Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6451

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-12-2016
Datum publicatie
01-12-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5037 tm 15_5056
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rioolheffing Nijmegen 2011. Verbindendheid Verordening. Begrotingssystematiek vanaf 2010 is niet één op één vergelijkbaar met die in 2006, waarover de Hoge Raad eerder heeft beslist (Schommelfonds).

De geïntegreerde voorziening in het GRP 2010-2016 bevat een aantal elementen, te weten een negatieve balanspositie, jaarlijkse rente hierover en investeringen. Het oude Schommelfonds wordt in tien jaar afgebouwd. In het GRP is een berekening van de jaarlijkse last gemaakt, berekend als gemiddelde over twintig jaren. Deze berekening is voor 2011 met recente gegevens (waaronder een lagere rente) geactualiseerd. De kapitaallasten in het overzicht Rioleringskosten obv de primitieve begroting worden vanuit de geïntegreerde voorziening gedekt. Na een verdere rekenexercitie (zie de uitspraak) is vanuit de geïntegreerde voorziening per saldo sprake van een negatieve last ter zake voor een bedrag van € 1.855.278. De gekozen werkwijze is toegestaan. Het toewerken naar een ideaalcomplex was ook in het onderhavige jaar al mogelijk. Met betrekking tot de overige betwiste lasten ter zake komt de rechtbank tot het oordeel dat de gemeenteraad de kosten voor straatreiniging heeft kunnen ramen op de gestelde bedragen. Subsidie voor groene daken houdt meer dan zijdelings verband met de riolering. De wijze van verwerking van uitgestelde investeringen is evenzeer toegestaan. Aannemelijk is dat een eventueel overschot ten opzichte van de begroting terugvloeit in de riolering. Op de Kaderrichtlijn Water komt eiser geen rechtstreeks beroep toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2016/2705
V-N 2017/9.29.17
FutD 2016-3058
NTFR 2016/2954
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 15/5037 tot en met AWB 15/5056

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 1 december 2016

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2012 aanslagen rioolrecht opgelegd ter zake van twintig onroerende zaken, alle gelegen te [Z] . Deze aanslagen zijn vervat in één aanslagbiljet (aanslagnummer [000] ).

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 23 mei 2015 de aanslagen gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2016.

Namens eiser is zijn gemachtigde verschenen. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [A] en [B] .

Eiser heeft ter zitting een pleitnota overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Deze wordt geacht te zijn voorgedragen.

Ter zitting zijn gelijktijdig 114 beroepszaken behandeld waarin dezelfde gemachtigde optreedt.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser is eigenaar van de onroerende zaken [A-straat 1] , [A-straat 2] , [A-straat 3] , [A-straat 4] en diverse objecten aan de [A-straat 5] (de oneven nummers van [001] tot en met [002] , behoudens [003] ), alle gelegen te [Z] (hierna: de panden). De panden zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering.

2. De gemeente Nijmegen heft met ingang van 1 januari 2006 een rioolrecht, en vanaf 2009 een rioolheffing, van eigenaren van onroerende zaken die zijn aangesloten op de gemeentelijke riolering. Van gebruikers-niet eigenaren wordt geen rioolheffing geheven.

3. Op 16 januari 2015 heeft de Hoge Raad arrest gewezen op het beroep in cassatie in een proefprocedure van een andere belastingplichtige over het jaar 2006 (zie ECLI:NL:HR:2015:67).

4. Uit het overzicht “Rioleringskosten obv de primitieve begroting 2012” kan worden afgeleid dat voor 2012 de raming van de baten sluit op een bedrag van € 11.501.447 en de raming van de lasten op € 11.501.421. Hierbij zijn een bate ter zake van de huisaansluitingen van € 67.709 en een last ter zake van de huisaansluitingen van € 67.975 buiten beschouwing gelaten. In het overzicht zijn onder meer een bedrag aan kapitaallasten en een voorziening GRP-nieuw opgenomen. Buiten deze posten zijn geen afschrijvingslasten van de vervangingsinvesteringen en de kosten van verbetering van het rioleringsstelsel in de basisberekening van de rioolheffing opgenomen. Wel zijn in het overzicht onder meer bedragen aan onderhoud en reparatie opgenomen.

