Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6567

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-10-2016
Datum publicatie
06-12-2016
Zaaknummer
05/780058-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vier (destijds) minderjarige verdachten zijn door de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld tijdens de rellen die in Geldermalsen op 16 december 2015 hebben plaatsgevonden. Bij één van de minderjarige verdachten is een deels voorwaardelijke werkstraf opgelegd. Bij de andere drie verdachten is een onvoorwaardelijke werkstraf opgelegd. Twee minderjarige verdachten zijn vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team jeugd

Zittingsplaats: Arnhem

Parketnummer: 05/780058-16

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer voor kinderstrafzaken d.d. 25 oktober 2016

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats], wonende aan de [adres].

Raadsvrouw: mr. J. Steenbrink, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 oktober 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 16 december 2015 te Geldermalsen openlijk, te weten op of aan een of meer openbare wegen, gelegen in/nabij het centrum en/of het gemeentehuis van Geldermalsen, in elk geval op of aan een openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer aldaar aanwezige dienstdoende politieambtenaren en/of medewerkers van de beveiliging en/of (politie-)voertuigen en/of het gemeentehuis en/of hekwerk/dranghekken, welk geweld bestond uit het gooien van een of meer stenen, althans enig voorwerp, tegen/door/naar (een of meer ruiten van) het gemeentehuis en/of het ter hand nemen en/of kapotgooien van (delen van) stenen/stoeptegels/klinkers en/of het gooien van (delen van) stenen/stoeptegels/klinkers en/of flessen en/of (volle) blikjes bier/drank en/of -zwaar- vuurwerk en/of (een) rookbom(men) tegen/naar/in de richting van die politieambtena(a)r(en) en/of medewerker(s) en/of die/dat (politie-)voertuig(en) en/of het gemeentehuis

en/of het slaan, stompen, schoppen en/of (omver-)trekken/duwen van die politieambtena(a)r(en) en/of medewerker(s) en/of het omvergooien van, het schoppen/duwen tegen en/of trekken aan dat/die hekwerk/dranghekken en/of het getalsmatig versterken van de groep van waaruit geweldshandelingen werden gepleegd en/of het -met de groep- opdringen in de richting van die politieambtena(a)r(en) en/of die medewerker(s) en/of het -vanuit de groep- luidkeels provoceren van en/of uitdagend/beledigend schreeuwen naar die

politieambtena(a)r(en) en/of die medewerker(s).

2 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is ter terechtzitting van de kinderrechter van 10 juni 2016 met gesloten deuren onderzocht. Daarbij zijn verdachte noch zijn raadsman verschenen. De kinderrechter heeft de terechtzitting geschorst en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer voor kinderstrafzaken van 11 oktober 2016 op een nader te bepalen tijdstip, gelet op de complexiteit alsmede de maatschappelijke impact van de zaak.

De zaak is op 11 oktober 2016 ter terechtzitting met gesloten deuren onderzocht. Daarbij is verdachte verschenen. Verdachte is bijgestaan door mr. J. Steenbrink, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie, mr. W.E.M. van Erp, heeft ter terechtzitting van 11 oktober 2016 haar eis geformuleerd.

De raadsvrouw en verdachte hebben ter terechtzitting van 11 oktober 2016 het woord ter verdediging gevoerd.

3. De beslissing inzake het bewijs 1

overweging met betrekking tot openlijke geweldpleging

De beoordeling door de rechtbank

Vast staat dat op 16 december 2015 op een of meer openbare wegen, gelegen nabij het centrum en/of het gemeentehuis van Geldermalsen, massaal geweld heeft plaatsgevonden, dat kan worden gekwalificeerd als openlijke geweldpleging. Het geweld was gericht tegen aldaar aanwezige dienstdoende politieambtenaren, medewerkers van de beveiliging, (politie-) voertuigen, het gemeentehuis en hekwerken/dranghekken. Daarbij is geduwd en getrapt tegen en getrokken aan die hekwerken/dranghekken, die vervolgens zijn opgetild, omhoog- en weggeduwd in de richting van de (zich vlak daarachter bevindende) politieambtenaren en/of beveiligingsmedewerkers. Daarnaast is met verschillende projectielen gegooid, waaronder zwaar vuurwerk, blikjes, flessen, stenen en stoeptegels richting het gemeentehuis, politieambtenaren, politievoertuigen en beveiligingsmedewerkers. De spiegels van een ME-voertuig zijn kapotgeslagen. Ook is door de menigte provocerend geschreeuwd naar de politieambtenaren en beveiligingsmedewerkers.

