Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6495

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
05/780070-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek Zilver. In een grootschalig onderzoek naar de productie van synthetische drugs, het aanwezig hebben van synthetische drugs en het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen met betrekking tot opiumwetdelicten gericht op synthetische drugs, is de rechtbank in elf zaken tot (een) bewezenverklaring(en) gekomen. In één van die elf zaken kwam de economische politierechter al op 21 september 2016 tot een bewezenverklaring. In vijf zaken vindt de rechtbank dat er sprake is van deelname aan een criminele organisatie. In verschillende zaken is de rechtbank gekomen tot forse (deels voorwaardelijke) gevangenisstraffen. Ook heeft de rechtbank in een aantal zaken (forse) werkstraffen, al dan niet met daarnaast voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd. In 2 zaken is de rechtbank tot een vrijspraak gekomen.

In deze zaak is een gevangenisstraf van 105 dagen opgelegd, waarvan 90 dagen voorwaardelijk. Daarnaast is een werkstraf van 240 uur opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

team strafrecht

zittingsplaats Zutphen

parketnummer : 05/780070-14

datum uitspraak : 1 december 2016

tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] , [woonplaats]

Raadsman: mr. M.P.J.C. Heuvelmans, advocaat te Venlo.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 oktober 2015, 9 november 2015, 21 september 2016, 19 oktober 2016 en 17 november 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

De volledige tenlastelegging is opgenomen als bijlage bij dit vonnis. De rechtbank volstaat hier met de vermelding dat verdachte er – kort gezegd – van wordt verdacht dat hij al dan niet als medepleger in Putten MDMA voorhanden heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

Op vrijdag 22 november 2013 is in België een Nederlandse vrachtwagen geobserveerd die onderweg bleek te zijn naar Nederland. De vrachtwagen was in Leuven geladen met chemicaliën. De vrachtwagen werd geobserveerd naar aanleiding van een tip dat de geladen chemicaliën gebruikt (zouden kunnen) worden voor de productie van synthetische drugs. Door de Belgische autoriteiten is Nederland verzocht de observatie over te nemen.

De Nederlandse autoriteiten hebben vanwege de verdenking dat deze chemicaliën voor de productie van synthetische drugs gebruikt zouden kunnen worden de observatie overgenomen en vastgesteld dat de vrachtwagen in Neede, gemeente Berkelland, aan de [adres 2] is uitgeladen. Op die plek werd gezien dat de lading in twee keer werd overgeladen in een kleinere vrachtwagen die op en neer reed naar een adres in het buitengebied van Borculo: de [adres 3] .

Op 23 november 2013 is op de [adres 3] in Borculo een doorzoeking gedaan, waarbij hulp is geboden door medewerkers van het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) en door de medewerkers [naam 1] en [naam 2] van de Landelijke Faciliteit Ondersteuning Ontmantelen (hierna: LFO). In een schuur bij de woning werden grondstoffen aangetroffen, waaronder de in Leuven geladen chemicaliën, en apparatuur die ogenschijnlijk was bedoeld voor de productie van synthetische drugs. Ook zijn er sporendragers aangetroffen en in beslag genomen voor verder technisch onderzoek.

Vervolgens is een nader opsporingsonderzoek ingesteld dat aanvankelijk de naam ‘Chloor’ had, maar uiteindelijk de naam ‘Zilver’ heeft gekregen.

In het kader van dat opsporingsonderzoek zijn verschillende technische en tactische opsporingsmiddelen ingezet, zoals het verzamelen van (historische) telefoongegevens, financiële gegevens, informatie over de tenaamstelling van voertuigen, Kamer van Koophandel‑gegevens en gegevens uit het Kadaster. Daarnaast is er geobserveerd, zijn er registrerende bakens aan auto’s bevestigd en zijn er telefoons afgeluisterd. Ook is gebruikgemaakt van informatie van het Team Criminele Inlichtingen en zijn er rechtshulpverzoeken gedaan aan België. Er zijn ook diverse getuigen gehoord, waaronder omwonenden van verschillende locaties.

Eén en ander heeft ertoe geleid dat meerdere mogelijk relevante locaties in beeld kwamen.

Op 3 juli 2014 zijn er op diverse locaties doorzoekingen gedaan en aanhoudingen verricht. Zo zijn er doorzoekingen gedaan op de adressen: [adres 4] in Kortenhoef (zaaksdossier 2), [adres 5] in Middelie (zaaksdossier 4; op deze locatie heeft ook op 12 augustus 2014 een doorzoeking plaatsgevonden), [adres 6] in Putten (zaaksdossier 6), [adres 18] ‑13 (unit A15) en [adres 8] in Nederhorst den Berg (zaaksdossier 7), [adres 9] in Dedgum (zaaksdossier 8), [adres 10] in Zeewolde (zaaksdossier 9) en [adres 11] in Putten (zaaksdossier 10).

Later hebben nog doorzoekingen plaatsgevonden op de adressen: [adres 12] in Kockengen (zaaksdossier 3; op 28 augustus 2014), [adres 13] en [adres 14] in Maartensdijk (zaaksdossier 11; op 9 februari 2015), [adres 15] in Vinkeveen en [adres 16] in Amsterdam (zaaksdossier 12; beide op 28 november 2014).

Op de diverse locaties zijn (in totaal) grote hoeveelheden chemicaliën, drugs en druggerelateerde stoffen, goederen en apparatuur aangetroffen en in beslag genomen.

De resultaten van het opsporingsonderzoek zijn neergelegd in een eindproces‑verbaal van 28 juni 2015. Het eindproces‑verbaal is opgebouwd uit verschillende zaaksdossiers. Die zaaksdossiers zijn gekoppeld aan de verschillende hiervoor genoemde locaties. Op het eindproces‑verbaal zijn vervolgens aanvullingen gekomen. Dit heeft geleid tot in totaal 14 zaakdossiers:

  1. [adres 3] te Borculo

  2. [adres 4] te Kortenhoef

  3. [adres 12] te Kockengen

  4. [adres 5] te Middelie

  5. N247 te Edam

  6. [adres 6] te Putten

  7. [adres 18] ‑13 (A15) en [adres 8] te Nederhorst den Berg

  8. [adres 9] te Dedgum

  9. [adres 10] te Zeewolde

  10. [adres 11] te Putten

  11. [adres 13] en [adres 14] te Maartensdijk

  12. [adres 15] te Vinkeveen en [adres 16] in Amsterdam

  13. Stroomstootwapen aangetroffen in Vinkeveen

  14. Politieanalyse over de verdenking van het bestaan van een criminele organisatie.

De rechtbank stelt voorafgaand daaraan nog het volgende vast:

- MDMA, 2C-B, amfetamine en metamfetamine zijn middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.

- Het NFI heeft een beschrijving gegeven van de relevante chemische processen. Het gaat om de vervaardiging van PMK (piperonylmethylketon) uit safrol via permierenzuuroxidatie van isosafrol (proces 1) en om de vervaardiging van MDMA (methyleendioxymethamfetamine) door reductieve aminering van PMK (proces 2).

Proces 1

Dit proces kent een drietal stappen.

Stap 1 (Omzetting van safrol in isosafrol)

Safrol wordt omgezet in isosafrol door het te mengen met een sterke base zoals natrium- of kaliumhydroxide in een geschikt oplosmiddel, bijvoorbeeld methanol, en dit mengsel enige uren te verhitten en te roeren. De gevormde isosafrol wordt zonodig door vacuüm- of stoomdestillatie gezuiverd.

Stap 2 (Omzetting van isosafrol in esters van isosafrolglycol en mierenzuur)

Het instabiele permierenzuur wordt vers gemaakt door mierenzuur en een waterige waterstofperoxide-oplossing met elkaar te mengen. Het permierenzuur wordt geleidelijk toegevoegd aan een oplossing van isosafrol in dichloormethaan waarin natriumbicarbonaat als suspensie aanwezig is. Bij deze reactie komt warmte vrij waardoor koelen noodzakelijk is, om te voorkomen dat het vluchtige dichloormethaan te veel verdampt en/of er onder invloed van een hogere temperatuur teveel bijproducten ontstaan. Omdat de permierenzuur niet mengt met de isosafroloplossing in dichloormethaan moet er goed geroerd worden om de reactie goed te laten verlopen. Na de reactie bevat de onderlaag (dichloormethaan) het tussenproduct dat bestaat uit esters (rechtbank: een organische verbinding die wordt gevormd door reactie van een zuur met een alcohol) van isosafrolglycol en mierenzuur. Deze onderlaag wordt afgescheiden van de bovenlaag en het oplosmiddel kan worden afgedestilleerd.

Stap 3 (Afdestilleren van de esters van isosafrolglycol in PMK)

Het verkregen tussenproduct uit stap 1 wordt opgelost in methanol en gemengd met verdund zwavelzuur. Dit reactiemengsel wordt gedurende enkele uren verwarmd waarbij PMK wordt gevormd dat zich als separate laag afscheidt van het reactiemengsel. De PMK-laag wordt gescheiden van de zwavelzure laag en zonodig door vacuüm- of stoomdestillatie gezuiverd.

