Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6166

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-10-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
AWB 16/813 en 16/814
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand. Boete in verband met schending van de inlichtingenverplichting.

1. Eiseres heeft bewust en weloverwogen een (forse) verhoging van de maandelijkse alimentatie-inkomsten voor verweerder verborgen gehouden. Nu eiseres volgens haar eigen stelling in de veronderstelling verkeerde dat de verhoging pas gemeld hoefde te worden wanneer deze onherroepelijk was geworden, is er twijfel mogelijk over de vraag of dit moet worden gekwalificeerd als een opzettelijke schending van de inlichtingenverplichting. Wel is er sprake van grove schuld. De bijzondere persoonlijke omstandigheden van eiseres geven geen aanleiding om de boete te matigen, mede omdat eiseres ondanks deze omstandigheden kennelijk wel in staat was om weloverwogen te besluiten de verhoging van de alimentatie-inkomsten verborgen te houden. Ook is artikel 2a, tweede lid onder a, van het Boetebesluit niet geschreven voor langdurige situaties. De draagkracht van eiseres geeft wel aanleiding de boete te matigen tot 18-maal 10% van de toepasselijke bijstandsnorm.

2. Eiseres heeft verzuimd aan verweerder te melden dat zij een gezamenlijke huishouding is gaan voeren. Verweerder is ten onrechte uitgegaan van normale verwijtbaarheid, nu er sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 2a, tweede lid onder a, van het Boetebesluit. De rechtbank stelt de boete vast op 25% van het benadelingsbedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/51

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: 16/813 en 16/814

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] eiseres

(gemachtigde: mr. A. van den Berg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe te Elst, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder eiseres een boete opgelegd van € 3.164,42.

Bij besluit van 28 december 2015 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het besluit van 9 juli 2015 herroepen en de boete vastgesteld op € 2.380,-.

Bij besluit van 27 juli 2015 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiseres een boete van €191,43 opgelegd.

Bij besluit van 28 december 2015 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het besluit van 27 juli 2015 herroepen en de boete vastgesteld op € 100,-.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld. Het beroep met zaaknummer 16/814 richt zich tegen het bestreden besluit 1 en het beroep met zaaknummer 16/813 richt zich tegen het bestreden besluit 2.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. D. Radstaat. De zaken zijn ter zitting gevoegd behandeld. Thans doet de rechtbank in beide zaken gelijktijdig uitspraak.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat hierbij uit van de volgende feiten.

1.1

Eiseres heeft twee zoontjes. Na het verbreken van de relatie met de vader van haar oudste zoontje ( [naam] ) in 2002 ontving zij maandelijks € 180,- (na indexering: € 185,-) aan alimentatie. Zij ontving deze alimentatie op de bankrekening van [naam] en maakte het ontvangen bedrag dan over naar haar eigen bankrekening. Nadat eiseres haar werkzaamheden als zelfstandige in verband met ziekte had moeten staken, heeft verweerder haar met ingang van 1 januari 2012 bijstand toegekend. Eiseres heeft daarbij de maandelijkse alimentatie-inkomsten gemeld.

1.2

Nadat eiseres een procedure aanhangig had gemaakt, heeft deze rechtbank bij beschikking van 20 december 2013 de alimentatie met ingang van 13 juni 2013 vastgesteld op € 496,- per maand. De rechtbank heeft deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard. In hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de alimentatie bij beschikking van 2 december 2014 met dezelfde ingangsdatum vastgesteld op € 639,- per maand. Eiseres heeft de verhogingen van de alimentatieverplichting niet aan verweerder gemeld. Met ingang van 1 juli 2014 heeft zij een nieuwe bankrekening geopend voor [naam] , waarop de hogere alimentatie werd ontvangen. Zij maakte van de ontvangen bedragen € 185,- over naar haar eigen bankrekening. Ook heeft zij bankafschriften van haar eigen rekening, met deze overboekingen van € 185,-, ingeleverd in het schuldhulpverleningstraject waartoe verweerder haar bij besluit van 30 januari 2014 had toegelaten.

