Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6719

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-12-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
05/840828-16, 05/840112-14 (tul) en 21/004562-13 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling door de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem van een 40-jarige man uit Arnhem wegens mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden. Daarnaast worden de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen van twee en vier weken tenuitvoergelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummers : 05/840828-16, 05/840112-14 (tul) en 21/004562-13 (tul)

Datum uitspraak : 14 december 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1966 te [geboorteplaats] , wonende aan de [adres] ,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid, te Arnhem.

raadsvrouw: mr. J. Steenbrink, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 november 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 juli 2016, in de gemeente Arnhem aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas (met operatieve ingreep), heeft toegebracht door voornoemde [slachtoffer] (met kracht) meermalen, althans eenmaal, (vol) in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 21 juli 2016, in de gemeente Arnhem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet voornoemde [slachtoffer] (met kracht) in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer Subsidiair

hij op of omstreeks 21 juli 2016, in de gemeente Arnhem een persoon genaamd [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] (met kracht) in/op/tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas (met operatieve ingreep) ten gevolge heeft gehad.

1a. De vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich een tweetal vorderingen na voorwaardelijke veroordeling:

  • -

    Een vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 05/840112-14 betreffende de voorwaardelijke veroordeling door de politierechter in het arrondissement Gelderland van 23 december 2013;

  • -

    Een vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 21/004562-13 betreffende de voorwaardelijke veroordeling door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 maart 2015.

2a. Vrijspraak

De rechtbank is in navolging van de officier van justitie en de raadsvrouw van verdachte van oordeel dat zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. De rechtbank zal verdachte hiervan vrijspreken.

2b. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meer subsidiair ten laste gelegde feit. Volgens de officier van justitie kan het letsel van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient hiervan partieel te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

Volgens de verdediging heeft verdachte [slachtoffer] wel tegen haar hoofd geslagen, waardoor zij letsel heeft opgelopen, maar er is geen sprake van zwaar lichamelijk letsel.

Beoordeling door de rechtbank

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 21 juli 2016 te Arnhem ter hoogte van de Steenstraat, ruzie had met [slachtoffer] . 2 Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij [slachtoffer] heeft geslagen.3

Aangeefster [slachtoffer] heeft bij de politie verklaard dat zij op 21 juli 2016 samen met verdachte en [getuige] op de Steenstraat in Arnhem was. Verdachte werd steeds agressiever naar haar en heeft haar uit het niets geslagen. [slachtoffer] voelde dat verdachte met volle vuist in haar gezicht sloeg. Zij voelde de klap vol op haar rechteroog. [slachtoffer] voelde direct pijn aan haar gezicht. Door de klap viel ze achterover op de grond.4

De getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat hij samen met [slachtoffer] en verdachte over de Steenstraat liep. [getuige] zag opeens dat verdachte zich omdraaide richting [slachtoffer] en haar vol een klap op haar oog gaf. [slachtoffer] viel hierdoor meteen achterover op de grond en [getuige] hoorde haar schreeuwen van de pijn.5

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en voertuigen bewezen dat verdachte [slachtoffer] in haar gezicht heeft geslagen, waardoor zij letsel heeft opgelopen.

De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of het letsel van [slachtoffer] , kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel.

Aangeefster [slachtoffer] heeft verklaard dat zij op advies van de politie naar het Rijnstate ziekenhuis is gegaan, waar zij opgenomen is. In het ziekenhuis werd geconstateerd dat de oogkas van het rechteroog van [slachtoffer] was gebroken en dat haar jukbeen was verschoven. De operatie duurde vijf uur.6

In de brief van het Rijnstate Ziekenhuis, d.d. 18 augustus 2016 opgemaakt door dr. [naam] staat -samengevat- vermeld dat bij [slachtoffer] sprake was van een commotio cerebri (wordt door de rechtbank gelezen als een hersenschudding) en een orbitafractuur rechts (wordt door de rechtbank gelezen als een gebroken oogkas). Vanwege de orbitafractuur is [slachtoffer] overgenomen door de kaakchirurg voor verdere behandeling.7

De rechtbank overweegt dat zij uitgaat van de aangifte en de getuigenverklaring van [getuige] , waaruit naar voren komt dat verdachte met zijn vuist tegen het rechteroog van [slachtoffer] heeft geslagen.