de rol van verdachte ten aanzien van de openlijke geweldpleging

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. Op de beelden is een persoon met blauwe pet met daarover een capuchon te zien die een steen gooit richting het gemeentehuis met daarna hoorbaar een knal. De politie beschrijft dit ook in het proces-verbaal bevindingen beelden. De politie zet NN123 op politie.nl. Op enig moment komen verdachte en zijn vader op het politiebureau en geven aan dat verdachte betrokken is geweest bij de rellen in Geldermalsen. Ook zijn broer die meegekomen is gaat er op in. Verdachte zegt zelf dat hij daar stomme dingen heeft gedaan en zich mee heeft laten slepen door vrienden en dingen heeft gegooid. Verdachte vertelt ter terechtzitting een ander verhaal over een docent die hem thuis is komen waarschuwen en een vader die niet goed Nederlands spreekt. Verdachte is nog gebeld door de politie en heeft toen aangegeven dat het om de foto met nummer 123 gaat. Nadat verdachte de cautie heeft gekregen zegt hij dat het dom was wat hij eerder gedaan zou hebben en bij de voorgeleiding dat hij maar een steen heeft gegooid, maar dat deze niet raak was. Dat verdachte geen advocaat heeft gesproken, vormt geen probleem. Verdachte had de cautie gekregen en is gewezen op rechtsbijstand.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit wegens gebrek aan bewijs. De verdediging stelt zich op het standpunt dat toen verdachte met zijn vader en broer naar het politiebureau kwam er sprake was van een verhoorsituatie en dat toen ten onrechte niet voor aanvang van het verhoor aan verdachte is medegedeeld dat hij niet tot antwoorden verplicht was. De Hoge Raad beschouwt immers alle vragen aan een door een opsporingsambtenaar als verdacht aangemerkt persoon betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit als een verhoor. Het niet geven van de cautie is een ernstig vormverzuim, hetgeen dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Bij de voorgeleiding van verdachte aan de hulpofficier van justitie was eveneens sprake van een verhoorsituatie. Van een spontane verklaring van verdachte is geen sprake geweest; hem zijn vragen gesteld waarop hij heeft geantwoord. De Aanwijzing rechtsbijstand politieverhoor schrijft dwingend voor dat in een zogenaamde “A-zaak” (zoals deze zaak werd gezien en uitgemeld bij de piketcentrale) een verdachte geen afstand kan doen van Salduz-consultatie. Nu de Salduz melding en de daadwerkelijke consultatie door een advocaat pas na dit verhoor hebben plaatsgevonden, zou het gebruiken van deze verklaring in strijd zijn met artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Aangezien geen 100% zekere herkenning kan worden gedaan door de rechter ter terechtzitting van de beelden – deze zijn immers te donker en de gelaatskenmerken zijn te slecht waar te nemen – dient verdachte wegens gebrek aan bewijs te worden vrijgesproken.

De beoordeling door de rechtbank

Artikel 29, tweede lid, van het wetboek van Strafvordering (Sv) beoogt de verdachte te behoeden tegen ongewilde medewerking aan zijn eigen veroordeling. Ingevolge die bepaling dient de verdachte voor zijn verhoor te worden medegedeeld, dat hij niet verplicht is tot antwoorden (cautie). In de tweede volzin van het derde lid van artikel 29 Sv is bepaald dat die mededeling in het proces-verbaal wordt opgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat dit recht van verdachte twee keer, maar een keer niet, is geschonden en overweegt daartoe als volgt.

Door de politie zijn camerabeelden van wat zich op 16 december 2015 heeft afgespeeld nader geanalyseerd. Een manspersoon, gekleed met onder meer een fel blauw petje met Adidas afbeelding, gooit een steen richting de ruiten van het gemeentehuis, waarna een knal te horen is. De politie zet de foto van deze persoon op politie.nl onder de aanduiding NN123.

1.Verdachte heeft zich op 3 februari 2016, vergezeld door zijn vader en zijn broer, gemeld op het politiebureau te Culemborg. De vader van verdachte heeft daarbij verklaard dat hij zijn zoon kwam aangeven, omdat hij betrokken was bij de rellen in Geldermalsen. Verbalisant [verbalisant] heeft vervolgens aan verdachte de vraag gesteld of dit klopte, zoals vermeld in het proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 februari 2016 op pagina 2416.

