Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:640

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-02-2016
Datum publicatie
08-02-2016
Zaaknummer
05/277631-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Werkstraf van 120 uren en voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden voor 37-jarige man uit Nijmegen wegens poging tot zware mishandeling en beschadiging van een auto. Beroep op psychische overmacht verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/277631-14

Datum uitspraak : 4 februari 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] .

Raadsman: mr. M. Rasing, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van de meervoudige kamer van 21 januari 2016, na verwijzing door de politierechter op 1 april 2015.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 september 2014 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met verhoogde snelheid, althans enige snelheid) op die [slachtoffer] is ingereden met

de auto, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 15 september 2014 te Nijmegen [slachtoffer] heeft mishandeld door (met verhoogde snelheid, althans enige snelheid) op die [slachtoffer] in te rijden met de auto;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 15 september 2014 te Nijmegen [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte (met verhoogde snelheid, althans enige snelheid) op die [slachtoffer] ingereden met de auto;

2.

hij op of omstreeks 15 september 2014 te Nijmegen opzettelijk en

wederrechtelijk een auto (Renault Megane voorzien van het kenteken [kenteken] ) ,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, tegen

voornoemde auto aangereden;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1 en 2

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 15 september 2014 is verdachte, rijdend in een Ford Transit, op de Bijleveldsingel in Nijmegen, met enige snelheid tegen [slachtoffer] (hierna: aangever) en tegen de auto waar aangever naast stond, aangereden.2 De auto is daardoor beschadigd. Het betrof een Renault Megane met kenteken [kenteken] , toebehorend aan [benadeelde] .3 Kort voor de aanrijding was aangever, samen met zijn zus, [betrokkene 1] , die de auto bestuurde en zijn stiefvader, [betrokkene 2] , achter verdachte aangereden. Aangever zat toen op de bijrijdersstoel. Op de Bijleveldsingel zijn ze verdachte voorbijgereden, gestopt en is aangever uitgestapt.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte de Ford Transit, met snelheid, in de richting van de auto stuurde. Daarmee heeft verdachte voorwaardelijk opzet gehad op het toebrengen van schade aan de auto en op het zodanig raken van aangever, dat de aanmerkelijke kans op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bestond.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het onder 1 primair tenlastegelegde, omdat uit het dossier niet afgeleid kan worden dat verdachte het (voorwaardelijk) opzet had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De raadsman heeft daartoe betoogd dat het door verdachte geschetste scenario aannemelijk is. Verdachte heeft verklaard dat hij, toen hij vanaf het Keizer Karelplein kwam lopen, bij het zebrapad aangever in de auto zag zitten. Verdachte verkeerde in de veronderstelling dat de twee anderen in de auto vrienden van aangever waren. Verdachte zag dat ze zeiden dat ze hem gingen pakken, waarbij aangever snijdende bewegingen langs zijn keel maakte. Verdachte is daardoor, maar ook omdat aangever twee dagen daarvoor zijn ex-vriendin had mishandeld en hen in het verleden ook had bedreigd, heel bang geworden en is snel weggereden in de Ford Transit. De auto waarin aangever zat, is verdachte achterna gereden en heeft hem opgejaagd door heel dicht achter hem te rijden, terwijl er ook veel ander verkeer reed waar verdachte op moest letten. Daarbij maakte aangever weer snijdende bewegingen langs zijn keel. Op de Bijleveldsingel is verdachte in het midden van de weg gaan rijden omdat er daar veel ander verkeer reed en omdat hij niet wilde dat de auto waarin aangever zat hem in zou halen. De auto ging hem toch voorbij, stopte schuin voor hem, aangever stapte uit en voor verdachte het wist was hij al tegen aangever en de auto aangereden. Verdachte meende een mes te zien bij aangever toen hij uit de auto stapte. Verdachte is al die tijd niet gestopt met de Ford Transit en is in één vloeiende beweging, rijdend in het midden van de weg, doorgereden. Hij is niet gestopt omdat hij bang was dat aangever hem iets aan ging doen.