1.3

Nadat verweerder een signaal had ontvangen dat eiseres mogelijk meer alimentatie ontving dan bij verweerder bekend was, heeft verweerder een onderzoek verricht. In een telefoongesprek op 10 november 2014 heeft eiseres desgevraagd verklaard dat de hoogte van de alimentatie niet was gewijzigd. Op 11 november 2014 heeft verweerder eiseres verzocht om alle bankafschriften vanaf 1 januari 2012 over te leggen, evenals de meest recente uitspraak met betrekking tot de hoogte van de alimentatie. Eiseres heeft een kopie van de beschikking van 20 december 2013 overgelegd, evenals een aantal bankafschriften. Verweerder heeft bij beschikking van 25 november 2014 de bijstandsuitkering geblokkeerd met ingang van 1 november 2014, omdat niet alle gevraagde stukken waren ontvangen. Bij beschikking van 10 december 2014 heeft verweerder uitkering met ingang van 25 november 2014 opgeschort. Na ontvangst van alle stukken heeft verweerder de opschorting beëindigd en de hoogte van de bijstand aangepast aan de hogere alimentatie-inkomsten.

1.4

Bij een tweetal besluiten van 15 juni 2015 heeft verweerder de bijstand over de periode van 1 mei 2013 tot en met 31 oktober 2014 herzien en eiseres het voornemen meegedeeld om haar een boete op te leggen wegens het schenden van de inlichtingenverplichting van artikel 17 van de Participatiewet (PW). Bij besluit van 8 juli 2015 heeft verweerder de teveel ontvangen bijstand van eiseres teruggevorderd. Na ontvangst van een reactie van eiseres op het voornemen haar een boete op te leggen, waarbij eiseres heeft opgemerkt de verhoging van de alimentatieverplichting nimmer bewust te hebben verzwegen, heeft verweerder het primaire besluit 1 genomen. Verweerder is daarbij uitgegaan van een opzettelijke schending van de inlichtingenplicht, zodat de boete gelijk is aan het benadelingsbedrag van € 3.164,42.

1.5

De partner van eiseres heeft zich op 12 mei 2015 in de Basisregistratie Personen (BRP) laten inschrijven op het adres van eiseres. Eiseres heeft dit niet aan verweerder gemeld. Verweerder heeft het recht op bijstand bij besluit van 23 juni 2015 opgeschort en eiseres verzocht om nadere informatie. Eiseres heeft op dit verzoek niet gereageerd. Verweerder heeft daarop bij besluit van 9 juli 2015 de uitkering met ingang van 12 mei 2015 ingetrokken, omdat het recht op bijstand vanaf die datum niet meer kan worden vastgesteld. Bij besluit van dezelfde datum heeft verweerder aan eiseres het voornemen meegedeeld haar opnieuw een boete op te leggen wegens het schenden van de inlichtingenverplichting. Verweerder heeft vervolgens het primaire besluit 2 genomen. Verweerder is daarbij opnieuw uitgegaan van een opzettelijke schending van de inlichtingenverplichting, zodat de boete gelijk is aan het benadelingsbedrag van € 191,43.

Ten aanzien van het bestreden besluit 1 (kenmerk 16/814)

2. Bij het bestreden besluit 1 heeft verweerder, op basis van het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar tegen het primaire besluit 1 gegrond verklaard en de boete vastgesteld op € 2.380,-. Verweerder heeft daarbij vastgesteld dat er geen sprake is van opzet, maar wel van grove schuld. Voorts heeft verweerder opgemerkt dat de persoonlijke omstandigheden van eiseres geen aanleiding geven de boete verder te matigen.

3. In beroep stelt eiseres zich op het standpunt dat de boete onevenredig is. Zij voert daartoe aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met haar bijzondere persoonlijke omstandigheden. Volgens eiseres vloeit de schending van de inlichtingenverplichting voort uit omstandigheden die niet tot het normale levenspatroon behoren en haar weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de verplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat de schending haar niet volledig kan worden toegerekend (artikel 2a, tweede lid onder a, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten). Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiseres een aantal medische stukken in het geding gebracht. Uit deze informatie kan onder meer worden afgeleid dat eiseres onder behandeling is van een psychiater, dat zij al jarenlang zeer regelmatig onder behandeling is van verschillende medisch specialisten en dat [naam] evenals eiseres lijdt aan een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS).

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1

De rechtbank stelt voorop dat het bij een bestuurlijke boete als hier aan de orde gaat om een punitieve maatregel. Dat brengt mee dat onder meer moet worden voldaan aan de waarborgen van artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (ook bekend als het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, hierna: EVRM). Hieruit vloeit onder meer voort dat de rechter zonder terughoudendheid dient te toetsen of de opgelegde boete in een evenredige verhouding staat tot de gedraging die de bijstandsgerechtigde verweten wordt. Ook vloeit hieruit voort dat de bijstandsgerechtigde voor onschuldig gehouden wordt tot het tegendeel bewezen is, zodat het aan het bestuursorgaan is om de feiten en omstandigheden te bewijzen die het opleggen van een boete rechtvaardigen.

