Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6123

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
15-11-2016
Zaaknummer
05/740193-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft een 49-jarige man veroordeeld voor zes misdrijven. De man heeft over een langere periode diverse slachtoffers geld of goederen afhandig gemaakt door hen op te lichten of gebruik te maken van vervalste of valse documenten. Hij heeft op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van de slachtoffers in het goede van de mens. De man heeft al eerder gevangenisstraffen uitgezeten in verband met veroordelingen voor (kort gezegd) oplichtingsfeiten. De rechtbank neemt het de man zeer kwalijk dat hij na die gevangenisstraffen onverminderd is doorgegaan met deze oplichtingspraktijken. Het oplichten of bedriegen van mensen lijkt voor verdachte een vast onderdeel van zijn leven te zijn geworden. Dat hij in de media te boek zou staan als meesteroplichter, heeft verdachte, gelet op zijn documentatie en de veroordeling voor de huidige feiten dan ook grotendeels aan zichzelf te wijten.

Gelet op de ernst en de omvang van de feiten, het aantal slachtoffers, de steeds sluwe en berekenende wijze waarop de man te werk is gegaan en zijn strafblad is alleen een gevangenisstraf passend. Omdat de rechtbank niet alle feiten bewezen acht, zoals door de officier van justitie wel voorgesteld, komt de rechtbank tot een lagere gevangenisstraf dan geëist. De rechtbank heeft de man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/740193-16

Datum uitspraak : 11 november 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , thans gedetineerd te HvB Ooyerhoekseweg - Zutphen te Zutphen,

raadsvrouw: mr. W.H. Boer, advocaat te Heerde.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 augustus 2016 en 28 oktober 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een toegestane vordering nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 10 juli 2009 tot en met 3 september 2009 te Veenendaal opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een cheque van een Franse bank als ware het echt en onvervalst, door die cheque waarop een bedrag van 18.950 euro was ingevuld te betalen aan [slachtoffer 1] te versturen/faxen aan/naar die [slachtoffer 2] , waardoor bij die [slachtoffer 2] de indruk werd gewekt dat een rekening zou zijn of (kunnen) worden betaald;

2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 december 2010 tot en met 16 juli 2011 te Berg en Dal, gemeente Groesbeek, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een

schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een hoeveelheid geld, door te vertellen dat

- hij, verdachte een huis in Frankrijk had verkocht maar dat hij nog niet bij zijn geld kon komen,

- hij een geldbuffer in Engeland had, maar dat dat geld vast stond,

- hij in elkaar was geslagen en dat daarbij zijn bankpassen waren weggenomen en dat hij daarom geen geld kon opnemen

- die [slachtoffer 4] al het geld dat ze hem, verdachte zou lenen terug zou krijgen;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2010 tot en met 16 juli 2011 te Berg en Dal, gemeente Groesbeek, opzettelijk een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten door een lening, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 maart 2011 tot en met 01 april 2011 te Enkhuizen en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valselijk opgemaakte en/of vervalste geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, als waren deze echt en onvervalst, door

- een werkgeversverklaring van [naam 18] , waarin gegevens over het dienstverband en salaris van verdachte stonden vermeld, en/of

- een overschrijvingsbewijs van de [naam 2] waarin stond vermeld dat een bedrag van 4.612 euro was overgemaakt naar de rekening van vereniging [slachtoffer 30]

heeft verzonden/ingediend naar/bij vereniging [slachtoffer 30] waardoor bij die vereniging de indruk werd gewekt dat verdachte de huur van een woning zou kunnen betalen;

4. hij op of omstreeks 01 maart 2013 te Lelystad opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een bankafschrift met daarop overboekingen van ING rekeningnr. [nummer 1] naar het ING rekeningnr. [nummer 2] van 1.700 en 7.500 euro als ware het echt en onvervalst, door voornoemd afschrift te versturen naar [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] , waardoor bij die [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] de indruk werd gewekt dat de huur en/of borg van een woning zou zijn betaald;

5. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode 08 juni 2013 tot en met 13 januari 2014 te Muiden, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen telkens door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 10] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van de sleutel van een woning en/of het verhuren van een woning gelegen aan [adres 2] , door (telkens)

- tegen die [slachtoffer 12] te zeggen dat [verdachte 2] een bedrijf in Engeland zou hebben en daardoor het huurcontract niet zou kunnen ondertekenen,

- te zeggen dat er een fout was gemaakt in het IBAN-nummer, waardoor het langer zou duren voordat het geld werd overgemaakt,

- die [slachtoffer 12] een email te sturen met de mededeling dat hij een lening had afgesloten en snel zou betalen,

- die [slachtoffer 12] een e-mail te sturen, met daarin een vals opgemaakt bankafschrift betreffende rekeningnummer [nummer 3] (op naam staand van [naam 3] ) van de ING bank, waarin stond dat er 5875,- euro zou zijn overgemaakt naar het rekeningnummer van die [slachtoffer 12] ;

- emails te sturen waarin verdachte aan [slachtoffer 12] laat weten dat het geld (ten behoeve van de huur en/of borgsom) onderweg is en/of binnenkort bij [slachtoffer 12] op de rekening staat en/of is overgemaakt en/of bij hem, verdachte, is afgeschreven en/of dat hij, verdachte, er achter aan zit of ermee bezig is, en/of dat hij, verdachte, het geld binnenkort contant zal voldoen, althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

althans, indien het vorenstaande onder 5 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 08 juni 2013 tot en met 13 januari 2014 te Muiden opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een afschrift van een overboeking van 5.875 euro van ING rekeningnr. [nummer 3] (op naam staand van verdachte) naar ING rekeningnr: [nummer 4] (op naam staand van [slachtoffer 11] ) als ware het echt en onvervalst, door voornoemd afschrift (bij een email) te verzenden naar die [slachtoffer 11] , waardoor de schijn werd gewekt dat de huur van een woning zou zijn betaald;

6. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 januari 2014 tot en met 04 februari 2014 te Zwartsluis, gemeente Zwartewaterland,, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 13] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan

van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten afgifte van één of meer goederen (vlotter, vuilwaterpomp en/of één of meer andere goederen, door (telkens)

- te zeggen dat hij, verdachte geen pinpas bij zich had en de aankoop daarom op rekening kon worden gezet

- de factuur en een offerte te laten sturen naar een verlopen postbusnummer ( [adres 3] )

- zich voor te doen als technisch tekenaar van elektrische schema’s van schepen,

- te zeggen dat hij, verdachte zich liet verhuren als ZZP'er aan grotere jachtbouwers,

- ( later) te zeggen dat de rekening en de offerte voor een kachel al waren betaald vanaf een buitenlandse rekening en dat het daarom langer kon duren voordat het geld binnen zou zijn;

althans, indien het vorenstaande onder 6 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 20 januari 2014 tot en met 04 februari 2014 te Zwartsluis, gemeente Zwartewaterland, opzettelijk een vlotter, vuilwaterpomp en/of één of meer andere goederen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 13] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte

anders dan door misdrijf, te weten als koper van voornoemde goederen, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

7. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 03 februari 2014 tot en met 07 februari 2014 te Kampen, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 34] en/of [slachtoffer 16] , in elk geval een medewerker van [slachtoffer 17] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een sleutel van een hotelkamer en/of het verhuren van een hotelkamer in " [slachtoffer 18] " ( [adres 4] ) en/of de afgifte/het verstrekken van consumpties (ontbijt en drank), door (telkens)

- tegen die [slachtoffer 19] en/of [slachtoffer 16] en/of een (andere) medewerker van dat hotel te zeggen dat er geld was overgeboekt van een spaarrekening naar de lopende rekening,

- dat die overboeking drie dagen zou duren, omdat het geld vast stond en dat daarna de rekening zou worden voldaan,

- na die drie dagen tegen die [slachtoffer 19] , [slachtoffer 20] en/of een medewerker van dat hotel te zeggen dat het geld nog niet op de lopende rekening stond;

althans, indien het vorenstaande onder 7 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 03 februari 2014 tot en met 07 februari 2014 te Kampen, althans in Nederland, opzettelijk genoten consumpties (ontbijt en drank), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 18] VOF, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als gast van voornoemd hotel, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

8. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 6 februari 2014 tot en met 2 april 2014 te Elburg, althans in Nederland en/of te San Remo (Italië) en/of te Cannes, althans in Frankrijk meermalen, althans eenmaal telkens met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 21] (telkens) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten afgifte van een sleutel van een kamer in een [slachtoffer 22] , één of meer goederen en/of een hoeveelheid geld, het aangaan van een schuld en/of het verstrekken van een lening, door (telkens) tegen die [slachtoffer 23] te zeggen dat