Geschil

5. In geschil is het antwoord op de vraag of de aanslagen rioolheffing terecht aan eiser zijn opgelegd. Eiser stelt dat de Verordening Rioolheffing 2012 van de gemeente Nijmegen (hierna: de Verordening) onverbindend dient te worden verklaard in verband met een overschrijding van de opbrengstlimiet. Met name is daarbij thans nog in geschil of het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2015 dient te worden gevolgd en of de ramingen in overeenstemming zijn met de bepalingen van de Gemeentewet. Ook bepleit eiser de onverbindendheid van de Verordening omdat slechts van eigenaren rioolheffing wordt geheven.

Beoordeling van het geschil

6. In de Verordening is onder meer het volgende vastgesteld:

“(…)

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering.

2. Ingeval het perceel een onroerende zaak is, wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het

belastingjaar als zodanig in de kadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

(…)

Artikel 5 Maatstaf van heffing

1. De belasting wordt geheven naar de waarde in het economische verkeer van het perceel.

2. Ingeval het perceel een onroerende zaak is, is de waarde in het economische verkeer de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde zoals deze voor het in artikel 7 bedoelde kalenderjaar geldt.

(…)

Artikel 6 Belastingtarieven

1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het percentage bedraagt 0,0640%.

2. De belasting per perceel bedraagt per belastingjaar niet meer dan € 1.920,-.

(…)”

Ontvankelijkheid

7. Voor het indienen van een beroepschrift geldt op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) een termijn van zes weken. Deze termijn begint op grond van artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen op de dag na de dagtekening van de uitspraak op bezwaar. Maar als de dagtekening een datum is vóór de datum waarop de uitspraak op bezwaar is verzonden, begint deze termijn op de dag na de dag van verzending. Een beroepschrift is op grond van artikel 6:9, eerste lid, van de Awb tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. Als iemand een beroepschrift te laat indient, verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als het niet of niet tijdig indienen van het beroepschrift verontschuldigbaar is. Dan laat de rechtbank op grond van artikel 6:11 van de Awb niet-ontvankelijkverklaring op grond van die te late indiening achterwege.

8. De uitspraken op bezwaar dateren van 23 mei 2015. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat deze pas na die datum zijn verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde op 6 juli 2015. Het eerste stuk van eiser in het rechtbankdossier betreft een digitaal ingediende aanvulling op het beroepschrift, die is binnengekomen op 21 juli 2015. Als bijlage hierbij bevindt zich onder meer een beroepschrift gedateerd 27 juni 2015. Volgens verklaring van eiser heeft hij daadwerkelijk op 27 juni 2015 beroep ingesteld via het digitale loket, gelijktijdig met de indiening van nog vijf beroepschriften. Volgens het schermbericht op de computer zijn alle zes beroepschriften ontvangen, maar er konden geen gegevens van de onderhavige zaak worden gedownload. Eiser ontving slechts in vier zaken een ontvangstbevestiging. In telefonisch contact met de rechtbank werd hem meegedeeld dat er enige verwerkingstijd kon zijn. Eiser is daarop met vakantie gegaan en heeft een en ander na zijn vakantie gecontroleerd. Toen heeft hij het aanvullende stuk van 21 juli 2015 ingediend.

