Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6346

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-11-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2327
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Door de burgemeester van de gemeente Wijchen is een kort aanlijngebod opgelegd. Verkeerde tenaamstelling in het primaire besluit is in de beslissing op bezwaar hersteld. Verweerder heeft geanticipeerd op nieuw beleid. In de beleidsregels opgenomen dat er een kort aanlijngebod kan worden opgelegd als er sprake is van een gevaarlijke hond. Verklaring van huisarts dat sprake is van een hondenbeet. Verklaring van derde belanghebbende, slachtoffer, die gezien heeft dat de hond beet. Voldoende aannemelijk dat door hond van eiseres is gebeten. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/2327

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

en

[verweerder] te [woonplaats], verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [belanghebbende], te [woonplaats].

Procesverloop

Bij besluit van 17 september 2015 (het primaire besluit) heeft het college van burgermeester en wethouders (het college) aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een kort aanlijngebod en een muilkorfgebod opgelegd voor de hond [naam].

Eiseres heeft hier tegen bezwaar aangetekend.

Bij besluit van 9 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard en het muilkorfgebod herroepen. Verweerder heeft het kort aanlijngebod in stand gehouden.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2016.

Eiseres is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Derde-partij is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door I.H. de Keijzer.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt voorop dat uit het bestreden besluit blijkt dat wordt vastgesteld dat het kort aanlijngebod is gericht aan eiseres. Tevens blijkt uit het, door verweerder gevolgde, advies van de commissie voor bezwaarschriften, dat is onderkend dat er bij het primaire besluit sprake was van een onjuiste tenaamstelling in die zin dat de naam van eiseres als eigenaresse van de hond [naam] niet was vermeld. Gelet op deze overwegingen in het bestreden besluit en in het advies van de commissie neemt de rechtbank aan dat verweerder het primaire besluit (ook) voor wat betreft de tenaamstelling heeft willen herroepen in die zin dat dit ook aan eiseres is gericht. Eiseres is dan ook terecht in haar bezwaar ontvangen.

2. De rechtbank overweegt als volgt.

3. Artikel 2:59 Algemene plaatselijke verordening (Apv), luidde ten tijde van het bestreden besluit, als volgt:

1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een kort aanlijngebod of een kort aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

2. Een kort aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn van een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

a. vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

b. door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en

c. zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

4. Op 4 december 2014 is in werking getreden de beleidsregel gevaarlijke en hinderlijke honden (hierna: de beleidsregel). De gewijzigde tekst van de beleidsregel is op 9 april 2016 in werking getreden.

Verweerder heeft bij het bestreden besluit op de wijziging van de beleidsregel geanticipeerd. Gesteld noch gebleken is dat eiseres door die anticipatie in haar belangen is geschaad, zodat die anticipatie jegens eiseres niet voor rechtens onjuist kan worden gehouden.

5. Ingevolge artikel 1, tweede lid, van de beleidsregel wordt onder gevaarlijke hond verstaan: de burgemeester acht een hond gevaarlijk in de zin van artikel 2:59 APV als de hond een persoon bijt waarbij sprake is van lichamelijk letsel danwel een ander dier bijt waarbij sprake is van ernstig letsel.

In artikel 3 van de beleidsregel is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

  1. De burgemeester kan de eigenaar of houder van een gevaarlijke hond een kort aanlijngebod of een kort aanlijngebod en muilkorfgebod opleggen.

  2. De burgemeester legt de eigenaar of houder van een gevaarlijke hond geen muilkorfgebod op indien het bijten van de hond verklaarbaar is gezien de situatie.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder niet langer een muilkorfgebod opgelegd. Dat laatste is in deze procedure niet in geschil.

Verweerder is bij de besluitvorming van het volgende uitgegaan. Op 6 augustus 2015 liet eiseres [naam] uit bij een parkeerplaats aan de Kraaijenberg 81e straat. Mevrouw [belanghebbende] liep daar met haar hond [naam]. De honden kenden elkaar en mochten elkaar begroeten. Onverwacht viel [naam] aan. Mevrouw [belanghebbende] probeerde [naam] terug te trekken. Vervolgens beet [naam] in haar knie. Er zaten twee bijtwonden in haar knie, waarvoor drie hechtingen nodig waren en het bloedde behoorlijk. Mevrouw [belanghebbende] heeft drie weken op krukken gelopen.

