Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6413

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
25-11-2016
Zaaknummer
05/860611-14 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelde vorig jaar een inwoner van Huissen voor het uitvoeren van medische handelingen, terwijl hij geen arts was. De rechtbank heeft vandaag het voordeel dat hij daarmee heeft behaald vastgesteld op een bedrag van € 370.638,-. De man moet dit bedrag aan justitie terugbetalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/860611-14 (ontneming)

Datum zitting : 10 november 2016

Datum uitspraak: 24 november 2016

Tegenspraak (gemachtigd raadsman)

uitspraak van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie van het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

naam : [veroordeelde] (hierna te noemen: veroordeelde),

geboren op : [geboortedatum] 1962 te [geboorteplaats] ,

adres : [adres 1] ,

plaats : [woonplaats] ,

raadsman : mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

1 De inhoud van de vordering

De officier van justitie vordert dat de rechtbank, conform artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, het bedrag vaststelt waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, welk voordeel voorlopig wordt geschat op € 370.638,-.

2 De procedure

Ter terechtzitting van 10 november 2016 heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering aanhangig gemaakt.

3 Het onderzoek ter terechtzitting

De zaak is op 10 november 2016 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is veroordeelde vertegenwoordigd door mr. J.A. Schadd, advocaat te Arnhem.

De officier van justitie, mr. M.J. van Dijck, heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering.

De raadsman van veroordeelde heeft het woord ter verdediging gevoerd.

4 Aanhoudingsverzoek

De verdediging heeft verzocht de behandeling van de ontnemingsvordering aan te houden, totdat het hof arrest heeft gewezen in het ingestelde hoger beroep in de hoofdzaak. Dit is naar het oordeel van de verdediging wel zo praktisch. Verder heeft de verdediging gewezen op het reparatoire karakter van de ontneming. Enkel wat onrechtmatig is verkregen, dient terug te worden betaald. Het zou daarom zuiverder zijn om het hoger beroep af te wachten, nu in hoger beroep, wellicht na het horen van een aantal gevraagde getuigen, een andere bewijsbeslissing kan volgen.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen. Een ontnemingszaak kan tegelijkertijd met de strafzaak behandeld worden. De wet voorziet ook in de mogelijkheid van een afzonderlijke behandeling. Bij vonnis van 25 juni 2015 is veroordeelde veroordeeld voor meerdere strafbare feiten. Het is in overeenstemming met de geldende wettelijke bepalingen om de ontnemingszaak nu, anderhalf jaar later, af te doen. De rechtbank ziet, mede gelet op het ontbreken van een wettelijke verplichting daartoe, geen aanleiding om te wachten op het arrest van het hof. Dit had wellicht anders kunnen zijn indien de zittingsdatum bij het hof binnen enkele weken was geweest. Dit is niet het geval. Voorts is het gelet op het verzoek van de verdediging tot het horen van getuigen in hoger beroep nog maar de vraag of de strafzaak begin volgend jaar door het hof zal worden afgedaan. Tot slot merkt de rechtbank nog op dat, indien veroordeelde zich niet in onderhavige uitspraak kan vinden, hij hiertegen in hoger beroep kan gaan en in hoger beroep de strafzaak en de ontnemingszaak tegelijkertijd behandeld kunnen worden.

4a. De beoordeling van de vordering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voor de onderbouwing van de ontnemingsvordering verwezen naar het proces-verbaal ten behoeve van de ontnemingszaak (hierna: het proces-verbaal) en het vonnis van 25 juni 2015. Uit het vonnis van de rechtbank volgt dat veroordeelde [benadeelde 1] voor een bedrag van € 67.765,- heeft opgelicht. In het proces-verbaal is uiteengezet wat veroordeelde met het geld heeft gedaan.

