Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6299

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-11-2016
Datum publicatie
14-12-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 3434
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Terugvordering WW en toeslag in verband met schending van de inlichtingenverplichting. Eiseres stond in de te beoordelen perioden onder bewind. Het had de bewindvoerder redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat de betreffende omstandigheden aan verweerder moesten worden gemeld. Deze schending van de inlichtingenverplichting kan eiseres worden toegerekend. Dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat eiseres persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt doet daar niet aan af. Van dringende redenen om af te zien van terugvordering is geen sprake. Dat de schuldsaneringsregeling ten aanzien van eiseres mogelijk zal worden beëindigd is daarvoor in ieder geval onvoldoende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats [woonplaats]

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/3434

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. T.P. Boer),

en

[verweerder] te [woonplaats], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de uitkering die eiseres ontving op grond van de Werkloosheidswet (WW) en de toeslag die zij ontving op grond van de Toeslagenwet (TW) over de periode van 29 december 2014 tot en met 19 juli 2015 herzien en een bedrag van € 4.417,14 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 25 februari 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de WW-uitkering en de toeslag over de periode van 14 september 2015 tot en met 31 januari 2016 herzien en een bedrag van € 3.150,13 van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 7 juni 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2016. De gemachtigde van eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. M.S. Winkel.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Eiseres is bij beschikking van 15 december 2011 door de rechtbank [woonplaats] onder beschermingsbewind gesteld. Op 31 oktober 2014 heeft de bewindvoerder een WW-uitkering en een toeslag aangevraagd. Verweerder heeft de WW-uitkering bij besluit van 12 november 2014 toegekend.

1.2

Met ingang van 2 maart 2015 is eiseres als Thuishulp Basis in dienst getreden bij [bedrijf] bij het Huishouden, voor gemiddeld 0,5 uur per week. Zij heeft dit niet aan verweerder gemeld. Verweerder heeft in augustus 2015 de uitkering vanaf 2 maart 2015 herzien en een bedrag teruggevorderd. Verweerder heeft daarbij afgezien van het opleggen van een boete, omdat eiseres onder bewind stond.

1.3

Verweerder heeft op 14 september 2015 een telefoongesprek gevoerd met de bewindvoerder van eiseres. De bewindvoerder heeft daarbij opgemerkt dat eiseres vanaf 1 januari 2015 op basis van een persoonsgebonden budget (pgb) gemiddeld 15 uur per week voor haar gehandicapte zoon was gaan zorgen en dat dit pgb pas onlangs met terugwerkende kracht was toegekend. In een wijzigingsformulier van dezelfde datum heeft de bewindvoerder toegelicht dat eiseres uit het pgb maandelijks € 1.137,60 aan inkomsten ontvangt. In een wijzigingsformulier van 8 oktober 2015 heeft de bewindvoerder voorts opgemerkt dat het pgb-budget door een fout van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) reeds in september 2015 is verbruikt. Verweerder heeft daarop het primaire besluit 1 genomen. Verweerder heeft voorts besloten om eiseres in verband met het beschermingsbewind geen boete op te leggen.

1.4

Uit een nader telefoongesprek met de bewindvoerder op 18 februari 2016 is aan verweerder gebleken dat eiseres over de periode vanaf 14 september 2015 toch inkomsten heeft gehad uit het pgb-budget. Verweerder heeft daarop het primaire besluit 2 genomen, waarbij ook is overwogen dat eiseres geen boete krijgt opgelegd.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van een schending van de inlichtingenverplichting, nu het eiseres redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat zij over de twee betrokken periodes teveel WW-uitkering en toeslag ontving. Volgens verweerder doet het feit dat het pgb met terugwerkende kracht is toegekend daar niet aan af. Voorts is er volgens verweerder geen sprake van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening of terugvordering af te zien, nu niet is gebleken dat de herzieningen en terugvorderingen voor eiseres onaanvaardbare gevolgen zullen hebben.

3. In beroep stelt eiseres zich in de eerste plaats op het standpunt dat er wel degelijk sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Daartoe wijst zij erop dat zij met ingang van 17 oktober 2014 is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling in het kader van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) en dat deze regeling dreigt te worden beëindigd als gevolg van de terugvorderingen. Daarmee is volgens eiseres duidelijk dat de terugvorderingen haar onevenredig hard raken, temeer omdat haar het ontstaan van de terugvorderingen eigenlijk niet kan worden verweten. Eiseres verwijst in dit verband naar een tussenvonnis van het team insolventies van deze rechtbank, waarin de rechtbank overweegt dat het van belang is om te kunnen beoordelen of het ontstaan van de nieuwe schulden eiseres kan worden verweten en dat derhalve de uitspraak in de onderhavige procedure dient te worden afgewacht. In de tweede plaats acht eiseres het onevenredig dat verweerder haar enerzijds een boete heeft opgelegd omdat zij niet solliciteerde en anderzijds nu een bedrag van haar terugvordert omdat zij zou werken. Tenslotte acht eiseres de terugvordering onevenredig omdat haar met betrekking tot de eerste periode niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij geen recht had op een WW-uitkering.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

De inlichtingenverplichting is in de WW neergelegd in artikel 25, waar (voor zover thans van belang) wordt bepaald dat de werknemer verplicht is om (onverwijld) uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering.

Artikel 22a van de WW verplicht verweerder ertoe om, in het geval de inlichtingenverplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen en als gevolg daarvan een bedrag ten onrechte aan de werknemer is betaald, de uitkering in zoverre te herzien. Blijkens het tweede lid van dit artikel kan van deze herziening geheel of gedeeltelijk worden afgezien wanneer daarvoor dringende redenen bestaan.

