Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6313

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
22-11-2016
Zaaknummer
05/800036-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat er niet voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de onder 1 primair ten laste gelegde de poging moord. Wel acht de rechtbank poging doodslag bewezen. Ook de poging zware mishandeling die onder feit 2 primair ten laste is gelegd en de mishandeling onder feit 3 acht de rechtbank bewezen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, kort hierop aan een poging tot zware mishandeling en kort daarop aan de mishandeling van zijn (ex)echtgenote. Op de avond van 14 juni 2016 heeft verdachte zijn (ex)echtgenote in de tuin van haar huis opgewacht en heeft haar – al worstelend – naar binnen geduwd. Vervolgens heeft hij haar met een mes in haar zij/borstkast gestoken, heeft haar hardhandig beetgepakt, heeft haar op de grond gegooid, is boven op haar gaan zitten, heeft haar bij de keel gepakt en heeft deze keel dichtgeknepen gehouden. Ook heeft hij aangeefster in haar gezicht en tegen haar hoofd geslagen. Door dit handelen, heeft verdachte een levensbedreigende inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De forensisch arts heeft in zijn rapport met betrekking tot de steekwond in de zij/borstkast beschreven dat er door de steekverwonding een (levensbedreigende c.q. dodelijke) klaplong is ontstaan en dat steekwonden in de borstkast in het algemeen potentieel levensbedreigend c.q. dodelijk letsel kunnen zijn.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting inzake feiten, soortgelijk aan het bewezen verklaarde en neemt voorts mee dat er geen sprake is van een ‘doorsnee’ poging doodslag gelet op het feit dat er zowel bij verdachte als bij aangeefster, naar aanleiding van de ‘vechtscheiding’, sprake was van hevige emoties waardoor een en ander uit de hand is gelopen. Door niet mee te werken aan een psychologisch onderzoek, heeft verdachte geen inzage gegeven in zijn geestgesteldheid. Voorts zijn de problemen over de scheiding tussen verdachte en aangeefster nog steeds niet opgelost. Dit alles maakt dat de rechtbank zal afwijken van de eis van de officier van justitie en verdachte zal veroordelen tot onder andere een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Een en ander tegen elkaar afwegend ziet de rechtbank aanleiding verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van 3 jaar. Anders dan door de officier van justitie gevorderd, zal zij een fors deel daarvan, te weten 1 jaar, voorwaardelijk opleggen. Enerzijds wordt daarmee de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, anderzijds wordt deze strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0485
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/800036-16

Datum uitspraak : 22 november 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte 2] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] ,

wonende te [plaats 1] ,

thans verblijvende in HvB Ooyerhoekseweg te Zutphen.

Raadsvrouw: mr. M.J.G. Jolink, advocaat te Harderwijk.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 november 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks de nacht van 14 juni 2016 op 15 juni 2016 te Wapenveld, gemeente Heerde,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn (ex)echtgenote [slachtoffer 7] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een mes, althans een scherp voorwerp in haar zij/borstkast, althans haar lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks de nacht van 14 juni 2016 op 15 juni 2016 te Wapenveld, gemeente Heerde, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade aan zijn (ex)echtgenote, [slachtoffer 7] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 8] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met een mes, althans een scherp voorwerp in haar zij/borstkast, althans haar lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks de nacht van 14 juni 2016 op 15 juni 2016 te Wapenveld, gemeente Heerde,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan zijn (ex)echtgenote, [slachtoffer 7] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 8] opzettelijk met kracht bij haar keel heeft gepakt en/of de keel heeft dichtgeknepen en/of vervolgens dichtgeknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks de nacht van 14 juni 2016 op 15 juni te Wapenveld, gemeente Heerde, zijn (ex)echtgenote, [slachtoffer 7] heeft mishandeld door haar met kracht bij haar keel te pakken en/of de keel dicht te knijpen en/of vervolgens dichtgeknepen te houden;

3.

hij op of omstreeks de nacht van 14 juni 2016 op 15 juni 2016 te Wapenveld, gemeente Heerde, zijn (ex)echtgenote, [slachtoffer 7] , heeft mishandeld door haar hardhandig beet te pakken en/of meermalen, althans eenmaal, op de grond te gooien en/of boven op haar te gaan zitten en/of meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen haar hoofd heeft geslagen, althans een hand (met kracht) in haar gezicht te duwen.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht poging doodslag bewezen (feit 1), poging zware mishandeling (feit 2) en mishandeling (feit 3). Ter terechtzitting heeft zij de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte – kort gezegd – van het onder 1 primair en subsidiair (poging moord en poging doodslag) en van het onder 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van de onder 3 ten laste gelegde mishandeling refereert de raadsvrouw zich aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van een - aan het proces-verbaal gehechte - pleitnotitie.

