Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6164

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
16-11-2016
Zaaknummer
05/986087-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Kopje

De rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft vier ondernemers veroordeeld voor het doen van onjuist aangiften van omzet- en vennootschapsbelasting, het hebben van een onjuiste administratie en het doen van onjuiste aangiften van inkomensbelasting. Twee ondernemers zijn veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur en een geldboete van € 30.000,-. De andere twee ondernemers zijn veroordeeld tot werkstraffen van 120 uur. De ondernemer die enkel is veroordeel tot het doen van onjuiste aangiften van inkomstenbelasting is veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur.

Actualiteit

De rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, heeft twee ondernemers veroordeeld tot een werkstraf van 240 uur en een geldboete van € 30.000,-. Twee ondernemers zijn veroordeeld tot een werkstraf van 120 uur en één ondernemer is veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur.

Tijdens een boekenonderzoek door de Belastingdienst in mei 2008 is bij een franchisenemer van supermarkt Super de Boer in Ede geconstateerd dat met grote regelmaat negatieve ronde bedragen in diens kassa werden aangeslagen. Deze negatieve bedragen zaten niet meer in de omzet volgens de kassabestanden omdat deze hiervan waren afgetrokken. De Belastingdienst heeft vervolgens nader onderzoek gedaan naar eerder verricht boekenonderzoek bij 64 andere franchisenemers van Super de Boer. Hieruit bleek dat in drie gevallen sprake was van dezelfde fraudemethodiek. Vervolgens heeft de Belastingdienst de kassabestanden van alle franchisenemers (240) over 2006 en 2007 opgevraagd bij Super de Boer Winkels B.V. Na analyse daarvan heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat vermoedelijk 45% van deze ondernemers op een soortgelijke manier hun omzet hebben afgeroomd. Vervolgens is na overleg tussen de Belastingdienst, de FIOD en het Functioneel Parket besloten de grootste vermoedelijke fraudeurs strafrechtelijk te onderzoeken.

Als gevolg van de door de ondernemers gepleegde strafbare feiten is de Staat der Nederlanden voor een aanzienlijk bedrag benadeeld. Bij het opleggen van de straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de hoogte van onttrokken geldbedragen, het overschrijden van de redelijke termijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/986087-13

Datum uitspraak : 11 november 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het Functioneel Parket Zwolle

tegen

[verdachte 1]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

raadsman: mr. R.B.H. Beune, advocaat te Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 oktober 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

[verdachte 2] ,

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 25 januari 2011, te Apeldoorn en/of Hoevelaken, gemeente Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) voor de omzetbelasting ten behoeve van fiscale eenheid [verdachte 2] , [verdachte 5] , over de tijdvakken

- januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en/of december 2006 (bijlagen D-5033 en D-5039) en/of

- januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en/of december 2007 (bijlagen D-5034 en D-5039) en/of

- januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en/of december 2008 (bijlagen D-5035 en D-5039) en/of

- januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en/of december 2009 (bijlagen D-5036 en D-5039) en/of

- januari, februari, maart, april, mei, juni, juli, augustus, september, oktober, november en/of december 2010 (bijlagen D-5007 t/m D-5018 en D-5039)

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Randmeren, kantoor Lelystad en/of Almere, althans de Belastingdienst in Nederland, terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de

aangifte(n) (telkens) een te laag en/of onjuist bedrag aan omzet en/of (telkens) een te laag en/of onjuist bedrag aan (verschuldigde) omzetbelasting werd opgegeven, tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

2.

[verdachte 3] ,

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 21 april 2011, te Apeldoorn en/of Hoevelaken, gemeente Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één of meer(dere) (elektronische) aangifte(n) voor de vennootschapsbelasting, over de jaren

- 2006 ( bijlagen D-5019 en D-5041) en/of

- 2007 ( bijlagen D-5020 en D-5041) en/of

- 2008 ( bijlagen D-5021 en D-5041) en/of

- 2009 ( bijlagen D-5022 en D-5041)

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Randmeren, kantoor Lelystad en/of Almere, althans de Belastingdienst in Nederland, terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de

aangifte(n) (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag bedrag aan vennootschapsbelasting en/of een onjuist en/of te laag bedrag aan netto omzet en/of een te laag bedrag aan lonen en salarissen opgegeven, tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte, al dan niet tezamen met een

ander of anderen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

3.