Proces 2

Ook dit proces heeft een drietal stappen, waarbij de eerste stap twee mogelijkheden heeft.

Stap 1A (Reductieve aminering met natriumboorhydride)

Aan een gekoeld mengsel van PMK, methanol of een ander alcohol en methylamine wordt stapsgewijs natriumboorhydride toegevoegd. Hierbij wordt de temperatuur van het reactiemengsel zo laag mogelijk gehouden door dit bijvoorbeeld in een vriezer te plaatsen. De PMK wordt hierdoor omgezet in een MDMA-base.

Stap 1B (Reductieve aminering met behulp van een platinakatalysator en waterstofgas)

Een mengsel van PMK, methanol of een ander alcohol, methylamine en een platina bevattende katalysator wordt in een drukreactieketel geroerd terwijl waterstof over/door dit mengsel wordt geleid. De PMK wordt hierdoor omgezet in MDMA-base. Na de reactie wordt de platinakatalysator voor hergebruik of recycling afgescheiden door dit te laten bezinken of de oplossing te filteren.

Stap 2 (Afdestilleren van het alcohol en de methylamine)

De vluchtige hulpstoffen worden afgedestilleerd waarbij de ruwe MDMA-base achterblijft als olieachtige vloeistof. Het afgedestilleerde mengsel bestaat voornamelijk uit methylamine in de gebruikte alcohol met daarin lage concentraties MDMA, PMK en andere vluchtige syntheseverontreinigingen.

Stap 3 (Kristallisatie MDMA-base als HCl‑zout)

De olieachtige MDMA-base wordt omgezet in zout, een vaste stof. Deze kristallisatie wordt uitgevoerd door MDMA-base op te lossen in aceton en daar zoutzuur (als gas of als oplossing in water) aan toe te voegen. Het gevormde MDMA hydrochloride is slecht oplosbaar in aceton en kristalliseert uit. Dit kristallisatiemengsel wordt in de vriezer geplaatst waardoor de kristallisatie sneller verloopt en de opbrengst wordt verhoogd. De kristallen worden verzameld door middel van filtratie. De overgebleven vloeistof, zure aceton met daarin nog resten MDMA en syntheseverontreinigingen, kan opnieuw gebruikt worden voor kristallisatie alvorens te eindigen als afval.2

- [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) werd door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in dit onderzoek ‘ [naam 13] ’ genoemd.3 [medeverdachte 1] ontkent dat hij zo door hen genoemd werd. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben echter afzonderlijk van elkaar, meteen nadat een foto van [medeverdachte 1] werd getoond, verklaard dat zij die persoon kennen als ‘ [naam 13] ’. Zij zijn bij deze verklaring gebleven en hebben bij herhaling verklaard over ‘ [naam 13] ’. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat, wanneer door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] over ‘ [naam 13] ’ wordt verklaard, [medeverdachte 1] wordt bedoeld. In de uitwerking van de verhoren van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] wordt deze naam op twee manieren gespeld, als ‘ [naam 13] ’ en ‘ [naam 12] ’. Bij de bespreking van de verschillende zaaksdossiers wordt met beide schrijfwijzen [medeverdachte 1] bedoeld.

- [medeverdachte 1] gebruikte ook de naam [naam 3]4 en [naam 4] .5 Hij heeft zich daarnaast uitgegeven als [naam 5] en [naam 6] .6

- [medeverdachte 1] is door medeverdachten in verklaringen ook aangehaald met zijn voornaam [naam 7] . Niet ter discussie staat dat met ‘ [naam 7] ’ [medeverdachte 1] wordt bedoeld. Wanneer een verklaring van een medeverdachte, waarin wordt gesproken over [naam 7] , als bewijs wordt gebruikt, haalt de rechtbank omwille van de leesbaarheid [medeverdachte 1] aan met diens achternaam.

- [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) werd door [medeverdachte 2] ‘ [naam 8] ’ genoemd.7 [medeverdachte 4] ontkent dat hij door [medeverdachte 2] zo werd genoemd. De rechtbank heeft echter geen redenen om op dit punt te twijfelen aan de verklaring van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] is bij deze verklaring gebleven en heeft bij herhaling verklaard over ‘ [naam 8] ’. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat, wanneer in de verklaringen van [medeverdachte 2] over ‘ [naam 8] ’ wordt gesproken, [medeverdachte 4] wordt bedoeld.

- [medeverdachte 2] werd ook ‘ [naam 9] ’ of ‘ [naam 10] ’ genoemd.8 De rechtbank gaat er vanuit dat, wanneer in verklaringen of andere bewijsmiddelen over ‘ [naam 9] ’ of ‘ [naam 10] ’ wordt gesproken, [medeverdachte 2] wordt bedoeld.

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 3 juli 2014 zijn verschillende panden doorzocht, waaronder de woning van de vader van verdachte. Op dat moment werden telefoonlijnen getapt van familieleden van verdachte en van verdachte zelf. Uit de reacties die op de telefoonlijnen te beluisteren waren, rees het vermoeden dat bij verdachte in huis drugs of aan drugs gerelateerde producten verborgen lagen. Daarop is op 3 juli 2014 vanaf 15:35 uur ook de woning van verdachte aan de [adres 11] te Putten doorzocht. Daarbij werden op zolder drie boodschappentassen met MDMA in de vorm van grijsbruine kristallen gevonden.9 Het nettogewicht hiervan bedroeg 47,34 kg.10

De tassen zijn enkele weken vóór 3 juli 2014 op de zolder neergezet door [medeverdachte 3] , de vader van verdachte, op een moment dat verdachte zelf niet aanwezig was. De vader van verdachte heeft dit naar eigen zeggen gedaan omdat hem was gevraagd een stof mee te nemen die droog moest staan. Hij zou hier € 250,- voor krijgen. Het had al weer opgehaald moeten zijn, maar stond er nog tijdens de zoeking.11 De vader van verdachte had aan verdachte toestemming gevraagd om de tassen op zolder neer te zetten en heeft gezegd dat verdachte er wat geld voor zou krijgen. Verdachte, die het goed vond dat er wat op zijn zolder werd geplaatst, heeft op enig moment in de tassen gekeken.12

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 47,34 kg MDMA.

Het standpunt van de verdediging

Namens verdachte heeft de raadsman het volgende – zakelijk weergegeven – aangevoerd. Verdachte heeft zich niet schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van MDMA.

Verdachte wist niet dat de op zijn zolder aangetroffen tassen MDMA bevatten. Dat verdachte in de verhoren toch bevestigt dat hij wist dat het om MDMA ging, komt omdat hem kort ná de vondst van de drie tassen door de politie is verteld dat in de tassen MDMA zat. Wanneer de verhoren in hun geheel worden beluisterd, valt op dat verdachte eindeloos ontkent maar dat de verbalisanten dit niet willen horen. De context is dat verdachte een verklaring moet afleggen die past in het onderzoek, dat volgens verbalisanten staat als een huis. Verbalisanten willen alleen maar horen dat verdachte wist dat het MDMA was, maar hij wist niet wat het was.

Het ligt ook niet voor de hand dat verdachte de term MDMA zelf in de verhoren zou hebben geïntroduceerd. MDMA is voor de gemiddelde burger geen gangbare term en verdachte heeft geen bijzondere kennis op dit gebied. De MDMA zoals in de tassen aangetroffen, zag er bovendien uit als een soort basterdsuiker. Dit is geen gangbare vorm voor een harddrug zodat verdachte hiervan niet onmiddellijk hoefde te denken dat het daarom ging.

Ten aanzien van de telefoongesprekken tussen verdachte en zijn moeder kort vóór de vondst van de MDMA heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Verdachte wist dat er wat op zijn zolder was gelegd door zijn vader. Als verdachte dan hoort dat zijn vader is aangehouden in verband met harddrugs gaan bij hem alle alarmbellen rinkelen: ‘Bij hem ligt er ook wat’. Het is bijna letterlijk te horen dat het kwartje valt en dat verdachte plotseling beseft in wat voor een lastig pakket hij zit. Het is vanuit dit perspectief dat de telefoongesprekken moeten worden geïnterpreteerd.

De beoordeling door de rechtbank

De vraag die voorligt is of verdachte wist dat in de tassen op zijn zolder MDMA zat. Omdat ter zitting discussie is ontstaan over wat hierover door verdachte in zijn politieverhoren daadwerkelijk is gezegd, zijn het tweede en vierde verhoor van verdachte op verzoek van de rechtbank letterlijk uitgewerkt en zijn de opnames aan het dossier toegevoegd. Omdat de letterlijke uitwerking van de verhoren niet volledig bleek te zijn en onjuistheden bevatte, zijn ter zitting van 19 oktober 2016 delen uit het tweede verhoor van verdachte beluisterd. Daaruit blijkt dat verdachte tweemaal heeft gezegd dat hij wist dat in de tassen MDMA zat. Het gaat om de volgende fragmenten uit het tweede verhoor:

Minuut 22:20 – 23:00

‘V: wat zat erin, in de tassen?

A: MDMA toch?