Beoordeling door de rechtbank 1

Feiten

De rechtbank is van oordeel dat er niet voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de onder 1 primair ten laste gelegde de poging moord. Wel acht de rechtbank poging doodslag bewezen. Ook de poging zware mishandeling die onder feit 2 primair ten laste is gelegd en de mishandeling onder feit 3 acht de rechtbank bewezen.

De rechtbank acht hiervoor de volgende bewijsmiddelen redengevend.

Op dinsdag 14 juni 2016 omstreeks 23.50 uur werd er melding gemaakt van gegil en glasgerinkel aan de [adres 2] . De melders waren erg geschrokken van het geschreeuw want het geluid ging door merg en been.2

Op woensdag 15 juni 2016 omstreeks 00.08 uur kwam bij het Operationeel Centrum een tweede melding binnen van een steekpartij op het adres [adres 1] . Dit adres grenst aan de achterzijde van perceel [adres 2] .3Verbalisant relateert vervolgens – kort en zakelijk samengevat – dat ter plaatse de deur werd opengedaan door aangeefster; zij zat vreselijk te trillen en ze keek erg bang. Verbalisant zag dat de vrouw aan de rechterzijde van haar kleding ter hoogte van haar ribben bloed had op haar truitje. Aangeefster deed haar truitje omhoog en verbalisant zag een gat in haar zijde. Verbalisant hoorde aangeefster het volgende vertellen. Ze was thuis gekomen van haar werk en was via de zijkant van het huis de tuin ingelopen. Toen ze de achterdeur van het slot haalde voelde ze een hand op haar mond. Vervolgens werd ze naar binnen geduwd en op de grond gegooid. Ze zag toen dat haar ex-man dat deed. Ze zag dat hij een mes bij zich had en ze voelde dat ze werd gestoken.4 Daarna voelde ze dat hij op haar ging zitten en dat hij een gebitplaatje in haar mond kapot sloeg. Ze voelde ook dat hij haar keel dichtkneep. Op dat moment dacht ze dat ze dood zou gaan. Aangeefster heeft hard tegen de kast getrapt en heeft gegild met als doel dat ze gehoord zou worden. Verbalisant zag dat aangeefster hevige pijn had. Nadat aangeefster de gegevens van de dader, haar ex-man [verdachte 2] , aan verbalisant had doorgegeven en verbalisant hem vervolgens belde, heeft [verdachte 3] zich later die nacht vrijwillig gemeld bij het politiebureau in Epe.5

Aangeefster, [slachtoffer 7] heeft – kort en zakelijk samengevat – nader verklaard dat ze op 14 juni 2016 omstreeks 23.45 uur thuiskwam van werken. Toen ze de achterdeur open had, werd ze van achteren beet gepakt en kreeg ze een hand op haar mond. Vervolgens werd ze op de keukenvloer gegooid waarbij het plaatje van haar bovengebit uitviel. Toen ze op de grond lag herkende ze de stem van haar bijna ex-man [verdachte 4] , zijnde verdachte. Ze hoorde hem zeggen: “Nu ga je er echt aan” en “Jij maakt mij kapot, nu maak ik jou kapot.” Aangeefster dacht: “O nee, nu ga ik ook nog dood zonder mijn plaatje.”6

Toen ze probeerde omhoog te komen ging verdachte met zijn knieën bovenop haar bovenarmen zitten. Verdachte begon haar vervolgens te wurgen en ze stond op dat moment doodsangsten uit; aangeefster dacht echt dat ze eraan ging. Verdachte drukte met allebei zijn handen haar keel dicht en heeft ook bewust met zijn duim haar luchtpijp dichtgedrukt. Het werd voor aangeefster tot twee keer toe zwart voor haar ogen. Aangeefster heeft geworsteld, maar verdachte is veel groter en sterker dan zij. Op een gegeven moment heeft zij tegen de keukenkast aan getrapt. Hier zat servies in en aangeefster dacht dat als dit kapot zou vallen, dit veel lawaai zou maken en dat de buren haar misschien dan zouden kunnen horen.