9. Bij nadere bestudering van het beroepschrift in het gelijktijdig ter zitting behandelde beroep met zaaknummer 15/3883 heeft de rechtbank vastgesteld dat in het desbetreffende beroepschrift twee verschillende aanslagbiljetnummers zijn vermeld. Omdat de gevoegde bijlage de uitspraak op bezwaar over 2014 is, is het beroepschrift aangemerkt als beroepschrift tegen de desbetreffende uitspraak op bezwaar. Onder het kopje “Gegevens over de beslissing” is echter het aanslagbiljetnummer van de onderhavige procedures vermeld. De rechtbank merkt dit beroepschrift daarom aan als een beroepschrift tegen zowel de uitspraak op bezwaar over 2014 als de onderhavige uitspraak op bezwaar over 2012. Dit beroepschrift is op 27 juni 2015 bij de rechtbank binnengekomen. Het beroep is dus tijdig ingesteld en daarmee ontvankelijk.

Inhoudelijke beoordeling

10. Eiser heeft gedeeltelijk aangesloten bij de gronden die zijn aangevoerd in de procedure van de hiervoor onder 3. bedoelde andere belastingplichtige voor het jaar 2006 (oorspronkelijke uitspraak van Rechtbank Arnhem van 27 november 2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BG5799), waarover de Hoge Raad op 16 januari 2015 arrest heeft gewezen. Hij stelt zich op het standpunt dat de systematiek van het Schommelfonds niet juist is, nu het afboeken van investeringen in hetzelfde jaar (afschrijving ineens) niet is toegestaan en dat om die reden geen sprake is van een deugdelijke begroting. Ook heeft eiser gronden aangevoerd ter zake van een aantal in de begroting opgenomen lasten. In de eerste plaats heeft hij aangevoerd dat de begroting uitgaat van een maximaal kostenscenario en voor bepaalde posten hogere kosten rekent dan naburige gemeenten. Dit zou blijken uit een door de gemachtigde uitgevoerde benchmark. Concreet heeft eiser aangevoerd dat andere gemeenten slechts 35% van de kosten van straatvegen meenemen als last ter zake van de rioolheffing, terwijl verweerder uitgaat van een hoger percentage. Ook leidt eiser uit door de wethouder gedane toezeggingen op de Politieke Avond van 3 november 2011 af dat opbrengsten van de rioolheffing worden ingezet voor de subsidie voor groene daken. Verder worden niet-begrote inkomsten volgens eiser weggeboekt en ten onrechte niet geboekt in een voorziening rioolkosten.

11. De rechtbank overweegt ter zake van de begroting als volgt. Ingevolge artikel 229b, eerste lid, van de Gemeentewet worden in verordeningen op grond waarvan rechten als bedoeld in artikel 229, eerste lid, onder a en b, worden geheven, de tarieven zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 228a van de Gemeentewet en de bewoordingen van dat artikel blijkt dat naar de bedoeling van de wetgever ook de geraamde baten van de rioolheffing de lasten ter zake niet mogen overtreffen (zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 april 2015, ECLI: NL:GHARL:2015:2573). Daarbij kan de rechtspraak van de Hoge Raad over de limietoverschrijding als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet overeenkomstig worden toegepast.

12. Bij de toetsing aan de opbrengstlimiet van artikel 229b van de Gemeentewet moet worden beoordeeld of het totaal van de geraamde baten het totaal van de geraamde lasten van alle in de Verordening geregelde diensten niet overschrijdt. Verweerder dient in een geval als het onderhavige inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen, maar daarbij mag niet van verweerder worden verlangd dat van alle in de Verordening genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze is vastgelegd, hoe de kosten ter zake zijn geraamd (vgl. Hoge Raad 4 februari 2005, ECLI: NL:HR:2005:AP1951 en Hoge Raad 18 april 2014, ECLI: NL:HR:2014:938).

13. Indien de belanghebbende ten aanzien van een of meer posten in de raming in twijfel trekt of de post kan worden aangemerkt als een “last ter zake” en voor zover hij voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van de desbetreffende post(en) twijfel bestaat, dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over deze post(en) te verstrekken, teneinde - naar vermogen; dat wil zeggen: in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is - deze twijfel weg te nemen.

