Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6588

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
08-12-2016
Datum publicatie
08-12-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 2662, 15_2667 en 15_2669
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij overdracht is de onroerende zaak geen landgoed meer, zodat geen sprake kan zijn van de overdracht van de eigendom van een landgoed. De in artikel 8a van de NSW neergelegde invordering bij schending van de bezitseis is - blijkens de tekst van dit artikel - immers van toepassing bij de overdracht van een landgoed. Artikel 8a van de NSW geldt niet ten aanzien van gewezen landgoederen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/28.24 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2016/2739
Belastingadvies 2017/3.9
FutD 2016-3023
NTFR 2017/613 met annotatie van mr.drs. B.B.A. de Kroon
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 15/2662, AWB 15/2667 en AWB 15/2669

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 8 december 2016

in de zaken tussen

Erven van [A] , te [Z] , eisers

(gemachtigde: ir. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eisers navorderingsaanslagen (aanslagnummers [001] tot en met [002] ) successierecht ten bedrage van € 50.338 ( [B] ), € 60.820 ( [C] en [D] ieder) opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 24 maart 2015 de navorderingsaanslagen successierecht verminderd tot € 20.150 ( [B] ) en € 29.333 ( [C] en [D] ieder).

Eisers hebben daartegen bij brieven van 1 mei 2015 beroep ingesteld. De beroepschriften van [B] en [C] zijn op 5 mei 2015 ontvangen door de rechtbank Noord-Holland en, na doorzending op 12 mei 2015 door deze rechtbank. Het beroepschrift van [D] is op 6 mei 2015 door deze rechtbank ontvangen.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2016.

Namens eisers is verschenen de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [E] .

Eisers hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Op 18 november 2006 is overleden mevrouw [A] , hierna te noemen: erflaatster.

2. De erfgenamen van erflaatster zijn mevrouw [B] , mevrouw [D] en de heer [C] .

3. Tot het vermogen van erflaatster behoorde een onroerende zaak, de boerderij “ [F] ”, ter grootte van 3.13.56 hectare, hierna te noemen: de onroerende zaak.

4. Bij beschikking van 15 januari 2008 is de onroerende zaak per 25 mei 2007 gerangschikt als een opengesteld landgoed op basis van een gezamenlijke rangschikking als bedoeld in de Natuurschoonwet 1928 (hierna: de NSW).

5. Eisers hebben in de aangifte successierecht een beroep gedaan op de faciliteit van artikel 7 van de NSW, betreffende het voorwaardelijk buiten invordering blijven van successierechten voor zover dit verband houdt met de verkrijging van de onroerende zaak die aangemerkt is als een voor publiek opengesteld landgoed.

6. Op 3 februari 2009 is de aanslag successierecht opgelegd en is de faciliteit van artikel 7 van de NSW verleend.

7. Bij besluit van 4 mei 2011 is het verzoek van eisers van 27 mei 2009 om herrangschikking afgewezen, omdat de onderhavige onroerende zaak niet kan worden aangemerkt als een landgoed onder de nieuwe voorwaarden van de NSW zoals die gelden met ingang van 1 juni 2007. De gemeenschappelijke beschikking van 15 januari 2008 tot rangschikking is hierbij met ingang 27 mei 2009 ingetrokken.

8. Eisers hebben op 28 december 2011 een gedeelte van de onroerende zaak ter grootte van 0.31.80 hectare in eigendom overgedragen.

9. Met dagtekening 8 juli 2014 heeft verweerder aan eisers navorderingsaanslagen successierecht opgelegd.

Geschil

10. In geschil is of de navorderingsaanslagen successierecht terecht zijn opgelegd. De hoogte van de navorderingsaanslagen is niet meer in geschil.

11. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat met de verkoop van een gedeelte van het landgoed op 28 december 2011 de in artikel 8a van de NSW opgenomen bezitseis is geschonden. Ingevolge dat artikel dient een eigenaar een landgoed namelijk gedurende 25 jaar in bezit te houden om de faciliteit van artikel 7 geheel deelachtig te worden. Verweerder heeft met toepassing van artikel 8a van de NSW het buiten invordering gebleven bedrag alsnog ingevorderd. Het bepaalde in artikel 9 van de overgangsregeling van de Wijzigingswet van de Wet op belastingen van rechtsverkeer en de Natuurschoonwet 1928 (hierna: de Wijzigingswet) staat daar volgens verweerder niet aan in de weg omdat in deze overgangsbepaling invordering op grond van artikel 8a van de NSW niet wordt genoemd.

12. Eisers hebben gesteld dat ten tijde van de overdracht van een gedeelte van de onroerende zaak op 28 december 2011 geen sprake meer was van een onder de NSW gerangschikt landgoed, zodat niet kan worden nagevorderd op grond van de artikelen 3, leden 3 en 4, en 8a van de NSW.

Subsidiair hebben eisers gesteld dat bij de intrekking van de rangschikking als landgoed onder de NSW niet is gemeld dat het verlies van de landgoedstatus eisers niet zou ontslaan van de in artikel 8a van de NSW neergelegde bezitseis.

Meer subsidiair hebben eisers gesteld dat op basis van het overgangsrecht de mogelijkheid van navordering van de buiten invordering gebleven successierechten is komen te vervallen.

Beoordeling van het geschil

13. In artikel 7, eerste lid, van de NSW is bepaald dat, indien tot een verkrijging in de zin van de Successiewet 1956 een onroerende zaak behoort die is aangemerkt als een landgoed - mits aan de in het daarop volgende lid gestelde voorwaarden is voldaan - geen invordering plaatsvindt van het verschil tussen de volgens de aanslag verschuldigde schenkbelasting onderscheidenlijk erfbelasting en de belasting, welke verschuldigd zou zijn, indien de onroerende zaak wordt gesteld op de helft van de waarde in het economische verkeer, welke op het tijdstip van de verkrijging aan de zaak zou moeten worden toegekend, in geval daarop de last rustte om het gedurende een tijdvak van 25 jaren als zodanig in stand te houden en geen opgaand hout te vellen, dan volgens de regels van normaal bosbeheer noodzakelijk of gebruikelijk is. Voor zover het landgoed overeenkomstig door Onze Ministers goedgekeurde regelen voor het publiek is opengesteld, wordt, in afwijking in zoverre van de vorige volzin, de waarde van dat landgoed gesteld op nihil.

14. In artikel 8a, eerste lid, van de NSW is -voor zover hier van belang- bepaald dat indien degene ten aanzien van wie artikel 7 toepassing heeft gevonden, binnen een tijdvak van 25 jaren na het overlijden of de schenking de eigendom van het landgoed overdraagt, alsnog invordering plaatsvindt overeenkomstig de volgende leden van de belasting waarvan bij hem ingevolge artikel 7, eerste lid, invordering achterwege is gebleven (hierna: bezitseis). In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel is hierover opgemerkt (Kamerstuk nr. 27 030, nr. 3, onder 3.3.):

"Op grond van de huidige Natuurschoonwet geldt niet het vereiste dat het landgoed gedurende een bepaalde periode eigendom moet blijven van degene die de schenkings- of successiefaciliteit heeft genoten. (…) Op deze manier ontbreekt een relatie tussen de verrichte inspanning ten behoeve van het natuurschoon en de omvang van de fiscale faciliteit. Het voorstel is erop gericht deze relatie aan te brengen door de omvang van de faciliteit afhankelijk te stellen van de bezitsduur.

Het ontbreken van een bezitseis maakt de landgoederen namelijk tot een aantrekkelijk middel om fiscaal gefacilieerde schenkingen dan wel verervingen te creëren, zonder dat de bedoeling bestaat om het landgoed gedurende de gehele instandhoudingstermijn van 25 jaar in bezit te houden (veelal zal het zelfs om een zeer korte bezitsperiode gaan). In dergelijke gevallen wordt gebruik gemaakt van de schenkings- of successiefaciliteit van de Natuurschoonwet 1928 zonder dat enige bijdrage wordt geleverd aan, of iets wordt opgeofferd voor, het natuurbehoud.

