Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:663

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-02-2016
Datum publicatie
08-02-2016
Zaaknummer
05/820165-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft een 59-jarige man uit Maurik vrijgesproken van het plegen van ontuchtige handelingen bij een stagiaire op zijn boerenbedrijf en van feitelijke aanranding van de eerbaarheid bij een andere stagiaire omdat niet is voldaan aan het bewijsminimum van artikel 342, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering. De man is wel veroordeeld tot een werkstraf van 150 uur en voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden voor het plegen van ontuchtige handelingen bij een meisje (destijds 15 jaar) dat een vakantiebaantje had op zijn bedrijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820165-14

Datum uitspraak : 5 februari 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

Cornelis Jannes de Heus

geboren op [geboortedatum 1] 1956 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats]

Raadsman: mr. C.C.J.M. Weijers, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare terechtzittingen van
5 juni 2015 en 22 januari 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op enig moment in of omstreeks de periode van 1 oktober 2012 tot en met 5

oktober 2012 te Maurik, gemeente Buren, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn

zorg en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] ,

geboren op [geboortedatum 2] , immers heeft hij terwijl die [slachtoffer 1] naast hem, verdachte,

in de auto zat, die [slachtoffer 1] bij haar bovenbeen, vlak bij haar kruis en/of ter

hoogte van haar lies vastgepakt en/of met zijn, verdachtes, duim wrijvende

bewegingen richting lies gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 3 mei 2013 in elk geval op enig moment in de maand mei

2013 te Maurik, gemeente Buren, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg

en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] ,

geboren op [geboortedatum 2] , immers heeft hij staande voor die [slachtoffer 1] , zijn beide

handen op de schouders van die [slachtoffer 1] gelegd en/of draaiende bewegingen met zijn

duimen over de schouders richting de borsten van die [slachtoffer 1] gemaakt;

3.

hij op of omstreeks 22 april 2010 althans op enig moment in de maand april

2010 te Maurik, gemeente Buren, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handeling(en),

bestaande uit het afsluiten van de kamer waarin die [slachtoffer 2] en/of

verdachte zich bevonden en/of het naast die op een stoel gezeten [slachtoffer 2]

gaan zitten en/of het (onverhoeds) met zijn, verdachtes, hand over het

rechterbovenbeen van die [slachtoffer 2] aaien/strijken en/of het in de nek

kussen van die [slachtoffer 2] en/of het over de borst(en) wrijven bij die [slachtoffer 2]

en/of het bij een arm vastpakken [slachtoffer 2] en/of het tegen een

muur zetten van dei [slachtoffer 2] en/of het omhoog doen van het shirt van die

[slachtoffer 2] en/of het voelen/wrijven over de borst(en) van die [slachtoffer 2] .

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

Verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. Volgens het tweede lid van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

Aangeefster [slachtoffer 1] (hierna: aangeefster) heeft verklaard dat zij tijdens haar stageperiode in oktober 2012 door verdachte op een regenachtige dag naar huis is gebracht. Vlak voordat zij thuis was, pakte verdachte aangeefster bij haar bovenbeen, vrij dicht bij haar kruis. Het was zijn rechterhand en verdachtes duim zat ter hoogte van haar lies. Verdachte maakte hierbij een wrijvende beweging met zijn duim in de richting van haar lies. Dit duurde ongeveer een minuut.

De verklaring van aangeefster wordt echter niet ondersteund door enig ander (objectief) bewijs. In het dossier bevindt zich slechts de verklaring van één getuige, [getuige] . Zij heeft verklaard dat verdachte erg handtastelijk was geweest, toen hij aangeefster naar huis had gebracht, maar deze getuige heeft de handelingen niet zelf waargenomen. Zij verklaart slechts wat aangeefster haar heeft verteld, zodat er sprake is van één bron. Bovendien verklaart de moeder van aangeefster, [getuige 2] , wel dat verdachte aangeefster een keer naar huis heeft gebracht, maar in haar verklaring komt niets naar voren over hetgeen aangeefster over dat incident in haar aangifte heeft verklaard.