De verklaring van verdachte is consistent. Dat hij heel bang was voor aangever en daartoe reden had, wordt ondersteund door de inhoud van het dossier. Dat verdachte op het midden van de weg reed en in één beweging is doorgereden en de auto met een schampende beweging heeft geraakt, komt overeen met de sporen op de auto, de door de raadsman ter zitting overgelegde foto’s van de situatie ter plaatse en de verklaringen dat de auto een stuk is opgeschoven door de klap. Als verdachte, rijdend met 40 à 50 kilometer per uur, op een stilstaande auto zou zijn ingereden, zou de auto veel meer schade opgelopen hebben. Verdachte zal dus, hoewel hij zelf meerdere malen heeft verklaard 40 à 50 kilometer per uur te hebben gereden, minder hard hebben gereden. Dat verdachte het zich anders herinnert, geeft ook aan in welke stresssituatie hij verkeerde.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever heeft verklaard dat hij op 15 september 2014 bij zijn zus in de auto zat, samen met zijn stiefvader. Ze zagen verdachte de Rabobank uit komen lopen op het Keizer Karelplein in Nijmegen. Aangever heeft toen tegen verdachte geroepen dat hij met hem wilde praten. Verdachte reed daarna weg in een busje en aangever zei tegen zijn zus dat zij achter verdachte aan moest rijden. Op de Bijleveldsingel is zijn zus langs de bus gereden en stil gaan staan. Aangever stapte uit. Toen hij naast de auto stond, zag hij verdachte op zich af komen rijden. Toen verdachte dichterbij kwam, sprong aangever omhoog en voelde hij dat verdachte hem had aangereden en dat hij bij zijn benen was geraakt. Hij lag naast de auto op de grond.5

[betrokkene 3] heeft verklaard dat hij op 15 september 2014 met [betrokkene 4] en aangever in Nijmegen reed. Op het Keizer Karelplein zag aangever verdachte lopen. Verdachte reed daarna weg in een bus. [betrokkene 4] heeft naar hem geclaxonneerd om hem kenbaar te maken dat hij moest stoppen. Op de Bijleveldsingel is [betrokkene 4] de bus van verdachte voorbij gereden en heeft zij de auto aan de linkerkant van de weg stil gezet. Aangever is uitgestapt. Daarna zag [betrokkene 3] de bus op hen af komen rijden en hun auto raken in het rechterachterportier.6

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij op 15 september 2014 over de Bijleveldsingel fietste, komende uit de richting van de Wilhelminasingel. Ze zag dat er een Renault vanuit haar gezien aan de rechterzijde van de weg stond met de voorkant in haar richting. Ze zag dat er een man naast de Renault stond. Ze zag dat er een bus in de richting van de Renault reed en er tegenaan reed aan de rechterzijkant van de Renault. De bus reed dus ook haar kant op. Ze zag dat de Renault een stuk opschoof naar rechts vanuit haar gezichtspunt. Ze zag daarna dat de man die eerst naast de Renault had gestaan, nu op de grond lag.7

De rechtbank overweegt ten aanzien van het opzet van verdachte het volgende.

Verdachte heeft ter terechtzitting en tegenover de politie aangegeven dat hij 40 à 50 kilometer per uur reed, in één beweging is doorgereden en toen aangever heeft aangereden. Pas in zijn laatste woord ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat dit ook 20 à 30 kilometer per uur geweest kan zijn. De verklaring van verdachte dat hij 40 à 50 kilometer per uur reed en met die snelheid in één beweging is doorgereden, acht de rechtbank ongeloofwaardig, nu het met die snelheid in dat tijdsbestek niet mogelijk is om door de auto waarin aangever zich bevond, ingehaald te worden, waarna die auto gestopt is en aangever is uitgestapt, en daarná aangever en de auto aan te rijden. De rechtbank acht dit evenmin mogelijk met een snelheid van 20 à 30 kilometer per uur gelet op de afgelegde afstand en hetgeen is gebeurd.

Dat aangever verdachte die dag bedreigd zou hebben met woorden en door snijdende bewegingen langs zijn keel te maken, vindt geen steun in enig ander bewijsmiddel in het dossier.

Naar het oordeel van de rechtbank was er, gelet op de eindpositie van de auto en de breedte van de weg zoals te zien op de door de raadsman ter zitting van 21 januari overgelegde foto’s8, nog voldoende ruimte voor verdachte om langs aangever en de auto te rijden - ook wanneer er rekening mee wordt gehouden dat de auto nog is verplaatst door de impact van de klap - en bestond er voor verdachte dus geen reden om tegen aangever en de auto aan te rijden. Voor de rechtbank staat daarom vast dat verdachte, of dit nu was vanuit stilstaande of langzaam rijdende positie, met in ieder geval enige snelheid bewust op aangever, en daarmee de auto, is ingereden.

Door, rijdend in een relatief zware Ford Transit, met enige snelheid op aangever in te rijden die vlak naast de auto stond, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Dat zwaar lichamelijk letsel het gevolg kan zijn van een dergelijke aanrijding is een feit van algemene bekendheid. Aangever had daardoor bekneld kunnen raken tussen de Ford Transit en de auto waardoor vitale organen ernstig in de verdrukking kunnen komen. Door desondanks bewust op aangever in te rijden, heeft verdachte deze aanmerkelijke kans naar het oordeel van de rechtbank bewust aanvaard. Aldus is de rechtbank van oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. Daarmee acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.