V: ja maar het is een vraag aan jou he

A: MDMA

V: dat wist je van te voren al?

A: nee, dat wist ik niet, ja ik wist wel dat het MDMA was.’

Minuut 35:00 – 36:28

‘V: hij heeft niet gezegd hoeveel, maar wel als hij het bij jou op zolder mocht neerleggen, of bij jou thuis mocht neerleggen.

A: dat ik er wat mee kon verdienen

V: dat je er wat mee kon verdienen

V: wist je waar het om ging?

A: MDMA

V: dat vertelde hij er toen bij in het gesprek?

A: ja.’

De rechtbank overweegt dat deze bevestigende antwoorden op zich zelf niet voldoende zijn om tot het bewijs te komen dat verdachte wist dat in de tassen MDMA zat. Dit heeft in de eerste plaats te maken met de wijze waarop de verhoren tot stand zijn gekomen. Daarin wordt aan verdachte inderdaad weinig ruimte gelaten om zijn kant van het verhaal te vertellen en die te laten vastleggen. In de tweede plaats heeft verdachte in de verhoren meermalen ontkend te hebben geweten dat het MDMA betrof. Ook na de beide zojuist geciteerde fragmenten volgen uitspraken van verdachte die eerder duiden op een ontkenning. Zo geeft hij aan niet te weten dat in de tassen grondstoffen voor XTC zaten (minuut 26:00) en kent hij de waarde van de tassen niet (minuut 43:12). In het latere, vierde, verhoor van verdachte geeft hij aan dat “Als hij het had geweten, hij het niet had gedaan” (minuut 02:43:47). Deze uitlatingen verhouden zich slecht tot de voorgaande opmerkingen van verdachte dat hij wel wist dat het MDMA was. Desondanks is op deze uitlatingen niet doorgevraagd.

Vanwege deze kanttekeningen heeft de rechtbank bekeken of de antwoorden van verdachte dat hij wél wist dat het om MDMA ging ondersteuning vinden in ander bewijs in het dossier. Het volgende is dan relevant.

Op 3 juli 2014 om 13:02:05 uur – dus nog vóór de doorzoeking bij verdachte – belt de moeder van verdachte met verdachte. Zij vertelt dat ‘papa’ is gearresteerd en dat het met harddrugs te maken had. Ze weet niet of [medeverdachte 2] is gearresteerd. Verdachte geeft dan antwoord.

‘Verdachte : ja bij mij thuis ligt er wat

Moeder : bij jou thuis ligt wat?

Verdachte : Ja

Moeder : wat dan?

Verdachte : ja, niet eh klein beetje..

Moeder : waarvan, wat eh doe je effe gewoon eh..

Verdachte : ja, dat kan nou niet, dat kan ik niet zo zeggen mam.’13

Verdachte geeft in dit gesprek aan dat ‘er bij hem thuis ook wat ligt’. Dit zegt hij na de mededeling van zijn moeder dat zijn vader is gearresteerd in verband met harddrugs. De rechtbank ziet niet in hoe de mededeling dat ‘er bij hem thuis ook wat ligt’ anders moet worden uitgelegd dan dat verdachte zegt dat er bij hem thuis óók harddrugs liggen. Verdachte zegt dit bovendien stellig. Uit de weergave van het gesprek volgt niet dat verdachte hierover lang heeft moeten nadenken of op dat moment al nadenkende conclusies trekt over de aard van wat er bij hem op zolder ligt. De rechtbank volgt de raadsman daarom niet dat pas tijdens dit gesprek bij verdachte ‘het kwartje valt’. Verdachte heeft geweten dat het om harddrugs ging. De rechtbank vindt hiervoor bovendien ondersteuning in het volgende.

Diezelfde dag heeft verdachte om 16:02:11 uur telefonisch contact met [naam 11] , de vrouw van zijn broer. Daarin wordt onder meer het volgende gezegd door verdachte.

‘Verdachte: Hé eh, bij mij stond er ook politie aan de deur, (…) maar bij mij ligt er wat binnen (…) en heel veel. (…) Als ze dat pakken dan eh is het gebeurd… maar, wil jij misschien eh naar mijn huis rijden (…) dan moet je naar zolder lopen, dan moet je wat dingen pakken (….) dit is echt heel belangrijk.’14

Op 3 juli 2014 om 16:12:48 uur belt verdachte vervolgens met zijn moeder en vindt het volgende gesprek plaats:

‘Moeder : [verdachte] , ze zijn binnen bij je

Verdachte : Wat, bij mij?

Moeder : ja

Verdachte : Oh ma…

Moeder : Ja, dat eh, ik weet verder ook niks [verdachte] , als het goed is dan eh…

Verdachte : Kan ik, dan kan ik, kan ik 6 jaar gaan zitten

Moeder : Wat dan, ‘jij zit toch niks’ (fonetisch)

Verdachte : Jawel

Moeder : Wat jawel?

Verdachte : Ja, er lig ‘god”(fonetisch) veel bij mij thuis

Moeder : Ah jongen toch!

Verdachte : Ja echt waar!

Moeder : wat is dat nou Toch?

Verdachte : Ja dat ligt er godverdomme bij mij (begint te huilen).. (Diepe zucht)…kanker!

Moeder : Jaha

Verdachte : nou kan ik 6 jaar ma, ik ga 6 jaar zitten nou.’15

Uit de laatste twee gesprekken leidt de rechtbank af dat verdachte niet alleen wist dat bij hem harddrugs lagen maar ook dat hij zwaar in de problemen zat als deze bij hem gevonden zouden worden.

Wel dient dan nog de vraag te worden beantwoord of verdachte ook wist dat het om MDMA ging. De rechtbank is van oordeel dat dit zo is en verwijst hiervoor naar de verklaring van de broer van verdachte. [medeverdachte 2] heeft het volgende verklaard (cursief door rechtbank)

Negende verhoor

‘V: eh je weet dat bij [verdachte] op zolder die MDMA is aangetroffen he?

A: ja dat weet ik dat aangetroffen is ja

(…)

A: ik wist later wel dat het er stond ja

V: dat het er stond?

A: Ja, broertje had het tegen me gezegd. Toen ben ik gaan, toen ben ik uit mijn dak gegaan tegen mijn pa. Ja

V: en dat nog was voor de aanhouding dus?

A: ja

V: en hoe was de reactie van je broer of van je vader?

A: ja gewoon, alsof het de normaalste zaak van de wereld was dat je dat gewoon op je zolder neerzet. Ja dat, dat gaat er bij mij ook niet, nee dat. Nou ja. Ik ga er niet verder eh, ik wil daar niet verder he, verder niks over.16

(….)

V: hoe ben jij dat te weten gekomen dat dat spul daar stond?

A: heb ik net gezegd

V: ja maar je hebt het met je broertje en je vader erover gehad

A: ja

(…)

A: ik denk een paar dagen later

V: van wie hoorde je dat dan?

A: van mijn broertje

(…)’ .17

Uit het hiervoor geciteerde deel van het verhoor is af te leiden dat [medeverdachte 2] wist dat er MDMA op de zolder van zijn broer [verdachte] stond. Volgens hem had verdachte dat tegen hem gezegd. Daarna is hij ‘uit zijn dak gegaan’. De rechtbank gaat er vanuit dat [medeverdachte 2] niet zo boos is geworden door de enkele mededeling ‘dat er drie tassen op de zolder stonden’. Verdachte zal iets moeten hebben gezegd tegen [medeverdachte 2] wat er toe leidde dat hij zo boos is geworden. De boosheid van [medeverdachte 2] kan passen bij wat [medeverdachte 2] zelf verklaart, namelijk dat hij wist dat er MDMA bij verdachte op zolder stond en dat verdachte dit tegen hem had gezegd.

Als het voorgaande in onderlinge samenhang wordt bezien, is de rechtbank van oordeel dat de bekentenissen van verdachte in zijn tweede verhoor niet op zichzelf staan, maar ondersteund worden door andere bewijsmiddelen. Daarmee acht de rechtbank deze bekentenis bruikbaar voor het bewijs. De rechtbank concludeert dan ook dat verdachte wist dat de tassen op zijn zolder MDMA bevatten. Hij heeft daarmee opzettelijk 47,34 kg MDMA aanwezig gehad.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] heeft gepleegd. Dit oordeel is deels gebaseerd op de bewijsmiddelen zoals die zijn uitgewerkt in de bewijsbijlagen bij zaaksdossiers 6 en 7. In dat kader zijn deze bewijsbijlagen óók als bijlage aan het vonnis in de zaak tegen verdachte gehecht.

De uitkomst van een vergelijkend onderzoek door het NFI geeft veel steun aan de stelling dat de MDMA die in deze boodschappentassen is aangetroffen uit dezelfde productiepartij afkomstig is als de in Nederhorst den Berg (zaaksdossier 7) aangetroffen MDMA.18 De rechtbank heeft ten aanzien van zaaksdossier 7 geconcludeerd dat [medeverdachte 1] op de locatie Nederhorst Den Berg MDMA heeft geproduceerd. Dit was in de periode dat de MDMA op de zolder bij verdachte is neergezet. Daarnaast blijkt volgens de rechtbank uit de bewijsmiddelen uit onder andere zaaksdossier 6 dat [medeverdachte 3] alleen voor de organisatie van [medeverdachte 1] werkte en dat hij in dat verband druggerelateerde goederen vervoerde. De rechtbank komt tot de conclusie dat de MDMA op de zolder van de woning van verdachte door [medeverdachte 1] is geproduceerd.