Verdachte liet haar op dat moment los, pakte haar van de grond en gooide haar vervolgens hard weer op de grond van de woonkamer. Dit deed hij wel tot ongeveer vier keer toe. Als hij aangeefster oppakte sloeg hij haar ook in haar gezicht en liet haar vervolgens weer vallen.7

Aangeefster heeft in de keuken een mes gezien toen ze op de grond lag. Later heeft ze het mes op de grond, tussen de serviesscherven, in de keuken zien liggen. Het is een vleesmes van ongeveer 22 cm lang, met een lemmet van 12 cm.8

In aanvulling op haar aangifte heeft aangeefster verklaard dat toen verdachte boven op haar zat, hij woedend was. Terwijl hij haar aan het wurgen was met één hand nam hij afscheid van haar; hij had een blik in zijn ogen die ze van hem niet herkende. Hij zei: “Nu doe ik het, dag [slachtoffer 3] .” Op dat moment voelde ze dat hij met beide duimen haar keel dichtkneep en dat dat ongelofelijk veel pijn deed. Kort daarna werd het zwart voor haar ogen en verloor ze bijna haar bewustzijn. Aangeefster heeft gesparteld en heeft zich verzet.9 Op het moment dat ze voelde dat haar lichaam slap werd, voelde ze dat verdachte haar keel losliet. Om lawaai te maken heeft ze tegen de kast aangetrapt. Ze heeft toen alles gezegd en gedaan om hem van de fase woedend naar de fase van samen verder te krijgen.10

Verdachte heeft – kort en zakelijk samengevat – bij de politie verklaard dat hij die avond lopend naar de woning van aangeefster is gekomen. Hij dacht dat als aangeefster zijn auto voor de deur zag staan, ze misschien nog een straatje om zou rijden; ze hadden die dag gedoe gehad over de app.11 Verdachte heeft haar in de tuin opgewacht. Op het moment dat hij de scooter hoorde aankomen is hij in de heg gaan staan. Toen aangeefster haar scooter in de schuur had gezet en naar de achterdeur liep, is verdachte achter haar gaan staan, heeft zijn hand op haar mond gedrukt en heeft haar als het ware naar binnen gedreven.12

Daarna is er een worsteling ontstaan. Verdachte heeft aangeefster op de grond geduwd en is op haar gaan zitten met zijn hand op haar mond waardoor haar plaatje met twee voortanden is gesneuveld.13 Verdachte zat op haar buik met zijn hand op haar mond. Aangeefster probeerde zich er onderuit te worstelen. Hierbij is zijn hand naar beneden gegaan om haar beter vast te pakken. Verdachte heeft haar ook bij haar keel gepakt “het zal wel zeer doen bij wijze van spreken. Dat is de kracht die je toepast om te overwinnen, om de macht te krijgen.”

Tijdens de worsteling heeft aangeefster een paar keer geprobeerd om op te staan, daarna viel ze een paar keer weer naar de grond. Uit de keukenkast is toen serviesgoed gevallen.14

Tijdens de worsteling probeerde aangeefster los te komen en maakte daarbij slaande bewegingen. Uiteindelijk zijn ze dus op de grond beland. Verdachte viel daarbij bovenop aangeefster. Als ze op de grond liggen heeft verdachte niet continu haar mond dicht gehouden; de ene keer heeft hij haar op haar borst gepakt en een andere keer bij haar keel. Ook heeft verdachte haar bij de strot gepakt. Door geweld te gebruiken, waaronder zijn hand op haar mond, heeft hij aangeefster onder controle gehouden. Hij zat daarbij op haar buik of boven op haar benen.15

Verdachte heeft verder verklaard dat het klopt dat hij later een WhatsApp bericht heeft gestuurd naar zijn zoon en dochter en dat daarin onder meer stond dat hij hun moeder had gestoken en dat ze ook hebben gevochten.16