De oplichting van [benadeelde 2] stond niet op de tenlastelegging in de hoofdzaak, maar er zijn voldoende aanwijzingen dat veroordeelde zich hieraan schuldig heeft gemaakt en hierdoor ook wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. [benadeelde 2] is – net als een aantal andere gedupeerden in de hoofdzaak – met veroordeelde mee naar China gegaan voor het ondergaan van een medische behandeling. [benadeelde 2] onderging in China een behandeling in een zuurstofcabine om zijn bloedvaten in zijn dove oor zachter te maken. Op de terugweg naar Nederland besprak veroordeelde met [benadeelde 2] dat er in Nederland niet van zulke zuurstofcabines waren, waarna veroordeelde en [naam 1] (hierna: [naam 1] ) bij [benadeelde 2] thuis langskwamen om te spreken over een investering in hyperbare zuurstofcabines. Op 18 juli 2012 heeft veroordeelde met [benadeelde 2] een investeringsovereenkomst afgesloten, op basis waarvan [benadeelde 2] € 250.000,- overmaakte aan veroordeelde. Op 19 september 2012 werd nog een aanvullende overeenkomst gesloten, op basis waarvan [benadeelde 2] aan veroordeelde nog eens € 60.000,- overmaakte. In het proces-verbaal is uiteengezet dat dit geld niet voor de afgesproken bestemming is gebruikt.. Veroordeelde heeft doen voorkomen dat er een vennootschap genaamd ‘ [bedrijf 4] ’ zou zijn opgericht en heeft daartoe verschillende valse stukken opgemaakt. Tevens zijn er meerdere andere valselijk opgemaakte stukken aangetroffen waarmee veroordeelde [benadeelde 2] vermoedelijk op het verkeerde been heeft gezet. Gewezen wordt op een stuk waaruit volgt dat veroordeelde met professor [naam 2] gedurende drie jaar onderzoek zou doen dat door het Europees Parlement gefinancierd zou worden en een brief van het Ministerie van Volksgezondheid over een miljoenensubsidie, die veroordeelde zou krijgen in verband met onderzoek naar hyperbare zuurstoftherapie. Als kosten dienen op het genoten voordeel in mindering te worden gebracht de aanschaf van twee zuurstofcabines (€ 2.802,-) en een generator (€ 4.325,-). Dat maakt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor dit feit moet worden geschat op een bedrag van € 302.873,- (€ 310.000,- -/- € 7.127,-).

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft met betrekking tot het wederrechtelijk verkregen voordeel als gevolg van de oplichting van [benadeelde 1] de vraag opgeworpen of het voordeel gelijk is aan het bedrag waarvoor veroordeelde haar zou hebben opgelicht. Ten aanzien van [benadeelde 2] is aangevoerd dat onvoldoende aannemelijk is dat veroordeelde hem heeft opgelicht. Dat [benadeelde 2] zich opgelicht voelde, is daartoe onvoldoende. Ook is daartoe onvoldoende dat het aannemelijk zou zijn dat veroordeelde voordeel heeft genoten. Verder brengt het enkel niet nakomen van gemaakte afspraken nog geen oplichting met zich. Daarnaast is onduidelijk waaruit zou blijken dat sprake is van door veroordeelde valselijk opgemaakte stukken. Als er al sprake is geweest van oplichting, is het [naam 1] die zich daaraan schuldig heeft gemaakt.

De beoordeling van de rechtbank

Bij de beoordeling van de vordering heeft de rechtbank kennisgenomen van het op 25 juni 2015 tegen veroordeelde gewezen vonnis.

De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten. De beslissing dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.1 Ten aanzien van de geschatte omvang van voornoemd voordeel, acht de rechtbank het volgende van belang.

[benadeelde 1]

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 25 juni 2015 (onder meer) veroordeeld voor het meermalen oplichten van [benadeelde 1] . Bewezen is verklaard dat veroordeelde door het aannemen van een valse hoedanigheid, een of meer kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde 1] heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen van € 60.000,- en € 7.765,- aan veroordeelde. Kosten zijn gesteld, noch gebleken.

De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen als gevolg van de oplichting van [benadeelde 1] daarom vast op € 67.765,-.

[benadeelde 2]

In artikel 36e, tweede lid, Sr staat:

“De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde feit of andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.”