14. Bij het voorgaande merkt de rechtbank nog op dat in het kader van de toetsing aan de opbrengstlimiet pas dan plaats is voor een correctie van de omvang van de volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedragen aan opbrengsten en lasten, indien de gemeente deze opbrengsten en lasten niet in redelijkheid op die bedragen heeft kunnen ramen (zie voormeld arrest van de Hoge Raad van 18 april 2014).

15. Nu de begrotingssystematiek vanaf 2010 niet één op één gelijk is aan die in 2006, zal de rechtbank eerst uiteenzetten hoe deze met ingang van 2010 is opgezet.

16. Bij besluit van 14 oktober 2009 heeft de raad van de gemeente Nijmegen (hierna: de raad) het Gemeentelijk Rioleringsplan Nijmegen (hierna: GRP) 2010-2016 vastgesteld. Hierin is, voor zover thans van belang, het navolgende opgenomen:

“Binnen de bestaande regels en wetgeving kiezen we voor een zo eenduidig en eenvoudig mogelijke en transparante financiële structuur. Er is daarom gekozen voor een geïntegreerde voorziening waarin de drie componenten voor spaardeel voor investeringen, onderhoud en jaarlijkse financiële resultaten in samenhang met elkaar, maar wel apart zichtbaar worden, en gescheiden geregistreerd en beheerd worden.

De nieuwe Geïntegreerde Voorziening GRP vervangt de huidige Voorziening GRP-nieuw (ook wel ‘schommelfonds’ genoemd).”

17. De bedoeling van de raad is om in de toekomst te komen tot wat wel een “ideaalcomplex” wordt genoemd: investeringen in de riolering worden gelijkmatig gespreid, jaarlijks wordt de volledige investering afgeboekt op de voorziening en wordt datzelfde bedrag uit de rioolheffing aan de voorziening gedoteerd. In dat verband is in 2006 het Schommelfonds in het leven geroepen. Investeringen tot 2005 worden boekhoudkundig op langere termijn (in beginsel veertig jaar) afgeschreven. Er is thans sprake van een tussenvorm, waarbij tot 2030 het systeem van veertig jaar afschrijven (voor investeringen van voor 2005) en het systeem van direct afboeken (voor investeringen vanaf 2005) naast elkaar bestaan. In het GRP 2010-2016 is berekend dat de stand van het Schommelfonds per 1 januari 2010 € 7.102.502 zou bedragen.

18. De geïntegreerde voorziening die de raad in het GRP 2010-2016 heeft opgezet bevat een aantal elementen. Er is sprake van een negatieve balanspositie per 1 januari 2010 van € 31.383.000. Deze hangt direct samen met de nog lopende afschrijvingen over investeringen tot 2005. Deze dient in het jaar 2030 tot nihil te zijn teruggebracht. Tot die tijd wordt hierover (althans over het resterende deel) jaarlijks rente bijgeschreven. Voorts dienen jaarlijks investeringen te worden gedaan. Daartegenover staat dat de positieve stand van € 7.102.502 uit het Schommelfonds in tien jaren wordt afgebouwd.

19. Op basis van de cijfers zoals die ten tijde van het opstellen van het GRP 2010-2016 bekend waren zijn destijds berekeningen gemaakt. Als bijlage 8.2 bij het GRP 2010-2016 bevindt zich een overzicht van de totale baten en lasten, uitgesplitst per jaar van 2010 tot en met 2039, bestaande uit een spaarbedrag investeringen, een dotatie onderhoud, een bedrag aan overige exploitatielasten, en voor de jaren 2010 tot en met 2019 een bedrag ter zake van vrijval exploitatie als gevolg van afbouw voorziening (de afbouw van het Schommelfonds). Het spaarbedrag investeringen beloopt de eerste twintig jaren telkens € 6.909.000, de dotatie onderhoud € 2.250.296. Het bedrag aan overige exploitatielasten wisselt jaarlijks. Vermeerderd met btw sluit het totaal van de lasten voor 2010 op € 12.067.244.