Duidelijk is verder dat [medeverdachte 3] niet zelfstandig handelde maar slechts wanneer hij van een ander een opdracht kreeg. De rechtbank concludeert dan ook dat [medeverdachte 3] de opdracht tot het bewaren van de MDMA (uiteindelijk) van [medeverdachte 1] heeft gekregen en dat [medeverdachte 1] daarmee de wetenschap had wie de MDMA onder zijn hoede had, nu [medeverdachte 1] steeds, al dan niet via de mensen die voor hem werkten, over alle relevante informatie beschikte. Het voorgaande rechtvaardigt de gevolgtrekking dat [medeverdachte 3] de MDMA bewaarde voor [medeverdachte 1] en dat [medeverdachte 1] op ieder moment kon aangeven wat er met de MDMA moest gebeuren. Daarmee is de MDMA niet uit de beschikkingsmacht van [medeverdachte 1] verdwenen.

Zoals als vaststaand is aangemerkt, zijn de tassen enkele weken vóór 3 juli 2014 door [medeverdachte 3] op de zolder van verdachte neergezet. Met betrekking tot de wetenschap bij [medeverdachte 3] dat in de tassen MDMA zat en zijn beschikkingsmacht over die MDMA, overweegt de rechtbank nog als volgt.

De rechtbank heeft geconcludeerd dat [medeverdachte 3] vanaf 23 november 2013 moet hebben geweten dat het hier om druggerelateerde goederen ging. Op 23 november 2013 is een drugslaboratorium in Borculo opgerold. [medeverdachte 3] is hier meermalen aanwezig geweest en is na het oprollen van het drugslab in Borculo op verzoek van één van de medeverdachten aanwezig geweest bij een bijeenkomst bij De Goudreinet/het Eitje in Barneveld. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij werd gebeld door [medeverdachte 3] met de mededeling dat er iets fout was gegaan en dat hij ( [medeverdachte 4] ) zo snel mogelijk naar De Goudreinet in Barneveld moest komen. Toen hij daar kwam, waren [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] er al. [medeverdachte 4] hoorde op de carpoolplaats bij dat restaurant dat er een lab aanwezig was in de schuur van [medeverdachte 5] in Borculo. Dat was op de dag dat het lab werd opgerold.19 [medeverdachte 2] heeft hierover verklaard dat hij die zaterdag dat het lab is opgerold, in Borculo is geweest, om te kijken of het echt zo was en of het echt werd opgerold. Hij had van zijn vader gehoord dat de politie daar was. Ze hebben ook nog afgesproken op de parkeerplaats bij De Goudreinet/het Eitje. Dat was een afspraak met [naam 8] , [naam 12] en [medeverdachte 3] . Toen kwam ter sprake dat [naam 12] niet geloofde wat [medeverdachte 3] zei, aldus [medeverdachte 2] . [naam 12] geloofde niet dat het lab opgerold werd.20 Deze verklaringen leiden de rechtbank tot het oordeel dat [medeverdachte 3] vanaf dit moment wist dat er in Borculo een lab had gezeten. Hij is desondanks doorgegaan met het rijden met chemicaliën en (rand)apparatuur, goederen die te herleiden zijn tot de productie van drugs, en ook voor dezelfde persoon/personen (zaaksdossier 6).

Verdachte heeft in zijn tweede verhoor tweemaal verklaard dat hij wist dat in de tassen MDMA zat. Dit wordt bevestigd door de verklaring van [medeverdachte 2] die in zijn eigen verhoor heeft verklaard dat zijn broer tegen hem zei dat er MDMA bij hem op zolder stond. Dat verdachte van een ander dan zijn vader heeft gehoord dat in de tassen MDMA zat, acht de rechtbank onaannemelijk. Niet is gebleken dat [verdachte] met een ander dan [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] heeft gesproken over de tassen. Geconcludeerd wordt daarom dat [medeverdachte 3] wist dat in de tassen MDMA zat.

Ook had [medeverdachte 3] naar het oordeel van de rechtbank beschikkingsmacht over die MDMA. Hij had de opdracht gekregen een droge plek te vinden waar de tassen bewaard konden worden. Hij heeft daarop zelf bedacht dat de tassen op de zolder bij zijn zoon konden staan. Verdachte vond dit goed. [medeverdachte 3] had een sleutel van de woning van verdachte en kon daar volgens verdachte gewoon naar binnen.21 Om die reden had [medeverdachte 3] niet alleen de wetenschap van- maar ook de beschikkingsmacht over de MDMA.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 03 juli 2014 te gemeente Putten (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 47,34 kilogram gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft daarbij overwogen dat deze eis veel lager is dan de richtlijnen van het Openbaar Ministerie in dit soort zaken aangeven. Hij heeft echter rekening gehouden met het feit dat verdachte als een ‘afgeleide medepleger’ moet worden gezien. De MDMA was niet van verdachte zelf. Ook houdt hij rekening met de het feit dat verdachte niet eerder door de strafrechter is veroordeeld. Van een overschrijding van de redelijke termijn, zoals de raadsman betoogd, is echter geen sprake.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat weliswaar de schuldvariant van het tenlastegelegde bewezen kan worden maar dat een eventueel op te leggen straf beperkt dient te zijn. Verdachte heeft een belaste voorgeschiedenis. De onterechte veroordeling van zijn vader, toen verdachte nog een jong kind was, heeft ontzettend veel impact gehad op het gezin. Na de zware jaren die vader in onterechte detentie heeft doorgebracht, is het gezin erg hecht geworden. Het gezin is uitermate loyaal aan elkaar en verdachte doet alles voor hun vader. Iets weigeren wat vader vraagt, is voor hem geen optie. In die context moet het bewaren van de tassen op zolder voor zijn vader worden gezien. Niet meer en niet minder. Dit rechtvaardigt géén onvoorwaardelijke gevangenisstraf, ook nu verdachte al in voorarrest heeft gezeten.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 25 juli 2016;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland van 23 september 2014;

Verdachte heeft enkele weken lang een paar tassen met ruim 47 kg MDMA op de zolder van zijn woning aanwezig gehad. De straatwaarde van deze MDMA bedroeg tussen de één en anderhalf miljoen euro en er hadden ruim 365.000 XTC-pillen van gemaakt kunnen worden. Het is algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs zoals XTC gezondheidsrisico’s kan opleveren. De volksgezondheid wordt bedreigd door de productie van synthetische drugs. In zaken waarin het gaat om harddrugs worden daarom vaak lange gevangenisstraffen opgelegd. Zeker als het gaat om zulke grote hoeveelheden. Het is de bedoeling om met zo’n lange straf anderen af te schrikken en om de verdachte zelf ervan te weerhouden zich in de toekomst nogmaals met harddrugs bezig te houden.

De vraag is nu of er in deze zaak redenen zijn om het anders te doen. De rechtbank is van oordeel dat dit zo is.

Verdachte heeft op verzoek van zijn vader enkele weken MDMA op zijn zolder bewaard. De vader van verdachte handelde ook weer op verzoek van een ander. Verdachte en zijn vader waren daarmee niet de eigenaren van de MDMA en hadden de MDMA tijdelijk in bewaring voor een ander. Verdachte zou voor het bewaren van de MDMA op de zolder slechts een beperkte vergoeding krijgen. Een vergoeding die hij goed kon gebruiken maar die niet in verhouding stond tot de werkelijke waarde van de drugs en het risico dat hij nam door de drugs op zijn zolder te bewaren.

Verdachte en zijn raadsman hebben overtuigend bepleit dat door de voorgeschiedenis van de vader van verdachte er een sterke loyaliteit is in het gezin. Verdachte was zich, zo blijkt ook uit het reclasseringsrapport, onvoldoende doordrongen van waar hij mee bezig was en van de mogelijke gevolgen van zijn handelen. Ter zitting heeft hij laten zien, dat hij inmiddels wel snapt dat hij dit nooit had moeten doen.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het bewaren van de harddrugs op zolder een eenmalige domme actie was en was ingegeven door het moment en de voor hem geldende bijzondere omstandigheden zoals hiervoor omschreven. Verdachte had beter moeten weten en een straf is dan ook op zijn plaats. Maar het nu opnieuw opsluiten van verdachte zou grote consequenties hebben. Zo dreigt verdachte dan zijn baan en woning te verliezen. Dit zijn gevolgen die niet in verhouding staan tot wat er werkelijk is gebeurd. Zeker niet, nu het bewaren van de MDMA twee jaar geleden plaatsvond, verdachte niet eerder is veroordeeld en hij sindsdien niet opnieuw met politie in aanraking is gekomen.