Dat de oplichting van [benadeelde 2] niet door het Openbaar Ministerie ten laste is gelegd in de strafzaak, maakt gelet op voornoemd artikellid niet dat eventueel verkregen wederrechtelijk voordeel als gevolg van die oplichting niet aan veroordeelde kan worden ontnomen. De rechtbank wijst hierbij op het opportuniteitsbeginsel. Het is de keuze van de officier van justitie welke feiten er op de dagvaarding komen te staan. In dit geval is er een objectieve reden aan te wijzen waarom ervoor gekozen is dit feit niet ten laste te leggen: [benadeelde 2] had geen aangifte gedaan om (verder) gezichtsverlies binnen zijn gezin en woongemeenschap te voorkomen. Blijkbaar was dit voor de officier van justitie reden om veroordeelde hiervoor niet te vervolgen. Aan ontneming van het als gevolg van de oplichting genoten voordeel staat dit niet in de weg.

De vraag die beantwoord dient te worden is of er voldoende aanwijzingen zijn dat veroordeelde [benadeelde 2] heeft opgelicht. En, zo ja, of er sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Vonnis

Bij vonnis van 25 juni 2015 is bewezen verklaard dat veroordeelde enig aandeelhouder en bestuurder (‘eigenaar’) was van de besloten vennootschap [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). Veroordeelde heeft in zijn [bedrijf 1] bij meerdere cliënten de indruk gewekt een gediplomeerd arts te zijn. Dit deed hij onder andere door het voeren van de bedrijfsnaam ' [bedrijf 1] ', door de inrichting en aankleding van het bedrijf, door het dragen van een witte jas en het voeren van de titel 'MD'. Als zogenaamde arts heeft veroordeelde meerdere cliënten van het [bedrijf 1] 'behandeld'. Voordat in augustus 2013 de naam en rechtsvorm van het bedrijf veranderden, betrof veroordeeldes onderneming een eenmanszaak genaamd [bedrijf 2] .

Verklaring [benadeelde 2]

heeft verklaard dat hij van [naam 3] vernam dat veroordeelde als arts werkte. De vrouw van [benadeelde 2] liet zich door veroordeelde aan haar voeten behandelen. [benadeelde 2] vroeg veroordeelde of hij iets kon doen aan de doofheid van zijn ene oor (als gevolg van een tia). Op verzoek van veroordeelde verstrekte [benadeelde 2] zijn medisch dossier, dat door veroordeelde naar China werd gestuurd. Veroordeelde zou daar contact hebben met dokter [naam 2] . Na enige tijd vertelde veroordeelde dat [benadeelde 2] in China geholpen kon worden. [benadeelde 2] ging met veroordeelde mee naar China. In het ziekenhuis in China vertaalden veroordeelde en [naam 3] een en ander voor hem. Volgens dokter [naam 2] kon er aan zijn doofheid niets gedaan worden vanwege harde bloedvaten. Wel werd hij nog behandeld in een zuurstofcabine. Door deze behandeling zouden zijn bloedvaten zachter worden. Op de terugweg naar Nederland hadden veroordeelde, [naam 3] en [benadeelde 2] een gesprek over zuurstofcabines. Deze cabines waren er niet in Nederland. Als ze er wel zouden zijn, zou [benadeelde 2] in Nederland behandeld kunnen worden. Bij terugkomst in Nederland kwamen veroordeelde en [naam 3] bij [benadeelde 2] thuis langs om over een investering in het zuurstofproject met hem te praten. Het project zou vijf ton kosten. [benadeelde 2] vernam dat [naam 3] de helft zou investeren. Omdat [benadeelde 2] ervan overtuigd was dat [naam 3] de investeringsovereenkomst had getekend, deed hij dat ook en maakte hij € 250.000,- over naar veroordeelde. Hij en [naam 3] zouden een rendement van 9 % op hun investering krijgen. Enige tijd later kwam [naam 3] bij [benadeelde 2] thuis en vertelde hij hem dat er een aanpassing gedaan moest worden, die nog eens € 120.000,- kostte. [naam 3] zou daarvan € 60.000,- betalen. Het was de bedoeling dat [benadeelde 2] de andere helft betaalde. [naam 3] had daarvoor al een overeenkomst bij zich. [benadeelde 2] tekende deze overeenkomst en maakte vervolgens ook de € 60.000,- aan veroordeelde over. Op 3 december 2013 vond een vergadering plaats, waarbij veroordeelde, de heer en mevrouw [naam 3] en de heer en mevrouw [benadeelde 2] aanwezig waren. Gezegd is dat er op dat moment al € 831.000,- geïnvesteerd was.2