Weliswaar bevat het dossier verklaringen van getuigen die erop wijzen dat verdachte richting stagiaires ongepast gedrag liet zien, gelet op onder meer het feit dat voor het bedrijf van verdachte de erkenning als leerbedrijf is ingetrokken, maar dit maakt nog niet dat hieruit de conclusie getrokken kan worden dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank het feit niet wettig en overtuigend bewezen en zal zij verdachte daarvan vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit. In het dossier bevindt zich naar de mening van de raadsman onvoldoende bewijsmateriaal om wettig en overtuigend bewezen te achten dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde feit.

De beoordeling door de rechtbank

Aangeefster heeft verklaard dat zij, na een stage in oktober 2012, in de meivakantie in 2013 enkele dagen heeft gewerkt in het hondenpension van de echtgenote van verdachte en ook verdachte heeft geholpen op diens boerderij. Zij was het koeienhok aan het schoonmaken bij verdachte. Verdachte was bezig met de melkmachine schoon te maken. Verdachte riep haar en aangeefster ging naar hem toe. Zij moest het trappetje af en toen stond verdachte, met zijn beide gestrekte armen voor zich uit, voor aangeefster. Verdachte begon haar toen allerlei complimenten te geven. Verdachte zei: “Wat ben je toch een mooi meisje, wat heb je mooie ogen, wat heb je mooie ogen, wat heb je mooie krullen en je bent ook niet al te lang.” Toen liep verdachte recht op aangeefster af en aangeefster wist niet wat ze moest doen. Verdachte begon toen van voren haar schouders te masseren. Verdachte had hierbij zijn beide handen op haar schouders liggen en maakte draaiende bewegingen met zijn duimen over haar schouders in de richting van haar borsten. Verdachte zat hierbij met zijn beide handen aan haar borsten en maakte een trage, wrijvende beweging. Terwijl verdachte dit deed, keek hij naar haar borsten en keek daarna ook naar aangeefster. Het leek alsof hij haar een kus wilde geven. Aangeefster heeft uit een reflex de stok van een schep gepakt en verdachte ermee op zijn hoofd geslagen. Verdachte moest hierdoor lachen maar stopte wel met het wrijven.2

De moeder van aangeefster, [getuige 2] , heeft verklaard dat aangeefster gelijk die dag al aangegeven heeft dat er iets gebeurd was. Dat was op vrijdag 3 mei 2013. Aangeefster vertelde haar moeder dat verdachte aangeefster bij de schouders had gepakt, en dat hij met zijn duimen richting haar borsten was gegaan. Aangeefster vertelde dat zij hem met een stok op zijn hoofd geslagen had. Aangeefster had ook tegen haar moeder gezegd dat zij het zo eng vond hoe verdachte haar aangekeken had. Aangeefster was er toen wel vol van, aldus de moeder van aangeefster.3

Verdachte heeft verklaard dat hij wel in de meivakantie met aangeefster in de koeienstal is geweest, maar volgens verdachte drong aangeefster zich aan hem op en mocht hij haar borsten aanraken en haar kussen (blz. 87-88 dossier). Ze gedroeg zich als een hoer, uitdagend en verleidelijk. [slachtoffer 1] was verliefd op hem, maar hij niet op haar (blz. 90 dossier).

De rechtbank neemt in haar oordeelsvorming de verklaring van aangeefster tot uitgangspunt en ziet geen aanleiding voor enige twijfel aan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaring, nu deze wordt ondersteund door de verklaringen van de getuige [getuige 2] en verdachte zelf. De getuige neemt immers bepaald gedrag van aangeefster waar nadat aangeefster gewerkt heeft bij verdachte. Aangeefster vertelt meteen aan haar moeder wat er gebeurd is en is er vol van. Deze eigen waarneming van de getuige kan dan ook dienen als steunbewijs voor hetgeen aangeefster heeft verklaard. Door verdachte wordt voorts niet ontkend dat hij die dag met aangeefster in de koeienstal is geweest en dat er iets heeft plaatsgevonden met een seksuele lading, zij het dat verdachte hieraan een geheel andere betekenis geeft. Dat aangeefster hem zou hebben uitgedaagd en geprobeerd zou hebben hem te verleiden en gezegd zou hebben dat verdachte haar borsten mocht aanraken en haar kussen, acht de rechtbank niet aannemelijk, zodat de rechtbank meer waarde hecht aan de verklaring van aangeefster dan aan de verklaring van verdachte. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen is.