Verdachte heeft naar aanleiding van dit feit bovendien ruim twee weken in voorarrest gezeten en mocht daarbij in het geheel geen contact hebben met de buitenwereld. Dit is voor verdachte een ingrijpende ervaring geweest.

Om al deze redenen is de rechtbank van oordeel dat verdachte wel een forse werkstraf moet krijgen maar dat hij niet opnieuw vast hoeft te zitten. Volstaan wordt daarom met een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. De werkstraf zal de maximale duur van 240 uren bedragen vanwege de grote hoeveelheid harddrugs waar het hier om gaat. Ook zal verdachte als waarschuwing een proeftijd krijgen van twee jaren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47 en 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 13 van de Opiumwet.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 105 (honderdenvijf) dagen;

 beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden;

 beveelt dat een gedeelte, groot 90 dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast;

 stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast;

 beveelt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien verdachte zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezen verklaarde tot een werkstraf van 240 uren;

 beveelt dat vervangende hechtenis wordt toegepast van 120 dagen als verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.G.J. Post, voorzitter, mr. N.C. van Lookeren Campagne en

mr. R.G.J. Welbergen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman en mr. M.C. Korevaar, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 december 2016.

Tenlastelegging

Onder parketnummer 05/780070-14 is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op een of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 juni 2014 tot en met 03 juli 2014 te gemeente Putten (telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 47,34 kilogram gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid

van artikel 3a van die wet.

Bijlage zaaksdossier 6 – [adres 6] te Putten

Voorbereidingshandelingen

[naam 1] van de LFO heeft beschreven dat hij op 3 juli 2014 in een loods (loods 1) aan de [adres 6] in Putten apparatuur, chemicaliën en afvalstoffen heeft aangetroffen die kunnen worden gerelateerd aan de productie van synthetische drugs en precursoren. Er stonden onder andere veertien blauwe 200 litervaten, waarvan er negen leeg en vijf vol waren, een industriële koelunit, een 1.500 liter zelfbouw reactievat van roestvrijstaal, tientallen vaten en jerrycans met vloeistof, een elektrische verwarmingsspiraal, een kunststof 600 liter

opslagtank-mengtank-afscheider, een IBC geheel gevuld met 1.000 liter afval, vijf metalen 200 liter‑vaten, twee rvs reactieketels, een manifold met een aansluiting voor slangen, een houten kist met onder andere flessen cyclohexilamine, nitro‑ethane, zakken granucol, zakken actieve kool, flessen methylformamide, kwikchloride, stukjes aluminiumfolie, een rol aluminiumfolie en een emmer actieve carbon, een houten kist met laboratorium materialen zoals koelspiraal, rondbodemkolf en trechter, een rvs zelfbouw koelunit en een zelfbouw transport-mengtank, een rvs reactievat, vier vriezers met in iedere vriezer drie 60 liter blauwe klemdekselvaten met daarin restanten MDMA‑kristallen en aceton, achttien bruine zakken met elk 25 kg ammoniumchloride, een kartonnen doos met vier 5 liter jerrycans, met opschrift ‘Chloroform’, een witte 30 liter jerrycan met opschrift 96% ethanol, zesentwintig blauwe 50 litervaten (gevuld met een mengsel van isopropanolammoniak‑oplossing, dat gebruikt kan worden voor de productie van amfetamine via reductieve aminering), een houten krat gevuld met achttien 25 liter‑jerrycans (opschrift ‘waterstofperoxyde’ of ‘mierenzuur’, allemaal gevuld) en een houten krat gevuld met drie 25 liter zwarte jerrycans (met opschrift ‘zwavelzuur’, vol).22

Het NFI heeft onderzoek gedaan naar de in deze loods aangetroffen voorwerpen. Een deel van de monsters bevatte PMK en/of diverse daaraan gerelateerde syntheseverontreinigingen. Daarnaast is er mierenzuur, waterstofperoxide, aceton en zwavelzuur aangetroffen en volle 200 liter drums met waarschijnlijk dichloormethaan. Deze materialen zijn terug te voeren op de vervaardiging van PMK uit isosafrol door middel van permierenzuuroxidatie. De stoffen MDMA, PMK, gereduceerd PMK, methylamine, natriumboorhydride, methanol, isopropanol, aceton en zoutzuur zijn in een deel van de monsters aangetoond. Dit is terug te voeren op de vervaardiging van MDMA-HCL uit PMK met de reductieve amineringsmethode waarbij natriumboorhydride is gebruikt (de zogeheten koude methode).

Er zijn ook nog andere stoffen gevonden die een meer algemeen gebruik hebben in de chemie, maar ook kunnen worden gebruikt voor het maken van 2C-B en amfetamine.23

In een andere loods (loods 2) werden benodigdheden voor kristallisatie, drogen, mengen en tabletteren aangetroffen.24 Het gaat onder andere om pallets met tientallen volle jerrycans (met afval), tien speciekuipen besmet met MDMA, een cementmixer, een kartonnen doos met elf flessen bio-ethanol, twee zakken melkpoeder, achtentwintig zakken glucosesiroop, een vrieskist (die naar aceton rook), een droogkast, twee Santos granuleermachines, meerdere dozen met houten stempels en matrijzen, een emmer, een instelwiel van een tabletteermachine, een stofkap voor een tabletteermachine, twee emmers met daarin diverse handschoenen, mondkapjes en gripzakjes, en een witte emmer gevuld met diverse zeven voor de granuleermachine-crusher.25

Het NFI heeft ook de goederen uit loods 2 onderzocht en geconcludeerd dat in het onderzoeksmateriaal MDMA, amfetamine, metamfetamine, BMK, APAAN en zwavelzuur is aangetoond. Een groot deel van het materiaal is gerelateerd aan de bewerking (in de vorm van tabletteren) van MDMA en de vervaardiging van BMK uit APAAN met gebruikmaking van zwavelzuur.26

[naam 1] heeft verder gerelateerd dat hij op het terrein in Putten een Mercedes Benz bestelauto met kenteken [kenteken 1] zag staan. Hij heeft onderzoek gedaan in de laadruimte en daar een tabletteermachine en een granuleermachine aangetroffen.27

Het perceel [adres 17] te Putten is eigendom van [naam 14] , die heeft verklaard dat [medeverdachte 3] vertelde dat hij partijhandel deed en opslagruimte zocht. [medeverdachte 3] huurde vanaf juli 2013 en betaalde de huur van € 450,- zelf aan [naam 14] . Iedere maand contant, maar soms een paar maanden vooruit.28 [naam 14] is een maand of twee eerder (opmerking rechtbank: het verhoor vond plaats op 15 juli 2014) in de loods geweest en zag toen onder meer een grote hoeveelheid jerrycans, houten kisten, een groot 1.000 litervat en een grote plas hydrauliekolie. Er hing een weeïge lucht.29 [naam 14] heeft [medeverdachte 2] daar vaak met de Suzuki gezien of hij kwam met zijn vader en ging dan samen met zijn vader met de Mercedes‑bus weg. De bus stond sinds oktober/november 2013 regelmatig op het erf geparkeerd, aldus [naam 14] .30

[naam 14] heeft, na het tonen van een foto (SKN [nummer 1] ), verklaard dat hij die man meerdere keren op het erf heeft gezien.31 De getoonde foto is van [medeverdachte 1] .32 [medeverdachte 3] vertelde dat hij veel zaken deed met deze man. Als de man kwam, was hij altijd samen met [medeverdachte 3] . Dat was een keer of vijf. [naam 14] had de indruk dat deze man vér boven [medeverdachte 3] stond bij het zakendoen, omdat hij de lakens uitdeelde richting [medeverdachte 3] . [naam 14] had het idee dat [medeverdachte 3] met deze man ook alles overlegde over de verhuur van de loods. Hij denkt dat hij de man voor het eerst heeft gezien in september 2013. Na het tonen van een foto van de Mercedes bestelbus heeft [naam 14] verklaard dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gebruikmaakten van deze bus. Ook de man op de foto ( [medeverdachte 1] ) kwam de bus een keer terugbrengen. Hij was toen alleen.33

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij twee loodsen en een garage huurde bij de boer aan de [adres 17] . Dat was sinds een maand of zes, zeven, maar de laatste loods huurde hij pas sinds twee of drie maanden. In één loods stond zijn aanhanger en een kastje, in de andere stonden jerrycans en troep, bakken en een grote koelmachine.34 [medeverdachte 3] heeft ook verklaard dat hij na wat er gebeurd was in Borculo meerdere keren van andere plekken spullen heeft opgehaald en weggebracht met de vrachtwagen. Hij is doorgegaan voor het geld.35 In Putten werd de bus bijvoorbeeld geladen. Die bracht [medeverdachte 3] dan naar een parkeerplaats in Amsterdam. Daar werd de bus meegenomen. Bijvoorbeeld leeggegooid of volgegooid. Dan kwamen ze weer naar hem toe. Dan pakte hij de bus en ging hij weer weg. Dus hij is bij meerdere plekken geweest.36

