte gegeven verklaringen is doorgevraagd, maar geeft het dossier geen blijk van de stelling dat verdachte door de politie in zijn antwoorden is gestuurd. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de hiervoor beschreven verklaringen van verdachte bij de politie en zal verdachte aan die verklaringen houden.

Op basis van de verklaring van [slachtoffer 1] en de verklaring van verdachte, die op punten worden ondersteund door het MSN-gesprek van 20 december 2010, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de als vaststaand aangemerkte seksuele handelingen in de periode 1 juli 2010 tot en met 5 april 2011 hebben plaatsgevonden. De rechtbank gaat er, gelet op de verklaring van verdachte van uit dat in die periode één keer sprake is geweest van geslachtsgemeenschap, namelijk in februari of maart 2011. [slachtoffer 1] was in de ten laste gelegde periode 15 jaar.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

hij (op meerdere tijdstippen) in of omstreeks de periode van 01 juli 2010 tot

en met 5 april 2011 te [plaats] , [gemeente] , in ieder geval in

Nederland, met [slachtoffer 1] , geboortedatum [geboortedatum 2] , buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, mede bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 1] , immers heeft verdachte

- geslachtsgemeenschap met die [slachtoffer 1] gehad en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- één of meer van zijn vingers in de vagina van die [slachtoffer 1] gebracht en/of

- de vagina van die [slachtoffer 1] gelikt en/of

- zich door die [slachtoffer 1] laten aftrekken en/of

- met die [slachtoffer 1] getongzoend,

terwijl die [slachtoffer 1] toen die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld.
Volgens de officier van justitie was sprake van een evident ongelijkwaardige verhouding tussen verdachte en [slachtoffer 1] . Sprake is van een zeer ernstige inbreuk op de geestelijke en lichamelijke integriteit van [slachtoffer 1] . Zij bevond zich ten tijde van het ten laste gelegde in een kwetsbare ontwikkelingsfase en was onvoldoende in staat om de gevolgen van het seksueel contact te overzien. Bij het bepalen van zijn eis heeft de officier van justitie verder onder meer rekening gehouden met het feit dat verdachte de bevrediging van zijn lustgevoelens boven de belangen van [slachtoffer 1] heeft gesteld. De ten laste gelegde handelingen hebben daarnaast bij [slachtoffer 1] geleid tot psychische gevolgen. Sprake is van een lange pleegperiode en het seksueel contact is niet door toedoen van verdachte gestopt. Hoewel de officier van justitie rekening heeft gehouden met het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld ten aanzien van strafbare feiten, is een gevangenisstraf volgens hem de enige passende strafmodaliteit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt de eis van de officier van justitie te hoog. Volgens de raadsman is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf buitenproportioneel. Als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, zou een voorwaardelijke gevangenisstraf kunnen worden opgelegd. Verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten en volgt therapie.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 25 oktober 2016; en

- een advies van reclassering Nederland, gedateerd 18 juli 2016.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim acht maanden schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met [slachtoffer 1] , die op dat moment de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt. Er was sprake van vergaande seksuele handelingen waaronder het binnendringen van haar lichaam. Dat maakt dat sprake is van ernstige feiten.

Het is algemeen bekend dat slachtoffers van dergelijke feiten daarvan nog lange tijd nadelige

psychische gevolgen kunnen ondervinden. De ingrijpende gevolgen die het

bewezenverklaarde feit voor [slachtoffer 1] en haar familie hebben gehad, zijn tot uitdrukking

gebracht in de ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring.

Verdachte, toen 41 jaar, wist dat [slachtoffer 1] ten tijde van het ten laste gelegde de leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt. Verdachte had zich als 41-jarige moeten realiseren dat een meisje op de leeftijd van 15 jaar op seksueel gebied zeer kwetsbaar is. Verdachte had zich al in een vroeg stadium van het contact moeten beseffen dat het contact tussen [slachtoffer 1] en hem schadelijk kan zijn voor een jong meisje. Hij had daarom het contact moeten verbreken, ongeacht of [slachtoffer 1] dit contact aanvankelijk initieerde. In plaats daarvan ging hij door met het verzenden van onder andere seksueel getinte MSN-berichten en sprak hij af met [slachtoffer 1] , waarbij sprake was van seksueel contact. Verdachte handelde ten behoeve van het bevredigen van zijn eigen seksuele verlangens en is voorbij gegaan aan de belangen van een kwetsbaar 15-jarig meisje. Daarnaast is het niet aan verdachte te wijten dat het seksueel contact uiteindelijk, in 2013, is gestopt.