Verdachte heeft ter terechtzitting – kort en zakelijk samengevat – aanvullend nog verklaard dat hij, toen hij aangeefster naar binnen had gedrongen, zag dat zij een beweging maakte en dat hij vervolgens een mes wat op het aanrecht lag, heeft gepakt en vervolgens haar met een zwaaibeweging met het mes heeft ‘geprikt’. Daarna heeft een worsteling plaatsgevonden waarbij aangeefster op de grond viel. Verdachte is vervolgens op haar gaan zitten en heeft zijn hand op haar mond gehouden. Daarna heeft hij met dezelfde hand zijn hand op haar keel gehouden om haar naar beneden te drukken. Op een gegeven moment bood ze geen verzet meer en werd ze rustig. Hij kan zich wel voorstellen dat aangeefster op dat moment gedacht moet hebben dat ze dood zou gaan. Verdachte heeft verder nog verklaard dat het kan dat aangeefster haar gebitsplaatje is kwijtgeraakt; dit kwam doordat hij met zijn hand op haar mond heeft gedrukt of het plaatje is eruit gefloept door het geweld. Na het incident heeft verdachte het mes tussen de scherven opgepakt, heeft het mes meegenomen en ergens op weg naar huis weggegooid.

De dochter van aangeefster en verdachte, [getuige 1] , heeft – kort en zakelijk samengevat – verklaard dat ze op 14 juni 2016 om 01.45 uur ’s nachts werd gebeld door haar vader, die haar vertelde dat hij zichzelf zou gaan aangeven bij het politiebureau omdat hij ruzie had gehad met haar moeder, en dat hij haar had gestoken.17

De zoon van aangeefster en verdachte, [getuige 2] , heeft verklaard dat hij tegen middernacht een app kreeg van zijn vader met de mededeling dat hij ruzie had gehad met zijn moeder, dat hij haar had gestoken en dat hij met haar had gevochten.18 De getuige heeft hem opgebeld en hij hoorde zijn vader zeggen dat hij naar het huis van aangeefster was gegaan, dat ze ruzie hadden gekregen in de keuken en dat hij haar vervolgens in de keuken met een mes heeft gestoken; hij had het over een ‘klein prikkie’. Verder heeft zijn vader tegen de getuige gezegd dat hij aangeefster had geslagen.19 Later toen hij zijn vader in de woning van zijn zus sprak hoorde hij hem zeggen dat hij het uit een soort van onmacht heeft gedaan en dat de woede de overhand had genomen.20

In de letselrapportage van GGD IJsselland staat onder meer - kort en zakelijk samengevat -dat sprake is van een kras op het gezicht, een snijwond op de rechtervoet, een globale gele verkleuring op de rechterwang, een bloeduitstorting op het rechter schouderblad en op de ellenboog, een klaplong en onder de rechteroksel lineaire beschadigingen door een smal beiderzijds snijdend voorwerp.21

In het onderzoek door de forensisch arts komt - kort en zakelijk samengevat – naar voren dat het letsel aan de rechterborstkast is ontstaan door een smal beiderzijds scherp snijdend voorwerp, zoals bijvoorbeeld een priem, stiletto, smalle dolk of een ander vergelijkbaar voorwerp en dat dit letsel absoluut levensbedreigend c.q. potentieel dodelijk is.

Ten aanzien van de klaplong heeft de forensisch arts opgemerkt dat deze is ontstaan door een smal beiderzijds scherp snijdend voorwerp, zoals bijvoorbeeld een priem, stiletto, smalle dolk of een ander vergelijkbaar voorwerp en dat de lokalisatie van de klaplong in directe relatie met de locatie van de verwonding in de borstkast staat. Hierover heeft hij vermeld dat dit letsel absoluut levensbedreigend c.q. potentieel dodelijk is en dat dezelfde letsels, indien zij in de nabije omgeving van de huidige plek zouden zijn toegebracht (dus elders op de romp) zeker ook levensbedreigend c.q. potentieel dodelijk zijn.22

