Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6684

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-12-2016
Datum publicatie
13-12-2016
Zaaknummer
05/780032-14 (eindvonnis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 24 maanden voor het medeplegen van brandstichting, van een poging tot het wegmaken van het lijk en van het wegmaken van sporen. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de onder feit 1 ten laste gelegde moord/doodslag en spreekt verdachte daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0021
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/780032-14

Datum uitspraak : 12 december 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Raadslieden: mrs. D.R. Corbeek en R.A.C. Frijns, beiden advocaat te Arnhem.

Deze beslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van:

  • -

    25 juni 2014, 16 september 2014 en 9 december 2014;

  • -

    1, 15 en 29 februari 2016, 25 mei 2016, 22 en 28 november 2016;

en de tussenbeslissingen van 11 maart 2016 en 8 juni 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte wordt na aanpassing van de tenlastelegging ex artikel 314a Wetboek van Strafvordering (Sv) ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in

de gemeente Ermelo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het

leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van)

zijn mededader(s) met dat opzet en, al dan niet na kalm beraad en rustig

overleg, die [slachtoffer] meerdere malen met een bijl en/of een mes, althans met een

of meer zwa(a)r(e) en/of scherp(e) voorwerp(en) op/tegen het hoofd/hals en/of

elders op/tegen/in het lichaam heeft geslagen/gesneden/gestoken/gekliefd, ten

gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in

de gemeente Ermelo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (te weten een chalet

[nummer 1] , gelegen op chaletpark/bungalowpark [naam park] ),

immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen

aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine(damp),

althans met een of meer brandbare stof(fen) in die woning, ten gevolge waarvan

die benzine(damp) en/of een of meer brandbare stof(fen) in die woning geheel

of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl

daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goed(eren) en/of (een

deel van) (de inboedel van) die woning, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de

zich op dat moment in de belendende perce(e)l(en) bevindende perso(o)n(en) (te

weten de buren [naam 1] en/of [naam 2] en/of een of meer aldaar aanwezige

kind(eren)), in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel

voor een ander of anderen, te duchten was;

art 157 sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in

de gemeente Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen,

ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen

misdrijf om een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , te

verbranden, te vernietigen en/of weg te maken, met het oogmerk om het feit of

de oorzaak van het overlijden te verhelen,

een brandbare stof (te weten benzine) over/bij/in de omgeving van het

stoffelijk overschot heeft/hebben gesprenkeld/gegooid/gebracht en/of

(vervolgens) die benzine/brandbare stof heeft/hebben aangestoken danwel tot

ontbranding heeft/hebben gebracht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 151 Wetboek van Strafrecht

art 45 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 maart 2014

tot en met 14 maart 2014 in Nederland en/of België, te weten in de gemeente(n)

Ermelo en/of Bergen op Zoom en/of Antwerpen en/of elders in Nederland en/of

België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

nadat op of omstreeks voornoemde periode in de gemeente Ermelo de heer [slachtoffer]

opzettelijk om het leven was gebracht, althans nadat er enig misdrijf

was gepleegd,

(telkens) met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of

vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, een of meer voorwerp(en)

waarop of waarmede dat misdrijf was gepleegd en/of andere sporen van dat

misdrijf (waaronder een of meer persoonlijke bezittingen van de heer [slachtoffer] )

heeft/hebben vernietigd en/of weggemaakt en/of verborgen en/of aan het

onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s):

- een bijl en/of een mes in een bosperceel verstopt/achtergelaten, en/of

- een hoeveelheid (bebloede) kleding weggegooid/laten verdwijnen en/of

- de auto (merk [merk] ) van die [slachtoffer] van Ermelo naar Antwerpen gereden en/of

aldaar achtergelaten en/of (vervolgens) de sleutel(s) van voornoemde auto

weggegooid, en/of

- de telefoon (merk Iphone) van die [slachtoffer] weggegooid/laten verdwijnen.

art 189 lid 1 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op vrijdag 14 maart 2014 heeft [naam 3] omstreeks 03.42 uur melding gedaan van vermissing van haar echtgenoot [slachtoffer] . [slachtoffer] was op 13 maart 2014 met zijn auto naar een zakelijke bijeenkomst in Kerk-Avezaath gegaan en daarvan niet teruggekeerd. Op donderdag 13 maart 2014 omstreeks 19.30 uur had de oudste zoon [naam 4] nog telefonisch contact met zijn vader, die op dat moment in zijn auto reed. Via de site van T-Mobile is nagegaan welke contacten [slachtoffer] met zijn telefoon had.2

De politie (Amersfoort) heeft op vrijdag 14 maart 2014 omstreeks 19.30 uur contact opgenomen met het contact [voornaam 1] uit de contactenlijst van de telefoon van [slachtoffer] met het telefoonnummer eindigend op [deel telefoonnummer] . Een vrouw nam de telefoon op en stelde zich voor als [voornaam 1] . Daarnaar gevraagd verklaarde zij dat een man genaamd [voornaam 2] regelmatig bij haar op bezoek kwam, dat hij de vorige avond bij haar was geweest en op 14 maart omstreeks 00.30 uur was vertrokken. De vrouw gaf verder aan dat [voornaam 1] haar werknaam was, dat ze [medeverdachte 1] heette en dat ze verbleef op camping [naam park] in bungalow [nummer 2] te Ermelo.3

De politie in Ermelo is vervolgens omstreeks 21.01 uur gevraagd bij voormeld adres langs te gaan om te kijken of [slachtoffer] daar aanwezig was.4

Bij de Meldkamer Oost-Nederland kwam op vrijdag 14 maart 2014 omstreeks 21.21 uur de melding binnen dat er brand was in chalet [nummer 2] op chaletpark [naam park] , gelegen aan [naam park] [nummer 2] te Ermelo.5 In de woning trof de brandweer het stoffelijk overschot aan van een persoon.6 Uit sectie is gebleken dat die persoon door geweld om het leven is gekomen.7 Het stoffelijk overschot is op maandagavond 17 maart 2014 door [naam 3] en door [naam 4] herkend als het lichaam van haar man [slachtoffer] respectievelijk zijn vader.8

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gerekwireerd tot vrijspraak van de onder feit 1 ten laste gelegde moord/doodslag. Wel achten zij bewezen de feiten 2, 3 en 4, te omschrijven als:

feit 2: medeplegen van brandstichting met gevaar voor goederen en personen;

feit 3: medeplegen van poging tot het verbranden van een lijk;

feit 4: medeplegen van het wegmaken van sporen.