Aangeefster heeft aanvankelijk in het kader van haar opleiding stage gelopen bij het hondenpension. Later, in mei 2013 is zij hier enkele dagen gaan werken in de vakantie. In aanmerking genomen dat zij minderjarig was en dat het vakantiewerk was, is de rechtbank van oordeel dat aangeefster aan de waakzaamheid van verdachte was toevertrouwd.

Ten aanzien van feit 3

Verdachte ontkent het feit te hebben gepleegd. De rechtbank verwijst naar hetgeen zij hiervoor, onder feit 1, heeft overwogen ten aanzien van artikel 342 van het Wetboek van Strafvordering.

[slachtoffer 2] (hierna: aangeefster) heeft onder meer verklaard dat zij in april 2010 bezig was met een mailtje te versturen toen verdachte binnen kwam. Verdachte draaide de deur gelijk op slot en kwam rechts naast aangeefster zitten. Verdachte aaide met zijn linkerhand op haar rechterbeen en zei dat aangeefster mooi en lief was. Verdachte begon haar in haar nek te kussen en aangeefster zei weer dat hij moest ophouden. Verdachte begon ook aan haar borsten te zitten met zijn rechterhand. Dat deed hij over de kleding. Op een gegeven moment pakte verdachte haar bij de arm en nam haar mee en zette haar tegen de muur. Toen deed verdachte haar shirt omhoog en ging weer naar haar borst. Dat deed verdachte onder haar shirt en over haar BH. En met zijn andere hand ging verdachte naar haar broeksriem en probeerde die los te maken.

De verklaring van aangeefster wordt echter niet ondersteund door enig ander (objectief) bewijs. De rechtbank acht het feit dan ook niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder 2 heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 3 mei 2013 in elk geval op enig moment in de maand mei

2013 te Maurik, gemeente Buren, ontucht heeft gepleegd met de aan zijn zorg

en/of opleiding en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige [slachtoffer 1] ,

geboren op [geboortedatum 2] , immers heeft hij staande voor die [slachtoffer 1] , zijn beide

handen op de schouders van die [slachtoffer 1] gelegd en/of draaiende bewegingen met zijn

duimen over de schouders richting de borsten van die [slachtoffer 1] gemaakt.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Ontucht plegen met een aan zijn waakzaamheid toevertrouwde minderjarige

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en voorts tot het verrichten van 200 uren werkstraf, te vervangen door 100 dagen hechtenis met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, maar wijst nog wel op de redelijke termijn en is van mening dat de eis van de officier van justitie wel fors is.

D beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 7 december 2015;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 29 mei 2015.

De rechtbank overweegt voorts als volgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een jong meisje, dat bij hem werkte als vakantiehulpje. Verdachte heeft vanuit die positie op ernstige wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen dat aangeefster in hem stelde. De rechtbank neemt het verdachte kwalijk dat hij op deze wijze omgegaan is met een jong meisje.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat verdachte niet eerder veroordeeld is. Nu de rechtbank ook minder bewezen acht dan de officier van justitie, zal de rechtbank een werkstraf voor de duur van 150 uren opleggen en voorts een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De voorwaardelijke straf dient ertoe om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 Spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten.

 verklaart bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 een werkstraf gedurende 150 (honderdvijftig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J.M. Doon (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. K.A.M. van Hoof, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.G. Wessels-Harmsen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 februari 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Gelderland-Zuid, Divisie COZ, Zedenzaken, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL084A 2013116703, gesloten op 6 februari 2014, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , laatste twee alinea’s op p. 23 en eerste twee alinea’s op p. 24.

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , vierde en vijfde alinea, p. 28.