20. In bijlage 8.2.a zijn - voor zover thans van belang - de begrote investeringen over een periode van twintig jaar uitgesplitst per jaar en naar de onderdelen aanleg, vernieuwing en verbetering. De totaal begrote investeringen voor deze twintig jaren, inclusief bedragen aan in te halen achterstallige investeringen, belopen € 80.214.318. Daarnaast is de rente over de balanspositie over de periode van twintig jaar in totaal begroot op € 26.593.274, uitgaand van een rente van 5,0% over 2010 en 6,5% over de volgende jaren. Per jaar komen deze bedragen uit op een (gemiddelde) investering van € 4.010.716 en een (gemiddelde) rente van € 1.329.664. De begrote werkelijke bedragen per jaar wijken hiervan af. Vanaf 2011 zijn de begrote bedragen bovendien jaarlijks aangepast, omdat ieder jaar van de op dat moment bekende gegevens wordt uitgegaan. Deze kunnen afwijken van de cijfers ten tijde van het opstellen van het GRP 2010-2016. Zo is vanaf 2011 een lagere rente gehanteerd en is rekening gehouden met een eventueel feitelijk gerealiseerd exploitatieoverschot van het voorafgaande jaar.

21. Voor de berekening van de post kapitaallasten in het overzicht “Rioleringskosten obv de primitieve begroting 2012” is aansluiting gezocht bij de gemiddelde bedragen en niet bij de begrote werkelijke bedragen voor 2012. Daarbij is naast een bedrag aan investeringen en een bedrag aan rente 1/18 deel van de resterende negatieve balanspositie (bij wijze van aflossing) opgeteld. Dit resulteert in een totaalbedrag van afgerond € 6.708.000.

22. Het bedrag van € 6.708.000 is in het overzicht “Rioleringskosten obv de primitieve begroting 2012” in eerste instantie volledig als kapitaallasten opgevoerd. Daaronder is een post “Voorziening GRP-nieuw” opgenomen. Deze bestaat uit vijf elementen en laat het verloop van de voorziening zien. Allereerst is het bedrag van € 6.708.000 onder de noemer “Spaarcomponent (dotatie)” nog een keer vermeld. Daarna is hetzelfde bedrag weer in mindering gebracht onder de noemer “Dekking kapitaallasten (onttrekking)”. Vervolgens is een bedrag van € 2.241.463 opgenomen onder de noemer “Normonderhoud (dotatie)”. Dit bedrag is iets lager dan het bedrag uit bijlage 8.2. en kennelijk in 2012 eveneens herzien. Hierop is een bedrag van € 2.302.649 in mindering gebracht onder vermelding van “Werkelijk onderhoud (onttrekking)”. Dit bedrag stemt overeen met de optelling van de posten onderhoud en reparatie bovenaan in hetzelfde overzicht. Ten slotte is een bedrag van € 1.052.997 in verband met de afbouw van het Schommelfonds in mindering gebracht. Hoewel de rechtbank niet geheel duidelijk is waarom het meer is dan 1/10 van € 7.102.502, wordt daaraan geen gewicht toegekend nu een hogere aftrek in het voordeel van de belastingplichtige is. Per saldo levert dit een negatieve last ter zake van € 1.114.183 op.

23. De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot de conclusie dat de nieuwe geïntegreerde voorziening in de kern niet afwijkt van het Schommelfonds zoals dat in 2006 bestond. Daarom volstaat de rechtbank voor de argumenten ter zake van het Schommelfonds met verwijzing naar de zaken met zaaknummers 15/3917 en 15/7681, waarin zij op 4 februari 2016 uitspraak heeft gedaan (ECLI:NL:RBGEL:2016:509). Kort gezegd is de rechtbank van oordeel dat de door verweerder beschreven werkwijze toelaat dat het bedrag dat aan het Schommelfonds wordt toegevoegd als last ter zake kan worden meegenomen. Dit is voor het jaar 2009 ook bevestigd door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 15 december 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:9513). De rechtbank verwijst evenzeer naar die uitspraak. Zij ziet geen aanleiding ten aanzien van eiser voor het onderhavige jaar tot een ander oordeel te komen dan het Gerechtshof ten aanzien van de andere belastingplichtige.

24. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat tot 2014 het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) het zogenoemde “ideaalcomplex” niet toestond, overweegt de rechtbank dat uit het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2015 volgt dat de Commissie BBV al in 2007 deze mogelijkheid heeft genoemd. Deze stelling van eiser wordt daarom gepasseerd.

25. Met betrekking tot de (overige) betwiste lasten ter zake overweegt de rechtbank als volgt.

26. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de kosten van straatreiniging voor 50% worden meegenomen, omdat straatreiniging voorkomt dat afval in het riool belandt. Dat afval moet vervolgens ook verwerkt worden. De toegerekende kosten zijn iets meer dan € 1.000.000. Naar het oordeel van de rechtbank houdt deze last meer dan zijdelings verband met riolering en heeft verweerder de kosten daarvan dan ook terecht als last ter zake in de begroting opgenomen. De last is ook in redelijkheid voor 50% toegerekend aan de riolering. Dat er andere gemeenten zijn die lagere percentages hanteren maakt niet dat verweerder gehouden is daarin mee te gaan. Verweerder heeft daartegenover gesteld dat er ook gemeenten zijn die tot 65% van de kosten van straatreiniging als last ter zake van de rioolheffing meenemen. Wat daarvan ook zij, met een percentage van 50 is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een redelijke raming. Eiser heeft zijn stelling over onderlinge verschillen met andere gemeenten voor het overige niet nader onderbouwd, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet tot het oordeel te komen dat de gemeenteraad de kosten in redelijkheid niet heeft kunnen ramen op de door hem gestelde bedragen.

27. Met betrekking tot de subsidie voor groene daken heeft verweerder ter zitting verklaard dat daarvoor een bedrag van € 100.000 per jaar in de raming is meegenomen. Dit is onderdeel van het bedrag aan kapitaallasten en is verdisconteerd in de post vernieuwing als onderdeel van de investeringen. Aangezien het beplanten van platte daken leidt tot absorptie van water, wordt minder druk gelegd op de riolering en is - in het kader van de toename van de intensiteit van regenbuien - minder snel verbreding van riolering nodig, aldus verweerder. Eiser heeft dit niet betwist. Naar het oordeel van de rechtbank houdt deze post gelet op de toelichting door verweerder meer dan zijdelings verband met de riolering en heeft verweerder de kosten dan ook terecht als last ter zake van de riolering begroot. De omvang van het bedrag is door eiser niet gemotiveerd bestreden.

28. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft toegelicht dat er bewust voor is gekozen een bedrag aan uitgestelde investeringen over de jaren 2005 tot en met 2009 binnen de geïntegreerde voorziening op te nemen en niet direct te verrekenen met het positieve saldo van het Schommelfonds om de eenvoud van het systeem te vergroten en te bewerkstelligen dat meevallers bij de investeringen direct terugvloeien in de begroting. Ook op dit punt is daarom naar het oordeel van de rechtbank sprake van een redelijke raming.

29. De stelling van eiser dat een eventueel overschot ten opzichte van de begroting niet aan kosten ter zake van riolering wordt besteed heeft verweerder gemotiveerd besproken. Volgens verweerder is sprake van een gesloten systeem, waarbij in het volgende jaar een overschot ten opzichte van de begroting wordt meegenomen in de berekening van de aan het volgende jaar toe te rekenen lasten. De rechtbank stelt voorop dat zij de raming en niet de besteding van de uitgaven dient te toetsen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat voorafgaand aan 2012 een overschot bestond dat ten onrechte niet in de begroting voor 2012 is meegenomen. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de afbouw van het Schommelfonds en de jaarlijkse aanpassing van de cijfers acht de rechtbank juist aannemelijk dat de lezing van verweerder juist is. Daarmee heeft eiser geen twijfel omtrent de juistheid van de begroting gezaaid en wordt aan een nadere onderbouwing door verweerder niet toegekomen.

30. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat er gaande de procedures (niet alleen voor het onderhavige jaar) verschillende begrotingen met verschillende cijfers zijn overgelegd, overweegt de rechtbank dat zij de onderbouwing heeft te beoordelen die verweerder aan haar voorlegt. Daarin heeft de rechtbank geen inconsequenties of onjuistheden vastgesteld. Ook in zoverre is er geen twijfel over de juistheid van de begroting.

31. Ter zake van de overige gronden van het beroep overweegt de rechtbank als volgt.

32. Eiser is van mening dat de Verordening onverbindend is omdat sprake is van strijd met artikel 219 van de Gemeentewet, nu alleen de eigenaren in de heffing worden betrokken. Hij heeft in dit verband een beroep op de Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (hierna: de Kaderrichtlijn Water) gedaan, in het bijzonder artikel 9. Hij stelt dat op grond van deze kaderrichtlijn het systeem “de vervuiler betaalt” dient te worden gehanteerd en daarom niet slechts van eigenaren rioolheffing mag worden geheven.

33. Artikel 9, aanhef en eerste lid, van de Kaderrichtlijn Water luidt als volgt:

“Kostenterugwinning voor waterdiensten

1. De lidstaten houden rekening met het beginsel van terugwinning van de kosten van waterdiensten, inclusief milieukosten en kosten van de hulpbronnen, met inachtneming van de economische analyse volgens bijlage III en overeenkomstig met name het beginsel dat de vervuiler betaalt.

De lidstaten zorgen er tegen het jaar 2010 voor:

- dat het waterprijsbeleid adequate prikkels bevat voor de gebruikers om de watervoorraden efficiënt te benutten, en daardoor een bijdrage te leveren aan de milieudoelstellingen van deze richtlijn;

- dat de diverse watergebruikssectoren, ten minste onderverdeeld in huishoudens, bedrijven en landbouw, een redelijke bijdrage leveren aan de terugwinning van kosten van waterdiensten, die gebaseerd is op de economische analyse uitgevoerd volgens bijlage III en rekening houdt met het beginsel dat de vervuiler betaalt.

De lidstaten kunnen daarbij de sociale effecten, de milieueffecten en de economische effecten van de terugwinning alsmede de geografische en klimatologische omstandigheden van de betrokken gebieden in acht nemen.”

34. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 15 mei 2009, ECLI:NL:HR:2009:BD5477, kort gezegd overwogen dat het een gemeente vrijstaat om alleen de zakelijk gerechtigden als belastingplichtigen in de heffing van rioolrecht te betrekken. De heffing behoeft niet aan te sluiten bij de gebruiksmogelijkheden of de hoeveelheid afvalwater die vanuit een eigendom

wordt geloosd. De WOZ-waarde vormt een geoorloofde heffingsmaatstaf. Van strijd met het evenredigheidsbeginsel was in de desbetreffende zaak geen sprake.

35. In hetgeen door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding anders te oordelen dan de Hoge Raad in zijn arrest van 15 mei 2009 heeft gedaan. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen beroep kan doen op artikel 9 van de Kaderrichtlijn Water. Daarbij is van doorslaggevend belang dat het artikel zich richt tot de lidstaten en dat de bewoordingen waarmee dit artikel verplichtingen oplegt aan de lidstaten een zodanige beoordelings- en beleidsvrijheid ten aanzien van de uitvoering daarvan kennen, dat geen sprake is van een voldoende nauwkeurig bepaalde verplichting om een rechtstreeks beroep op de Kaderrichtlijn Water door de burger mogelijk te maken. In het midden kan daarom blijven of implementatie door de Nederlandse wetgever heeft plaatsgevonden en of dit op een juiste wijze is gebeurd.

36. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

37. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, voorzitter, mr. I. Linssen en mr. A.F. Germs‑de Goede, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 1 december 2016

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.