(…)

De voorgestelde wijziging van de Natuurschoonwet 1928 houdt in dat aan een vervreemding van een landgoed binnen een periode van 25 jaren na het genieten van de schenkings- of successiefaciliteit fiscale gevolgen worden verbonden. Dit gebeurt door aan de instandhoudingseis een bezitseis toe te voegen (de beide eisen werken dus cumulatief). Indien een landgoed wordt vervreemd binnen die periode, wordt een evenredig gedeelte van het schenkingsrecht, successierecht of recht van overgang alsnog ingevorderd. De fiscale faciliteiten komen op deze manier vooral ten goede aan personen die een landgoed gedurende een lange tijd in bezit houden."

15. Blijkens het hierboven onder 7. aangehaalde besluit van 4 mei 2011 voldoet de onderhavige onroerende zaak met ingang van 1 juni 2007 niet langer aan de voorwaarden om als een landgoed in de zin van de NSW te worden aangemerkt en is de beschikking tot rangschikking als landgoed met ingang van 27 mei 2009 ingetrokken. Bij de overdracht van een gedeelte van de onroerende zaak op 28 december 2011 is de onroerende zaak geen landgoed meer in de zin van de NSW, zodat geen sprake zijn van de overdracht van de eigendom van (een gedeelte van) een landgoed. De in artikel 8a van de NSW neergelegde invordering bij schending van de bezitseis is - blijkens de tekst van dit artikel - immers van toepassing bij de overdracht van een landgoed. Voor het standpunt van verweerder dat het artikel ook ten aanzien van gewezen landgoederen kan worden toegepast biedt het artikel geen aanknopingspunten. Uit de overige artikelen van de NSW en de wetsgeschiedenis kan evenmin worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd om de bezitseis en de fiscale claim bij schending van deze eis te laten doorlopen ten aanzien van gewezen landgoederen. De systematiek van de NSW, waarin de instandhoudingseis en de bezitseis cumulatief werken om voor de fiscale faciliteit in aanmerking te komen, lijkt daar ook geen ruimte voor te bieden.

16. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat artikel 8a van de NSW geen grondslag kan bieden voor de onderhavige navorderingsaanslagen. Het standpunt van verweerder dat het overgangsrecht van de Wijzigingswet niet in de weg staat aan invordering op grond van artikel 8a van de NSW leidt niet tot een andersluidend oordeel. Zoals hiervoor reeds is overwogen werken de instandhoudingseis en de bezitseis cumulatief. Nu na herrangschikking per 27 mei 2009 niet langer wordt voldaan aan de instandhoudingseis, leidt dit in beginsel tot invordering op grond van artikel 8 van de NSW. Echter, in de parlementaire geschiedenis is tot uitdrukking gebracht dat de voorgestelde maatregel met betrekking tot de gezamenlijke rangschikking voor bestaande situaties niet leidt tot invordering van lopende belastingclaims (op grond van de overgangsbepaling van artikel VI van de Wijzigingswet). Die claims komen na een tijdig daartoe strekkend verzoek om herrangschikking definitief te vervallen, behoudens een hier niet relevante uitzondering. De beroepen dienen gegrond te worden verklaard en de navorderingsaanslagen successierecht dienen te worden vernietigd.

17. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs hebben moeten maken. De kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.484 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting, met een waarde per punt van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1 voor drie samenhangende zaken).

Beslissing

De rechtbank verklaart:

  • -

    de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar;

  • -

    vernietigt de navorderingsaanslagen successierecht;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers ten bedrage van in totaal € 1.484;

  • -

    gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van in totaal € 135 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H.W. Bodt, voorzitter, mr. I. Linssen en mr. dr. V.F.R. Woeltjes, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.M.A. Arts, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 8 december 2016

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.