Ter terechtzitting hebben de officieren van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Ten aanzien van het levensgevaar voor personen hebben de officieren van justitie gesteld dat de ruimte tussen de verschillende chalets klein is, dat de brand zich had kunnen uitbreiden naar de belendende percelen en dat in ieder geval in de woning op nummer [nummer 3] , gelegen tegenover de woning van verdachte, bewoners aanwezig waren waaronder de meldster die met haar kind de woning is ontvlucht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak voor feit 1 bepleit. Hiertoe is betoogd dat er geen concreet bewijs is dat verdachte betrokken is geweest bij de dood van het slachtoffer. Alleen [medeverdachte 1] heeft ten aanzien van verdachte belastend verklaard en past haar verklaringen gaandeweg het proces aan. Gelet op het rapport van [naam 6] acht de verdediging het ook ondenkbaar dat verdachte fysiek in staat was een krachtige man van bijna twee meter te overmeesteren. Verdachte had geen motief en had het slachtoffer nooit gezien of gesproken. Volgens de verdediging volgt uit het dossier dat de verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] worden ondersteund door andere objectieve gegevens uit het dossier en dat ze grotendeels op waarheid berusten.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging betoogd dat geen sprake was van een uitslaande brand. Door gebrek aan zuurstof kon de brand zich niet verder ontwikkelen. Ook waren er geen personen aanwezig in de naastgelegen panden. Er was alleen iemand aanwezig in een tegenovergelegen chalet. Toen zij het chalet verliet zag zij geen vlammen. Nu de omvang van de brand te gering is en er geen personen gevaar hebben gelopen, meent de verdediging dat geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel kan worden aangenomen. De verdediging meent dat verdachte in zoverre dient te worden vrijgesproken.

Voor de feiten 3 en 4 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1 ((mede)plegen moord dan wel doodslag)

Met de officieren van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat op grond waarvan wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte alleen of met een ander of anderen) het slachtoffer heeft gedood, al dan niet met voorbedachte raad. Bij eindvonnis van vandaag in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 1] (parketnummer 05/780022-14) heeft de rechtbank beslist dat en waarom (alleen) [medeverdachte 1] de doodslag op het slachtoffer heeft gepleegd. De voor verdachte belastende verklaring van [medeverdachte 1] , dat zij op donderdagavond 13 maart 2014 na de komst van [slachtoffer] alleen naar Bergen op Zoom is gereden en dat zij bij terugkomst in haar chalet [verdachte] met bloed op zijn gezicht en [slachtoffer] levenloos aantrof, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden, omdat uit telefoon- en mastgegevens volgt dat deze verklaring van [medeverdachte 1] niet kan kloppen. Het dossier bevat geen bewijsmiddelen waaruit het bestaan van meer dan één dader kan worden afgeleid. Dit betekent dat verdachte van het onder 1 ten laste gelegde levensdelict dient te worden vrijgesproken.

Feiten 2 en 3 (medeplegen brandstichting en poging wegmaken lijk)

De rechtbank zal de feiten 2 en 3 gelet op hun onderlinge verwevenheid tegelijk behandelen.

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van ieder bewijsmiddel slechts wordt gebruikt voor het feit waarop het blijkens de inhoud betrekking heeft.

Bewijsmiddelen:

- De verklaring van verdachte [verdachte] ;9

- De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] ;10

- De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2] ;11

- De bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ;12

- De verklaring van getuige [getuige 1] ;13

- De verklaring van getuige [getuige 2] ;14

- De bevindingen van de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] .15

Uit de hiervoor genoemde verklaringen van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en verdachte blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat en waarom op vrijdag 14 maart 2014 het plan is gemaakt om het chalet in brand te steken: zij wisten op dat moment dat er in het door [medeverdachte 1] bewoonde chalet een man lag die door geweld om het leven was gekomen. Een man bovendien, waarvan zij sinds het telefoontje van de politie op de vroege vrijdagavond van 14 maart 2014 wisten dat men in verband met zijn vermissing naar hem op zoek was. Er moesten sporen worden gewist.

Op basis van deze bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 14 maart 2014 met anderen opzettelijk brand heeft gesticht in chalet [nummer 1] op [naam park] in Ermelo. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft daarbij geen uitvoeringshandelingen verricht, maar uit haar verklaring en de verklaringen van verdachte en [medeverdachte 2] blijkt dat [medeverdachte 1] de brandstichting heeft beraamd, via haar broer een auto en brandstof heeft geregeld en verdachte en [medeverdachte 2] heeft aangezet tot de brandstichting zelf.

Voor de vraag of de rol van [medeverdachte 2] voldoende zwaar is om die als medeplegen aan te merken, is van belang of verdachtes voor [medeverdachte 2] belastende verklaring als betrouwbaar kan worden aangemerkt. Maar ook komt betekenis toe aan wat [medeverdachte 2] zelf over haar rol en aandeel heeft verklaard. Die verklaringen komen er op neer:

  • -

    dat [medeverdachte 2] wist dat er een dode man in het chalet van [medeverdachte 1] aanwezig was;

  • -

    dat ze erbij was toen werd besloten dat het chalet in brand moest worden gestoken om sporen weg te maken;

  • -

    dat ze op enig moment besloot actief mee te werken, omdat ze [medeverdachte 1] wilde beschermen;

  • -

    dat ze met [verdachte] is meegegaan om hem emotionele steun te geven;

  • -

    dat ze met [verdachte] een auto en brandstof heeft opgehaald, het chalet is binnengegaan waarbij verdachte de deur heeft geopend en [verdachte] de jerrycan heeft gegeven.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte over de aard en omvang van de rol van [medeverdachte 2] betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs. Verdachte heeft specifiek en concreet verklaard over het handelen van [medeverdachte 2] in relatie tot de brandstichting. Met zijn verklaring heeft verdachte ook zichzelf belast. Daarbij is niet gebleken dat verdachte een motief had om de rol van [medeverdachte 2] groter te maken dan deze in werkelijkheid is geweest. Bovendien past de verklaring van verdachte bij de eigen verklaring van [medeverdachte 2] dat ze op enig moment heeft besloten actief mee te werken. De verklaring van verdachte over het verplaatsen van een matras zodat er brandbaar materiaal aangestoken kon worden, vindt steun in het dossier, namelijk bij de verklaring van brandweerman [getuige 2] dat hij bij binnenkomst recht voor zich een brandend voorwerp zag, dat een matras bleek te zijn.16 Verder is uit het brandonderzoek gebleken dat er benzine gesprenkeld is in de tweede slaapkamer17, de kamer waarvan verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 2] die voor haar rekening heeft genomen. Tot slot overweegt de rechtbank dat de verklaring van [medeverdachte 2] dat zij het chalet is binnengegaan maar dicht bij de voordeur is blijven staan niet aannemelijk is geworden, omdat zij heeft verklaard dat het in de woonkamer een grote puinhoop was. Dat kan zij alleen gezien hebben als zij verder de gang op is gelopen.