- zijn, verdachtes boot in de haven lag om te worden gerepareerd,

- zijn, verdachtes boot verplaatst moest worden en dat hij daarom langer zou moeten verblijven in het [slachtoffer 22] ,

- hij even niet genoeg geld had voor de aankoop van een auto en/of laptop,

- hij al een aanbetaling had gedaan op een boot en/of

- hij geld van die [slachtoffer 23] op de bank in Italië zou zetten,

- hij een pand had verkocht in Frankrijk, maar nog niet bij het geld kon;

althans, indien het vorenstaande onder 8 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 06 februari 2014 tot en met 02 april 2014 te Elburg, althans in Nederland, en/of te San Remo (Italië) en/of te Cannes, althans in Frankrijk,

opzettelijk geldbedragen van € 1.000,-- en/of € 600,-- en/of € 5.500,-- en/of 900,-- en/of € 1.500,-- en/of € 2.000,--, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 21] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als lening en/of als investering voor een door verdachte en [slachtoffer 23] op te starten onderneming, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Overweging vooraf: gebruikte e-mailadres

In meerdere zaken is gebruik gemaakt van het e-mailadres: [e-mailadres] . Verdachte heeft verklaard dat dit e-mailadres toebehoort aan zijn vader en dat niet hij (verdachte) maar een derde vanuit dit e-mailadres e-mails heeft verzonden. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft de verdediging gewezen op een aantal opmerkelijkheden in een aantal e-mails.

De rechtbank overweegt als volgt.

In drie feiten is voornoemd e-mailadres gebruikt in de communicatie met de latere aangevers, te weten de feiten 4, 5 en 6.2

Aangeefster [slachtoffer 24] (feit 4) heeft verklaard dat een man, die zich [verdachte 3] noemde, via marktplaats contact met haar heeft gezocht in verband met een huurwoning aan de [adres 5] . Nadat deze man en zijn vader, die zich [verdachte 3] senior noemde, de woning hadden bezichtigd zou de man via e-mail contact met aangeefster opnemen. Op 28 november 2012 heeft aangeefster de man een e-mail gestuurd naar het e-mailadres: [e-mailadres] met daarin de huurovereenkomst. Op 1 december 2012 is de huurovereenkomst ondertekend door [verdachte 4] .3

Verdachte heeft verklaard dat hij de woning aan de [adres 6] heeft gehuurd, dat hij daarvoor heeft gereageerd op een advertentie op internet en dat hij de woning samen met zijn vader heeft betrokken.4

Aangever [slachtoffer 25] (feit 5) heeft verklaard dat hij de woning aan de [adres 2] te Muiden via marktplaats te huur aanbood en dat een man, die zich [verdachte 3] noemde, hierover via e-mail contact zocht. De man wilde er wonen met zijn vader, [naam 4] , geboren op [geboortedatum 2] . De man en zijn vader hebben de woning gehuurd. Er was goed e-mailcontact met de man onder andere over het betalen van de huur.5

De vader van verdachte, [naam 4] , geboren op [geboortedatum 2] , heeft verklaard dat hij met zijn zoon, verdachte, de woning aan de [adres 2] te Muiden heeft gehuurd en dat zijn zoon alles voor hem regelde.6 Verdachte heeft ook verklaard dat hij die woning heeft gehuurd en dat hij via e-mail wel contact had met de verhuurder.7 Het e-mailadres waarmee hij via marktplaats contact had met aangever [slachtoffer 25] betrof [e-mailadres] .8

Aangever [slachtoffer 26] (feit 6) heeft verklaard dat hij een offerte en een factuur aan het e-mailadres [e-mailadres] heeft verzonden. Dit nadat een man op 21 januari 2014 had geïnformeerd naar (onder andere) een vuilwaterpomp en vervolgens op 22 januari 2014 zijn akkoord had gegeven over de prijs. De broer van aangever heeft daarbij de boot van de man bezocht. De man heeft de pomp en diverse materialen op 23 januari 2014 opgehaald.9

Verdachte heeft verklaard dat hij diverse keren bij dat bedrijf is geweest en dat men vanuit het bedrijf van [slachtoffer 26] op de betreffende boot is geweest.10 Tevens heeft hij verklaard dat hij een pomp en klein materiaal heeft afgenomen en dat het bedrijf een offerte zou maken.11

Gelet op de omstandigheden dat:

  • -

    meerdere aangevers op meerdere momenten na contact met verdachte over goederen dan wel woningen het e-mailadres [e-mailadres] als het e-mailadres van verdachte hebben gebruikt;

  • -

    die contacten ook daadwerkelijk tot afgifte van goederen, dan wel het verhuren van woningen hebben geleid;

  • -

    verdachte heeft aangegeven gebruik te hebben gemaakt van dat e-mailadres;

  • -

    in een e-mail verzonden van dat e-mailadres de verzender afsluit met ‘ [verdachte 2] ’, en

  • -

    de vader van verdachte heeft verklaard nooit een e-mailadres te hebben gebruikt12,

is de rechtbank van oordeel dat het e-mailadres [e-mailadres] door verdachte is gebruikt.

De opmerking van verdachte dat een derde de betreffende e-mails zou hebben verstuurd, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. Zou een derde de hier bedoelde e-mails hebben verstuurd, dan zou deze op elk van de voormelde contactmomenten op de hoogte moeten zijn geweest van het handelen van verdachte. Dit is reeds, gelet op de hoeveelheid contactmomenten in verschillende plaatsen en gelet op de korte tijdspanne tussen contactmoment en de e-mails, onwaarschijnlijk. Ook de door de verdediging aangewezen onvolkomenheden zijn niet dusdanig dat daaruit moet volgen dat een ander dan verdachte dit e-mailadres zou hebben gebruikt.

Ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit. De verdediging heeft gesteld dat niet bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de betreffende cheque. Verdachte heeft ontkend de cheque te hebben verzonden en heeft ontkend dat zijn handschrift en handtekening op de cheque staan. Mogelijk heeft een derde de cheque verstuurd. Tot slot blijkt niet dat bij aangever de indruk is gewekt dat door de cheque een rekening zou worden betaald.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de heer [verdachte 5] op 10 juli 2009 bij zijn winkel in Veenendaal kwam en vroeg of aangever zijn schepen in wilde richten met bedtextiel en aanverwante artikelen. Deze artikelen moesten worden voorzien van het bedrijfslogo van de heer [verdachte 5] . Aangever heeft duidelijk gemaakt dat een aanbetaling van 50% noodzakelijk was. Deze aanbetaling bleef echter uit, ook na diverse telefoontjes. Op een gegeven moment stuurde de heer [verdachte 5] aangever een (valse) cheque van een Franse bank. Aangever kan niets met de door de heer [verdachte 5] bestelde, en (kennelijk) door aangever aangeschafte goederen, omdat deze volgens afspraak met verdachte zijn voorzien van een bedrijfslogo.13

Bij de aangifte van [slachtoffer 1] is een faxbericht gevoegd. Dit faxbericht bevat een cheque kennelijk afkomstig van de [naam 5] , een bank in Frankrijk, gedateerd 26 juli 2009 , welke cheque recht geeft op betaling van een bedrag groot € 18.950,- aan [slachtoffer 1] , ten laste van de rekening van [verdachte 6] [verdachte 5] , rekeninghouder. Het faxbericht vermeld als afzender: [naam 6] en als “nᵒ de cheque” 0000010.14

Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek is door de [naam 5] gemeld dat verdachte bij die bank een rekening heeft gehad vanaf 9 november 2007, welke rekening op
23 mei 2008 is opgeheven. Cheque nummer 10 kwam overeen met de reeks van cheques welke verdachte heeft ontvangen, maar deze cheque is a priori nooit gedebiteerd van de rekening.15

Verdachte heeft verklaard dat hij bij aangever is geweest, dat hij heeft gesproken over het linnen voor zijn charterboot en dat gesproken is over het aanbrengen van een bedrijfslogo op het linnen.16 Voorts heeft verdachte verklaard dat hij de cheques heeft van een Franse bank en dat de (getoonde) cheque van hem is.17

De rechtbank is van oordeel dat het verdachte is geweest die voornoemd faxbericht met cheque aan aangever heeft doen toekomen. Het is een cheque gelijk aan een reeks cheques zoals verdachte die in zijn bezit heeft gehad. De fax is gestuurd aan aangever nadat deze bij verdachte navraag heeft gedaan omtrent de aanbetaling. Enige concrete aanwijzing dat een ander dan verdachte, zoals hij suggereert, de cheque heeft verstuurd ontbreekt en de rechtbank acht dit ook overigens ongeloofwaardig. Dat een ander ook bij die cheque zou kunnen komen, doet aan het vorenstaande niet af. Dit reeds nu niet aannemelijk is geworden dat die ander van het bestellen van goederen voorzien van het logo van het bedrijf van verdachte op de hoogte zou zijn geweest. Overigens heeft verdachte zich op het standpunt gesteld dat zijn administratie zich in San Remo bevindt. Niet goed in valt te zien dat een cheque van een inmiddels opgeheven bankrekening van verdachte in Frankrijk dan via die ander terecht kan komen bij een Nederlandse ondernemer waar verdachte net op bezoek is geweest voor linnengoed.