[verdachte 2] ,

op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 21 mei 2012, te Hoevelaken, gemeente Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, als administratieplichtige(n) die ingevolge de Belastingwet, te weten artikel 52 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verplicht was/waren tot het voeren van een administratie overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, (telkens) een zodanige administratie niet heeft/hebben gevoerd en of/doen voeren, immers hebben zij en/of haar/hun mededader(s) toen en daar (telkens) opzettelijk onjuiste en/of onvolledige (te lage) omzetgegevens in de administratie van verdachte opgenomen en/of geboekt en/of doen boeken en/of doen opnemen en/of omzetten door middel van (onterechte) retourboekingen uit de administratie verwijderd, terwijl dat/die feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte, al dan niet tezamen met een ander of anderen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven;

4.

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 13 januari 2012, te Apeldoorn en/of Hoevelaken, gemeente Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één of meer(dere) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting, over de jaren

- 2006 ( bijlagen D-5096 en D-5081) en/of

- 2007 ( bijlagen D-5097 en D-5081) en/of

- 2008 ( bijlagen D-5098 en D-5081) en/of

- 2009 ( bijlagen D-5099 en D-5081) en/of

- 2010 ( bijlagen D-5100 en D-5081)

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Randmeren, kantoor Lelystad en/of Almere, althans de Belastingdienst in Nederland, terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de

aangifte(n) (telkens) een onjuist en/of te lage opgave(n) gedaan van loon uit

tegenwoordige arbeid en/of een onjuiste en/of te lage opgave(n) werd gedaan van inkomsten en/of winst uit onderneming, althans een onjuiste en/of te lage opgave(n) werd gedaan van

privé onttrekkingen.

2a. Vrijspraak

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het proces-verbaal van de FIOD geen bewijsmiddelen bevat met betrekking tot het medeplegen van opdracht geven dan wel medeplegen van het feitelijk leidinggeven aan de strafbare feiten 1, 2 en 3. Naar oordeel van de verdediging dient vrijspraak te volgen bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten 1, 2 en 3 wel wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij zich enkel bezig hield met de groenteafdeling van de supermarkt en daar ook de inkopen voor deed. Hij heeft zich niet bezig gehouden met kassataken dan wel de administratie. Verdachte was dan ook niet op de hoogte dat er geldbedragen uit de kassa werden afgeroomd. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door de verklaring van [medeverdachte] .

Gelet op de verklaring van verdachte en de in het dossier opgenomen bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte met anderen feitelijk leiding heeft gegeven aan het voeren van de administratie van de [verdachte 2] en/of [verdachte 3] . Dit brengt met zich dat ook niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het doen tot onjuiste aangiften van omzet- en/of vennootschapsbelasting en het hebben van een onjuiste administratie. Verdachte zal derhalve van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten worden vrijgesproken.

2b. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Er is met betrekking tot feit 4 sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- D-5028 tot en met D-5032, de aangiften inkomstenbelasting [verdachte 4] 2006 tot en met 2010, p. 593 tot en met 611;

- D-5037, ambtsedige verklaring inkomstenbelasting [verdachte 4] , p. 620 tot en met 668;

- D-5093, nadeelberekening inkomstenbelasting verdachte [verdachte 4] , p. 1150;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 28 oktober 2016.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op één of meer tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 18 november 2011, te Apeldoorn en/of Hoevelaken, gemeente Nijkerk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met andere(n) rechtsperso(o)n(en) en/of natuurlijk(e) perso(o)n(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten één of meer(dere) aangifte(n) voor de inkomstenbelasting, over de jaren

- 2006 ( bijlagen D-5043 en D-5080) en/of

- 2007 ( bijlagen D-5044 en D-5080) en/of

- 2008 ( bijlagen D-5045 en D-5080) en/of

- 2009 ( bijlagen D-5046 en D-5080) en/of

- 2010 ( bijlagen D-5047 en D-5080)

onjuist of onvolledig heeft/hebben gedaan bij de Inspecteur der belastingen en/of de Belastingdienst Randmeren, kantoor Lelystad en/of Almere, althans de Belastingdienst in Nederland, terwijl die/dat feit(en) er (telkens) toe strekte(n) dat te weinig belasting

wordt geheven, hebbende die onjuistheid of onvolledigheid (telkens) hierin bestaan dat op de

aangifte(n) (telkens) een onjuist en/of te lage opgave(n) gedaan van loon uit tegenwoordige arbeid en/of een onjuiste en/of te lage opgave(n) werd gedaan van inkomsten en/of winst uit

onderneming, althans een onjuiste en/of te lage opgave(n) werd gedaan van privé onttrekkingen.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 4:

Medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een werkstraf gedurende 80 (tachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 40 (veertig) dagen, beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht. Daarnaast heeft de officier van justitie een geldboete geëist van € 7.500,00 (zevenduizend vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 72 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn strafeis rekening gehouden met onder andere de blanco Justitiële documentatie van verdachte, de media-aandacht die de zaak heeft gekregen en het tijdsverloop. Daarnaast heeft de officier van justitie nog rekening gehouden met de omstandigheid dat het bij de zaak van verdachte, in vergelijking met de andere zaken binnen hetzelfde onderzoek, gaat om de kleinste onttrekking, de fraude na 2010 geheel is opgehouden en dat met de Belastingdienst volledig is afgerekend.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om met de volgende omstandigheden rekening te houden. Enkel het onder vier tenlastegelegde feit kan worden bewezen. Het feit zou zijn gepleegd in de periode van 2006 tot en met 2010, waarnaar in mei 2012 onderzoek is gedaan. De navorderingsaanslagen van de Belastingdienst zijn inmiddels betaald. Door de media-aandacht en de vrees voor komende media-aandacht, is verdachte al gestraft zelfs voordat hij is veroordeeld. Ook dient overschrijding van de redelijke termijn te worden gecompenseerd. Ten slotte is onrechtmatig gebruik gemaakt van controlebevoegdheden uit de AWR in opdracht van het Openbaar Ministerie. Deze schade dient te worden gecompenseerd bij de eventueel op te leggen straf hetzij door minder, hetzij door in het geheel geen straf op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 14 oktober 2016.

Verdachte heeft zich op meerdere tijdstippen in de periode van 2006 tot en met 2010 als natuurlijk persoon en/of als aandeelhouder van de [verdachte 2] schuldig gemaakt aan het doen van onjuiste aangiften van inkomstenbelasting.

Door de broers van verdachte zijn aanzienlijke geldbedragen uit de kassa gehaald, die buiten de administratie zijn gebleven en dus aan het zicht van de Belastingdienst zijn onttrokken. Delen van deze geldbedragen zijn onbelast in de zakken van verdachte en zijn broers terecht gekomen, als bonus, waarvan ook verdachte heeft geprofiteerd.

Als gevolg van het door verdachte gepleegde strafbare feit, zoals hierboven bewezen verklaard is de Staat der Nederlanden benadeeld. Belastingen geïnd onder meer via het systeem van inkomstenbelasting, dragen in belangrijke mate bij aan de financiering van de kosten die inherent zijn aan een samenleving als de Nederlandse. Het is verdachte te verwijten dat hij zich hieraan deels heeft trachten te onttrekken.

Bij het bepalen van de strafmaat en – duur, zijn de volgende omstandigheden in aanmerking genomen.

Voor wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie d.d. 14 oktober 2016, waaruit naar voren is gekomen dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte eveneens rekening met de omstandigheid dat het onderzoek door de Belastingdienst veel media aandacht heeft gehad, die ook voor verdachte negatieve gevolgen zal hebben gehad. Daarnaast houdt de rechtbank ook rekening met het overschrijden van de redelijke termijn in deze procedure en het aandeel van verdachte in het geheel.

De rechtbank heeft voorts vast gesteld dat in het voorbereidend onderzoek voorschriften zijn geschonden waardoor het onderzoek door de Belastingdienst heeft plaatsgevonden op grond van het gestelde in de AWR in plaats van artikel 126 nd van het Wetboek van Strafvordering. Naar oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van normschending. Omdat het openbaar ministerie via de weg van artikel 126 nd van het Wetboek van Strafvordering ook de huidige gegevens zou hebben verkregen, ziet de rechtbank niet in hoeverre verdachte door deze gang van zaken nadeel heeft ondervonden. Zij zal het dan ook laten bij de vaststelling dat het openbaar ministerie hier een norm heeft geschonden.

.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden dat zij minder bewezen acht dan de officier van justitie en met de omstandigheid dat verdachte al met de belastingdienst heeft afgerekend. Om die reden zal zij een geen geldboete opleggen en de werkstraf matigen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 27, 51, 91 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake Rijksbelastingen.

9 De beslissing

De rechtbank:

 Spreekt verdachte vrij van de onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde feiten.

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een werkstraf gedurende 40 (veertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 20 (twintig) dagen;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. [voorzitter] (voorzitter), mr. [rechter 1] en mr. [rechter 2] , rechters, in tegenwoordigheid van mr. [griffier] , griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 november 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de Belastingdienst/FIOD, kantoor Zwolle, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 49810, opgemaakt op 18 december 2012 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.