Artikel 36 van de WW verplicht verweerder ertoe om het bedrag terug te vorderen dat als gevolg van een herziening van de uitkering als bedoeld in artikel 22a onverschuldigd is betaald. Blijkens het zesde lid van dit artikel kan ook van terugvordering geheel of gedeeltelijk worden afgezien bij de aanwezigheid van dringende redenen.

4.2

De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het eiseres redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zij ten onrechte of tot een te hoog bedrag WW-uitkering en toeslag ontving. Daarbij is van belang dat zij ten tijde van de van belang zijnde periodes onder bewind stond. Blijkens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; zie onder meer de uitspraak van 21 maart 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV9932) komt, in het geval dat een uitkeringsgerechtigde onder beschermingsbewind staat, nalatigheid van de bewindvoerder in beginsel voor rekening van de uitkeringsgerechtigde. Dit brengt mee dat de rechtbank zal oordelen over de vraag of het de bewindvoerder redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat er teveel WW en toeslag werd ontvangen.

Naar het oordeel van de rechtbank is dit het geval. Met betrekking tot de periode van het primaire besluit 1 is daarbij van belang dat de bewindvoerder er reeds op 1 januari 2015 van op de hoogte was dat er een aanvraag om pgb was ingediend zodat eiseres mogelijk op geld waardeerbare werkzaamheden verrichtte. Door de met terugwerkende kracht toegewezen pgb-aanvraag is de zorg die eiseres haar zoon geeft immers op geld waardeerbare arbeid geworden. Het is vaste jurisprudentie dat zorgverlening in het kader van een pgb moet worden aangemerkt als een op geld waardeerbare activiteit waarvan melding gemaakt moet worden (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 27 juli 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN2475). Een bewindvoerder moet worden geacht te begrijpen dat de zorgverlening en de daarvoor aangevraagde pgb in het kader van een WW-uitkering relevant zijn en dat deze omstandigheden onverwijld aan verweerder moeten worden gemeld. Het feit dat het pgb pas op een later moment daadwerkelijk is toegekend doet daar niet aan af. Het was immers de bedoeling dat eiseres een pgb zou ontvangen voor de zorgverlening aan haar zoon.

Met betrekking tot de periode van het primaire besluit 2 is van belang dat de bewindvoerder zelf heeft meegedeeld dat het pgb reeds in september 2015 was verbruikt, terwijl later is gebleken dat dit niet het geval was en dat eiseres steeds inkomen is blijven ontvangen uit het pgb-budget. Het moet de bewindvoerder onder die omstandigheden zonder meer duidelijk zijn geweest dat eiseres ten onrechte een WW-uitkering en toeslag ontving.

Gelet op het voorgaande heeft de bewindvoerder de inlichtingenverplichting geschonden, hetgeen aan eiseres moet worden toegerekend. Op grond van de artikelen 22a en 36 van de WW was verweerder dan ook in beginsel verplicht om de uitkering te herzien en om de ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen. Het feit dat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat eiseres persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van de schendingen van de inlichtingenverplichting, zodat het aannemelijk is dat deze schendingen voornamelijk of uitsluitend de bewindvoerder kunnen worden verweten, doet daar niet aan af. In het kader van de oplegging van een eventuele boete is vereist dat eiseres zelf een verwijt kan worden gemaakt, maar zoals reeds is overwogen is in het kader van de vraag of de inlichtingenverplichting is geschonden voldoende dat de bewindvoerder een relevant verwijt kan worden gemaakt.

4.3

De tweede vraag is of er sprake is van dringende redenen om van herziening of terugvordering af te zien.

Blijkens vaste jurisprudentie van de CRvB (zie onder meer de uitspraak van 6 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1641) kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts gelegen zijn in onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen van de terugvordering. Blijkens de jurisprudentie moet het dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is (zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 4 oktober 2016, CRVB:2016:3654). Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele feit dat de schuldsaneringsregeling mogelijk zal worden beëindigd hiervoor onvoldoende. Daarbij is van belang dat het, nu de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen dat eiseres persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de terugvorderingen, niet onaannemelijk is dat eiseres na beëindiging van de schuldsaneringsregeling op korte termijn opnieuw kan worden toegelaten tot deze regeling. Ook wanneer dit niet het geval blijkt te zijn, is er naar het oordeel van de rechtbank echter geen sprake van onaanvaardbare financiële gevolgen van de terugvorderingen. Daarbij is van belang dat eiseres alsdan nog altijd de bescherming zal genieten van de wettelijke regels over de beslagvrije voet, zoals neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.4

Met betrekking tot de stelling dat de besluitvorming van verweerder onevenredig is, overweegt de rechtbank tenslotte dat verweerder in beginsel slechts bij de aanwezigheid van dringende redenen ruimte heeft om af te zien van herziening en terugvordering. Voor een andere of verdergaande toetsing aan het evenredigheidsbeginsel is geen ruimte. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de tweede beroepsgrond van eiseres niet inhoudelijk te bespreken. Blijkens het voorgaande is er geen sprake van dringende redenen om af te zien van herziening en terugvordering. Ook als de rechtbank tot het oordeel zou komen dat het gezamenlijk opleggen van de twee verschillende maatregelen die eiseres noemt in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, kan dit derhalve niet afdoen aan de verplichting van verweerder om over te gaan tot terugvordering.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van Gijn, voorzitter, mr. B.J. Zippelius en

mr. E.M. Vermeulen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.W. Blok, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.