Nu de bij de cheque behorende bankrekening reeds geruime tijd voor het versturen van voornoemd faxbericht was opgeheven, had de cheque ten tijde van het invullen en verzenden daarvan reeds zijn geldigheid verloren. Het invullen van een ongeldige cheque is dan ook te kwalificeren als het valselijk opmaken van die cheque.

De verstuurde, valselijk opgemaakte cheque had kennelijk tot doel te dienen tot bewijs dat een bedrag was aanbetaald (dan wel dat opdracht voor die betaling was gegeven), waarna aangever goederen zou leveren aan verdachte. In werkelijkheid is het nooit van (opdracht tot) betaling gekomen.

Derhalve komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder feit 1 tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van aangever [slachtoffer 4] .

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit. Verdachte heeft ontkend het oogmerk te hebben gehad zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Hij heeft voor aangeefster [slachtoffer 4] werkzaamheden aan haar chalet verricht en heeft daardoor een vordering op haar. De door aangeefster verstrekte gelden heeft verdachte in mindering gebracht op die vordering. Verdachte heeft zich niet bediend van een of meer van de oplichtingsmiddelen en hij ontkent de uitlatingen waarvan [slachtoffer 4] verklaart dat hij die heeft gedaan. Hij heeft haar ook nooit onjuiste informatie verstrekt. De verklaringen van aangeefster zijn voor verdachte ongeloofwaardig. Tot slot heeft de verdediging gesteld dat de tenlastegelegde periode te ruim is.

Beoordeling door de rechtbank

Verklaringen van aangeefster

Aangeefster [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum 3] en wonende in Berg en Dal, heeft verklaard dat zij in 2010 kennis heeft gemaakt met [verdachte 3] , de vader van verdachte. In januari 2011 ontmoette aangeefster verdachte in een kantoorpand in Lent. Het pand was zeer luxe, modern en smaakvol ingericht. Daar heeft verdachte aangeefster verteld over al zijn bezittingen, waarbij hij foto’s toonde van jachten en van panden in Frankrijk en Sri Lanka. In deze ontmoeting bevestigde verdachte de, eerder door zijn vader gestelde, verkoop van zijn huis in Frankrijk en de redenen waarom.18

Half februari kwam de vader van verdachte bij aangeefster en zei dat verdachte door acht mannen in elkaar was geslagen. Toen aangeefster verdachte vervolgens trof, zag zij verwondingen aan zijn gezicht en ze zag dat hij aangeslagen was. Verdachte vertelde dat alles in beslag was genomen door de mannen (rechtbank: daarmee de verklaringen van zijn vader bevestigend). Hij bedoelde dat hij zijn kantoor niet meer in mocht en dat hij niet meer bij zijn bezittingen kon. Zo kon hij ook niet meer bij zijn bankpassen. Verdachte zat er als een geslagen hond bij, hij had geen paspoort meer, geen mobiele telefoon, geen rijbewijs, geen kleding, geen computers enzovoorts. Verdachte vertelde dat de verkoop van zijn huis in Frankrijk geld had opgebracht en dat de helft van het geld was gestort op een Nederlandse rekening door een Franse notaris, genaamd [naam 7] , [naam 8] ( [nummer 5] ). Hier kon hij niet bij in verband met een beslaglegging door de belastingdienst. De andere helft van het geld stond geparkeerd bij de Franse notaris, maar daar kon hij niet bij. Verdachte vertelde dat hij geen aangifte kon doen, omdat hij nog een vordering van € 5.000,- bij de politie had openstaan en dat hij vastgezet zou worden. Hij zei dat zijn advocaat, [naam 9] van [naam 10] , [adres 7] , had gezegd dat hij moest voorkomen aangehouden te worden.19

Omdat verdachte niets om handen had, heeft hij klusjes uitgevoerd in het chalet van aangeefster. Op enig moment is de auto van verdachte gerepareerd. Verdachte gaf hierbij aan dat hij nog steeds niet bij zijn geld kon en zo ook de rekening voor deze reparatie niet kon voldoen. Op initiatief van verdachte heeft aangeefster de rekening van ongeveer € 400,- voor verdachte voorgeschoten.20

Na een tijdje had verdachte interesse in een huurpand waarin gewoond kon worden en waarin boten gerepareerd konden worden. Dit pand werd verhuurd door [slachtoffer 27] uit Friesland. Verdachte liet aangeefster de woning zien. Op de vraag van aangeefster hoe verdachte dit wilde betalen, vertelde hij dat hij een geldbuffer had in Engeland van een bedrijf waar hij werkte en dat hij nog steeds geld had staan van de verkoop van zijn huis in Frankrijk, waar hij alleen niet over kon beschikken. Verdachte deed zich voor als een vermogend man met kennis van zaken.21

Verdachte en zijn vader hebben aangeefster meegenomen naar het betreffende huurpand in Friesland. De volgende dag zijn verdachte en zijn vader teruggegaan naar Friesland. Hierna moest er nog een gesprek plaatsvinden voordat het bedrijf [naam 11] van start kon gaan. Vervolgens belde verdachte in paniek op en vroeg aangeefster of zij aan € 5.000,- kon komen, omdat hij opgepakt was door de politie en 80 dagen zou moeten zitten. Hij beloofde daarbij dat hij het geld zou terugbetalen. Het geld moest er uiterlijk dinsdag zijn, anders zou hij niet vrij komen. De volgende morgen heeft aangeefster, samen met de vader van verdachte, bij de politie in Leeuwarden € 4.283,- betaald, waarna verdachte vrij kwam.

De dag na de vrijlating zei verdachte tegen aangeefster dat hij € 1.487,50 nodig had om een advocaat te kunnen inschakelen. Aangeefster heeft verdachte € 700,- en de rest van de € 5.000,- gegeven. Verdachte gaf haar een bewijs van storting.22

Bij navraag over het terugbetalen van het geld van aangeefster, zei verdachte steeds dat hij niet bij zijn geld kon komen, maar dat hij haar zou betalen als het geld vrij kwam.

Verdachte vertelde aangeefster dat op 13 juli 2011 een klerk van de Franse notaris naar Schiphol zou vliegen met € 20.000,-. Na die tijd vertelde verdachte dat hij de klerk had ontvangen, dat deze geen contant geld bij zich had, maar dat een bedrag van € 5.921,39 op de rekening van aangeefster was gestort en dat het twee dagen zou duren voordat het erop stond. Dit geld was na die tijd echter niet gestort.23

Steunbewijs

Mede gelet op het door de verdediging gevoerde verweer, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster kan worden uitgegaan.

De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De verklaringen zijn gedetailleerd en consistent en worden op onderdelen bevestigd door bewijsmiddelen uit andere bron. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Schriftelijke bescheiden

Allereerst heeft aangeefster diverse schriftelijke bescheiden overgelegd ter onderbouwing van haar verklaringen. Zo heeft zij overgelegd: een handgeschreven briefje met gegevens van een notaris [naam 12]24, een handgeschreven bevestiging van een lening met vermelding van [naam 13] advocaat [naam 14]25, een kwitantie van [naam 10] betreffende een bedrag van € 1.487,5026, een bewijs van boetebetaling27, en een visitekaartje van verdachte als directeur van [naam 11]28.