De rechtbank stelt derhalve vast dat [medeverdachte 1] met het idee van de brandstichting is gekomen, dat tussen verdachte en zijn medeverdachten is gesproken over de vraag hoe en door wie de brand feitelijk gesticht zou worden, dat [medeverdachte 2] met verdachte is meegegaan, dat er een auto is geregeld om bij het chalet te komen en benzine om de brand te versnellen. Zowel verdachte als [medeverdachte 2] hebben benzine gesprenkeld in het chalet, onder andere over een matras die zij hebben verplaatst naar de voordeur, waarna de brandstof is aangestoken en er brand is ontstaan in het chalet.

Gelet hierop is er tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking bij de brandstichting. Er is derhalve sprake van medeplegen.

Door de brand is gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest, namelijk voor het chalet en de zich daarin bevindende goederen. Dat de gevolgen van de brandstichting door gebrek aan zuurstof beperkt zijn gebleven en het chalet daardoor niet volledig door brand is verwoest, is niet aan verdachte en zijn medeverdachten te danken en doet aan vorenstaand oordeel dan ook niet af.

- Levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel?

De vraag is gerezen, of de brandstichting alleen gevaar voor goederen heeft opgeleverd, of ook levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel.

Het dossier bevat op dit punt de volgende informatie.

Het stamproces-verbaal forensische opsporing beschrijft dat de in het dossier gevoegde luchtfoto’s een reëel beeld weergeven van de gevaarzetting voor personen en goederen die bij deze brand te duchten was, waarbij is geverbaliseerd dat op de foto’s te zien is dat rechts aan de voorzijde van het chalet een houting schutting staat tussen het huis en de coniferenhaag en links aan de achterzijde een opslagplek voor hout en andere goederen, grenzend aan de woning en de coniferenhaag. Verder is geverbaliseerd dat coniferenhagen bekend zijn om de groene buitenkant en de verdorde binnenzijde die bij brand snel kan uitbreiden. Aan de hand daarvan is door verbalisant geconcludeerd dat er voldoende brandbare elementen aanwezig zijn die de gevaarzetting van het gemeen gevaar voor goederen en personen ondersteunen (p. 5406).

Het proces-verbaal van brandonderzoek forensische opsporing bevat de passage dat (op daar genoemde redenen) kan worden gesteld dat er in de woning al dan niet opzettelijk open vuur is bijgebracht of achtergelaten waarbij gemeen gevaar voor goederen en personen te duchten was. Door de geringe afstand en de begroeiing rond de woning was een overslag bij een uitslaande brand niet uit te sluiten waardoor er gevaar voor de omgeving te duchten was (p. 5646).

Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze processen-verbaal te summier dan wel te weinig concreet voor de conclusie dat sprake is geweest van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel. Die begrippen worden in die processen-verbaal ook niet gebruikt.

Ook andere informatie uit het dossier is onvoldoende concreet en specifiek om levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel aan te nemen. Zo blijkt niet uit het procesdossier dat de bewoners van de naastgelegen chalets thuis waren op het moment van de brandstichting. Wel was ten tijde van de brand aanwezig de bewoonster van een tegenovergelegen chalet ( [nummer 3] ) met haar baby. Deze bewoonster en meldster van de brand heeft bij ontdekking van de brand haar baby opgepakt en de woning verlaten. Volgens haar zag zij toen eigenlijk ook geen vlammen meer.

De rechtbank heeft op grond hiervan niet kunnen vaststellen dat er voor deze bewoonster en haar kind (voorzienbaar) gevaar is geweest ten tijde van de brandstichting. Uit het dossier blijkt namelijk niet voldoende wat de afstand is tussen de chalets [nummer 1] en [nummer 3] . Getuige [naam 1] , bewoner van nummer [nummer 3] , schat die afstand op een meter of 10. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het dossier onvoldoende dat een brand als hier aan de orde een zodanig risico veroorzaakt dat bewoners van een chalet gelegen op ongeveer 10 meter afstand aan de overkant van de weg door de brand direct in gevaar zouden kunnen komen; dit is in de hiervoor genoemde processen-verbaal niet verder uitgewerkt. De enkele verwijzing naar luchtfoto’s in combinatie met de aanwezigheid van een coniferenhaag achter chalet nummer [nummer 1] en schuttingen en een passage over brandbaarheid van coniferen, acht de rechtbank hiertoe onvoldoende, te minder omdat de in de tenlastelegging bedoelde personen zich aan de overzijde van de weg bevonden en er geen coniferenhaag is die over die weg loopt.

De rechtbank is – anders dan de officieren van justitie – van oordeel dat niet voldoende is komen vast te staan dat door de brandstichting levensgevaar voor personen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te weten de in de tenlastelegging genoemde personen, is ontstaan. De verdachte zal derhalve ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen acht de rechtbank derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 14 maart 2014 de brandstichting in chalet [nummer 1] op [naam park] in Ermelo mede heeft gepleegd. Door de brand is gemeen gevaar voor goederen te duchten geweest, namelijk voor het chalet en de zich daarin bevindende goederen.

- Poging wegmaken lijk (medeplegen)

De rechtbank acht op basis van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen ook bewezen dat de brand is gesticht met het doel om het stoffelijk overschot van [slachtoffer] te laten verdwijnen dan wel zodanig te verbranden dat de oorzaak van zijn overlijden niet meer was te achterhalen (feit 3). Nu het stoffelijk overschot niet geheel is verbrand en evenmin onherkenbaar is geworden, is er sprake van een poging, in vereniging gepleegd, en niet van een voltooid delict.

Feit 4 (medeplegen wegmaken sporen)

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- De verklaring van verdachte [verdachte] ;18

- De bevindingen van verbalisant [verbalisant 5] ;19

- De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] ;20

- Informatierapport van verloop informatie-uitwisseling België.21

- De resultaten van de sectie op het lichaam van [slachtoffer] .22

De rechtbank leidt uit deze bewijsmiddelen af dat verdachte en [medeverdachte 1] samen de auto van [slachtoffer] naar Antwerpen hebben gebracht. Op verzoek van [medeverdachte 1] heeft verdachte de sleutel van de auto van [slachtoffer] weggegooid. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] de telefoon van [slachtoffer] weggegooid. Verdachte heeft de bijl en het mes schoongemaakt en vervolgens hebben hij en [medeverdachte 1] de wapens verborgen in een perceel bos in Bergen op Zoom.