De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in een zestal uitspraken van 11 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:8 tot en met ECLI:NL:CRVB:2016:13) een aantal richtlijnen gegeven met betrekking tot het opleggen van een bestuurlijke boete in bijstandszaken. Met betrekking tot de mate van verwijtbaarheid heeft daarbij in beginsel te gelden dat bij opzet een boete van 100% van het benadelingsbedrag kan worden opgelegd, bij grove schuld 75%, bij gewone verwijtbaarheid 50% en bij verminderde verwijtbaarheid 25%. Het uitgangspunt is daarbij gewone verwijtbaarheid, waarbij het op de weg ligt van het bestuursorgaan om aan te tonen dat er sprake is van grove schuld of opzet. Ook dient het bestuursorgaan te beoordelen of er aanleiding is uit te gaan van verminderde verwijtbaarheid. In dit verband dient onder opzet te worden verstaan het willens en wetens handelen of nalaten in strijd met de inlichtingenverplichting. Onder grove schuld dient te worden verstaan een ernstige, aan opzet grenzende mate van nalatigheid in het nakomen van de inlichtingenverplichting.

Na vaststelling van mate van verwijtbaarheid dient voorts te worden bezien of er aanleiding is om de boete te matigen in verband met de draagkracht van de betrokken bijstandsgerechtigde. De rechter dient zijn oordeel hierover te vormen met inachtneming van alle op dat moment aannemelijk geworden (financiële) omstandigheden, waarbij het in de eerste plaats op de weg van de betrokken bijstandsgerechtigde ligt om daarover inzicht te geven. De boete kan daarbij in beginsel worden gematigd tot het bedrag dat binnen een bepaalde termijn kan worden betaald. Deze termijn bedraagt in het geval van opzet 24, bij grove schuld 18, bij gewone verwijtbaarheid 12 en bij verminderde verwijtbaarheid 6 maanden. Bij de hoogte van het bedrag dat maandelijks kan worden betaald dient rekening gehouden te worden met de beslagvrije voet zoals neergelegd in de artikel 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Daarbij dient ervan te worden uitgegaan dat maandelijks het volledige bedrag van het inkomen boven de beslagvrije voet beschikbaar is voor het betalen van de boete.

4.2

Tussen partijen is niet (meer) in geschil dat eiseres, door niet aan verweerder door te geven dat zij meer alimentatie was gaan ontvangen, de inlichtingenverplichting van artikel 17, eerste lid van de PW heeft geschonden. Het geschil is derhalve beperkt tot de vraag of en in welke mate deze schending eiseres kan worden verweten en of verweerder bij het opleggen van de boete voldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van eiseres en de grote consequenties die de boete voor haar heeft.

4.3

Zoals uit het voorgaande volgt, dient de rechtbank zonder terughoudendheid te beoordelen of het bestuursorgaan is uitgegaan van de juiste mate van verwijtbaarheid. De rechtbank is van oordeel dat dit in het onderhavige geval zo is: verweerder is terecht uitgegaan van grove schuld aan de zijde van eiseres. De rechtbank overweegt in dit kader het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres zich terecht op het standpunt gesteld dat uit de door haar gebruikte constructie, waarbij de alimentatie werd ontvangen op de bankrekening van haar zoontje en een bedrag van € 185,- werd overgeboekt naar de bankrekening van eiseres, niet kan worden afgeleid dat zij willens en wetens de inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Eiseres heeft als verklaring voor deze handelwijze aangevoerd dat zij er door haar toenmalige gemachtigde op is gewezen dat de hogere alimentatieverplichting van haar gewezen partner in hoger beroep met terugwerkende kracht zou kunnen worden verminderd en dat zij daarom het meerdere op de bankrekening van haar zoontje liet staan, zodat zij in dat geval zou kunnen voldoen aan de ontstane terugbetalingsverplichting. De rechtbank acht deze verklaring niet onaannemelijk. Uit de gebruikte constructie kan op zichzelf dan ook niet worden afgeleid dat eiseres heeft gehandeld met het doel verweerder te misleiden.