De rechtbank overweegt dat delen van deze informatie in die stukken bevestigd worden in andere bewijsmiddelen. Zo is na onderzoek door de politie gebleken dat op het advocatenkantoor [naam 10] een [naam 15] werkzaam is geweest.29 Verdachte staat als volledig gevolmachtigde geregistreerd voor het bedrijf [naam 11] .30

Op het document waarin staat dat verdachte een geldbedrag heeft geleend van € 1500,- en dat is ondertekend door aangeefster staat onder de naam van verdachte een handtekening die sterk lijkt op de handtekening van verdachte.31

Getuige [getuige 2]

Getuige [getuige 2] heeft bevestigd dat verdachte contact met hem heeft gehad met betrekking tot de verhuur van een pand aan [adres 8] ) waarin verdachte zijn bedrijf [naam 11] zich zou vestigen. Getuige weet dat verdachte gearresteerd is geweest. Een paar dagen na deze arrestatie heeft verdachte gebeld om te zeggen dat hij de loods toch wilde huren. Getuige heeft verdachte en zijn vader meerdere malen ontmoet aan het [adres 9] . Een keer heeft getuige hem ook gezien in het gezelschap van een wat oudere vrouw.32

Verklaringen van verdachte

Verdachte heeft bevestigd dat aangeefster een bedrag van € 4.400,- heeft voldaan, nadat hij was gearresteerd en dat aangeefster geld heeft verstrekt zodat hij een nota van zijn advocaat kon voldoen.33

Overeenkomsten andere zaken

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte zich voordeed als vermogend man, die niet bij zijn geld kon omdat dit vaststond in het buitenland. Opmerkelijk is dat verdachte volgens aangevers in andere zaken ook deze redenen voor het uitblijven van betalingen, in meer of meerdere mate, aan hen heeft verteld. Zo heeft hij:

- volgens aangeefster [slachtoffer 28] verklaard dat hij een woning in Frankrijk heeft, veel geld zou hebben en dat zijn geld vast zou staan in Frankrijk34;

- aan aangever [slachtoffer 25] gemaild over blokkades en claims bij de buitenlandse bank35, en

- volgens aangeefster [slachtoffer 19] verklaard dat het geld op zijn bank vast zou staan.36

Dit ondersteunt naar het oordeel van de rechtbank de verklaringen van aangeefster.

Conclusie ten aanzien van de verklaringen van aangeefster

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank de verklaringen van aangeefster in voldoende mate betrouwbaar en geloofwaardig en zal zij van de juistheid daarvan uitgaan. In hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, ziet de rechtbank onvoldoende redenen voor een andersluidend oordeel.

Leugenachtige mededelingen

Naar de juistheid van de volgens aangeefster door verdachte aan haar vertelde omstandigheden en gebeurtenissen is onderzoek gedaan. Uit dat onderzoek is gebleken van de volgende onjuistheden:

- er is geen bedrag van € 5.921,39 overgemaakt op de rekening van aangeefster;37

- uit contact met de enige jachtwerf in Oss bleek dat zij geen zeiljachten bouwden;38

- uit een rechtshulpverzoek aan Frankrijk bleek dat er geen notaris [naam 17] bekend is, dat het opgegeven adres niet bestaat, dat het telefoonnummer niet juist is en dat indien de laatste twee nummers van dat opgegeven telefoonnummer worden omgedraaid, het een juist telefoonnummer van een notariskantoor betrof waar echter niet een notaris [naam 12] werkt;39

- bij navraag bij de kamer van koophandel bleek dat er geen onderneming op naam van verdachte stond geregistreerd op het adres [adres 10] .40

Verdachte heeft ontkend dat de volgens aangeefster aan haar door verdachte vertelde verhalen op waarheid berustten.41 De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de aan aangeefster voorgehouden verkoop van een huis in Frankrijk en de aanwezigheid van geld in het buitenland, niet op waarheid berusten.

Oplichting

Voor het antwoord op de vraag of uit door een verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, tot het verlenen van een dienst, tot het ter beschikking stellen van gegevens, tot het aangaan van een schuld of tot het teniet doen van een inschuld als bedoeld in art. 326 Sr, komt het aan op alle omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoren de vertrouwenwekkende aard, het aantal en de indringendheid van de (geheel of gedeeltelijk) onware mededelingen in hun onderlinge samenhang, de mate waarin de in het algemeen in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid degene tot wie de mededelingen zijn gericht aanleiding had moeten geven de onwaarheid te onderkennen of zich daardoor niet te laten bedriegen en de persoonlijkheid van het slachtoffer.

Verdachte heeft zich bij aangeefster gepresenteerd als vermogend man, namelijk als een man met vermogen in het buitenland en een succesvolle zaak in Lent. Daarmee heeft verdachte zich bediend van een valse hoedanigheid als was hij een betrouwbare partner met voldoende geld en vermogen om de door aangeefster voorgeschoten bedragen terug te betalen. Voorts heeft verdachte aangeefster gedurende langere tijd op diverse gebieden onwaarheden verteld. Deze onwaarheden heeft verdachte kracht bij gezet door aangeefster gedetailleerde informatie te verschaffen. Door de verhalen van verdachte kreeg aangeefster medelijden met hem. Verder heeft verdachte aangeefster het idee gegeven dat ze nauw bij zijn plannen (voor het opnieuw opbouwen van zijn leven) betrokken werd. Zij is daardoor meermaals bewogen tot de afgifte/betaling van flinke geldbedragen aan en ten behoeve van verdachte.

Aan het verweer van verdachte dat aangeefster de bedragen heeft afgegeven/betaald ter compensatie van de door hem aan het chalet van aangeefster verrichte werkzaamheden, althans dat een vordering van aangeefster verrekend zou worden met een grotere vordering van verdachte op aangeefster, gaat de rechtbank, als zijnde ongeloofwaardig, voorbij. Zoals reeds is overwogen ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van aangeefster, onder meer inhoudende dat die werkzaamheden om niet werden verricht. Ook overigens vindt de bewering van verdachte weerlegging in het feit dat na aanvang van die werkzaamheden de schuldbekentenis ten aanzien van het bedrag van € 1.487,50 is opgesteld, terwijl daarin van enige tegenvordering geen gewag wordt gemaakt.

Gelet op het voorgaande en op de leeftijd van aangeefster (71 jaar) kan het aangeefster niet worden tegengeworpen dat zij de haar vertelde onwaarheden had moeten onderkennen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte aangeefster heeft bewogen tot het afgeven van geld, door het aannemen van een valse hoedanigheid, een samenweefsel van verdichtsels en een listige kunstgreep en komt tot een bewezenverklaring van het primair onder feit 2 tenlastegelegde feit.

Ten aanzien van feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit. Niet bewezen kan worden dat verdachte opzettelijk gebruik heeft gemaakt van de werkgeversverklaring en het overschrijvingsbewijs. Uit het dossier blijkt niet dat de bedoelde stukken vals dan wel vervalst zijn. Tot slot is aangevoerd dat de tenlastegelegde periode te lang is.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 29] , werkzaam bij de vereniging [slachtoffer 30] , heeft verklaard op
1 april 2011 een woning te hebben verhuurd aan verdachte. Op die datum overlegde verdachte een betalingsbewijs van de borgsom en een werkgeversverklaring van een Engels bedrijf, genaamd [naam 18] , inclusief een loonstrook.42

In de betreffende werkgeversverklaring (gedateerd 15 maart 2011) en loonstrook staat (in het Engels) vermeld dat verdachte sinds 2001 bij [naam 18] in [plaats] (Engeland) werkt.43

De rechtbank overweegt dat uit het dossier niet volgt dat het overschrijvingsbewijs vals dan wel vervalst is. Naar aanleiding van het rechtshulpverzoek is vanwege de [naam 2] in Frankrijk meegedeeld dat de betreffende bankrekening een rekening bij de [naam 2] in Londen betreft en dat alleen het Engelse filiaal antwoord kan geven op het rechtshulpverzoek. Nu niet is gebleken dat bij de Engelse autoriteiten navraag over deze bankrekening is gedaan, kan niet met voldoende mate van zekerheid worden gesteld dat het betalingsbewijs vals dan wel vervalst is. Het enkele door de officier van justitie genoemde gegeven dat het bedrag nooit is bijgeschreven op de bankrekening van [slachtoffer 30] volstaat in dit verband niet, nu dit ook andere redenen kan hebben.