[medeverdachte 2] heeft over de [adres 17] verklaard dat dat de opslagplek was. Daar werden spullen neergezet en weer weggehaald. Dat deed iedereen. [medeverdachte 2] denkt dat [naam 12] het huurde. Pa kwam daar en die deed de betalingen. Zijn vader kreeg geld en dan deed hij de betalingen, aldus [medeverdachte 2] .37 Hij kwam er zelf niet echt dagelijks, maar soms een paar dagen wel en dan een paar dagen niet, dan een week of een maand niet. [medeverdachte 2] heeft vaak gezien dat er dingen waren weggehaald of gebracht. Dan waren er weer bakken weg of stonden er bakken of spullen bij.38 In de grote loods stonden houten kratten met jerrycans. IJzeren bakken stonden er af en toe en een beetje elektraspullen en ook een pompwagen en een vriesmachine, aldus [medeverdachte 2] . Hij heeft er zelf ook ijzeren bakken en grondstoffen neergezet. Ook stonden er spullen uit Dedgum en Middelie. [medeverdachte 2] heeft sowieso aceton zien staan.39

[medeverdachte 2] heeft, toen hij werd verhoord over de locatie in Middelie, verklaard dat hij ongeveer een maand vóór zijn aanhouding op die locatie ergens achter Volendam is geweest. Hij is samen met zijn vader naar een parkeerplaats bij Volendam gereden. Zijn vader heeft daar gewacht. [medeverdachte 2] heeft samen met [naam 12] spullen opgehaald en in de bus gezet. Hij is daarna samen met [naam 12] andere dingen gaan doen en zijn vader is met de bus teruggereden naar Putten en heeft die spullen op de [adres 17] neergezet.40 [naam 12] heeft [medeverdachte 2] gevraagd om die spullen op te halen. Het ging niet naar zijn zin. Het ging om een tikmachine, een paar kuipen en zakken met poeiertroep. Er stonden ook nog twee droogkasten. Het zijn de spullen die in het bij‑schuurtje aan de [adres 17] zijn gevonden. En ook de machines die door de politie in de bus zijn gevonden. Pa heeft de spullen aan de [adres 17] , in z’n eentje, uitgeladen. [medeverdachte 2] wist precies waar het stond. Hij en zijn vader hebben allebei € 150,- gekregen.41 Dat betaalde [naam 12] .42

[medeverdachte 1] heeft verklaard bij de opslag bij de eierboer in Putten een hele partij blauwe tonnen te hebben gezien, toen hij samen met [medeverdachte 2] spullen in Friesland had afgeleverd.43

Bijlage zaaksdossier 7 – [adres 7] te Nederhorst den Berg

Bereiden/vervaardigen van synthetische drugs, aanwezig hebben van synthetische drugs en voorbereidingshandelingen

[adres 18] in Nederhorst den Berg is een bedrijfsverzamelgebouw, waarin diverse bedrijven zijn gevestigd. De sub‑nummering van dit bedrijfspand is de laatste jaren gewijzigd.

[adres 7] bestaat uit twee ruimtes, oorspronkelijk aangeduid als [adres 19] en [adres 20] . In een later stadium zijn deze bedrijfspanden opnieuw genummerd. [adres 19] kreeg het nummer [adres 8] en [adres 20] kreeg het nummer [adres 21] . [adres 21] en [adres 8] hebben inpandig – zowel op de beneden- als bovenverdieping – een open verbinding. Op 3 juli 2014 heeft er een doorzoeking plaatsgevonden. De verbalisanten hebben daarbij [adres 21] en [adres 8] samen als [adres 7] aangeduid, omdat eerst werd verondersteld dat het om één pand ging.44

Naast [adres 21] en [adres 8] (door verbalisanten dus ook aangeduid als [adres 7] ), bevindt zich [adres 22] , waar het bedrijf [bedrijf 1] dan wel [bedrijf 1] van [naam 15] (hierna: [naam 15] ) is gevestigd.45

Per 1 april 2014 zijn [adres 21] en [adres 8] door [bedrijf 2] , vertegenwoordigd door [naam 16] , verhuurd aan [bedrijf 1] , vertegenwoordigd door [naam 15] .46 [naam 16] heeft verklaard dat hij vanaf 1 april 2014 beide panden als één geheel heeft verhuurd aan [naam 15] voor € 2.200,- exclusief BTW per maand.47 Op 24 maart 2014 was [naam 16] voor het laatst in [adres 21] en [adres 8] voor het tekenen van het huurcontract. Hij was daar met [naam 15] . Ze hebben toen op de benedenverdieping van [adres 8] gestaan. De ruimte was toen nog helemaal open. Boven was het leeg.48 Tijdens het tekenen van het huurcontract op 24 maart 2014 heeft [naam 15] [naam 16] gevraagd of hij ermee akkoord ging dat hij in het gehuurde een tussenmuur zou verplaatsen.49

Bij de doorzoeking op 3 juli 2014 bleek dat de ruimte [adres 8] door middel van een muur in tweeën was gedeeld.50 Op de begane grond van [adres 8] , werd een productieplaats voor synthetische drugs aangetroffen. Deze plek, door de recherche ook wel als ‘garagebox’ aangeduid, was geheel ommuurd en was met een deur in deze muur verbonden met de rest van [adres 8] . Er was ook een verbinding naar buiten door middel van een roldeur aan de straatkant.51

In deze ruimte werden aangetroffen:52

  • -

    9 in werking zijnde diepvrieskisten (-22/-23 graden Celsius), met daarin 8 x 3 klemdekselvaten en 1 x 1 klemdekselvat van 60 liter, vermoedelijk met daarin een mengsel van MDMA-olie, aceton en zoutzuur;

  • -

    een afzuigunit in werking, voorzien van een lange flexibele slang. De slang was aan het eind aangesloten op een verrijdbare steun ten behoeve van puntafzuiging van de aanwezige diepvrieskisten;

  • -

    5 klemdekselvaten van 60 liter, ieder vermoedelijk gevuld met een mengsel van MDMA‑olie, aceton en zoutzuur;

  • -

    een groot aantal rechthoekige kunststoffen bakken, met afmetingen van 28 x 32 x 34 cm, volgens de LFO-expert gebruikt ten behoeve van kristalliseren (gezien de resten MDMA‑kristallen);

  • -

    een grote rechthoekige rvs reactieketel met rvs destillatiekolom, gevuld met ongeveer 1 liter olieachtige vloeistof, met de geur van methylamine;

  • -

    een aantal rvs koelers en opzet/verloopstukken ten behoeve van de rvs reactieketel;

  • -

    een groot aantal vacuümpompen, zowel los als ingebouwd in kastjes;

  • -

    een groot aantal frequentieregelaars;

  • -

    3 gebruikte laboratorium roermotoren;

  • -

    3 vierkante rvs opvangbakken, waarvan 1 gebruikt en 2 nieuw;

  • -

    2 IBC’s van 100 liter, voorzien van een trechter: vermoedelijk voor de opvang van kristallisatieafval van de klemdekselvaten uit de vriezers;

  • -

    2 grote kunststoffen bakken inhoudende twee met beige kristallen vervuilde hoeslakens (ten behoeve van het filtreren van MDMA-kristallen uit het kristallisatie mengsel);

  • -

    een elektrische verwarmingsmantel van 20 liter;

  • -

    gebruikt laboratorium glaswerk, onder andere een 20 liter 3-hals rondbodemkolf, een spiraal koeler, en diverse verloop/opzetstukken;

  • -

    veiligheidsmiddelen: een vol- en een halfgelaatsmasker;

  • -

    2 vaten van Cryotrans met vloeibare stikstof (-196 graden Celsius);

  • -

    diverse verpakkingen met chemicaliën:

  • -

    3x 60 liter klemdekselvaten met methylamine, 25 x 25 liter jerrycans met methylamine en 2 x 5 liter jerrycans met methylamine (in totaal 815 liter);

  • -

    16 x 25 liter jerrycans met aceton (in totaal 400 liter);

  • -

    7 x 60 liter jerrycans, met zoutzuur (één daarvan in een vriezer ), 2 x 25 liter jerrycans, met zoutzuur (één daarvan in een vriezer) (in totaal 470 liter);

  • -

    2 x 25 liter jerrycans met methanol (in totaal 50 liter);

  • -

    1 x 25 liter jerrycan met dichloormethaan.