Gelet op het voorgaande is het onder 2 tenlastegelegde eveneens wettig en overtuigend bewezen. Verdachte heeft bekend tegen de auto te zijn aangereden9 en aangever [benadeelde] , de eigenaar van de auto, heeft verklaard dat zijn auto aan de rechterzijde ernstige schade had. Het rechter achterportier was helemaal ingedeukt en het raam van het rechter achterportier was versplinterd. Van de linker voorband was de velg af.10

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 15 september 2014 te Nijmegen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (met verhoogde snelheid, althans enige snelheid) op die [slachtoffer] is ingereden met

de auto, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 15 september 2014 te Nijmegen opzettelijk en

wederrechtelijk een auto (Renault Megane voorzien van het kenteken [kenteken] ) ,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in

elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of

beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt, immers heeft hij, verdachte, tegen

voornoemde auto aangereden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Poging tot zware mishandeling

Ten aanzien van feit 2:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

De raadsman heeft subsidiair verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging vanwege psychische overmacht. Verdachte voelde zich dusdanig opgejaagd en bedreigd dat er sprake was van een van buiten komende drang waaraan hij redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Verdachte wilde snel wegvluchten, maar werd geblokkeerd en kon ook niet, rekening houdend met het overige verkeer en het feit dat hij in een bus reed, achteruit rijden.

Hiervoor onder 2. heeft de rechtbank al overwogen dat de verklaring van verdachte dat aangever hem die dag bedreigd heeft met woorden of door snijdende bewegingen langs zijn keel te maken, geen steun vindt in enig ander bewijsmiddel.

De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat de auto waarin aangever reed verdachte heeft achtervolgd, maar niet dat verdachte zodanig is opgejaagd dat hij niet anders kon handelen dan hij heeft gedaan. Zoals hiervoor onder 2. reeds overwogen bestond er nog voldoende ruimte voor verdachte om langs aangever en de auto te rijden - ook wanneer er rekening mee wordt gehouden dat de auto nog is verplaatst door de impact van de klap - en bestond er voor verdachte dus geen reden om tegen aangever en de auto aan te rijden. Verdachte is bewust op aangever ingereden.

Het beroep op psychische overmacht wordt daarmee verworpen.

Verdachte is strafbaar, nu ook voor het overige geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 120 uren werkstraf, te vervangen door 60 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft daarbij rekening gehouden met de ernst van de feiten, met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht en de gedateerdheid van de feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de geëiste werkstraf aanzienlijk te matigen in verband met de grote mate van eigen schuld aan de kant van aangever, in verband met het programma dat verdachte volgt bij Stichting Safe Houses en de omstandigheid dat verdachte per 1 maart 2016 een baan heeft.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer acht is geslagen op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 9 december 2015;

- een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, gedateerd 27 maart 2015.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft geprobeerd het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door, rijdend in een Ford Transit, bewust op het slachtoffer in te rijden dat op dat moment vlak naast een auto stond. Daarna is verdachte er vandoor gegaan.

Dit alles vond plaats op een drukke weg waardoor omstanders getuige zijn geweest.

Dat het slachtoffer zich wellicht in het verleden niet onbetuigd heeft gelaten, vormt geen enkele rechtvaardiging voor verdachte om te handelen zoals hij heeft gedaan.

De rechtbank houdt rekening met de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en ook met de situatie als bedoeld in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Hoewel de ernst van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, ziet de rechtbank in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om daar niet toe over te gaan.

De rechtbank acht, gelet op het voorgaande, de geëiste werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden.

De voorwaardelijke straf dient ertoe om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw dergelijke feiten te begaan, ook omdat het conflict tussen de beide mannen mogelijk nog niet voorbij is en tevens om de ernst van het feit te benadrukken. Anders dan door de officier van justitie is geëist en door de raadsman is betoogd, vindt de rechtbank een lagere straf, gelet op de ernst van het feit, niet passend.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.189,74 aan materiële schade, waaronder een bedrag van kosten rechtsbijstand gelijk aan de eigen bijdrage van de benadeelde van € 196,-. Ter zake immateriële schade wordt een bedrag van € 750,- gevorderd.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering voor zover die ziet op vergoeding van de materiële schade, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd, dan wel er geen causaal verband met het feit is vast te stellen. De officier van justitie heeft verzocht ten aanzien van de immateriële schade het gevorderde bedrag te matigen, omdat het een geschil tussen verdachte en de benadeelde betreft. De officier van justitie heeft verzocht hiervoor een bedrag van € 500,- toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren in de vordering voor zover deze ziet op vergoeding van de materiële schade, nu dit deel van de vordering onvoldoende is onderbouwd, dan wel het causale verband met het feit ontbreekt. Ten aanzien van de proceskosten heeft de raadsman nog naar voren gebracht dat de benadeelde heeft nagelaten deze schade te beperken, nu ook een doorverwijzing via het juridisch loket plaats had kunnen vinden.