Naar aanleiding van een rechtshulpverzoek aan Engeland is gerapporteerd (door de rechtbank vertaald:) dat onderzoek is gedaan bij de Registrar of Companies. Geconstateerd is dat er geen spoor bestaat van een bedrijf dat op dat moment geregistreerd stond onder de naam [naam 18] , dan wel van enig bedrijf dat voorheen onder die naam geregistreerd stond. Evenmin is enig spoor gevonden van een bedrijf geregistreerd onder de naam [naam 18] dat sinds 1995 zou zijn ontbonden.44

Uit voorgaande informatie blijkt genoegzaam dat het bedrijf [naam 18] op 15 maart 2011 niet bestond, zodat de werkgeversverklaring als valselijk opgemaakt is te kwalificeren.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte van de werkgeversverklaring gebruik gemaakt. Verdachte heeft verklaard dat hij de betreffende woning heeft gehuurd.45 Ten behoeve van deze verhuur zijn schriftelijk persoonlijke gegevens verschaft en is een schriftelijk stuk, gedateerd op 15 maart 2011, opgesteld.46 Verdachte heeft verklaard dat zijn handtekening op dit stuk en op een brief getiteld ‘informatie huurvoorwaarden’ staat.47

De rechtbank stelt vast dat diverse gegevens op dit schriftelijk stuk overeenkomen met de gegevens op de overgelegde werkgeversverklaring of loonstrook. Zo komen de adresgegevens, naam van de werkgever, adresgegevens van de werkgever, de functie en het inkomen per maand overeen. Nu deze overeenkomsten zien op gedetailleerde onderdelen, kan genoegzaam ervan worden uitgegaan dat de verhuurder de gegevens uit deze ontvangen werkgeversverklaring en loonstrook heeft overgenomen in het stuk betreffende de persoonlijke gegevens. De documenten zijn verstrekt in het kader van de verhuur van een woning aan verdachte en hebben ook daadwerkelijk tot verhuur van die woning geleid. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte gebruik heeft gemaakt van deze valse werkgeversverklaring. Deze werkgeversverklaring strekte tot bewijs dat verdachte een betaalde baan had en daarmee voldoende inkomsten voor de verhuur ontving.

Derhalve komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van feit 3.

Ten aanzien feit 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit. Er is geen sprake van een bankafschrift, maar van een zakelijk overzicht. Verdachte heeft geen gebruik gemaakt van dit overzicht. De in het dossier opgenomen e-mailberichten zijn niet door verdachte gestuurd. Tot slot is betwist dat door het overzicht bij [slachtoffer 8] of [slachtoffer 24] de indruk is gewekt dat de huur en/of borg zou zijn betaald, aangezien mevrouw [slachtoffer 24] heeft verklaard alles wat verdachte aanleverde te betwijfelen.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 24] heeft verklaard dat zij de woning aan de [adres 6] aan een man, die zich [verdachte 3] junior noemde, heeft verhuurd samen met zijn vader, die zich voorstelde als [verdachte 3] senior. Hiervoor had ze via marktplaats en via het e-mailadres [e-mailadres] contact met hem. Nadat betaling uitbleef, hebben aangeefster en haar partner diverse keren telefonisch en via e-mail op betaling aangedrongen. Daarbij is op enig moment kenbaar gemaakt dat een incassobureau zou worden ingeschakeld en een juridische procedure zou worden gestart. Op 27 februari 2013 is aangeefster met haar partner naar de man toegegaan en hebben toen hun beklag gedaan over het uitblijven van betalingen. Op
1 maart 2013 stuurde [verdachte 3] junior een e-mail waarin stond dat hij naar de ING was geweest en dat betalingen, betreffende € 7.500,- en € 1700,- van zijn rekening waren afgeschreven en waren overgeschreven naar aangeefster. De man stuurde een e-mail met daarbij een bijlage. Die bijlage betrof een overzicht van ING telebankieren, waarop is te zien dat de genoemde bedragen inderdaad zijn overgemaakt. Nadat aangeefster navraag deed bij de ING bleek haar dat de bijlage niet klopte en is haar meegedeeld dat het ING overzicht nep zou zijn.48

Op het door aangeefster bedoelde overzicht staat aangegeven dat van de bankrekening met nummer: [nummer 1] naar de bankrekening met nummer: [nummer 2] ten name van [naam 19] op 1 maart 2013 € 1.700,- en € 7.500,- is overgeboekt.49

Verdachte heeft verklaard dat hij de woning aan de [adres 6] heeft gehuurd, nadat hij had gereageerd op een advertentie op internet. Hij heeft daar (onder anderen) met zijn vader gewoond.50 Vast staat dan ook dat de man die zich [verdachte 3] (junior) noemde, verdachte betrof.

Uit opgevraagde gegevens bij de ING-bank is gebleken dat er op de bankrekening met nummer [nummer 6] van 1 maart 2013 tot 6 maart 2013 geen transacties waren. De op het aan aangeefster verstrekte overzicht staande transacties hebben niet plaatsgevonden.51

Nu bedoelde transacties niet hebben plaatsgevonden, maar het overzicht voor het overige zeer wel mogelijk echt zou kunnen zijn, kwalificeert de rechtbank het overzicht als vervalst.

De verdediging heeft gesteld dat het bedoelde document geen bankafschrift betreft. De rechtbank volgt de verdediging hierin niet. Weliswaar is geen sprake van een bankafschrift zoals banken deze doorgaans schriftelijk (per [slachtoffer 20] ) verstrekken, echter het onderhavige overzicht kan, naar het oordeel van de rechtbank, ook worden aangemerkt als een bankafschrift. Met het begrip bankafschrift wordt immers bedoeld: een gedetailleerd overzicht van bij- en/of afschrijvingen van een bepaalde bankrekening. In het onderhavige overzicht staan twee afschrijvingen genoemd met de daarbij horende details, zoals datum, bedrag, versturend en ontvangend rekeningnummer en opgegeven betalingskenmerk. Het betoog van de verdediging wordt dan ook niet gevolgd.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van dit vervalste bankafschrift. Aangeefster heeft verklaard dat het afschrift per e-mail is toegezonden en dat gebruik is gemaakt van het e-mailadres [e-mailadres] . Onder het kopje ‘Overweging vooraf: gebruikte e-mailadres’ heeft de rechtbank al overwogen dat dit e-mailadres door verdachte is gebruikt. Daarbij komt dat dit een bankrekening van een bedrijf van verdachte betreft.52 Dit bankafschrift moest kennelijk tot bewijs dienen dat de genoemde bedragen daadwerkelijk aan aangeefster waren betaald.

Tevens acht de rechtbank bewezen dat bij [slachtoffer 24] de indruk is gewekt dat de huur en borg zouden zijn betaald. Aangeefster [slachtoffer 24] heeft immers verklaard dat ‘in de bijlage is te zien dat hij genoemde bedragen inderdaad naar ons heeft overgemaakt.’53 Het bankafschrift heeft bovendien een dusdanige indruk gemaakt op aangeefster dat zij eerst navraag moest doen bij de ING bank om de echtheid te kunnen beoordelen. Volledige overtuiging van echtheid van het document bij aangeefster is niet ten laste gelegd en is niet vereist om tot een bewezenverklaring te komen van valsheid in geschrift.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van feit 4.

Ten aanzien van feit 5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Verdachte heeft aangever zeer lang aan het lijntje gehouden met verhalen die onjuist blijken te zijn, zoals dat geld is overgemaakt. Hierdoor heeft verdachte zich bediend van listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van een vals bankafschrift.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit voor het primair en het subsidiair tenlastegelegde.

Ten aanzien van het subsidiaire feit is aangevoerd dat er geen sprake is van een bankafschrift. Verdachte heeft het overzicht voorts nooit verstuurd. Uit de bewijsmiddelen kan niet blijken hoe aangever het overzicht heeft verkregen. Tot slot is aangevoerd dat de tenlastegelegde periode te ruim is.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat aangever door een oplichtingsmiddel is bewogen tot het aangaan van de huurovereenkomst. In het dossier bevinden zich geen bewijsmiddelen waaruit blijkt dat verdachte een valse hoedanigheid heeft aangenomen, noch dat hij zich bij het aangaan van de huurovereenkomst heeft bediend van een ander oplichtingsmiddel. Er is tussen aangever en verdachte een huurovereenkomst tot stand gekomen, waaruit volgt dat verdachte huurgelden moest betalen. Verdachte heeft na aandringen door aangever een deel van de huurpenningen betaald. In het dossier wordt melding gemaakt van het achterwege blijven van (tijdige) betaling door verdachte. Het enkele huren van een woning en het vervolgens in gebreke blijven bij het betalen van de huurpenningen, levert op zichzelf -ook indien de huurder al voorzag niet aan zijn betalingsverplichtingen te kunnen of zullen voordoen- niet op het aannemen van een valse hoedanigheid. Dat verdachte omtrent zijn betalings(on)mogelijkheden, nadat de huurovereenkomst reeds tot stand is gekomen, mogelijk onjuiste uitlatingen heeft gedaan, maakt dit niet anders. Derhalve zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het primair onder feit 5 tenlastegelegde.

Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

Aangever [slachtoffer 25] heeft verklaard dat hij aan een man, die zichzelf [verdachte 3] noemde, een woning aan de [adres 11] te Muiden heeft verhuurd. De vader van de man, [naam 4] , geboren op [geboortedatum 2] , heeft het huurcontract getekend. [verdachte 7] en [naam 20] zijn beiden in de woning gaan wonen. Er was sprake van huurachterstand. Er is constant contact geweest met de man die zich [verdachte 7] noemde via sms, e-mail en persoonlijk. Ook heeft aangever [slachtoffer 25] een online afschrift gekregen van [verdachte 7] , waarbij hij vertelde dat hij vijf keer huur zou hebben betaald. Dit bedrag is echter nooit op de rekening van aangever overgemaakt.54

Verdachte heeft verklaard dat hij de betreffende woning heeft gehuurd en dat hij daar samen met zijn vader heeft gewoond.55 Vast staat dan ook dat de man die zich [verdachte 3] noemde, verdachte betrof.

Bij zijn aangifte heeft aangever een kopie van het bankafschrift56 en diverse e-mailberichten57, betreffende de verhuur van de woning en de betaling van de huurpenningen, gevoegd. Op de overgrote meerderheid van die e-mailberichten wordt als e-mailadres behorend bij de man die zich [verdachte 7] noemt [e-mailadres] genoemd.

Met betrekking tot het verweer dat geen sprake is van een bankafschrift, verwijst de rechtbank naar hetgeen onder feit 4 hieromtrent is overwogen. Het verweer wordt dan ook niet gevolgd.

In het bankafschrift staat vermeld dat op 29 augustus 2013 van de rekening met nummer: [nummer 3] naar de rekening met nummer: [nummer 7] een bedrag van € 5.875,- is overgemaakt.58 Laatstgenoemd rekeningnummer behoort toe aan aangever [slachtoffer 25] , zoals staat opgemerkt in de huurovereenkomst.59

Uit opgevraagde gegevens bij de ING-bank is gebleken dat er op de bankrekening met nummer [nummer 3] in de periode van 1 augustus 2013 tot 30 september 2013 geen transactie, waarbij € 5.875,- is overgemaakt, heeft plaatsgevonden.60 Nu bedoelde transactie niet heeft plaatsgevonden, maar het overzicht voor het overige zeer wel mogelijk echt zou kunnen zijn, kwalificeert de rechtbank het overzicht als vervalst.

De rechtbank gaat ervan uit dat dit bankafschrift per e-mail aan aangever [slachtoffer 25] is toegezonden. Aangever heeft verklaard dat hij dit afschrift via de e-mail heeft ontvangen61, er vond (zoals vermeld) veelvuldig e-mailcontact plaats en er is via de e-mail over deze bedragen gesproken62. De rechtbank heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de verklaring van aangever [slachtoffer 25] dat het bankafschrift hem per e-mail is toegezonden.

Aangever had telkens contact met zijn verhuurder via het e-mailadres [e-mailadres] . Zoals de rechtbank onder het kopje ‘Overweging vooraf: gebruikte e-mailadres’ heeft opgenomen, maakte verdachte gebruik van dit e-mailadres. Gelet op het voorgaande en nu het opsturen van dit bankafschrift past bij de e-mails gestuurd op 27 augustus 2013 en
17 september 2013, acht de rechtbank bewezen dat verdachte gebruik heeft gemaakt van dit vervalste bankafschrift. Dit bankafschrift moest, zo begrijpt de rechtbank, tot bewijs dienen dat de genoemde bedragen aan huurpenningen daadwerkelijk waren betaald. Derhalve zal de rechtbank het subsidiair onder feit 5 tenlastegelegde bewezen verklaren.

Ten aanzien van feit 6

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting. Verdachte heeft aangever een onjuist postbusnummer verstrekt en heeft, in strijd met de waarheid, de indruk gewekt dat hij een betrouwbare koper is.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit van het primair en het subsidiair tenlastegelegde. Met betrekking tot het subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging aangevoerd dat de wederrechtelijke toe-eigening niet bewezen kan worden aangezien de goederen bij de koop in civielrechtelijke zin in eigendom zijn overgegaan op verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet bewezen worden dat aangever door een oplichtingsmiddel is bewogen tot de afgifte van de vlotter en de pomp. De enkele en eenmalige omstandigheid dat men zich bij een gewone koop voordoet als iemand die zal betalen, is op zich onvoldoende voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.

Na totstandkoming van de koopovereenkomst zijn de vlotter en de pomp geleverd door aangever aan verdachte en is de eigendom daarvan overgegaan op verdachte. Het niet voldoen aan de betalingsverplichting door verdachte heeft niet tot gevolg dat verdachte zich vervolgens de vlotter en de pomp wederrechtelijk heeft toegeëigend. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat hierdoor geen sprake kan zijn van het zich wederrechtelijk toe-eigenen in de zin van artikel 321 van het wetboek van Strafrecht.

Derhalve zal de rechtbank verdachte van het primair en subsidiair tenlastegelegde vrijspreken.

Ten aanzien van feit 7

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak gepleit. Verdachte heeft niet het oogmerk gehad om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen. Hij heeft de kosten van het verblijf met zijn creditcard betaald. De verklaringen van de vader van verdachte kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt, aangezien de vader niet “compos mentis” is als gevolg van hersenbeschadiging. Verdachte heeft ontkend de in de tenlastelegging genoemde mededelingen te hebben gedaan. Terzake het verstrekken van consumpties is opgemerkt dat aangeefster de enige is die stelt dat daarvoor niet is betaald. Dat is onvoldoende om tot bewezenverklaring te komen.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 19] heeft verklaard dat op 3 februari 2014 een oudere en een jongere man bij haar hotel in Kampen kwamen. Een collega, [naam 21] , heeft de mannen te woord gestaan. Normaal gesproken moeten de mensen bij het inchecken gelijk de logies betalen. Eventuele drankjes moeten bij het uitchecken betaald worden. De mannen vertelden aan [naam 22] dat ze geld moesten overmaken van hun spaarrekening bij de ene bank naar een lopende rekening bij een andere bank. Dit geld zou vast staan en daardoor zou het ongeveer drie dagen duren voor ze het geld op hun rekening hadden. Hierdoor is de afspraak gemaakt dat ze gelijk zouden betalen als ze het geld binnen hadden. De mannen hebben vervolgens gebruik gemaakt van een kamer van het hotel. Verder hebben de mannen ontbijt en enkele drankjes genuttigd. De mannen vertelden aan aangeefster dat ze op een boot woonden, dat deze boot stuk was en in Urk ter reparatie lag. Op woensdag 5 februari 2014 heeft de collega [naam 23] de mannen gevraagd of ze wilden betalen. Op een briefje heeft de collega geschreven dat het geld nog niet op de rekening gestaan had. Na navraag door collega [naam 22] zeiden de twee mannen wederom dat het geld niet op de rekening stond. De mannen hebben vervolgens nog twee nachten erbij geboekt. Op vrijdagmorgen heeft aangeefster de mannen aangesproken dat ze moesten betalen. De jonge man vertelde dat hij even naar de boot moest, maar die middag zou betalen. De oudere man zou in het hotel blijven. Tegen 14.15 uur heeft de oudere man de sleutel van de kamer afgegeven omdat hij zei een wandeling te gaan maken. Aangeefster heeft de jongere en de oudere man niet terug gezien.63

Getuige [slachtoffer 20] heeft verklaard dat, naar achteraf bleek, vader en zoon [verdachte 5] zich hebben gemeld bij [slachtoffer 18] voor een kamer. Tijdens het telefonisch contact, voorafgaand aan de reservering, zei de zoon dat ze pech hadden met hun boot en dat deze van Zwolle naar Urk moest om daar gerepareerd te worden. Een volgende dag sprak getuige met de heren. Wat getuige daarbij opviel, was dat beide heren [verdachte 5] ontzettend vriendelijk waren. Het waren keurig nette mensen, goed en netjes gekleed. Op donderdag 6 februari 2014 heeft getuige de mannen aangesproken en gezegd dat er nog betaald moest worden. De zoon zei dat het geld was overgemaakt naar een lopende rekening. Hij zei dat hij elke keer keek of het geld inmiddels al was overgemaakt en dat hij het ontzettend vervelend vond dat het geld er nog steeds niet was. Doordat ze dit zo zeker zeiden, kreeg getuige het idee dat elk moment het geld er zou kunnen zijn en dat ze dan netjes zouden betalen.64