6. Eiseres voert aan dat het niet duidelijk is welke hond er heeft gebeten. Er was sprake van een chaotische situatie met blaffende en springende honden, waardoor het begrijpelijk is dat niemand de beet heeft gezien. Het is mogelijk dat [belanghebbende] door haar eigen hond is gebeten. Uit de foto’s van het gebit van beide honden in combinatie met de foto van de wond kan ook niet de conclusie volgen dat het de hond van eiseres is die gebeten heeft. [naam] valt onder het ras ‘Indian dog’, deze hebben in vergelijking met andere rassen grotere hoektanden. Op de foto’s van de wond zijn enkel voortanden te zien. De keurmeester heeft verklaard dat het met grote zekerheid te zeggen is dat deze wond niet veroorzaakt is door hond [naam]. Zowel de dierenarts, de dierenpolitie en de buren van eiseres verklaren dat [naam] geen gevaarlijke hond is en dat het dus onwaarschijnlijk is dat zij heeft gebeten. Verweerder heeft deze verklaringen niet meegenomen bij de motivering van het bestreden besluit. Eiseres stelt daarnaast dat verweerder onterecht bij de beoordeling heeft meegewogen dat eiseres declaraties bij haar verzekering heeft ingediend. Eiseres erkent door het indienen van declaraties niet dat haar hond heeft gebeten en heeft dit ook gemeld bij haar assurantietussenpersoon. Eiseres heeft de declaraties uit coulance ingediend.

7. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij de toepassing van artikel 2:59, eerste lid van de Apv beoordelingsvrijheid heeft, zodat de rechtbank het bestreden besluit met de vereiste terughoudendheid dient te toetsen.

Gelet op de wettelijke voorschriften en de beleidsregel dient de rechtbank eerst na te gaan of er bij mevrouw [belanghebbende] sprake is van lichamelijk letsel door een hondenbeet en zo ja of verweerder op goede gronden heeft aangenomen dat de beet door [naam] is toegebracht.

De rechtbank stelt vast dat de Commissie bezwaarschriften uit onder meer de in het dossier aanwezige verklaringen de conclusie getrokken heeft dat [naam] gebeten heeft.

Op grond van het verslag van de huisartsenpost, waar mevrouw [belanghebbende], zich had vervoegd, kan er redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat er sprake is van (ernstige) wonden toegebracht door een hond. Voor de vraag of voldoende aannemelijk is geworden dat hond [naam] dit lichamelijk letsel veroorzaakt heeft hecht de rechtbank doorslaggevende waarde aan het gegeven dat [belanghebbende] gedetailleerd en consistent verklaard heeft in zowel haar verklaring bij de politie, tijdens de hoorzitting in bezwaar, in het formulier dat zij heeft ingevuld ten behoeve van de verzekering, in de verklaring ingediend bij de rechtbank en tijdens de zitting van de rechtbank. Het gaat om een eigen waarneming van mevrouw [belanghebbende], waarbij het verloop en de details van het incident steeds in eenduidige termen zijn beschreven.

Hetgeen eiseres naar voren heeft gebracht biedt onvoldoende basis om de verklaring van [belanghebbende] te ontkrachten, in de eerste plaats nu eiseres -in tegenstelling tot [belanghebbende]- niet heeft gezien welke hond er heeft gebeten. De rechtbank hecht daarnaast aan de verklaringen die eiseres heeft overgelegd niet de waarde die zij hieraan toegekend wenst te zien.

De verklaring van de gedragsdeskundige S. Scipio van 2 oktober 2015 is door het gebruik van het woord “twijfels” onvoldoende stellig om daarop met voldoende zekerheid te baseren dat [naam] niet kan hebben gebeten. De overige verklaringen behelzen geen verklaringen uit eigen waarneming van het incident en bevatten ook anderszins geen afdoende bewijs dat [naam] niet gebeten kan hebben. Op grond hiervan komt de rechtbank tot het oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [naam] gebeten heeft.

De rechtbank ziet ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat verweerder van zijn bevoegdheid een kort aanlijngebod op te leggen in dit geval geen gebruik had mogen maken.

Nu het bestreden besluit door het voorgaande al kan worden gedragen, behoeft hetgeen verweerder overigens nog aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd -met name de vraag of uit de foto’s van de gebitten van de honden [naam] en [naam] conclusies kunnen worden getrokken en of terecht mee is gewogen dat de familie [eiseres] bij de verzekering declaraties heeft ingediend uitgaande van schade aangebracht door [naam]- geen bespreking meer.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.D. Endlich, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.