De LFO-expert heeft monsters genomen van de aangetroffen kristallen en van de verschillende vloeistoffen, waaronder de vloeistoffen in de diverse klemdekselvaten en restanten van vloeistoffen in apparatuur.53

Het NFI heeft geconcludeerd dat in de monsters onder meer de volgende stoffen aanwezig waren: MDMA in aceton, MDMA‑base, methylamine (in water en methanol), lage concentraties MDMA in methanol, lage concentraties PMK, een afbraakproduct van natriumboorhydride, aceton, methanol, zoutzuur, gereduceerd PMK in methanol, isosafrol en safrol in dichloormethaan.54 Volgens het NFI zijn de aangetroffen stoffen terug te voeren op de vervaardiging van MDMA uit PMK met een reductieve amineringsmethode, waarbij natriumboorhydride als reductiemiddel is gebruikt.55 De geschatte totale opbrengst op deze locatie bedraagt circa 168 kg MDMA (als MDMA-hydrochloride met kristalwater).56 Het reactiemengsel L28 (vijf 60 liter klemdekselvaten met in elk vat 40 liter vloeistof) en het kristallisatiemengsel L6 (één 60 liter klemdekselvat in een diepvrieskist, gevuld met 40 liter vloeistof en 180 g bruine kristallen) hadden nog omgezet kunnen worden in circa 14 kg MDMA (als MDMA-hydrochloride met kristalwater).57

De LFO-expert concludeert dat, gezien de aangetroffen hoeveelheid chemicaliën en de aanwezige en gebruikte productiemiddelen, al enige tijd sprake is van een professionele productielocatie van synthetische drugs, met name gericht op de vervaardiging van MDMA uit PMK door middel van de zogeheten koude methode (door middel van reductieve aminering).58

De bovenverdieping bestond uit twee afzonderlijke ruimtes.59 Op de bovenverdieping van [adres 21] was in een ruimte een gedeelte met kamerschermen afgezet. In deze afgezette ruimte werden onder meer twee sealapparaten, een geldtelmachine en een weegschaal aangetroffen.60 De andere ruimte van de bovenverdieping was nagenoeg leeg en leek niet in gebruik te zijn.61 In de afgezette ruimte van [adres 21] werden bruine brokken/kristallen aangetroffen (beslagcode T.04.16).62 Het gewicht daarvan bedroeg 11,29 kg. Deze brokken/kristallen zijn bemonsterd (AAGW0140NL).63 Dit monster is onderzocht door het NFI. Geconstateerd is dat het monster MDMA bevat.64 In tweede instantie is het gewicht van de aangetroffen MDMA bepaald op 11,25 kg. Opnieuw is een monster daarvan ingezonden naar het NFI (AAHB4567NL). Het NFI heeft geconstateerd dat het monster MDMA bevat.65 De rechtbank gaat er in het voordeel van verdachten vanuit dat 11,25 kg MDMA is aangetroffen.

Betrokkenheid van verdachten

In de productieplaats werd door medewerkers van de forensische opsporing een halfgelaatsmasker aangetroffen. Dit masker is bemonsterd op speekselsporen (AAHE6554NL).66 Het NFI heeft dit monster onderzocht. Het DNA-profiel van het celmateriaal in het monster matcht met de DNA-profielen in DNA-profielcluster 29236.67 Dat wil zeggen dat de kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel, kleiner is dan één op één miljard. Het DNA-profielcluster 29236 behoort toe aan [naam 15] .68
Verder zijn in de productieplaats op vrieskisten en bij het afval diverse paren handschoenen aangetroffen.69 Deze handschoenen zijn aan de binnenkant bemonsterd.70 Het DNA-profiel van het celmateriaal in de volgende monsters, matchen met het DNA-profiel van [naam 15] . De kans dat het DNA-profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel, is telkens kleiner is dan één op één miljard:71

AAHE6525NL#01 bemonstering van de binnenkant van een linkerhandschoen (geel) aangetroffen op een vrieskist (betreft een onvolledig DNA-profiel);

AAHE6525NL#02 bemonstering van de binnenkant van een rechterhandschoen (geel) aangetroffen op een vrieskist (betreft een onvolledig DNA-profiel);

AAHE6526NL#01 bemonstering van de binnenkant van een linkerhandschoen (blauw) aangetroffen op een vrieskist;

AAHE6526NL#02 bemonstering van de binnenkant van een rechterhandschoen (blauw) aangetroffen op een vrieskist;

AAHE6527NL#01 bemonstering van de binnenkant van een linkerhandschoen (zwart) aangetroffen op een vrieskist;

AAHE6529NL#02 bemonstering van de binnenkant van een handschoen aangetroffen in een doos met afval op de productieplaats;

AAHE6529NL#03 bemonstering van de binnenkant van een handschoen aangetroffen in een doos met afval op de productieplaats;

AAHE6530NL#01 bemonstering van de binnenkant van een linkerhandschoen (zwart) aangetroffen op de productieplaats (betreft een onvolledig DNA‑profiel);

AAHE6530NL#02 bemonstering van de binnenkant van een rechterhandschoen (zwart) aangetroffen op de productieplaats.

In de productieplaats is in een doos met afval een flesje drinken van het merk Saskia aangetroffen. Het flesje is bemonsterd (AAHE6552NL).72 Het NFI heeft dit monster onderzocht. Het DNA-profiel van het celmateriaal in het monster matcht met de DNA‑profielen in DNA-profielcluster 25559.73 Dat wil zeggen dat de kans dat het DNA‑profiel van een willekeurig gekozen man matcht met dit DNA-profiel, kleiner is dan één op één miljard. Het DNA-profiel 25559 behoort toe aan [medeverdachte 1] .74 Op een vrieskist in de productieplaats is daarnaast een paar handschoenen aangetroffen.75 Deze handschoenen zijn aan de binnenkant bemonsterd.76 Het DNA-profiel van het celmateriaal in het monster van de binnenkant van een blauwe linkerhandschoen (AAHE6524NL#01), matcht met het DNA van [medeverdachte 1] . Op de blauwe rechterhandschoen (AAHE6524NL#02) is een DNA‑mengprofiel van minimaal twee personen, te weten [medeverdachte 1] en minimaal één andere persoon, aangetroffen.77

Verder zijn de volgende sporen aangetroffen en bemonsterd:78

AAHE6531NL bloedspoor op een tussendeur op de bovenverdieping; deze deur was geplaatst tussen de bovenverdiepingen van [adres 21] en [adres 8] en was een doorgang tussen beide bedrijfsruimtes79;

AAHE6546NL sporen op een volgelaatsmasker in de productieplaats;

AAHE6547NL sporen op een flesje Spa in een doos met afval in de productieplaats;

AAHE6550NL sporen op een blikje Royal Club in een doos afval in productieplaats.

Het DNA-materiaal in deze sporen komt onderling overeen met een DNA-profiel (AAHE6552NL#01, flesje drinken merk Saskia) dat in de DNA‑databank is opgenomen in profielcluster 25559.80 Dit profielcluster is gekoppeld aan het DNA-profiel van [medeverdachte 1] . Dit betekent dat bedoelde DNA-profielen overeenkomen met het DNA-profiel van [medeverdachte 1] .

Uit bakengegevens volgt dat de Audi [kenteken 2] , die in gebruik was bij [medeverdachte 1] , in de periode voorafgaand aan de doorzoeking, op 11 juni 2014, 15 juni 2014, 17 juni 2014, 22 juni 2014, 23 juni 2014 en 24 juni 2014 aan de [adres 23] in Nederhorst den Berg is geweest.81 Ook heeft de Audi stilgestaan op het perceel van [naam 15] ( [adres 24] in Weesp) en bij hectometerpaal [nummer 2] aan de N236, zijnde een hectometerpaal recht tegenover dat perceel.82 Dat was op 11 juni 2014, 20 juni 2014, 26 juni 2014, 28 juni 2014, 30 juni 2014, 1 juli 2014 en 2 juli 2014.83

Op 17 juni 2014 heeft een observatieteam gezien dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] elkaar hebben ontmoet op een parkeerplaats in Nederhorst den Berg. Bij aankomst reed [medeverdachte 1] in de Audi A4 met kenteken [kenteken 2] en reed [medeverdachte 4] in de Renault Kangoo met kenteken [kenteken 3] . Bij vertrek van de parkeerplaats zijn zij van auto gewisseld. Vervolgens werd waargenomen dat [medeverdachte 1] de Kangoo aan de achterkant van de loods aan [adres 18] in Nederhorst den Berg parkeerde. Gezien werd dat [medeverdachte 1] de achterportieren van de Kangoo opende en goederen vanuit de Kangoo de loods in bracht. Nadat [medeverdachte 1] vertrok bij de loods, ontmoette hij [medeverdachte 4] weer op de parkeerplaats. Na deze ontmoeting wisselden beiden weer van auto, waarna [medeverdachte 1] in de Audi wegreed.84
Op 26 juni 2016 vond in Nederhorst den Berg een vergelijkbare wisseling van auto’s plaats, maar dan met [medeverdachte 2] . Hierna werd gezien dat [medeverdachte 1] vanaf de achterzijde van het loodsencomplex aan de [adres 23] wegreed.85

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , hoofdagent van politie, Dienst Regionale Recherche, Politie Eenheid Oost‑Nederland, opgemaakte proces-verbaal over het onderzoek ZILVER 06ACH13033, BVH‑nummer 2013158762, gesloten op 29 juni 2015, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 AH432, Rapport resultaten bevindingen NFI aangetroffen materialen schuur [adres 3] Borculo, p. 010573-010575.

3 V09.04, 4e verhoor [medeverdachte 2] , p. 011942, en V03.05, 5e verhoor [medeverdachte 3] , p. 011576 en p. 011577.

4 V10.05, 5e verhoor [medeverdachte 1] , p. 020840, en V20.04, 4e verhoor [naam 17] , p. 0500280 en V18.01, 1e verhoor [naam 18] , p. 090696.