Eiseres heeft echter ook bankafschriften met bedragen van € 185,-, met de omschrijving ‘alimentatie’, ingeleverd in het schuldhulpverleningstraject. Voorts heeft zij in een telefoongesprek op 10 november 2014 desgevraagd verklaard dat de hoogte van de alimentatie niet was gewijzigd. Tenslotte is in bezwaar namens eiseres verklaard dat zij voornemens was de verhoogde alimentatieverplichting van haar gewezen partner aan verweerder te melden zodra zij er zeker van was dat de verhoging niet meer zou worden herzien. De rechtbank leidt uit dit alles af dat eiseres bewust en weloverwogen heeft besloten de verhoogde alimentatie-inkomsten voorlopig niet door te geven en bij verweerder de indruk te wekken dat de alimentatieverplichting niet veranderd was.

De rechtbank is met verweerder van oordeel dat er twijfel mogelijk is over de vraag of dit kan worden gekwalificeerd als een opzettelijke schending van de inlichtingenverplichting, nu eiseres volgens haar eigen stelling in de veronderstelling verkeerde dat de verhoogde alimentatieverplichting pas gemeld hoefde te worden wanneer de verhoging onherroepelijk was geworden. Naar het oordeel van de rechtbank is echter wel sprake van een aan opzet grenzende mate van nalatigheid aan de zijde van eiseres. Zij had zich zonder meer moeten realiseren dat de verhoging van de alimentatieverplichting vanaf het begin relevant was voor haar recht op uitkering en dat deze verhoging dus ook direct bij verweerder gemeld diende te worden. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat het bij de verhoging van de alimentatie ging om een fors bedrag, nu eiseres ruim € 300,- per maand méér ging ontvangen. In plaats van de verhoging te melden heeft eiseres echter op uiterst lichtvaardige wijze besloten dat het handiger was als verweerder vooralsnog zou uitgaan van het lagere bedrag. Zij heeft daarbij geen contact opgenomen met verweerder, maar juist actief geprobeerd de indruk te laten bestaan dat er geen relevante wijzigingen waren opgetreden. Een boete van 75% van het benadelingsbedrag past naar het oordeel van de rechtbank zonder meer bij het verwijt dat eiseres gemaakt kan worden.

4.4

De stelling van eiseres dat haar bijzondere persoonlijke omstandigheden aanleiding geven om uit te gaan van een verminderde mate van verwijtbaarheid slaagt niet. De rechtbank sluit zich aan bij de vaststelling van verweerder dat de medische en sociale situatie van eiseres verre van benijdenswaardig is. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd en in de stukken die zij in het geding heeft gebracht, ziet de rechtbank echter onvoldoende aanleiding om te concluderen dat haar omstandigheden ten tijde van de schending van de inlichtingenverplichting emotioneel zo ontwrichtend waren dat deze schending haar niet of verminderd kan worden verweten. De rechtbank acht in dit verband van belang dat eiseres in de genoemde omstandigheden kennelijk ook in staat was om (zonder directe financiële noodzaak) een tweetal procedures te voeren tegen haar voormalig partner, nieuwe bankrekeningen te openen en de onder 4.3 genoemde constructie vorm te geven. Deze omstandigheden duiden er in de eerste plaats op dat eiseres zeker niet het inzicht in haar handelen miste en voorts op een weloverwogen keuze om de verhoging van de alimentatieverplichting niet te melden. Daarom kan er naar het oordeel van de rechtbank niet in redelijkheid worden volgehouden dat eiseres niet of verminderd in staat was om te voldoen aan haar wettelijke inlichtingenverplichting. Ook acht de rechtbank van belang dat de bepaling uit het Boetebesluit waarop eiseres een beroep doet (artikel 2a, tweede lid onder a) blijkens de totstandkomingsgeschiedenis daarvan ziet op een kortdurende situatie waarin sprake is van een zodanig bijzondere gebeurtenis dat het voor de hand ligt dat de bijstandsgerechtigde er tijdelijk niet aan denkt om bepaalde inlichtingen te verschaffen. Als voorbeelden worden genoemd een onvoorzien ontslag of het weglopen van een kind (zie de Beleidsregels SVB 2011, artikel SB1244; blijkens de toelichting op artikel 2a van het Boetebesluit, Stb. 2014, 484, is dit artikel gebaseerd op deze beleidsregels). Gelet op de lange periode die in deze procedure aan de orde is (tussen de uitspraak van de rechtbank waarbij de alimentatieverplichting werd verhoogd en het moment dat verweerder een onderzoek instelde is bijna een jaar verstreken) acht de rechtbank het ook daarom niet aannemelijk dat er sprake is van een situatie zoals wordt bedoeld in artikel 2a, tweede lid onder a van het Boetebesluit.