Het doel van dit alles was onmiskenbaar het wegmaken van sporen die naar de dader van het levensdelict wezen. De rechtbank acht bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij het wegmaken van voorwerpen en dat daarbij sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] . Er zijn plannen gemaakt over het wegmaken van sporen en beiden hebben uitvoeringshandelingen verricht.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

2.

hij in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (te weten een chalet [nummer 1] , gelegen op chaletpark/bungalowpark [naam park] ), immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met benzine(damp), althans met een of meer brandbare stof(fen) in die woning, ten gevolge waarvan die benzine(damp) en/of een of meer brandbare stof(fen) in die woning geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor de in die woning aanwezige goed(eren) en/of (een

deel van) (de inboedel van) die woning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de zich op dat moment in de belendende perce(e)l(en) bevindende perso(o)n(en) (te weten de buren [naam 1] en/of [naam 2] en/of een of meer aldaar aanwezige kind(eren)), in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

3.

hij in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in de gemeente Ermelo, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een lijk, te weten het stoffelijk overschot van [slachtoffer] , te verbranden, te vernietigen en/of weg te maken, met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen, een brandbare stof (te weten benzine) over/bij/in de omgeving van het stoffelijk overschot heeft/hebben gesprenkeld/gegooid/gebracht en/of (vervolgens) die benzine/brandbare stof heeft/hebben aangestoken dan wel tot ontbranding heeft/hebben gebracht,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 13 maart 2014 tot en met 14 maart 2014 in Nederland en/of België, te weten in de gemeente(n) Ermelo en/of Bergen op Zoom en/of Antwerpen en/of elders in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, nadat op of omstreeks voornoemde periode in de gemeente Ermelo de heer [slachtoffer] opzettelijk om het leven was gebracht, althans nadat er enig misdrijf

was gepleegd, (telkens) met het oogmerk om dat misdrijf te bedekken of de nasporing of vervolging daarvan te beletten of te bemoeilijken, een of meer voorwerp(en) waarop of waarmede dat misdrijf was gepleegd en/of andere sporen van dat misdrijf (waaronder een of meer persoonlijke bezittingen van de heer [slachtoffer] ) heeft/hebben vernietigd en/of weggemaakt en/of verborgen en/of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrokken,

immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s):

- een bijl en/of een mes in een bosperceel verstopt/achtergelaten, en/of

- een hoeveelheid (bebloede) kleding weggegooid/laten verdwijnen en/of

- de auto (merk [merk] ) van die [slachtoffer] van Ermelo naar Antwerpen gereden en/of aldaar achtergelaten en/of (vervolgens) de sleutel(s) van voornoemde auto weggegooid, en/of

- de telefoon (merk IPhone) van die [slachtoffer] weggegooid/laten verdwijnen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 2:

Medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Feit 3:

Medeplegen van poging tot het verbranden of wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Feit 4:

Medeplegen van wegmaken, verbergen of aan het onderzoek van de ambtenaren van de justitie of politie onttrekken van voorwerpen waarop of waarmee het misdrijf gepleegd is of andere sporen van het misdrijf met het oogmerk om het te bedekken of de nasporing of vervolging te beletten of te bemoeilijken nadat enig misdrijf is gepleegd .

De feiten 2 en 3 hebben te gelden als eendaadse samenloop.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

6.1.

Beroep op psychische overmacht (feiten 2, 3 en 4)

Standpunt verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4 betoogd dat sprake is geweest van psychische overmacht en dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe is aangevoerd dat uit de verklaringen van verdachte duidelijk volgt dat hij, overmand door angstgevoelens, heeft gedaan wat [medeverdachte 1] van hem vroeg, zonder bij machte te zijn geweest zich daaraan te onttrekken. Verdachte werd onverhoeds geconfronteerd met [medeverdachte 1] , toen zij aan het inhakken was op wat later het slachtoffer [slachtoffer] bleek te zijn. Hij zag dat zij doorgedraaid was en was heel bang voor haar. Zij flipte en heeft hem bedreigd dat hij niet de politie mocht bellen. Ze zei ook dat hij blij mocht zijn dat hij het niet was die daar op de grond lag en dat ze het eigenlijk op hem, verdachte, hadden gemunt omdat hij vermogende ouders had en ze wist ook allerlei details van zijn ouders en hun woning. Op momenten dat hij daadwerkelijk mogelijkheden had zich te onttrekken, bleef hij doen wat [medeverdachte 1] zei. De persoonlijkheid van verdachte is volgens de verdediging naast alle feitelijke omstandigheden van grote invloed geweest op het denken en handelen van verdachte tijdens het tenlastegelegd: hij is meegaand en slechts beperkt in staat om in problematische situaties adequaat leiding te nemen. Verdachte kon geen weerstand bieden, heeft zich niet onttrokken en dat kon van hem redelijkerwijs ook niet worden gevergd.

Standpunt Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat en waarom verdachte geen beroep op psychische overmacht toekomt.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank verwerpt dit verweer.

Het mag zo zijn dat verdachte zich in een precaire situatie bevond en onder druk stond van de omstandigheden en van [medeverdachte 1] . Het is echter niet aannemelijk dat hij gedurende ongeveer 24 uur (vanaf het overlijden van [slachtoffer] tot aan de brandstichting) zodanig onder invloed stond van [medeverdachte 1] dat hij in die periode op geen enkele wijze meer zijn eigen wil tot uiting kon brengen. Verdachte had diverse malen gelegenheid zich aan haar te onttrekken, bijvoorbeeld tijdens de autorit naar België. Het was verdachte die donderdagavond een opmerking maakte dat de [auto] van het slachtoffer weg moest omdat die zou gaan opvallen; hij wilde haar “tot een punt drukken dat zij iets ondernam” (blz. 1030). De volgende dag, toen het plan werd opgevat dat het lichaam van [slachtoffer] ergens in Duitsland zou worden achtergelaten, heeft hij geweigerd de auto met het lichaam daarin te besturen (blz. 1038). Toen vervolgens besloten werd om het chalet in brand te steken, zei verdachte in eerste instantie dat hij dat niet zou doen; zijn plan was nog steeds om de politie te bellen. Vervolgens heeft hij drie kwartier rond gereden. Uiteindelijk is hij wel uitgestapt en heeft hij de brand gesticht samen met [medeverdachte 2] (blz. 1040). In dit verband is ook niet zonder belang hetgeen [medeverdachte 2] heeft verklaard met betrekking tot de brand in het chalet, namelijk dat verdachte had gezegd dat hun sporen er waren, dat dat weg moest en iets van voetstappen (blz. 588).

Uit een ander kan worden afgeleid dat verdachte wel degelijk in staat was weerstand te bieden aan de van [medeverdachte 1] mogelijkerwijs uitgaande dwang en dat hij ook initiatieven nam omdat het in zijn eigen belang was sporen weg te maken.

6.2.

Overige overwegingen over strafbaarheid verdachte

Standpunt Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar kan worden aangemerkt ten tijde van de brandstichting.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft gewezen op de psychologische en psychiatrische rapporten die over de persoon van verdachte zijn opgemaakt. Daarin wordt geadviseerd de brandstichting in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

Beoordeling rechtbank

Over verdachte is gerapporteerd door psychologen [psycholoog 1] en (aanvullend) [psycholoog 2] en door psychiater [psychiater] . Voor zover hier van belang wordt op deze rapporten ingegaan.