De rechtbank is, gelet op alle omstandigheden, van oordeel dat de onder feit 1 ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen kan worden. Het opzet daartoe ligt reeds besloten in de handeling die verdachte heeft uitgevoerd bestaande uit het steken in de zij/rechterborstkast van zijn (ex)echtgenote. Immers het op dergelijke wijze op aangeefster insteken met een mes kan bezwaarlijk anders worden aangemerkt dan gericht op de dood van aangeefster aangezien het een feit is van algemene bekendheid dat zich in de romp diverse vitale organen bevinden. In de uiterlijke verschijningsvorm van het op deze wijze insteken op aangeefster is de opzet begrepen. Dat het gevolg niet is ingetreden maakt dat hier sprake is van een poging tot doodslag en niet van een voltooide doodslag. Van voorbedachte raad is de rechtbank niet gebleken en zij zal verdachte daarom daarvan vrijspreken.

De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 november 2016, te weten dat aangeefster als eerste heeft geprobeerd het mes van het aanrecht te pakken om verdachte daarmee te kunnen aanvallen en dat hij dacht dat hij zich daartegen moest verweren zodat hij als gevolg daarvan in een zwaaiende beweging het mes heeft gepakt en haar uit zelfverdediging heeft gestoken, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte komt hiermee voor het eerst op de zitting en het dossier bevat bovendien geen enkele aanwijzing voor dit door de verdachte geschetste alternatieve scenario.

Ook aan de door verdachte op dezelfde terechtzitting afgelegde verklaring dat hij die avond een ‘black out’ had en dat hij bij de politie niet meer wist of hij aangeefster wel of niet had gestoken en waarmee, hecht de rechtbank geen geloof, nu uit het Whattsapp bericht die verdachte die avond aan zijn zoon en aan zijn dochter heeft verstuurd, nagenoeg is gebleken dat hij die avond zeker wel wist dat hij aangeefster met een mes had gestoken en dat hij haar had mishandeld.23

Ten aanzien van de onder 2 primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank overweegt dat het gedurende meerdere seconden dichtknijpen van de keel van aangeefster - daargelaten of dit nu met één hand of met twee handen is gebeurd - in zijn algemeenheid een aanmerkelijke kans met zich meebrengt dat ten gevolge daarvan zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht. Immers op die plaats bevinden zich kwetsbare en vitale weke delen van de hals. Door zo te handelen heeft verdachte willens en wetens deze aanmerkelijke kans aanvaard dat deze vitale delen beschadigd zouden worden waardoor zwaar lichamelijk letsel het gevolg had kunnen zijn. Deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, constitueren naar het oordeel van de rechtbank het opzet van verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daaraan doet niet af dat verdachtes handelen kennelijk werd ingegeven door zijn woede en frustraties.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het dichtknijpen van de keel van aangeefster door verdachte zoals daarvan blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen, de poging tot zware mishandeling oplevert als hierna bewezenverklaard.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1. primair

hij in of omstreeks de nacht van 14 juni 2016 op 15 juni 2016 te Wapenveld, gemeente Heerde,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om zijn (ex)echtgenote [slachtoffer 7] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven, die [slachtoffer 2] opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg met een mes, althans een scherp voorwerp in haar zij/borstkast, althans haar lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. primair

hij in of omstreeks de nacht van 14 juni 2016 op 15 juni 2016 te Wapenveld, gemeente Heerde,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan zijn (ex)echtgenote, [slachtoffer 7] , zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, die [slachtoffer 8] opzettelijk met kracht bij haar keel heeft gepakt en/of de keel heeft dichtgeknepen en/of vervolgens dichtgeknepen heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.

hij in of omstreeks de nacht van 14 juni 2016 op 15 juni 2016 te Wapenveld, gemeente Heerde, zijn (ex)echtgenote, [slachtoffer 7] , heeft mishandeld door haar hardhandig beet te pakken en/of meermalen, althans eenmaal, op de grond te gooien en/of boven op haar te gaan zitten en/of meermalen, althans eenmaal, in het gezicht en/of tegen haar hoofd heeft geslagen.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Poging doodslag;

Feit 2:

Poging tot zware mishandeling;

Feit 3:

Mishandeling.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet gebleken is van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van het voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat, ingeval de rechtbank tot een (gedeeltelijke) bewezenverklaring komt, zij bij de strafoplegging verzoekt rekening te houden met de omstandigheden waaronder een en ander zich heeft voorgedaan. Aangeefster, de (ex)vrouw van verdachte, was destijds al geruime tijd alcoholverslaafd en bovendien speelde een zeer lastige ‘vechtscheidingsprocedure’ die niet alleen voor verdachte, maar voor het hele gezin een zware belasting heeft opgeleverd, aldus de raadsvrouw. Voorts moet rekening worden gehouden met de blanco documentatie van verdachte en het feit dat verdachte zichzelf op het politiebureau heeft gemeld.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 8 augustus 2016.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, kort hierop aan een poging tot zware mishandeling en kort daarop aan de mishandeling van zijn (ex)echtgenote. Op de avond van 14 juni 2016 heeft verdachte zijn (ex)echtgenote in de tuin van haar huis opgewacht en heeft haar – al worstelend – naar binnen geduwd. Vervolgens heeft hij haar met een mes in haar zij/borstkast gestoken, heeft haar hardhandig beetgepakt, heeft haar op de grond gegooid, is boven op haar gaan zitten, heeft haar bij de keel gepakt en heeft deze keel dichtgeknepen gehouden. Ook heeft hij aangeefster in haar gezicht en tegen haar hoofd geslagen. Door dit handelen, heeft verdachte een levensbedreigende inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. De forensisch arts heeft in zijn rapport met betrekking tot de steekwond in de zij/borstkast beschreven dat er door de steekverwonding een (levensbedreigende c.q. dodelijke) klaplong is ontstaan en dat steekwonden in de borstkast in het algemeen potentieel levensbedreigend c.q. dodelijk letsel kunnen veroorzaken.

Bovendien heeft dit alles plaatsgevonden in het eigen huis van aangeefster, de plaats bij uitstek waar zij zich veilig zou moeten kunnen voelen.

Poging tot doodslag wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als een van de ernstigste misdrijven en rechtvaardigt dan ook een forse bestraffing.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmaat er rekening mee gehouden dat verdachte geen strafblad heeft. Hij is niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting inzake feiten, soortgelijk aan het bewezen verklaarde en neemt voorts mee dat er geen sprake is van een ‘doorsnee’ poging doodslag gelet op het feit dat er zowel bij verdachte als bij aangeefster, naar aanleiding van de ‘vechtscheiding’, sprake was van hevige emoties waardoor een en ander uit de hand is gelopen. Door niet mee te werken aan een psychologisch onderzoek, heeft verdachte geen inzage gegeven in zijn geestgesteldheid. Voorts zijn de problemen over de scheiding tussen verdachte en aangeefster nog steeds niet opgelost. Dit alles maakt dat de rechtbank zal afwijken van de eis van de officier van justitie en verdachte zal veroordelen tot onder andere een deels voorwaardelijke gevangenisstraf.

Een en ander tegen elkaar afwegend ziet de rechtbank aanleiding verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van na te melden duur. Anders dan door de officier van justitie gevorderd, zal zij een fors deel daarvan voorwaardelijk opleggen. Enerzijds wordt daarmee de ernst van het bewezenverklaarde tot uitdrukking gebracht, anderzijds wordt deze strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 31.554,20, waarvan € 1.554,20 voor materiële schade en € 30.000,- voor immateriële schade, gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde, vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van de materiële schade van de benadeelde partij op het standpunt gesteld dat deze schade toegewezen kan worden tot het gevorderde bedrag. Voor wat betreft de hoogte van de immateriële schade refereert de officier van justitie zich aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie vordert daarbij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, alsmede toewijzing van de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw van verdachte heeft primair bepleit de vordering niet-ontvankelijk te verklaren aangezien de behandeling van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat zowel de immateriële- als de materiële schade gematigd dient te worden. De raadsvrouw voert daartoe aan dat niet duidelijk is of de in beslag genomen kleding al geretourneerd is aan verdachte. Ook kan ze uit het dossier niet opmaken waarom de kleding niet meer draagbaar is. Over de kosten voor een nieuw gebitplaatje heeft zij opgemerkt dat deze kosten haars inziens normaliter grotendeels gedekt worden door een tandartsverzekering. Tot slot heeft zij over de kosten inzake de EMDR behandelingen bij Dimence in Zwolle opgemerkt dat de klachten van het slachtoffer al ver voor dit incident plaats hadden en dat deze kosten dus niet aan deze strafzaak gekoppeld kunnen worden.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden als gevolg van bewezen verklaarde handelen tot een totaalbedrag van € 3.349,90, te weten € 1.349,90 aan materiële schade en € 2.000,00 aan immateriële schade, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De vordering dient tot dit bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2016, te worden toegewezen.

Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

  • -

    Kosten kleding tot een geschat bedrag van € 150,00

  • -

    Kosten servies tot een geschat bedrag van € 20,00

  • -

    Kosten reiniging tapijt tot een geschat bedrag van € 50,00

  • -

    Kosten genezing en herstel € 956,25

  • -

    Reiskosten € 173,65

  • -

    Immateriële schade € 2.000,00

Totaal € 3.349,90

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering, nu de behandeling van dat deel van de vordering naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De rechtbank overweegt dat zij voor de immateriële schade een bedrag naar redelijkheid en billijkheid heeft geschat.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

7b. De beoordeling van de in beslag genomen goederen

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de na te melden voorwerpen aan de veroordeelde.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 24c, 27, 36f, 45, 57 en 287, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren;

 bepaalt, dat een gedeelte van deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, te weten 1 (één) jaar, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden algemene voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

 stelt als algemene voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 7], van een bedrag van € 3.349,90, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 7] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 7] , een bedrag te betalen van € 3.349,90 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 juni 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 43 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan veroordeelde, te weten:

- 1 stuk schoenen, van Bommel, kleur bruin;

- 2 stuk kleding, sokken, kleur grijs;

- 1 stuk kleding, broek, kleur blauw;

- 1 stuk kleding, trui, Meantime, kleur grijs;

- 1 stuk kleding, shirt, Naketano, kleur groen;

- 1 stuk kleding, riem, kleur bruin;

- 1 stuk kleding, broek met mogelijke bloedvlekken aangetroffen in wasmand;

- 1 stuk kleding, shirt, aangetroffen in wasmand badkamer;

- 1 stuk, mes, aangetroffen in vaatwasser in de keuken van verdachte;

- 1 stuk kleding, handdoek, aangetroffen in de wasmand/badkamer;

- 1 stuk kleding, handdoek, aangetroffen in de keuken.

Dit vonnis is gegeven door mr. [voorzitter] , voorzitter, mr. [rechter 1] en mr. [rechter 2] , rechters, in tegenwoordigheid van [griffier] , griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 november 2016.

Mr. [rechter 3] is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Team strafrecht

Parketnummer: 05/800036-16[jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]

Uitspraak d.d.: 22 november 2016

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van 22 november 2016.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

en , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte,

[verdachte 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] ,

wonende te [plaats 2] ,

thans verblijvende in HvB Ooyerhoekseweg te Zutphen,

is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De raadsvrouw mr. M.J.G. Jolink, advocaat te Harderwijk is wel/niet verschenen.

De rechter spreekt het vonnis uit

Waarvan proces-verbaal,

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] , van politie Eenheid Oost- Nederland, District IJsselland, basisteam Zwolle, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016294022- 11, gesloten op 29 augustus 2016 te Apeldoorn en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen- verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 81

3 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 90

4 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 90

5 Proces-verbaal van bevindingen, pag. 90

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 7] , pag. 75

7 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 7] , pag. 76

8 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4] , pag. 77

9 Proces-verbaal van bevindingen betreffende een aanvullende verklaring van aangeefster [slachtoffer 5] , pag. 79

10 Proces-verbaal van bevindingen betreffende een aanvullende verklaring van aangeefster [slachtoffer 6] , pag. 80

11 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 53

12 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 34, 38, 52 en 53

13 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 35 en 39

14 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 41

15 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 54

16 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, pag. 57 en 61

17 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , pag. 100

18 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] , pag. 104, 105 en 110

19 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , pag. 106

20 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] , pag. 107

21 Letselrapportage GGD IJsselland, pag. 117-126

22 Rapport onderzoek letsel forensisch arts, pag. 132-134

23 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 7] en [getuige 8] , pag. 100 en 110