Voor zover de vordering ziet op vergoeding van de immateriële schade, heeft de raadsman primair, gelet op hetgeen ten grondslag is gelegd aan de bepleitte vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging, verzocht de vordering af te wijzen. Subsidiair heeft hij verzocht de vordering af te wijzen of aanzienlijk te matigen vanwege onvoldoende onderbouwing en culpa in causa.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de materiële schade acht de rechtbank de gevraagde vergoeding voor een horloge, schoenen en telefoonkosten onvoldoende onderbouwd. Ten aanzien van de gevraagde vergoeding voor medische kosten (‘controle/röntgen’) van € 68,36 is niet vast komen te staan dat deze schade is geleden als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde feit, nu dit bedrag volgens het bijgevoegde overzicht ziet op tandheelkundige hulp.

De gevraagde vergoeding voor een trainingspak van € 160,- is voor wat betreft de waarde daarvan, niet onderbouwd. Gelet op hetgeen bewezen is verklaard en gelet op de foto’s die gevoegd zijn bij de vordering waarop gescheurde kleding te zien is, begroot de rechtbank deze schade schattenderwijs op € 100,-.

De rechtbank zal de gevraagde vergoedingen in verband met ‘vervoerskosten ziekenhuis’

(€ 50,-) en ‘eigen risico zorgverzekering’ (€ 145,38) toewijzen. Gelet op de inhoud van het dossier en - ten aanzien van de post ‘eigen risico zorgverzekering’- de onderbouwing daarvan, acht de rechtbank het aannemelijk dat deze schade is geleden..

Het gevorderde bedrag van € 196,- ten aanzien van proceskosten acht de rechtbank ondanks het (niet nader onderbouwde) verweer redelijk en dit bedrag zal eveneens worden toegewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade is onvoldoende onderbouwd dat sprake is van blijvend letsel aan de knie van benadeelde. Gelet op de aard en ernst van het letsel, het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dat is begaan, de gevolgen voor benadeelde partij en mede gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade op € 500,-.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, omdat daar nadere onderbouwing voor nodig zou zijn. De benadeelde partij kan derhalve de resterende vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

De gevorderde wettelijke rente is ten aanzien van de vervoerskosten en het eigen risico zorgverzekering toewijsbaar vanaf 7 oktober 2014. Ten aanzien van het trainingspak en de immateriële schade is de wettelijke rente toewijsbaar vanaf 15 september 2014.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag inclusief de wettelijke rente ten behoeve van genoemde benadeelde partij(en). Bij de bepaling van de vervangende hechtenis zal de wettelijke rente buiten beschouwing worden gelaten.

De gevorderde en toegewezen vergoeding voor proceskosten, betreft geen schade en is daar niet bij inbegrepen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 27, 36f, 45, 57, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

En voorts tot

 een werkstraf gedurende 120 (honderdtwintig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 60 (zestig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] (feit 1 primair).

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 primair tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 795,38 (zevenhonderdvijfennegentig euro en achtendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2014 ten aanzien van een bedrag van € 600,- en vanaf 7 oktober 2014 ten aanzien van een bedrag van € 195,38, tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op € 196,-;

  • -

    verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 795,38 (zevenhonderdvijfennegentig euro en achtendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 september 2014 ten aanzien van een bedrag van € 600,- en vanaf 7 oktober 2014 ten aanzien van een bedrag van € 195,38, tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 15 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. Lagarde (voorzitter), mr. J.M. Klep en mr. M.A. Jansen-van Leeuwen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 februari 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, Gelderland-Zuid, district Stad Nijmegen, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0800-2014110477, gesloten op 22 december 2014 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 21 januari 2016; het proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 98; geneeskundige verklaring, p. 56.

3 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 100.

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 21 januari 2016; het proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer] , p. 51, 52.

5 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 51, 52.

6 Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 3] , p. 65, 66.

7 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , p. 61.

8 De rechterlijke waarneming van de door de raadsman ter terechtzitting van 21 januari 2016 overgelegde foto’s.

9 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 21 januari 2016.

10 Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] , p. 100.