4.5

De rechtbank ziet in de draagkracht van eiseres tenslotte aanleiding om de boete te matigen. Ter zitting heeft verweerder niet betwist dat eiseres op bijstandsniveau leeft. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd geeft de rechtbank onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat eiseres daadwerkelijk van minder moet leven. Gelet op de genoemde jurisprudentie van de CRvB ziet de rechtbank dan ook aanleiding om de boete vast te stellen op 18-maal 10% van de toepasselijke bijstandsnorm, derhalve op € 1.746,-.

5. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door de boete vast te stellen op € 1.746,-. Verweerder dient het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- aan haar te vergoeden.

Ten aanzien van het bestreden besluit 2 (kenmerk 16/813)

6. Bij het bestreden besluit 2 heeft verweerder, op basis van het advies van de bezwaarschriftencommissie, het bezwaar tegen het primaire besluit 2 gegrond verklaard en de boete vastgesteld op € 100,-. Verweerder heeft daarbij vastgesteld dat er geen sprake is van opzet, maar van gewone verwijtbaarheid.

7. In beroep herhaalt eiseres de reeds onder 3. weergegeven beroepsgronden.

8. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

8.1

Voor de uitgangspunten bij de beoordeling van een bestuurlijke boete verwijst de rechtbank naar hetgeen is overwogen onder 4.1. Ook in deze zaak is niet in geschil dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het geschil beperkt zich tot de vraag of er sprake is van verminderde verwijtbaarheid en of verweerder bij het opleggen van de boete voldoende rekening heeft gehouden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van eiseres en de grote consequenties die de boete voor haar heeft.

8.2

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder ten onrechte uitgegaan van normale verwijtbaarheid. Anders dan bij het bestreden besluit 1 is hier sprake van een situatie als bedoeld in artikel 2a, tweede lid onder a, van het Boetebesluit. Eiseres heeft onweersproken aangevoerd dat in de periode dat haar partner zich inschreef op haar adres een vlekje op haar long werd ontdekt, dat werd gevreesd voor longkanker en dat zij in verband hiermee diverse onderzoeken moest ondergaan. Het gaat hier om een omstandigheid die doorgaans als (uiterst) emotioneel ontwrichtend wordt ervaren en de rechtbank acht aannemelijk dat dit in de medische en sociale situatie waarin eiseres reeds verkeerde temeer het geval is geweest. In die omstandigheden kan eiseres in redelijkheid niet volledig worden verweten dat zij zich niet (tijdig) heeft gerealiseerd dat de inschrijving bij verweerder moest worden gemeld. Door de boete vast te stellen op € 100,- heeft verweerder dan ook onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres.

Naar het oordeel van de rechtbank is er echter geen sprake van een situatie waarin de verwijtbaarheid geheel ontbreekt. Daarbij is onder meer van belang dat eiseres er door het onderzoek van verweerder ten aanzien van het primaire besluit 1 en het bestreden besluit 1 nog kort geleden expliciet bij was bepaald dat zij alle relevante omstandigheden onverwijld dient te melden. Zij had dan ook, ondanks de genoemde persoonlijke omstandigheden, des te meer aanleiding om er bewust bij stil te staan of er mogelijk nog nieuwe ontwikkelingen waren die gemeld dienden te worden. Zoals gezegd is de rechtbank van oordeel dat het verzuim om dit te doen haar niet volledig kan worden verweten. Voor het verwijt dat overblijft acht de rechtbank een boete van 25% van het benadelingsbedrag aangewezen. Verweerder had de boete dan ook moeten vaststellen op € 50,-.

9. Nu verweerder de boete te hoog heeft vastgesteld, is het beroep in zoverre gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit te herroepen en de boete vast te stellen op € 50,-. Verweerder dient ook in deze zaak het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- aan haar te vergoeden.

Ten aanzien van het griffierecht en de proceskosten

10. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank merkt de twee procedures in dat verband aan als samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), zodat voor de behandeling van beide procedures slechts eenmaal een vergoeding voor de gemaakte proceskosten zal worden toegekend. Deze proceskostenkosten stelt de rechtbank onder toepassing van het Bpb vast op € 1.984,- (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift, 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

Ten aanzien van het beroep met zaaknummer 16/813

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, legt eiseres een boete op van € 50,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- aan haar vergoedt;

Ten aanzien van het beroep met zaaknummer 16/814

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit, legt eiseres een boete op van € 1.746,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- aan haar vergoedt;

Ten aanzien van de proceskosten

- veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, tot een bedrag van € 1.984,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.W. Blok, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.