In het reclasseringsrapport van 18 juli 2016 is beschreven dat bij verdachte sprake is van een gebrekkig inzicht in zijn delictgedrag. Recidive kan niet worden uitgesloten, zolang verdachte zijn gedrag niet kan verklaren en de oorzaak van zijn handelen niet duidelijk is. Geadviseerd wordt om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting (zedenbehandeling).

Verdachte is niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten. Hij heeft een baan en is een alleenstaande vader van twee opgroeiende kinderen. De moeder van zijn kinderen is enkele jaren geleden overleden. Daarnaast is na het beëindigen van het seksueel contact met [slachtoffer 1] in 2013 niet gebleken van soortgelijk strafbaar gedrag. Dit maakt dat de rechtbank, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, aan verdachte geen onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf zal opleggen.

Anders dan zoals in het reclasseringsrapport is geadviseerd, kan de rechtbank gelet op de aard en de ernst van de strafbare feiten, niet volstaan met enkel een voorwaardelijke straf. De feiten rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een forse taakstraf. Zij zal aan verdachte een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis opleggen. Zoals hiervoor is verwoord, beschrijft het reclasseringsrapport dat recidive op dit moment niet kan worden uitgesloten. Ondanks dat verdachte is gestart met het volgen van therapie bij GGNet, waarbij hij naar eigen zeggen – zakelijk weergegeven – zicht krijgt op zijn grensoverschrijdend seksuele gedrag én het feit dat verdachte nadat het ten laste gelegde handelen is beëindigd niet meer met justitie in aanraking is geweest, heeft hij de rechtbank ter terechtzitting er niet van weten te overtuigen dat soortgelijk gedrag als het ten last gelegde, niet weer zal gebeuren. Als stok achter de deur zal de rechtbank daarom aan verdachte een gevangenisstraf van 120 dagen opleggen, waarvan 118 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Aan dit voorwaardelijke strafdeel zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden, te weten een meldplicht en een ambulante behandeling. De tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest, moet op het onvoorwaardelijke strafdeel in mindering worden gebracht.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 12.289,86.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel toe te wijzen tot het bedrag van € 12.289,86, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 96 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman is van mening dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vordering, nu hij vrijspraak van het ten laste gelegde heeft bepleit. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu niet zonder meer gesteld kan worden dat verdachte verantwoordelijk moet worden gehouden voor de psychische problematiek van [slachtoffer 1] . Een onderzoek hiernaar is volgens de raadsman een onevenredige belasting van het strafgeding.

De beoordeling door de rechtbank

Immateriële schade

Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De exacte reikwijdte van het causale verband en de omvang van de schade kan evenwel niet worden vastgesteld. De rechtbank is in een dergelijk geval op grond van artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek bevoegd de schade naar redelijkheid te schatten. De rechtbank schat de schade naar redelijkheid op € 2000,-- en zal dit bedrag toewijzen.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

Materiële schade, bestaande uit lesgeld, studiemateriaal, zorgkosten, reiskosten, schade [benadeelde partij 1] , schade [benadeelde partij 2] en schade [benadeelde partij 3]

Naar het oordeel van de rechtbank kan met betrekking tot de hierboven genoemde schadeposten op basis van de gegeven onderbouwing het causale verband met het bewezenverklaarde niet worden vastgesteld. Een onderzoek daarnaar levert naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding op. Daarom zal benadeelde partij voor wat betreft deze schadeposten niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. Zij kan haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22b, 22c, 22d, 24c, 27, 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een taakstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig uren), met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tevens tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

 bepaalt dat een deel van deze gevangenisstraf, groot 118 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de verdachte:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

Meldplicht

- zich uiterlijk binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland te Zutphen, Houtwal 16d, telefoonnummer 0575-582744, en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

Ambulante behandelverplichting

- wordt verplicht actief mee te werken aan een verwijzing voor een zedenbehandeling, naar een forensische polikliniek of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering. Verdachte moet zich houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

 de rechtbank beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De rechtbank:

 veroordeelt verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 2000,-- (tweeduizend euro), met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1], een bedrag te betalen van € 2000,-- (tweeduizend euro), met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 30 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.B.J. Driessen (voorzitter), mr. Y.M.J.I. Baauw en mr. D.S.M. Bak, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 december 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost Nederland, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015478799, gesloten op 14 oktober 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 5 december 2016 en het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 23, 26, 28, 29, 31 en 37 en het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 104, achtste alinea.

3 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 25.

4 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 24.

5 Het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 25 en 26.

6 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 103.

7 Het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 110.

8 Het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 2] , p. 41 en de printscreen van een MSN-gesprek op 20 december 2010, p. 42.