5 V09.04, 4e verhoor [medeverdachte 2] , p. 011941 en 011942, en GET40.01, PV verhoor getuige [getuige] , p. 0300135-0300139.

6 V10.05, 5e verhoor [medeverdachte 1] , p. 020842, en AH 135, proces-verbaal van bevindingen m.b.t. NN [naam 19] , p. 100045-100047.

7 V09.04, 4e verhoor [medeverdachte 2] , p. 011941.

8 V09.07, 7e verhoor [medeverdachte 2] , p. 011986, en V12.01, 1e verhoor [naam 20] , p. 040085.

9 AH332, proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 10034 en p. 10037, en AH841 NFI‑rapport 2014.07.09.085-1 [adres 1] Putten, p. 10139.

10 AH326 proces-verbaal van politie Unit Regionale tactische recherche, team drugs en wapens, p. 10028.

11 V03.03 proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 3] , p. 10152.

12 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 21 september 2016.

13 SCH939-095 tapgesprek lijn SCH939 sessie 95, p. 10150.

14 SCH939-138 tapgesprek lijn SCH939 sessie 138, p. 10151.

15 SCH939-144 tapgesprek lijn SCH939 sessie 144, pv-nummer ZD10 aanvulling.01, p. 10318.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte V09.09, p. 10240 en p. 10241.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte V09.09, p. 10243.

18 AH1010, vergelijkend onderzoek van MDMA-grondstoffen en XTC-tabletten, p. 1520417 en p. 1520423, en AH1010-001, bijlage 1: chemische vergelijking van MDMA-bevattende materialen, p. 1520428 en p. 1520429.

19 V04.07, 7e verhoor [medeverdachte 4] , p. 011674.

20 V09.07, 7e verhoor [verdachte] , p. 012013-012015.

21 De verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 21 september 2016.

22 AH956, PV bevindingen LFO onderzoek grote loods, p. 060311-060319.

23 AH957, Herzien NFI rapport, p. 060343-060357.

24 AH305, Incidentformulier inzet LFO grote garagebox [adres 6] te Putten, p. 060359-060362.

25 AH941, PV bevindingen LFO onderzoek grote garagebox, p. 060377-060381

26 AH920, NFI rapport vervaardiging synthetische drugs [adres 6] te Putten, p. 060412-060420.

27 AH940, PV bevindingen LFO onderzoek Mercedes-Benz [kenteken 1] , p. 060421-060423.

28 GET27.01, PV verhoor getuige [naam 14] , p. 060240-060241.

29 GET27.01, PV verhoor getuige [naam 14] , p. 060241.

30 GET27.01 PV verhoor [naam 14] , p. 060242.

31 GET27.01, PV verhoor getuige [naam 14] , p. 060242-060243.

32 Fotomap, bijlage bij het relaasproces-verbaal, foto p. 39 en index, p. 38.

33 GET27.01, PV verhoor getuige [naam 14] , p. 060242-060243.

34 AH350, PV bevindingen uitwerking verhoor [medeverdachte 3] d.d. 11 juni 2014, p. 060703-060706.

35 AH350 PV bevindingen uitwerking verhoor [medeverdachte 3] d.d. 11 juni 2014, p. 060693-060694.

36 AH350 PV bevindingen uitwerking verhoor [medeverdachte 3] d.d. 11 juni 2014, p. 060702‑p. 060703.

37 V09.08, PV verhoor verdachte [medeverdachte 2] (8e verhoor), p. 060885-060886.

38 V09.08, PV verhoor verdachte [medeverdachte 2] (8e verhoor), p. 060888-060889.

39 V09.08, PV verhoor verdachte [medeverdachte 2] (8e verhoor), p. 060891-060894.

40 V09.06, PV verhoor verdachte [medeverdachte 2] (6e verhoor), p. 060802-060805.

41 V09.06, PV verhoor verdachte [medeverdachte 2] (6e verhoor), p. 060810-060812.

42 V09.06, PV verhoor verdachte [medeverdachte 2] (6e verhoor), p.060814.

43 V10.05, PV verhoor verdachte [medeverdachte 1] (5e verhoor), p. 061033.

44 AH324, PV bevindingen subnummering [adres 18] Nederhorst den Berg, p. 070078 en p. 070079.

45 AH324, PV bevindingen subnummering [adres 18] Nederhorst den Berg, p. 070078.

46 GET20.01-002, Huurovereenkomst kantoorruimte tussen [bedrijf 2] en de rechtspersoon [bedrijf 1] , p. 070418 tot en met p. 070421.

47 Get20.01, PV verhoor getuige [naam 16] , p. 070400.

48 Get20.01, PV verhoor getuige [naam 16] , p. 070401.

49 Get20.01, PV verhoor getuige [naam 16] , p. 070401.

50 AH593, PV bevindingen (aanvullend) mbt subnummering [adres 7] Nederhorst den Berg, p. 70203, en AH377, PV sporenonderzoek, p. 07013, eerste alinea.

51 AH593, PV bevindingen (aanvullend) m.b.t. subnummering [adres 7] Nederhorst den Berg, p. 70203.

52 AH802, proces‑verbaal bevindingen ondersteuning LFO (Nederhorst den Berg), p. 70231‑070233.

53 AH802, proces‑verbaal bevindingen ondersteuning LFO (Nederhorst den Berg), p. 070233‑070240.

54 AH689, Rapport NFI onderzoek vermoedelijke vervaardiging synthetische drugs [adres 7] Nederhorst den Berg, p. 070289‑070291.

55 AH689, Rapport NFI onderzoek vermoedelijke vervaardiging synthetische drugs [adres 7] Nederhorst den Berg, p. 070291.

56 AH689, Rapport NFI onderzoek vermoedelijke vervaardiging synthetische drugs [adres 7] Nederhorst den Berg, p. 070293 en p. 070294.

57 AH689, Rapport NFI onderzoek vermoedelijke vervaardiging synthetische drugs [adres 7] Nederhorst den Berg, p. 070293 en p. 070294.

58 AH802, proces‑verbaal bevindingen ondersteuning LFO (Nederhorst den Berg), p. 070242.

59 AH377, PV sporenonderzoek, p. 070131.

60 AH593, PV bevindingen (aanvullend) m.b.t. subnummering [adres 7] Nederhorst den Berg, p. 70204 en AH229-004, beslaglijst, p. 070069 en p. 070070.

61 AH377, PV sporenonderzoek, p. 070131.

62 AH229-004, beslaglijst, p. 070070.

63 AH325, PV expertise amfetamine, mdma, xtc-pillen, marihuana, hash, weegschaal en verpakkingsmateriaal, p. 070089.

64 AH572, Rapport NFI Identificatie van drugs en precursoren d.d. 24-07-2014, p. 70199.

65 AH417, PV onderzoek verdovende middelen Forensische Opsporing, p. 070162 en p. 070163, en AH846, Rapport NFI identificatie van drugs en precursoren d.d. 11-09-2014, p. 070361.

66 AH377, PV sporenonderzoek, p. 070131 en p. 070133.

67 AH424, rapport NFI Resultaten DNA‑onderzoek, p. 70170.

68 AH424-002, bijlage DNA-profielcluster 29236, p. 070174 en 070175 en AH425, rapport NFI aanvullend rapport naar aanleiding van een DNA databank match, p. 070176 en p. 070177.

69 AH377, PV sporenonderzoek, p. 070131 en p. 070135.

70 AH377, PV sporenonderzoek, p. 070135, en AH473, rapport NFI onderzoek naar biologische sporen en dna-onderzoek d.d. 28-8-2014, p. 070178 en p. 070179.

71 AH473, rapport NFI onderzoek naar biologische sporen en dna-onderzoek d.d. 28-8-2014, p. 070179 en p. 070180.

72 AH377, PV sporenonderzoek, p. 070133.

73 AH424, rapport NFI Resultaten DNA‑onderzoek, p. 70170.

74 AH473-002, bijlage DNA-profielcluster 25559, p. 070185‑070187.

75 AH377, PV sporenonderzoek, p. 070131 en p. 070135.

76 AH377, PV sporenonderzoek, p. 070135, en AH473, rapport NFI onderzoek naar biologische sporen en dna-onderzoek d.d. 28-8-2014, p. 070178.

77 AH473, rapport NFI onderzoek naar biologische sporen en dna-onderzoek d.d. 28-8-2014, p. 070179.

78 AH377, PV sporenonderzoek, p. 070131, p. 070133 en p. 070134.

79 AH377, PV sporenonderzoek, p. 070131, en AH593-012, foto 11, p. 070216.

80 AH424, rapport NFI Resultaten DNA‑onderzoek, p. 70170.

81 AH974, PV analyse bakengegevens Nederhorst den Berg en Weesp, p. 070370‑070376.

82 AH974, PV analyse bakengegevens Nederhorst den Berg en Weesp, p. 070370.

83 AH974, PV analyse bakengegevens Nederhorst den Berg en Weesp, p. 070370‑070376.

84 OT038, PV observatie 17-6-2014, p. 070562 en p. 070563.

85 OT035, PV observatie 26-6-2014, p. 070570, p. 070572 en p. 070573.