Door psychiater [psychiater] (rapport van 3 december 2014) wordt beschreven dat verdachte vooral vermijdende en afhankelijke trekken heeft. Hij stelt slecht grenzen. Hij heeft een chronisch pijnsyndroom (na een eerder verkeersongeval), een passieve pijncoping met een exorbitant hoge pijnbeleving, bewegingsangst, catastrofale gedachtegang, ernstig beperkingen niveau en een zeer lage fysieke capaciteit. Verdachte is in vriendschappen en relaties gemakkelijk meeneembaar en daarmee beïnvloedbaar en suggestibel. Er was sprake van een acute stressreactie toen verdachte zag dat [medeverdachte 1] het slachtoffer met een bijl doodsloeg. In relaties komt verdachtes vermijdende persoonlijkheid en naïviteit naar voren. Hij toont weinig rationeel kritisch vermogen en laat zich leiden door emoties.

Verdachte leidt volgens psychiater [psychiater] aan een ziekelijke stoornis in de vorm van een acute stressreactie, een somatoforme stoornis (chronisch pijnsyndroom) en een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens in de vorm van vermijdende en afhankelijke trekken in zijn persoonlijkheid die hem wel maatschappelijk in problemen brengen voor wat betreft relaties, de revalidatie van het ongeval en in werk. De stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde en beïnvloeden zijn weinig kritische vermogen in het aangaan van contacten, zijn kinderlijkheid en zijn vermijdende houding. Door de acute stressreactie op het handelen van [medeverdachte 1] handelde hij uit angst dat hem of zijn familie wat zou worden aangedaan. Zijn persoonlijkheid heeft een rol gespeeld met een verhoogde dreigingsgevoeligheid en verhoogd angstniveau, naïviteit met weinig kritisch vermogen, neiging tot vermijding in passiviteit en vluchten in plaats van vechten. Dat is versterkt door het chronisch pijnsyndroom in wisselwerking met elkaar. Verdachte kon zijn wil licht verminderd tot verminderd bepalen zodat geadviseerd wordt hem verminderd toerekeningsvatbaar te achten (gemeten op een driepuntsschaal).

Volgens psycholoog [psycholoog 1] (rapport van 3 december 2014, onder supervisie van psycholoog [psycholoog 2] ) heeft verdachte moeite om zijn grenzen aan te geven. Er is sprake van afhankelijkheid; hij heeft de bevestiging van anderen nodig om zich de moeite waard te voelen. Verdachte mijdt confrontaties en conflicten. Hij is sub-assertief, niet geneigd om voor zichzelf op te komen. Zijn afweer van onaangename waarheden en van negatieve emoties is sterk. Verdachtes identiteitsontwikkeling is achtergebleven. Zijn persoonlijkheidsontwikkeling is onrijp. Verdachte heeft een sterke neiging tot somatiseren. Sinds het auto-ongeluk zijn de klachten fors verergerd. Hij meldt veel pijnklachten die gepaard gaan met een verhoogd angstniveau, concentratieproblemen en slaapproblemen; psychische factoren zouden volgens medisch specialisten een belangrijke rol spelen bij het voortduren en verergeren van de pijn. Het is een patroon van verdachte dat hij meegaand en beperkt in staat is in problematische situaties adequaat leiding te nemen en aan te sturen. Er is sprake van een posttraumatische stressreactie, dit laatste ten gevolge van het tenlastegelegde. Daarnaast is sprake van een somatisatiestoornis, een pijnstoornis en van vermijdende en afhankelijke trekken bij een onrijpe persoonlijkheidsontwikkeling. Die kwetsbaarheden kunnen op zich niet worden gekenmerkt als een persoonlijkheidsstoornis maar omdat de psychiatrische stoornissen de invloed van de persoonlijkheidstrekken versterken, kunnen ze wel worden aangemerkt als een gebrekkige ontwikkeling. Er is sprake van een verband tussen de diagnose en delict. Geadviseerd wordt verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te achten.

Psycholoog [psycholoog 2] heeft aanvullend gerapporteerd (rapport van 2 november 2016). In dat rapport is nog beschreven dat verdachte na zijn vrijlating in januari 2015 is begonnen met (dag)behandeling bij GGZ, waar een posttraumatische stress stoornis is vastgesteld. Van dat laatste was tijdens het delict nog geen sprake. Verdachte is niet in staat tot werken vanwege psychische en lichamelijke klachten. Er zijn beschermende factoren voor wat betreft de kans op recidive: verdachte volgt een intensieve behandeling, er is een steunend sociaal netwerk, er is geen verslavingsproblematiek. Overigens blijven de bevindingen van het rapport van de psycholoog van 3 december 2014 in stand.

Gelet op de bevindingen van de gedragsrapporteurs is de rechtbank van oordeel dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd.

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van het voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

Voor zover de rechtbank niet komt tot ontslag van rechtsvervolging heeft de verdediging verzocht rekening te houden met de persoon van verdachte. In dit verband is naar voren gebracht dat verdachte een blanco strafblad heeft en dat sprake is van een laag gevaar voor herhaling. Verdachte heeft nog steeds last van angst en kan als slachtoffer van [medeverdachte 1] worden beschouwd. Verdachte heeft er verder last van gehad dat hij in de media is weggezet als moordenaar, terwijl daarvan geen sprake is. Ook moet worden meegewogen dat verdachte in grote mate heeft bijgedragen aan het vinden van bewijs en het nader invullen van de openstaande vragen. De verdediging meent dat met het voorarrest ruimschoots wordt tegemoetgekomen aan de voorwaarden van een passende straf in dit specifieke geval.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van de bewezen verklaarde feiten, de omstandigheden waaronder die feiten zijn begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

  • -

    het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 23 september 2016;

  • -

    voorlichtingsrapportages van Reclassering Nederland, gedateerd 3 juli 2014, 27 oktober 2014 en 27 november 2014 en van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering, gedateerd 30 december 2014;

  • -

    een multidisciplinair rapport van drs. [psycholoog 1] , psycholoog, onder supervisie van psycholoog [psycholoog 2] , gedateerd 3 december 2014 (aangevuld door [psycholoog 2] bij rapport van 2 november 2016) en van dr. [psychiater] , psychiater, gedateerd 3 december 2014.

De verdenking die op verdachte rust, is in de loop van dit proces aan wijzigingen onderhevig geweest. Gelet op de verwijzingen daarnaar door een of meer procespartijen, acht de rechtbank het, gezien de bijzondere achtergronden in deze zaak, van belang daarover het volgende te overwegen.