De rechtbank is van oordeel dat de vraag “klopt dit?” dient te worden opgevat als een verhoorsituatie, nu deze vraag een rechtstreekse vraag betreft naar de -strafbare-betrokkenheid van verdachte bij de rellen in Geldermalsen op 16 december 2015. Nu verdachte niet voorafgaand aan het stellen van deze vraag de cautie is gegeven, dient deze verklaring van het bewijs te worden uitgesloten. In dit verband verwijst de rechtbank onder meer naar het arrest van de Hoge Raad van 16 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5706.

2. De rechtbank is van oordeel dat het voorgaande eveneens geldt ten aanzien van de verklaringen in het proces-verbaal van bevindingen van 17 februari 2016. In dit proces-verbaal is door verbalisant [verbalisant 3] op pagina 2432 het volgende opgenomen:

“(…) Op woensdag 3 februari 2016 was ik werkzaam als tactisch coördinator TGO België, welke onderzoek doet naar de rellen in Geldermalsen op 16 december 2015. Omstreeks 15.50 uur werd ik gebeld door politieambtenaar [verbalisant] met de mededeling dat de persoon genaamd:

[verdachte], geboren op [geboortedatum] 1999, wonende [adres], telefoonnummer [telefoonnummer], BSN-nummer [BSN], aan het bureau in Culemborg was verschenen om zich te melden naar aanleiding van de verdachtenfoto’s die op politie.nl stonden. Omdat genoemde politieambtenaar vergeten was het betreffende fotonummer te noteren heb ik telefonisch contact gezocht met [verdachte]. Ik heb hem aangegeven dat hij op het politiebureau is geweest om zich te melden doch dat daar het fotonummer niet was genoteerd en dat ik daarom ook niet wist welke foto van de site politie.nl verwijderd zou moeten worden. Hierop gaf [verdachte] aan dat het om foto 123 ging. Deze foto is vervolgens in opdracht van mij direct verwijderd van de betreffende politiesite.”

Ogenschijnlijk is dit een eenvoudige vraag, gericht op het al dan niet verwijderen van de foto met aanduiding NN123 van politie.nl. Uit dit antwoord kan evenwel worden afgeleid dat verdachte bevestigt dat hij de persoon is die staat afgebeeld op deze foto. Dit antwoord kan derhalve worden opgevat en gehanteerd als belastend bewijs (zoals ook door het Openbaar Ministerie wordt gedaan), zodat de rechtbank van oordeel is dat ook hier sprake is van een verhoorsituatie, waarbij aan verdachte ten onrechte niet vooraf de cautie is gegeven. Deze verklaring dient derhalve eveneens van het bewijs te worden uitgesloten.

3. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 15 februari 2016, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], op pagina 2419 blijkt het volgende:

“ (…) Net nadat ik, [verbalisant 2] verdachte [verdachte] vertelde dat hij niet tot antwoorden verplicht was, vertelde [verdachte] dat het dom was wat hij eerder gedaan zou hebben. Ik heb hem toen verteld, dat hij dat nu niet direct hoefde te vertellen wat er was gebeurd. Ik vertelde [verdachte] dat hij dit op een later tijdstip tijdens het verhoor kon vertellen. (…)”

De rechtbank overweegt dat verdachte deze mededeling spontaan heeft gedaan nadat aan hem de cautie was verleend. Door de verdediging is niet aangevoerd dat deze verklaring niet voor de bewijsmotivering gebruikt zou mogen worden. De rechtbank is van oordeel dat deze spontane verklaring van verdachte als bewijs kan worden gebruikt.

Voorts is in het proces-verbaal op pagina 2432 door verbalisant [verbalisant 3] het volgende gerelateerd:

“ (…) Op maandag 15 februari 2016 te 10.01 uur heb ik in mijn functie als hulpofficier van justitie de aangehouden verdachte [verdachte] voorgeleid. Ik heb de identiteit van de verdachte gecontroleerd. Hierna heb ik hem medegedeeld dat hij verdachte was en derhalve niet tot antwoorden verplicht was. Ik heb hem vervolgens medegedeeld dat hij was aangehouden voor openlijke geweldpleging op 16 december 2015 in Geldermalsen, voor het gooien van een steen in de richting van het gemeentehuis. Hierop antwoorde de verdachte spontaan dat hij maar een steen had gegooid maar dat deze niet raak was. Hierna heb ik hem medegedeeld dat hij eerst consultatiebijstand van een raadsman kreeg voordat hij verhoord zou gaan worden. Verder heb ik hem medegedeeld dat hij, indien hij dit wenste, verhoorbijstand kon krijgen van een raadsman of vertrouwenspersoon (…).”