Schriftelijke overeenkomsten

Tijdens de doorzoeking bij het [bedrijf 1] werd onder andere een investeringsbijeenkomst van 18 juli 2012 en een aanvullende overeenkomst van 19 september 2012, beide afgesloten tussen veroordeelde en [benadeelde 2] , aangetroffen.3

Overeengekomen is dat [benadeelde 2] een bedrag van € 250.000,- investeert in een onderneming van veroordeelde in verband met de aankoop van een hyperbare zuurstofcabine en later een tweede investering van € 60.000,- doet voor de aanschaf van een oxygen capsule, alsmede alle technische voorzieningen daarvoor. In de investeringsovereenkomst van 18 juli 2012 staat dat de € 250.000,- moet worden gestort op de rekening [rekeningnummer 2] van veroordeelde, waarna hij dat bedrag zal doorboeken naar een aan hem gelieerde onderneming. Het bedrag zou worden aangewend voor de aankoop van de hyperbare zuurstofmachine en voor de oprichtingskosten van een door veroordeelde nieuw op te richten besloten vennootschap. Naast het 9 % procent rendement op jaarbasis, zou [benadeelde 2] 40 gratis behandelingen krijgen in de zuurstofcabine. Drie maanden na ingebruikname van de zuurstofcabine in Nederland zal veroordeelde de eerste termijn, inclusief rente terug gaan betalen aan [benadeelde 2] .4

Geldstromen

Op 19 juli 2012 wordt onder vermelding van ‘waarborgsom [veroordeelde] ’ € 250.000,-, afkomstig van [benadeelde 2] , op de zakelijke rekening van [bedrijf 2] [rekeningnummer 1] bijgeschreven.5 Op 20 juli 2012 wordt € 240.000,- doorgeboekt naar de privérekening [rekeningnummer 2] van veroordeelde en € 10.000,- naar de privérekening [rekeningnummer 3] van veroordeeldes echtgenote [betrokkene] .6 Vanaf de privérekening van zijn echtgenote wordt diezelfde dag € 9.000,- overgemaakt naar de rekeningen van [naam 4] en [naam 5] onder de vermelding van ‘spaar(geld)’.7 Van de op veroordeeldes privérekening ontvangen € 240.000,- wordt:

  • -

    € 100.000,- doorgeboekt naar een Thaise rekening op naam van [naam 5] ;

  • -

    € 110.000,- doorgeboekt naar een (andere) zakelijke rekening ( [rekeningnummer 4] ) van [bedrijf 2] . Dit bedrag wordt vervolgens besteed aan [naam 6]

(€ 34.000,-), [naam 7] (2 x € 4.760,-, i.v.m. verbouwing), salarissen [naam 8]
(€ 1.307,95), [naam 9] (€ 1.330,06), [naam 10] (€ 1.307,95) en [naam 11] (€ 1.250,-). Verder is een keer € 35.000,- contant opgenomen en is 17 keer € 1.000,- opgenomen;

  • -

    € 5.000,- aan [naam 1] betaald onder vermelding van ‘Terugbetaling auto laatste deel’;

  • -

    € 15.607,25 aan [naam 12] betaald voor de aanschaf van een brommobiel;

  • -

    € 3.500,- doorgeboekt naar de privérekening van veroordeeldes echtgenote [betrokkene] ( [rekeningnummer 3] ), waarvan vervolgens [bedrijf 3] (€ 2.025,-) wordt betaald en € 1.000,- contant wordt opgenomen.8

Op 17 september 2012 wordt onder vermelding van ‘aankoop zuurstofmachines’ tweemaal

€ 30.000,-, afkomstig van [benadeelde 2] , op de privérekening [rekeningnummer 2] van veroordeelde bijgeschreven. Daarvan wordt:

  • -

    € 30.000,- doorgeboekt naar een zakelijke rekening ( [rekeningnummer 4] ) van [bedrijf 2] . Van dit bedrag wordt vervolgens € 24.500,- doorgeboekt naar [naam 2] Ming Tang in China en wordt salaris (€ 1.551,20), huur (€3.573,74) en een aanschaf bij Mediamarkt (€ 1.085,93) betaald;