Op de voorlopige tenlastelegging werd verdachte verweten: als feit 1 het medeplegen van de moord dan wel doodslag op [slachtoffer] door geweldshandelingen en/of de brandstichting alsmede als feit 2 het medeplegen van brandstichting waardoor gemeen gevaar voor goederen en/of gevaar voor de in de woning aanwezige [slachtoffer] te duchten was terwijl het feit de dood van [slachtoffer] tot gevolg heeft gehad. De voorlopige tenlastelegging ging er derhalve van uit dat [slachtoffer] ten tijde van de brandstichting nog leefde, ondanks de bevindingen uit het (eind)sectierapport van 19 mei 2014. Op de terechtzitting van 9 december 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat de ernstige bezwaren ten aanzien van feit 1 ontbraken. Op 15 januari 2015 heeft de rechtbank de voorlopige hechtenis, die toen alleen nog gold voor feit 2 op de voorlopige tenlastelegging, opgeheven. De rechtbank heeft daarbij het volgende overwogen:

“De rechtbank overweegt dat het bevel voorlopige hechtenis thans betrekking heeft op feit 2, gelet op de beslissing van de meervoudige kamer van 9 december 2014.

De rechtbank ziet aanleiding de ernstige bezwaren met betrekking tot feit 2 alleen nog aanwezig te achten ten aanzien van het gevaar voor goederen en derhalve niet langer ten aanzien van levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel van personen, gelet op de uitkomsten van het definitief sectierapport van 19 mei 2014.

Gelet op het vorenstaande en de duur van de tot op heden ondergane hechtenis acht de rechtbank de twaalfjaarsgrond nog wel aanwezig, maar is zij van oordeel dat niet langer sprake is van een geschokte rechtsorde. Dit brengt mee dat het bevel tot voorlopige hechtenis moet worden opgeheven.”

Bij tussenbeslissing van 11 maart 2016 is de tenlastelegging door de nadere omschrijving ex artikel 314a Sv definitief geworden. Als feit 1 is verdachte verweten het medeplegen van de moord dan wel doodslag op het slachtoffer door geweldshandelingen, als feit 2 het medeplegen van brandstichting met gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor zich in belendende percelen bevindende personen, als feit 3 het medeplegen van een poging tot het wegmaken van een lijk en als feit 4 het medeplegen van het wegmaken van sporen. Door deze nadere omschrijving is het verweten gevaar van de brandstichting verschoven van de in de woning aanwezige [slachtoffer] naar de buren op een belendend perceel en is daaraan toegevoegd het (proberen) weg te maken van het lijk en van sporen.

Over de straftoemeting overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van brandstichting, van een poging tot het wegmaken van een lijk en van het wegmaken van sporen. Verdachte heeft degene die het slachtoffer om het leven heeft gebracht, geholpen de sporen van haar daad te wissen. De beslissing om brand te stichten in de woning waar het inmiddels overleden slachtoffer zich al bijna een dag bevond, maakt duidelijk hoe ver verdachte en zijn medeverdachten bereid waren te gaan: zo’n brandstichting kan immers bijzonder gevaarlijk en risicovol voor de omgeving zijn. Het brandstichtingsplan getuigt verder van weinig eerbied voor de stoffelijke resten van het slachtoffer, van wie verdachte en zijn medeverdachten wisten dat hij door geweld om het leven was gebracht. De wetenschap dat het slachtoffer op bijzonder gewelddadige wijze is gedood en dat daarna getracht is zijn lichaam aan de vlammen prijs te geven om sporen van dat misdrijf uit te wissen, heeft het leed van de nabestaanden vergroot. Door ook andere sporen van het delict uit te wissen, heeft verdachte politie en justitie tegengewerkt bij het opsporen en aanhouden van de dader van een van de meest ernstige misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent.

In het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister is vermeld dat verdachte afgezien van een strafbeschikking van 29 april 2014 en een transactie van 26 augustus 2002 voor rijden onder invloed niet eerder of anders met justitie in contact is geweest

Over verdachte is meermalen gerapporteerd door de reclassering tijdens de voorlopige hechtenis van verdachte en door psychologen [psycholoog 1] en [psycholoog 2] en psychiater [psychiater] . Voor zover hier van belang wordt op deze rapporten ingegaan.

Door de reclassering is beschreven dat verdachte in 2011 een auto-ongeluk heeft gehad waarna hij lange tijd moest revalideren. Verdachtes kledingzaak is failliet gegaan.

Door de gedragsdeskundigen wordt verdachte verminderd toerekeningsvatbaar geacht, steeds gemeten op een driepuntsschaal (volledig toerekeningsvatbaar, verminderd toerekeningsvatbaar, ontoerekeningsvatbaar). De recidivekans wordt door hen ingeschat als laag. Die inschatting houdt verband met de kans op herhaling van de uitzonderlijke omstandigheden die zich hier hebben voorgedaan. Aanbevelingen over interventies die gericht zijn op recidivebeperking, worden door de deskundigen niet gegeven. Er is sprake van beschermende factoren voor wat betreft de kans op recidive: verdachte volgt een intensieve behandeling, er is een steunend sociaal netwerk, er is geen verslavingsproblematiek.

De rechtbank overweegt dat in deze zaak sprake is van aanzienlijk tijdsverloop, namelijk van ruim tweeëneenhalf jaar sinds het plegen van de feiten, dat voor een beperkt deel niet aan de proceshouding van verdachte te wijten is.

Uitsluitend om enig globaal inzicht te geven in de wijze waarop de rechtbank tot de uiteindelijke strafoplegging is gekomen en bij gebreke van LOVS-oriëntatiepunten, wordt het volgende genoemd. Voor het medeplegen van een brandstichting in een chalet, zonder levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, zou de rechtbank in de zaak van deze verdachte komen tot oplegging van 15 maanden gevangenisstraf. Deze straf dient in dit geval aanzienlijk verzwaard te worden vanwege het motief voor de brand en de schade die aan het stoffelijk overschot van het slachtoffer is toegebracht. Daarbij komt een straf voor het wegmaken van sporen, waarop een wettelijk strafmaximum van zes maanden staat. Nu verdachte niet volledig toerekeningsvatbaar is, kan hem voor dat deel geen straf worden opgelegd.

Alles overwegende komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden. Deze straf is lager dan door de officieren van justitie gevorderd omdat de rechtbank ten aanzien van de brandstichting de strafverzwarende omstandigheid van levensgevaar niet bewezen acht en de rechtbank de feiten, de verminderde strafbaarheid van de verdachte en het tijdsverloop anders weegt. De straf is hoger dan de tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht; de voorlopige hechtenis is niet bedoeld als een voorschot op een eventueel op te leggen straf en dient daarnaast andere doelen zoals beperking van recidivegevaar. De media-aandacht voor deze zaak is geen reden voor strafvermindering gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten. De rechtbank heeft in beperkte mate rekening gehouden met het feit dat verklaringen van verdachte (mede) een bijdrage hebben geleverd aan het vaststellen van de toedracht. De rechtbank ziet in vooral de ernst van de gepleegde feiten geen aanleiding voor oplegging van een kortere vrijheidsstraf, een voorwaardelijk strafdeel en/of een andere strafsoort. De tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, wordt op de op te leggen straf in mindering gebracht.