Uit dit proces-verbaal blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat aan verdachte, voorafgaand aan zijn verklaring, vragen zijn gesteld. Dit houdt naar het oordeel van de rechtbank in dat van een verhoorsituatie geen sprake was. De vergelijking die de raadsvrouw van verdachte heeft getrokken met het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 25 september 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:3980) gaat om die reden niet op nu in die casus door de hulpofficier van justitie bij de voorgeleiding de vraag werd gesteld: “weet u waarom u hier bent?”. Het betoog van de verdediging dat de Salduz-norm geschonden is, faalt derhalve. Dat brengt met zich dat deze verklaring van verdachte wel voor het bewijs kan worden gebruikt.

Uit het proces-verbaal aanhouding van 15 februari 2016, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2], op pagina 2417 en 2418 blijkt dat de verdenking van verdachte is aangemerkt als vallend onder de categorie A-zaken zoals genoemd in de Aanwijzing Rechtsbijstand Politieverhoor van het College van procureurs-generaal. Verdachte heeft daarop aangegeven een toegewezen advocaat te willen consulteren en gebruik te willen maken van verhoorbijstand door een vertrouwenspersoon.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat verdachte na het consulteren van zijn raadsvrouw in de verhoren zwijgt over zijn eventuele betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit, hetgeen hij eveneens ter terechtzitting op 11 oktober 2016 is blijven doen. De rechtbank verwijst in dat verband naar het proces-verbaal van bevindingen d.d. 15 februari 2016 opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] (onderste alinea op pagina 2419), de twee processen-verbaal van verhoor minderjarige verdachte d.d. 15 februari 2016, eveneens opgesteld door verbalisant [verbalisant 2] (pagina 2423 e.v.) en de verklaringen van verdachte ter terechtzitting op 11 oktober 2016.

Voorts stelt de rechtbank vast dat de weergegeven foto van persoon NN123 op pagina 1633 en 2427 volledig zwart is zodat niet vastgesteld kan worden wie de persoon is die op de foto staat. Ter terechtzitting zijn de camerabeelden bekeken waarop persoon NN123 op 16 december 2015 in Geldermalsen te zien is. De rechtbank heeft op deze beelden verdachte niet kunnen herkennen als persoon NN123. Uit de bewijsmiddelen die gebruikt mogen worden, blijkt evenmin van een link tussen persoon NN123 en verdachte.

De rechtbank concludeert derhalve dat tot de bewijsmiddelen enkel kunnen worden gerekend de spontane verklaring van verdachte ten overstaan van de hulpofficier op pagina 2432, alsmede zijn verklaring weergegeven in het proces-verbaal van bevindingen van 15 februari 2016 op p. 2419. Gelet op het bepaalde in artikel 341 lid 4 Sv kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen door de opgaven van de verdachte. De verklaringen van verdachte dienen derhalve bevestigd te worden door een tweede bewijsmiddel. Van een tweede bewijsmiddel is de rechtbank niet gebleken. Anders dan de officier van justitie ter terechtzitting heeft betoogd, kunnen de verklaringen van de vader en de broer van verdachte bij de melding op het politiebureau niet als bewijsmiddel gelden nu uit het proces-verbaal van bevindingen op pagina 2416 niet blijkt waarop de vader en de broer de gestelde betrokkenheid van verdachte baseren en waaruit die betrokkenheid van verdachte dan zou hebben bestaan. Immers niet helder is of deze wetenschap uit een andere bron afkomstig is dan die van verdachte zelf.

Gelet op het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende wettig bewijs aanwezig is om te kunnen vaststellen dat verdachte het hem tenlastegelegde feit heeft begaan. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken.

8 De beslissing

De rechtbank, rechtdoende:

Spreekt verdachte vrij van het tenlastegelegde feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Bruins, kinderrechter als voorzitter, mr. A.S.W. Kroon, kinderrechter, en mr. I. de Waal-van Wessem, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W. van de Graaff-Eggink, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op

25 oktober 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, Team Grootschalige Optreden, opgemaakte proces-verbaal, TGO België, gesloten op 24 maart 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.