Verdachte heeft verklaard dat hij met zijn vader vier of vijf nachten in dat hotel heeft gezeten en dat hij heeft verteld dat zij op een boot woonden en dat er problemen waren.65

Gelet op de bevestiging van de verklaring van aangeefster door getuige [slachtoffer 20] en deels door verdachte ziet de rechtbank geen reden te twijfelen aan de verklaringen van aangeefster. Daarbij betrekt de rechtbank dat indien wel betaald zou zijn, zoals verdachte stelt, niet valt in te zien waarom aangeefster, ondersteund door een getuige, aangifte zou doen. Het standpunt van verdachte dat hij betaald zou hebben met een creditcard is op geen enkele wijze nader onderbouwd en onvoldoende is gebleken dat het voor de verdediging onmogelijk zou zijn verdere bewijsstukken te verkrijgen. Tot slot betrekt de rechtbank hierbij, de vaststelling zoals eerder genoemd onder het kopje ‘Overeenkomsten andere zaken’ bij feit 2, dat verdachte volgens aangevers in andere zaken ook deze redenen voor het uitblijven van betalingen, in meer of mindere mate, aan hen heeft verteld.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte door zijn mededelingen over het overboeken van geld van spaar- naar lopende rekening, welk geld nog vast zou staan, een valse hoedanigheid aangenomen door zich voor te doen als een hotelgast die de rekening zou kunnen en willen betalen. Door de verhalen van verdachte zijn de medewerkers van [slachtoffer 18] bewogen om, in strijd met de policy van dit hotel, zonder betaling vooraf de sleutel van een hotelkamer te verstrekken. Door voormelde valse hoedanigheid heeft verdachte de medewerkers ook bewogen tot het verstrekken van consumpties. Immers, bij het vooraf betalen van logies kan een hoteleigenaar enigszins controleren of de betreffende klant voldoende in staat en bereid is te betalen, zodat hij erop kan vertrouwen dat later genoten consumpties eveneens zullen worden voldaan. Door de medewerkers te bewegen de betaling vooraf achterwege te laten, strekt het oplichtingsmiddel zich ook uit over de genoten consumpties.

De rechtbank zal het onder feit 7 primair tenlastegelegde dan ook bewezen verklaren.

Ten aanzien van feit 8

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde. Wel kan wettig en overtuigend bewezen worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan verduistering, het subsidiair tenlastegelegde. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat aangeefster € 5.500,- aan verdachte heeft geleend dan wel als investering in een gezamenlijk project gestoken. Dit bedrag heeft zij nooit terug ontvangen. Door dat geld onder zich te houden, maakt verdachte zich schuldig aan verduistering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor vrijspraak van het primair en het subsidiair tenlastegelegde gepleit.

Beoordeling door de rechtbank

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde niet bewezen kan worden en zal verdachte hiervan vrijspreken.

De rechtbank komt evenmin tot een bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde.

Aangeefster heeft verklaard dat zij met verdachte een bedrijf zou beginnen en dat zij in dat kader geld aan verdachte heeft gegeven. Verdachte heeft deze verklaringen bevestigd, maar heeft verklaard ook kosten te hebben gemaakt voor het beoogde bedrijf en ten behoeve van het aandeel van aangeefster in dat bedrijf, zodat hij een vordering op aangeefster had.

Uit de bewijsmiddelen in het dossier kan de rechtbank niet afleiden dat verdachte zich de gelden van aangeefster wederrechtelijk heeft toegeëigend. Het al dan niet terug ontvangen van investeringen in een nieuw op te richten bedrijf, nadat is gebleken dat het bedrijf niet van de grond is gekomen, zou onderdeel van geschil kunnen zijn in een civiele procedure. Het enkele niet terugbetalen van investeringen is onvoldoende voor strafrechtelijke aansprakelijkheid.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder de feiten 1, 2 primair, 3, 4, 5 subsidiair en 7 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 10 juli 2009 tot en met 3 september 2009 te Veenendaal opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een cheque van een Franse bank als ware het echt en onvervalst, door die cheque waarop een bedrag van 18.950 euro was ingevuld te betalen aan [slachtoffer 1] te versturen/faxen aan/naar die [slachtoffer 2] , waardoor bij die [slachtoffer 2] de indruk werd gewekt dat een rekening zou zijn of (kunnen) worden betaald;

2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van januari 2011 tot en met
16 juli 2011 te Berg en Dal, gemeente Groesbeek, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 3] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed en/of, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een hoeveelheid geld, door te vertellen dat

- hij, verdachte een huis in Frankrijk had verkocht maar dat hij nog niet bij zijn geld kon komen,

- hij een geldbuffer in Engeland had, maar dat dat geld vast stond,

- hij in elkaar was geslagen en dat daarbij zijn bankpassen waren weggenomen en dat hij daarom geen geld kon opnemen

- die [slachtoffer 4] al het geld dat ze hem, verdachte zou lenen terug zou krijgen;

3. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 15 maart 2011 tot en met 01 april 2011 te Enkhuizen en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal, telkens opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalste geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware dat echt en onvervalst, doordat hij

- een werkgeversverklaring van [naam 18] , waarin gegevens over het dienstverband en salaris van verdachte stonden vermeld, en/of

- een overschrijvingsbewijs van de [naam 2] waarin stond vermeld dat een bedrag van 4.612 euro was overgemaakt naar de rekening van vereniging [slachtoffer 30]

heeft verzonden/ingediend naar/bij vereniging Henrick De Keyser waardoor bij die vereniging de indruk werd gewekt dat verdachte de huur van een woning zou kunnen betalen;

4. hij op of omstreeks 01 maart 2013 te Lelystad opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een bankafschrift met daarop overboekingen van ING rekeningnr. [nummer 1] naar het ING rekeningnr. [nummer 2] van 1.700 en 7.500 euro als ware het echt en onvervalst, door voornoemd afschrift te versturen naar [slachtoffer 6] en/of [slachtoffer 7] , waardoor bij die [slachtoffer 8] en/of [slachtoffer 9] de indruk werd gewekt dat de huur en/of borg van een woning zouden zijn betaald;

5. subsidiair:

hij in of omstreeks de periode van 27 augustus 2013 tot en met 17 september 2013 te Muiden opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valselijk opgemaakt en/of vervalst geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een afschrift van een overboeking van 5.875 euro van ING rekeningnr. [nummer 3] (op naam staand van verdachte) naar ING rekeningnr: [nummer 4] (op naam staand van [slachtoffer 11] ) als ware het echt en onvervalst, door voornoemd afschrift (bij een email) te verzenden naar die [slachtoffer 11] , waardoor de schijn werd gewekt dat de huur van een woning zou zijn betaald;

7. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 03 februari 2014 tot en met 07 februari 2014 te Kampen, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander

wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 14] en/of [slachtoffer 34] en/of [slachtoffer 16] , in elk geval een medewerker van [slachtoffer 17] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een sleutel van een hotelkamer en/of het verhuren van een hotelkamer in " [slachtoffer 18] " ( [adres 4] ) en/of de afgifte/het verstrekken van consumpties (ontbijt en drank), door (telkens)

- tegen die [slachtoffer 19] en/of [slachtoffer 16] en/of een (andere) medewerker van dat hotel te zeggen dat er geld was overgeboekt van een spaarrekening naar de lopende rekening,

- dat die overboeking drie dagen zou duren, omdat het geld vast stond en dat daarna de rekening zou worden voldaan,

- na die drie dagen tegen die [slachtoffer 19] en [slachtoffer 20] en/of een medewerker van dat hotel te zeggen dat het geld nog niet op de lopende rekening stond.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1, 3, 4 en 5, telkens:

Valsheid in geschrift

Ten aanzien van de feiten 2 en 7, telkens:

Oplichting

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair onder de feiten 1 tot en met 7 en het subsidiair onder feit 8 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft erop gewezen dat sprake is van oude feiten. Verder heeft verdachte gezondheidsproblemen, waarmee in het huis van bewaring onvoldoende rekening wordt gehouden. Verder is de gezondheidssituatie van de vader van verdachte zeer zorgwekkend. De vader van verdachte woont in het buitenland en het is noodzakelijk dat verdachte hem kan bijstaan. Voorts zou het bedrijf van verdachte failliet gaan als hij nog langer gedetineerd zou blijven. Tot slot is verdachte door de media al neergezet als meesteroplichter en is hij door de samenleving al veroordeeld, waardoor hij geen werk in Nederland meer kan vinden en hij genoodzaakt is in het buitenland te wonen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 14 september 2016, en

- een reclasseringsrapport, gedateerd 26 juli 2016.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zes misdrijven. Verdachte heeft over een langere periode diverse slachtoffers geld of goederen afhandig gemaakt door hen op te lichten of gebruik te maken van vervalste of valse documenten. Hij heeft op grove wijze misbruik gemaakt van het vertrouwen van de slachtoffers in het goede van de mens. Daarnaast doen deze hinderlijke feiten afbreuk aan het vertrouwen in het handels- en betalingsverkeer.