8 Beslag

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officieren van justitie hebben ter terechtzitting aangegeven dat de in beslag genomen IPhone van verdachte mogelijk is vernietigd en dat zij zullen bezien wat daarvan in dat geval de consequenties zijn.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet over het beslag uitgelaten.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank beveelt de bewaring van de IPhone ten behoeve van eventueel nader onderzoek in hoger beroep.

9. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam 3] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 368.719,94 voor materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2014, te weten:

  • -

    € 595,83 voor de IPhone;

  • -

    € 360.433,97 voor inkomstenderving;

  • -

    € 758,47 voor reiskosten voor het strafproces in eerste aanleg;

  • -

    € 343,88 voor reiskosten voor het strafproces in hoger beroep;

  • -

    € 1.506,89 voor kosten uitvaart;

  • -

    € 1.021,85 voor kosten van een grafmonument;

  • -

    € 665,00 voor notariskosten;

  • -

    € 3.394,05 voor kosten van een diner na de uitvaart;

en een bedrag van € 20.000,00 voor immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2014.

De benadeelde partij [naam 4] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.068,25 voor materiële kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2014, te weten:

  • -

    € 656,10 voor reiskosten voor het strafproces in eerste aanleg;

  • -

    € 412,15 voor reiskosten voor het strafproces in hoger beroep;

en een bedrag van € 17.500,00 voor immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2014.

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 6.694,89 voor materiële kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2014, te weten:

  • -

    € 6.244,89 voor inkomstenderving;

  • -

    € 450,00 voor reiskosten voor het strafproces in hoger beroep;

en een bedrag van € 20.000,00 voor immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2014.

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 10.788,42 voor materiële kosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2014, te weten:

  • -

    € 10.338,42 voor inkomstenderving;

  • -

    € 450,00 voor reiskosten voor het strafproces in hoger beroep;

en een bedrag van € 20.000,00 voor immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2014.

Toelichting

[naam 3] heeft een vergoeding gevraagd voor de IPhone. In dit verband is naar voren gebracht dat de IPhone was gekocht in januari 2014 tegen een prijs van ca € 650,-. Rekening houdend met afschrijving wordt de dagwaarde gevorderd.

[naam 3] en de zonen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben een vergoeding verzocht in verband met gederfd levensonderhoud. Deze zonen woonden (destijds) nog thuis en werden onderhouden door hun vader. [slachtoffer] had een eigen onderneming, waaruit hij en zijn echtgenote loon ontvingen en pensioen opbouwden. Die vennootschap is inmiddels verkocht. Bij de vordering zijn diverse stukken overgelegd, zoals financiële verslagen en jaarrekeningen van de vennootschap, salarisspecificaties van [slachtoffer] en [naam 3] , fiscale rapporten met betrekking tot de erfgenamen, overzichten van lijfrente-overeenkomsten, en tenslotte een op dit alles gebaseerde uitgebreide rapportage over de “jaarschade” als gevolg van het overlijden van [slachtoffer] , opgemaakt door [naam 7] .

[naam 3] en [naam 4] hebben om vergoeding gevraagd van de reiskosten (uitgaande van
€ 0,29 per kilometer) die zij hebben gemaakt in verband met de strafzaak. Dit betreft de kosten van bezoeken aan het politiebureau, de deskundige die is ingeschakeld voor het opmaken van het expertiserapport voor de inkomensschade en de diverse strafzittingen van de rechtbank die zij hebben bijgewoond. Daarnaast worden de reiskosten voor tien strafzittingen in hoger beroep en de reiskosten voor een gesprek met de advocaat-generaal gevorderd. [benadeelde 1] en [benadeelde 2] vorderen eveneens reiskosten voor tien strafzittingen in hoger beroep en reiskosten voor een gesprek met de advocaat-generaal.

[naam 3] heeft directe kosten in verband met het overlijden van [slachtoffer] gevorderd. Dit betreft de kosten van de uitvaart, van een diner aansluitend op de uitvaart, van een grafmonument en van de notariskosten in verband met de verklaring van erfrecht.

Ten aanzien van de immateriële schade is namens de benadeelde partijen naar voren gebracht dat zij als echtgenote respectievelijk kinderen schade hebben geleden door de gewelddadige dood van [slachtoffer] . Zij hebben zich daarbij beroepen op de Richtlijn 2012/29/EU van 25 oktober 2012, L315/57. De implementatietermijn van deze Richtlijn is op 16 november 2015 verstreken zonder dat zij is omgezet in Nederlandse wetgeving, aldus de advocate, zodat aan de Richtlijn nu rechtstreekse werking toekomt. Ook indien het Nederlandse recht geen aanspraak op vergoeding van affectieschade mocht toekennen, kan een dergelijke aanspraak worden ontleend aan de Richtlijn. De advocate heeft daarbij gewezen op onderdeel 19 van de preambule:

“… In het bijzonder familieleden van een slachtoffer wiens overlijden een rechtstreeks gevolg is van een strafbaar feit, kan schade worden berokkend als gevolg van het strafbare feit. Dergelijke familieleden, die indirecte slachtoffers van het strafbare feit zijn, moeten daarom eveneens gebruik kunnen maken van de door deze richtlijn geboden bescherming. …”

en onderdeel 46 daarvan:

“ … De betrokken organisaties moeten daarom in de eerste plaats de belangen en behoeften van het slachtoffer behartigen, zorgen voor herstel van de door hem geleden schade en verdere schade voorkomen. …”

Het standpunt van de officieren van justitie

De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat de kosten verband houdend met het overlijden van het slachtoffer en de immateriële schade, gelet op de door hen gevorderde vrijspraak voor feit 1, niet voor toewijzing vatbaar zijn.

De vorderingen zijn wel toewijsbaar voor zover het de IPhone betreft en de reiskosten voor de bezoeken aan het politiebureau en de zittingsdagen waarop de zaak van verdachte heeft gediend.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat de vorderingen een onevenredige belasting van het strafproces met zich brengen en dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen moeten worden verklaard. Ten aanzien van de inkomensschade heeft de verdediging gesteld dat de vorderingen worden betwist omdat de vorderingen onvoldoende kunnen worden gecontroleerd in deze fase van het proces. De verdediging beschikt niet over de onderliggende stukken, waardoor het rapport niet verifieerbaar is.

Voor zover de rechtbank van oordeel is dat de benadeelde partijen ontvankelijk zijn, heeft de verdediging gesteld dat de vorderingen voor zover deze de inkomstenschade betreffen moeten worden afgewezen indien verdachte wordt vrijgesproken van feit 1. Datzelfde geldt in geval van vrijspraak voor de uitvaartkosten, de kosten van een monument en de dinerkosten.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

IPhone

De rechtbank zal de vordering toewijzen. De rechtbank acht verdachte schuldig aan het medeplegen van het wegmaken van sporen van het misdrijf, waaronder persoonlijke bezittingen van [slachtoffer] . De betrokken IPhone is weggegooid door medeverdachte [medeverdachte 1] , maar dat geschiedde terwijl verdachte tezamen met [medeverdachte 1] bezig was ook andere sporen weg te maken, zoals de moordwapens, en de auto van [slachtoffer] . Verdachte heeft naar eigen zeggen de autosleutel van de auto van [slachtoffer] weggegooid. In die omstandigheden kan het wegmaken van de IPhone hem worden toegerekend.