Gelet op de verklaring van [slachtoffer] en de medische gegevens van het Rijnstate ziekenhuis over [slachtoffer] is de rechtbank van oordeel dat het door de klap van verdachte bij [slachtoffer] veroorzaakte letsel, gelet op de aard (breuk) daarvan en het noodzakelijke medische ingrijpen (operatie en opname) , als zwaar lichamelijk letsel dient te worden gekwalificeerd. De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot de slotsom dat verdachte [slachtoffer] op 21 juli 2016 heeft mishandeld met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het meer subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 21 juli 2016, in de gemeente Arnhem een persoon genaamd [slachtoffer] heeft mishandeld door voornoemde [slachtoffer] (met kracht) in/op/tegen het gezicht/hoofd te slaan en/of te stompen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken oogkas (met operatieve ingreep) ten gevolge heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder meer subsidiair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft naar voren gebracht dat verdachte al geruime tijd in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De reclassering heeft geen advies uitgebracht omdat verdachte geen traject wil met de reclassering. Verdachte is vanwege zijn verslavingsproblematiek eerder opgenomen geweest in een kliniek in Turkije en dat is verdachte weer voornemens om te doen. De raadsvrouw van verdachte verzoekt de rechtbank om verdachte, conform het advies van de reclassering, af te straffen, gelijk aan de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 4 oktober 2016;

- een voorlichtingsrapportage van Iriszorg, gedateerd 2 november 2016.

Verdachte heeft [slachtoffer] mishandeld ten gevolge waarvan zij zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft met zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] .

De rechtbank heeft acht geslagen op de justitiële documentatie van verdachte. Hieruit komt naar voren dat verdachte al meerdere malen met politie en justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast liep verdachte nog in een proeftijd van twee voorwaardelijke veroordelingen. Beide omstandigheden hebben verdachte er niet weerhouden om onderhavig feit te plegen.

De rechtbank houdt rekening met het omtrent verdachte opgestelde reclasseringsrapport. Hieruit komt naar voren dat verdachte een langdurige verslaving van verdovende middelen heeft. De meeste gepleegde delicten zijn dan ook gerelateerd aan zijn verslaving. Vaak gaat het om vermogensdelicten, maar ook gewelddelicten komen voor op zijn justitiële documentatie.

Ook in het onderhavige delict was verdachte onder invloed van cocaïne. Verdachte staat niet open voor welke vorm van begeleiding/hulpverlening van de reclassering dan ook. Verdachte lijkt niet echt de motivatie te hebben om te stoppen met zijn gebruik. Zelf geeft verdachte alleen aan dat hij in Turkije misschien behandeld wil worden, maar hij kan niet uitleggen waarom en wanneer dit zou moeten gebeuren. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. De verslaving van verdachte is ernstig. Daarbij komt dat zijn inkomen te laag is om zijn gebruik te bekostigen. Het recidiverisico wordt daarom op alle gebieden als hoog ingeschat. De reclassering adviseert om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, met name rekening houdend met de aard en de ernst van het feit en de houding van verdachte, oordeelt de rechtbank dat oplegging van de hierna te noemen onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.

7a. De beoordeling van de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 05/840112-14 vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van 2 weken gevangenisstraf die door de politierechter in het arrondissement Gelderland op 23 december 2014 voorwaardelijk is opgelegd.

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 21/004562-13 vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van 4 weken gevangenisstraf die door het gerechtshof Arnhem Leeuwarden op 25 maart 2015 voorwaardelijk is opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling.

Beoordeling door de rechtbank

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dienen de bij:

  • -

    vonnis van de politierechter in het arrondissement Gelderland van 23 december 2014 (parketnummer 05/840112-14) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, en

  • -

    bij arrest van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 maart 2015 (parketnummer 21/004562-13) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf

ten uitvoer gelegd te worden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14g, 27 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in het arrondissement Gelderland van 23 december 2014, te weten van: gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 maart 2015, te weten van: een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.G. Eskes (voorzitter), mr. R.S. Croll en mr. R.G.J. Welbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Verhagen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 december 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, basisteam Arnhem-Noord, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2016358392, gesloten op 24 augustus 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 november 2016.

3 Proces-verbaal met verklaring verdachte, p. 25, 12e alinea.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , d.d. 26 juli 2016, p. 13 en 14.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , d.d. 19 augustus 2016, p. 22.

6 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , d.d. 26 juli 2016, p. 14.

7 Een schriftelijk bescheid, te weten een brief van het Rijnstate Ziekenhuis, d.d. 18 augustus 2016 opgemaakt door dr. [naam] .