Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6138

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
13-10-2016
Datum publicatie
15-11-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 3159
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WMO, vervoersvoorziening. Verweerder heeft de aanvraag om een vervoersvoorziening ten onrechte buiten behandeling gesteld. Op het moment dat de aanvraag alsnog inhoudelijk werd behandeld woonde eiseres inmiddels in een andere gemeente. Verweerder heeft daarop de aanvraag afgewezen en een compensatie betaald. De huidige gemeente van eiseres heeft haar inmiddels een vervoersvoorziening toegekend. Nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij als gevolg van de besluitvorming van verweerder méér schade heeft geleden dan de toegekende compensatie, heeft zij geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/3159

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. van den Os),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst te Twello, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 maart 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een (nieuwe) vervoersvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 1 mei 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard.

Verweerder heeft daarbij het primaire besluit herroepen, de aanvraag afgewezen en eiseres ter compensatie een bedrag van € 3.330 toegekend.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde en haar echtgenoot [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde R. van der Plank.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres is sinds haar geboorte bekend met de ziekte focomelie, waarbij sprake is van verkorte ledematen. In 1998 heeft verweerder aan eiseres een tegemoetkoming toegekend in de kosten van aanpassing van de eigen auto. Op 27 december 2011 heeft eiseres verweerder verzocht om haar op grond van de Wmo in aanmerking te brengen voor een vervoersvoorziening, zijnde de aanpassing van een nieuwe auto. Verweerder heeft eiseres daarop verzocht om een bewijsstuk waaruit blijkt dat de huidige vervoersvoorziening niet meer adequaat is. Na het verstrijken van de daartoe gegeven termijn heeft verweerder de aanvraag onder toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard.

In zijn uitspraak van 25 februari 2015 heeft de Centrale Raad van Beroep (CRvB) geoordeeld dat verweerder de aanvraag niet buiten behandeling had mogen stellen. De CRvB heeft verweerder daarbij opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Verweerder heeft daarop het bestreden besluit genomen.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiseres met ingang van 1 mei 2013 is verhuisd naar de gemeente Borne, zodat de aanvraag moet worden afgewezen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat het in de lijn der verwachting ligt dat, wanneer de aanvraag destijds niet buiten behandeling zou zijn gesteld maar inhoudelijk zou zijn behandeld, eiseres een taxivergoeding zou zijn toegekend als vervoersvoorziening. Verweerder heeft derhalve besloten om uit coulance een compensatie van € 3.330 aan eiseres te betalen.

3. In beroep heeft eiseres zich in eerste instantie op het standpunt gesteld dat verweerder haar alsnog de gevraagde autoaanpassing dient toe te kennen. Inmiddels handhaaft zij dit standpunt niet langer. Daarbij is van belang dat eiseres in de gemeente Borne, op 24 juni 2013, eveneens een aanvraag heeft ingediend voor een vervoersvoorziening. Het college van de gemeente Borne heeft haar in eerste instantie een financiële vergoeding van ruim € 1.000 toegekend als tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van individueel taxivervoer of van de eigen auto. Tijdens de daaropvolgende procedure bij de CRvB heeft eiseres echter overeenstemming bereikt met de gemeente Borne. Deze overeenstemming houdt, voor zover thans van belang, in dat de gemeente Borne aan eiseres een vervoersvoorziening verstrekt in de vorm van een vergoeding van de kosten van aanpassing van de eigen auto, waarbij de gemeente Borne 90% van deze kosten voor haar rekening neemt en eiseres 10%. Eiseres handhaaft desondanks het onderhavige beroep. Zij stelt dat zij nog altijd een procesbelang heeft bij een inhoudelijk oordeel over de besluitvorming van verweerder, nu zij voornemens is een verzoek om schadevergoeding in te dienen bij verweerder.

4. De rechtbank overweegt dat nu eiseres ten tijde van het bestreden besluit was verhuisd naar de gemeente Borne en deze gemeente aan haar een vervoersvoorziening heeft toegekend, eiseres geen recht meer kon doen gelden op een vervoersvoorziening van verweerder. Daarmee is het belang van eisers bij een beoordeling van het bestreden besluit in beginsel komen te vervallen. Er kan echter nog steeds sprake zijn van aan actueel procesbelang wanneer niet op voorhand uitgesloten is dat eiseres door de besluitvorming van verweerder schade heeft geleden. Het ligt dan wel op de weg van eiseres om enig inzicht te geven in de omvang van de gestelde schade. Verweerder heeft eiseres een bedrag van

€ 3.330 toegekend ter compensatie van schade die zij mogelijk geleden heeft doordat zij in de tussentijd niet over een vervoersvoorziening heeft kunnen beschikken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij als gevolg van de besluitvorming van verweerder meer schade heeft geleden dan het haar toegekende bedrag van € 3.330. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres geen belang heef bij de beoordeling van het beroep.

5. Het beroep is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Klein Egelink, voorzitter, mr. J.A. van Schagen en

mr. E.C.G. Okhuizen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.W. Blok, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.