Verdachte heeft diverse gevangenisstraffen, zelfs van langere duur, uitgezeten in verband met veroordelingen voor oplichting, flessentrekkerij dan wel valsheid in geschrift. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij na die gevangenisstraffen onverminderd is doorgegaan met zijn oplichtingspraktijken. Het oplichten of bedriegen van mensen lijkt voor verdachte een vast onderdeel van zijn leven te zijn geworden. Hij heeft zijn leugens ook voor de rechtbank volgehouden. Dat hij in de media te boek zou staan als meesteroplichter, heeft verdachte, gelet op zijn documentatie en de veroordeling voor de huidige feiten dan ook grotendeels aan zichzelf te wijten.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de ouderdom van de feiten en met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Aangezien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, komt de rechtbank tot een lagere straf dan gevorderd. Gelet op de ernst en de omvang van de feiten, het aantal slachtoffers, de steeds sluwe en berekenende wijze waarop verdachte te werk is gegaan en het strafblad van verdachte is enkel een gevangenisstraf passend en komt een andere strafmodaliteit niet in aanmerking. De rechtbank acht een gevangenisstraf van drie maanden per feit passend maar brengt op het totaal ook weer drie maanden in mindering gelet op de ouderdom van de feiten en gelet op artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. Dit betekent dat de rechtbank verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van vijftien (15) maanden.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De vordering van [slachtoffer 1]

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 1 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 17.909,-.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en dat de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de vordering verjaard is, nu deze is ingesteld meer dan vijf jaar nadat de benadeelde met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd en zal de benadeelde partij reeds daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

De vordering van [slachtoffer 32]

De benadeelde partij [slachtoffer 32] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 3 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 10.328,73.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering toewijsbaar is, met uitzondering van de opruimkosten.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de huurachterstand verjaard is en dat de vordering voor het overige onvoldoende met stukken is onderbouwd.

Beoordeling door de rechtbank

Verdachte is veroordeeld onder feit 3 ter zake van valsheid in geschrift. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er onvoldoende causaal verband tussen deze bewezenverklaring en de opgevoerde schadeposten. Derhalve zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.

De vordering van [slachtoffer 18] VOF

De benadeelde partij [slachtoffer 18] VOF heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 7 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 514,08.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen, inclusief de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft voor afwijzing van de vordering gepleit, gelet op de bepleite vrijspraak.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal toewijzen € 438,70(hotelkosten incl consumpties) nu deze schade voldoende is onderbouwd en er een direct causaal verband bestaat tussen de bewezenverklaring en de opgevoerde schadeposten. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu het causaal verband tussen het bewezenverklaarde feit en de opgevoerde schadeposten die zien op het veiligstellen van de camerabeelden en de usb-stick ontbreekt.

De vordering van [slachtoffer 21]

De benadeelde partij [slachtoffer 21] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 8 tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 10.921,10.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering kan worden toegewezen voor een bedrag van € 5.500,-, inclusief de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de vordering aantoonbaar onjuist is en dat deze onvoldoende is onderbouwd. Daarnaast heeft verdachte nog een vordering op deze benadeelde partij.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is tot vrijspraak gekomen met betrekking tot dit feit. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

De vordering van (wijlen) [slachtoffer 31]

De benadeelde partij heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van een feit dat niet op de (uiteindelijke) tenlastelegging is terechtgekomen.

Gelijk aan het standpunt van de officier van justitie en de verdediging zal de rechtbank deze benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 24c, 36f, 57, 63, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder feit 5, primair, feit 6 en 8 tenlastegelegde feiten;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht

De beslissing op de vordering van de benadeelde partijen

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 32] niet-ontvankelijk in haar vordering;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 21] niet-ontvankelijk in haar vordering;

 verklaart de benadeelde partij (wijlen) [slachtoffer 31] niet-ontvankelijk in haar vordering;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 7 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 18] VOF, ten bedrage van € 438,70 (vier honderd achtendertig euro en zeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en
verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 18] VOF voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 18] VOF, een bedrag te betalen van € 438,70 (vier honderd achtendertig euro en zeventig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 februari 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom acht dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. [voorzitter] (voorzitter), mr. [rechter 1] en
mr. [rechter 2] , rechters, in tegenwoordigheid van mr. [griffier] , griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 november 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, registratienummer: PL0600-2014046671-86, gesloten op 14 juni 2016, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 353.

3 Proces-verbaal van aangifte door [initialen 1] [slachtoffer 24] , p. 828.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2] , p. 953 en 960.

5 Proces-verbaal van aangifte door [initialen 2] [slachtoffer 25] , p. 1168 en 1169.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 3] , p.1332 en 1333.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2] , p. 1255 en 1256.

8 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 28 oktober 2016.

9 Proces-verbaal van aangifte door [initialen 3] [slachtoffer 26] , p. 323, 326 en 327.

10 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting dd. 28 oktober 2016.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2] , p. 358.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 3] , p. 1031.

13 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 800 en 801.

14 Een faxbericht, p. 804.

15 Een (vertaling van een) brief, p. 232.

16 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting dd. 28 oktober 2016.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2] , p. 810 en 815.

18 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 549 t/m 551.

19 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 552 en 553.

20 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 554.

21 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 555.

22 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 556 en 557.

23 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 558.

24 Een schriftelijk bescheid, p. 563.

25 Een schriftelijk bescheid, p. 569.

26 Een schriftelijk bescheid, p. 568.

27 Een schriftelijk bescheid, p. 561.

28 Een schriftelijk bescheid, p. 565.

29 Proces-verbaal van bevindingen, p. 590.

30 Een uittreksel van de kamer van koophandel, p. 941.

31 Proces-verbaal van bevindingen, p. 354 jo. p. 569.

32 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 659 en 660.

33 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting dd. 28 oktober 2016.

34 Proces-verbaal van aangifte door [initialen 1] [slachtoffer 24] , p. 828 en 829.

35 Een e-mailbericht, p. 1218.

36 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 14] , p. 389.

37 Proces-verbaal van bevindingen, p. 612.

38 Proces-verbaal van bevindingen, p. 598.

39 Proces-verbaal van bevindingen, p. 657.

40 Proces-verbaal van bevindingen, p. 585.

41 Verklaringen van verdachte afgelegd ter terechtzitting dd. 28 oktober 2016.

42 Proces-verbaal van aangifte door [initialen 4] [slachtoffer 29] , p. 1104 en 1105

43 Een werkgeversverklaring, p. 1113 en een loonstrook, p. 1114.

44 Een Continued statement of Liam Partridge, p. 166.

45 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting dd. 28 oktober 2016.

46 Een huurovereenkomst, p. 1111 en 1112.

47 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting dd. 28 oktober 2016.

48 Proces-verbaal van aangifte door B. [slachtoffer 24] , p. 828 en 829.

49 Een bankafschrift, p. 845.

50 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2] , p. 953 en 954

51 Proces-verbaal van bevindingen, p. 932.

52 Een brief van de ING, p. 922.

53 Proces-verbaal van aangifte door [initialen 1] [slachtoffer 24] , p. 829.

54 Proces-verbaal van aangifte door [initialen 2] [slachtoffer 25] , p. 1168 en 1169.

55 Proces-verbaal van verhuur verdachte [verdachte 2] , p. 1255.

56 Een bankafschrift, p. 1177.

57 E-mailberichten, p. 1180 t/m 1234.

58 Een bankafschrift, p. 1177.

59 Een huurovereenkomst, p. 1172.

60 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1246.

61 Proces-verbaal van aangifte door [initialen 2] [slachtoffer 25] , p. 1168.

62 E-mailberichten, p. 1194 en 1195.

63 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 14] , p. 389 en 390.

64 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 16] , p. 396 en 397.

65 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte 2] , p. 404 en 405.