  • -

    € 3.000,- wordt contant opgenomen;

  • -

    € 15.000,- (3 maal € 5.000,-) wordt overgemaakt naar de spaarrekeningen van P. Thongklang, [naam 5] en [naam 4] ;

  • -

    € 9.200,- wordt betaald aan Superkeukens;

  • -

    € 3.100 wordt betaald aan Hotel Duiven onder vermelding van ‘Huur augustus 2012’.9

Gebruik Thaise bankrekening

Over de Thaise bankrekening heeft [naam 5] , de schoonzus van veroordeelde, op wier naam de rekening was gesteld, verklaard dat deze bankrekening door veroordeelde werd beheerd en dat zij er geen beschikking over had.10 Veroordeelde heeft bevestigd dat de rekening op naam van zijn schoonzus staat, maar dat hij daar als enige gebruik van maakte en kon maken.11

[bedrijf 4]

In de brief van 9 januari 2013 van veroordeelde gericht aan [benadeelde 2] staat dat, zoals in de investeringsovereenkomst is overeengekomen, ten behoeve van (de aankoop van) een hyperbare zuurstofcabine en -generator de besloten vennootschap [bedrijf 4] , is opgericht. In de brief van 8 april 2014 van veroordeelde gericht aan de heer en mevrouw [benadeelde 2] staat, met verwijzing naar de stukken van de kamer van Koophandel in Thailand, dat veroordeelde de directeur is en dat enkel hij tekenbevoegd is. Verder schrijft hij dat de onderneming is opgericht met zijn (eigen) privékapitaal van € 250.000,- en dat de onderneming geen andere bezittingen heeft dan de zuurstofcabine.12

Facturen zuurstofcabines en generator ad € 7.127,-

In de inbeslaggenomen administratie van veroordeelde werd een tweetal facturen aangetroffen:

  1. Een factuur van 29 augustus 2012 voor een zuurstofcabine voor kinderen en een zuurstofcabine voor volwassenen voor een totaalbedrag van USD 3.800,-, omgerekend € 2.802,-. Het afleveradres is [bedrijf 2] , [adres 2] [plaats] . Op de factuur moet, aldus het proces-verbaal, de werkelijke waarde van de ingevoerde goederen staan vanwege de vaststelling van de te betalen invoerrechten;

  2. Een factuur van 26 december 2012 voor de aankoop van een zuurstofgenerator voor een bedrag van RMB 36.000,-, omgerekend € 4.325,-. Uit de transportbescheiden blijkt dat de generator is gekocht door [bedrijf 2] , [adres 2] [plaats] .

Op beide facturen staan de leveranciers vermeld, te weten [bedrijf 5] ( [bedrijf 5] ) en [bedrijf 6] .13

[bedrijf 7] facturen zuurstofcabines en generator ad USD 667.600,-

Op gegevensdragers van veroordeelde werden twee facturen voor aankopen van dezelfde goederen aangetroffen:

  1. Een factuur van USD 453.800,-voor de aanschaf van een zuurstofcabines voor kinderen en een zuurstofcabine voor volwassenen, gedateerd 26 november 2012;

  2. Een factuur van USD 213.800,- voor de aanschaf van een zuurstofgenerator, van 8 januari 2013.

Beide facturen zijn gericht aan [bedrijf 4] , ter attentie van Mr. MD [veroordeelde] , met als afleveradres [bedrijf 1] , [adres 2] [plaats] .

De aanmaakdatum van beide facturen is 14 april 2014, dus ná de datum die op de andere facturen staat vermeld. Verder is te zien dat de facturen zelf in Word zijn gemaakt. Het logo [bedrijf 7] is te verschuiven in het Word-document. De op de facturen vermelde leverancier [bedrijf 7] bestaat echt, maar het betreft geen bedrijf dat zuurstofcabines en generatoren verkoopt. Ook komt het logo en het adres van dat (echte) bedrijf niet overeen met het logo en het adres dat op de facturen is gebruikt. Het logo op de facturen komt overeen met dat van een bedrijf uit India, dat evenmin zuurstofcabines en generatoren verkoopt.14