Reiskosten

De kosten voor de behandeling van de zaak in eerste aanleg zijn toewijsbaar (inclusief de reiskosten voor het politiebureau), met in achtneming van het volgende.

  • -

    Toewijsbaar zijn alleen de kosten die zijn gemaakt in verband met strafzittingen in de strafzaak tegen deze verdachte, niet de kosten die in de andere strafzaken zijn gemaakt.

  • -

    Voor zover tijdens een terechtzitting meerdere strafzaken zijn behandeld, zullen de gemaakte reiskosten evenredig worden verdeeld over de betrokken verdachten.

  • -

    De reiskosten voor de strafzitting van 1 februari 2016 zijn niet toewijsbaar, omdat deze terechtzitting in verband met artikel 268 van het Wetboek van Strafvordering nietig was. Om die reden is de regiezitting van 1 februari 2016 op een later moment ‘overgedaan’. Deze kosten komen niet voor rekening van verdachte.

De kosten voor het bezoek aan de deskundige zijn niet toewijsbaar nu deze rechtstreeks samenhangen met het overlijden van [slachtoffer] en verdachte van betrokkenheid daarbij wordt vrijgesproken.

De (geraamde) kosten voor de procedure in hoger beroep zijn thans niet toewijsbaar nu niet vast staat dat en in welke omvang deze kosten zullen worden gemaakt. De rechtbank acht het overigens wel begrijpelijk dat deze kostenpost is opgevoerd, nu de wetgever er voor heeft gekozen om in de strafprocedure niet de mogelijkheid te openen voor de benadeelde partij om in hoger beroep de vordering te wijzigen of te vermeerderen met - minst genomen - de kosten die zijn opgekomen na de procedure in eerste aanleg. Hierdoor wordt de benadeelde partij gedwongen deze nog niet gemaakte (maar soms wel voorzienbare) kosten reeds in eerste aanleg te vorderen. In zoverre zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard.

Een en ander resulteert in de volgende toewijsbare kosten voor [naam 3] :

- reiskosten t.b.v. rechtszittingen:

1 x € 37,- € 37,00

3 x € 37,- : 3 € 37,00

3 x € 37,- : 4 € 27,75

Totaal € 101,75

- reiskosten politiebureau:
(€ 17,92 + € 19,31) : 4 € 9,31

- totaal: € 111,06

Voor [benadeelde 3] :

- reiskosten t.b.v. rechtszittingen:

1 x € 37,58 € 37,58

3 x € 37,58 : 3 € 37,58

2 x € 37,58 : 4 € 18,79

Totaal € 93,95

- reiskosten politiebureau:
€ 28,71 : 4 € 7,18

- totaal: € 101,13

De wettelijke rente is niet toewijsbaar vanaf 14 maart 2014 zoals gevorderd, omdat die kosten toen nog niet waren gemaakt. De reiskosten zullen derhalve vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 2 november 2016, de datum waarop de vordering bij de rechtbank is ingediend.

De benadeelde partijen zullen voor zover meer- of anders gevorderd niet ontvankelijk worden verklaard.

Inkomensderving / Directe kosten i.v.m. overlijden slachtoffer / Affectieschade

De nabestaanden [naam 3] en de zonen [naam 4] , [benadeelde 1] en [benadeelde 2] hebben vergoedingen verzocht in verband met gederfd levensonderhoud en/of de kosten van de uitvaart, van een diner aansluitend op de uitvaart, van een grafmonument en van de notariskosten in verband met de verklaring van erfrecht en/of immateriële schade die zij als echtgenote respectievelijk kinderen hebben geleden door de gewelddadige dood van [slachtoffer] (affectieschade). Nu verdachte wordt vrijgesproken van betrokkenheid bij het doden van [slachtoffer] , moeten de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering van [naam 3] toekennen voor zover dit betreft:

Feit 4: de IPhone € 595,83

De feiten 3 en 4: reiskosten € 111,06

De vordering van [naam 4] zal worden toegekend tot een bedrag van € 101,13 voor reiskosten (feiten 3 en 4).

De benadeelde partijen zullen voor zover meer- of anders is gevorderd niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen [naam 3] en [naam 4] .

10 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 47, 55, 57, 63, 151, 157 en 189 van het Wetboek van Strafrecht.

11 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen dat verdachte de onder 1 ten laste gelegde moord/doodslag heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, te weten de feiten 2, 3 en 4, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast de bewaring van de onder verdachte in beslag genomen IPhone;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van de feiten 3 en 4 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [naam 3], van een bedrag van:
    - € 595,83, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2014 (feit 4);
    - € 111,06, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2016 (feiten 3 en 4), tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 3] , een bedrag te betalen van:
    - € 595,83, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 maart 2014 (feit 4);
    - € 111,06, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2016 (feiten 3 en 4), tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 14 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van de feiten 3 en 4 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [naam 4], van een bedrag van € 101,13, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2016, tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 4] , een bedrag te betalen van € 101,13, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 november 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 2 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

  • -

    verklaart de benadeelde partijen [naam 3] en [naam 4] voor het overige niet-ontvankelijk in hun vorderingen;

  • -

    verklaart de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 december 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 6] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2014036214, gesloten op 20 april 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1270-1272.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1273-1274.

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1355.

5 Proces-verbaal, p. 1367.

6 Proces-verbaal, p. 1369.

7 NFI-rapport: Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, p. 6378.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 2569.

9 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 1038-1043.

10 Proces-verbaal van het RC-verhoor van medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 256-260.

11 Processen-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte 2] , p. 497, 502, 505-506, 516-517, 537, 542-544, 588-589, 613-614 en 645.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1369-1370.

13 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 1378-1379.

14 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 1383-1386.

15 Proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, p. 5646-5653.

16 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , p. 1383.

17 Proces-verbaal brandonderzoek forensische opsporing, p. 5651.

18 Proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] , p. 1024-1027, 1029-1032, 1044-1045 en 1049.

19 Proces-verbaal van bevindingen zoeken met verdachte [verdachte] , p. 1068 en proces-verbaal van bevindingen zoeken naar het mes, p. 1145-1146.

20 Proces-verbaal van verhoor bij de RC van medeverdachte [medeverdachte 1] , p. 225-226 en 231-233.

21 Informatierapport, p. 3674-3675.

22 NFI-rapport: Pathologie onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, p. 6378.