Verklaring van eigendomsoverdracht

Tot slot is bij veroordeelde nog een verklaring van eigendomsoverdracht van 16 april 2014 aangetroffen, waarin [bedrijf 4] twee zuurstofcabines met generator in eigendom overdraagt aan [benadeelde 2] . Verder staat in de verklaring dat veroordeelde zal trachten genoemd apparatuur voor [benadeelde 2] te gaan verkopen en dat door ondertekening van deze verklaring de eerder afgesloten investeringsovereenkomst van 18 juli 2012 en het onlosmakelijk aanhangsel van 19 december 2012 zijn komen te vervallen. De verklaring is vervolgens enkel ondertekend door veroordeelde. Bij de overeenkomst zijn de [bedrijf 7] facturen van de zuurstofcabines en generator ad USD 667.600,- als bijlage toegevoegd.15

Conclusie

De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat voldoende aannemelijk is dat:

  • -

    veroordeelde zich ten opzichte van [benadeelde 2] heeft voorgedaan als arts, dan wel dat hij [benadeelde 2] bewust daaromtrent in de waan heeft gelaten;

  • -

    veroordeelde, samen met een ander, [benadeelde 2] middels een samenweefsel van verdichtsels ertoe heeft bewogen € 310.000,- te investeren in (een project betreffende) een hyperbare zuurstofcabine;

  • -

    [benadeelde 2] € 310.000,- naar veroordeelde heeft overgemaakt;

  • -

    het door [benadeelde 2] geïnvesteerde geld door veroordeelde (voor het grootste gedeelte) niet is gebruikt voor de aankoop van (hyperbare) zuurstofcabines;

  • -

    veroordeelde valse aanschaffacturen heeft opgemaakt om te proberen [benadeelde 2] in de waan te laten dat zijn geld is geïnvesteerd zoals was overeengekomen,

en dat veroordeelde [benadeelde 2] zodoende heeft opgelicht.

De rechtbank schat in het geval van [benadeelde 2] het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 302.873,-. Dat is het bedrag aan investering van € 310.000,- minus de kosten van de (daadwerkelijke) aanschaf van de zuurstofcabines en generator van € 7.127,-.

Totale voordeel / betalingsverplichting

Het totale bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel schat de rechtbank, conform de vordering van de officier van justitie, op € 370.638,- (€ 67.765,- + € 302.873,-). Gesteld noch gebleken is een aanleiding om de betalingsverplichting van veroordeelde te matigen. Daarvoor ziet de rechtbank dan ook geen reden.

5 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

6 De beslissing

De rechtbank:

 stelt vast het bedrag waarop het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op een bedrag van € 370.638,- (zegge: driehonderdzeventig duizend zeshonderdachtendertig euro);

 legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 370.638,- (zegge: driehonderdzeventig duizend zeshonderdachtendertig euro).

Aldus gegeven door mrs. J.M. Klep (voorzitter), W.A. Holland en H.C. Leemreize, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.P.J. Leenders, griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 november 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] in de politie Oost Nederland, Generieke Opsporing, opgemaakte ‘Proces-verbaal ten behoeve van de ontnemingszaak contra verdachte [veroordeelde] ’, projectnaam: 07RDR14004, gesloten op 17 september 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal ‘informatief gesprek [benadeelde 2] ’, p. 150 t/m 152.

3 Proces-verbaal onderzoek oplichting [benadeelde 2] , p. 105

4 Investeringsovereenkomst en Onlosmakelijk Aanhangsel (tweede investering), p. 113 t/m 117.

5 Rekeningafschrift, p. 76.

6 Rekeningafschrift, p. 78.

7 Rekeningafschrift, p. 79.

8 Rekeningafschriften, p. 85, 86 en 88 t/m 94.

9 Rekeningafschriften, p. 96, 97, 99 en 100.

10 Proces-verbaal van verhoor [naam 5] , p. 102.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 161.

12 Brieven, p. 119 en 120.

13 Proces-verbaal onderzoek oplichting [benadeelde 2] , p. 107 en 108, en bijlagen 4 en 5, p. 125 t/m 134.

14 Proces-verbaal onderzoek oplichting [benadeelde 2] , p. 108, en bijlage 6, p. 136 t/m 139.

15 Proces-verbaal onderzoek oplichting [benadeelde 2] , p. 108, en bijlage 10, p. 148.