Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6002

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
283488
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling beëindigde maatschap. Benoeming van deskundigen in verband met waardebepaling bedrijfspand (taxateur) en met daaraan gepleegde investeringen (bouwkundige).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/283488 / HA ZA 15-282 / 546 / 560

Vonnis van 26 oktober 2016

in de zaak van

[eiser in conventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. A.C.M. Verhoeven te Rotterdam,

tegen

1 [gedaagde in conventie] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde in conventie],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. K.J.T. Boersma te Tiel.

Partijen zullen hierna [eiser in conventie] en [gedaagden in conventie] . genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 16 maart 2016;

  • -

    de gelijktijdig genomen aktes houdende uitlating;

  • -

    de gelijktijdig genomen antwoordaktes;

  • -

    de akte uitlating producties van de zijde van [gedaagden in conventie] .

1.2.

Ten slotte is opnieuw vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis aan de partijen een suggestie gedaan voor het oplossen van het geschil (rechtsoverweging 2.14). Dat heeft er niet toe geleid dat zij overeenstemming hebben bereikt.

2.2.

Partijen hebben zich niet uitgelaten over de rechtsvorm waarin zij de te verdelen onroerende zaak hebben geëxploiteerd. Aangenomen dat zij dit hebben gedaan in de vorm van een (mogelijk stilzwijgend tot stand gekomen) maatschap, gaat de rechtbank ervan uit dat deze maatschap op enig moment met wederzijds goedvinden is beëindigd, waarmee feitelijk sprake is van een opzegging in de zin van artikel 7A:1683 BW. Dit uitgangspunt is erop gebaseerd dat beide partijen de verdeling van de gemeenschap wensen.

waarde van de onroerende zaak; benoeming deskundige

2.3.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen dat de waarde van de te verdelen onroerende zaak moet worden vastgesteld en het voornemen kenbaar gemaakt daartoe een deskundige te benoemen. De partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige.

2.4.

[eiser in conventie] heeft geen deskundige voorgesteld. Wel wenst hij dat de te benoemen deskundige voorkomt op de deskundigenindex van de rechtbank. [gedaagden in conventie] . stellen voor als deskundige te benoemen de heer C.J.M. Franken te Bergen op Zoom. [eiser in conventie] maakt bezwaar tegen benoeming van de heer Franken. [gedaagden in conventie] . wensen dat de te benoemen deskundige in elk geval een gecertificeerd registertaxateur is.

2.5.

De rechtbank heeft de heer M.F.W. Verberne RM RT, werkzaam bij RSP te
’s-Hertogenbosch, benaderd. Deze heeft desgevraagd te kennen gegeven vrij te staan ten opzichte van de partijen en hun advocaten. De rechtbank zal hem als deskundige benoemen. Als voorschot op zijn kosten heeft hij een bedrag opgegeven van € 5.747,50 (inclusief btw). [eiser in conventie] , [gedaagden in conventie] . zullen elk een derde van dit bedrag onder de rechtbank dienen te deponeren, derhalve elk € 1.915,84, omdat zij alledrie de verdeling van de gemeenschap wensen, waarvoor een taxatie noodzakelijk is.

2.6.

De rechtbank heeft de partijen in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de vragen die aan de deskundige moeten worden gesteld. Dat hebben zij gedaan. Volgens [eiser in conventie] zal de deskundige het bedrijfspand moeten taxeren in volledig verhuurde staat tegen marktconforme condities en zal hij daarbij geen andere elementen (mogelijke toekomstige insolvabiliteit van huurders e.d.) mogen betrekken. De deskundige zal daarbij volgens hem volledige inzage moeten krijgen in de vigerende huurovereenkomsten en eventueel andere geldende afspraken met huurders teneinde te kunnen bepalen wat een marktconforme huur is dan wel om te kunnen vaststellen of de huidige huuropbrengsten marktconform zijn. [gedaagden in conventie] . stellen voor de deskundige te vragen naar de marktwaarde en de executoriale waarde van het bedrijfspand, waarbij juist wel rekening moet worden gehouden met de op de peildatum geldende huurovereenkomsten en de gegoedheid van de huurders, en bovendien met de staat van het onderhoud van het pand, meer specifiek de noodzaak tot onderhoud op korte termijn van de platte daken en het buitenschilderwerk.

2.7.

Hierover wordt als volgt geoordeeld. De rechtbank zal bij de verdeling uitgaan van de werkelijke waarde in het economisch verkeer van het te verdelen onroerend goed. Er is geen aanleiding om in plaats daarvan uit te gaan van een fictieve waarde door het onroerend goed te laten taxeren in verhuurde staat ‘tegen marktconforme condities’. Het is aan het oordeel en de werkwijze van de taxateur overgelaten hoe hij bij de taxatie rekening houdt met feitelijke omstandigheden zoals de gegoedheid van de huurders, de resterende looptijd van de huurovereenkomsten en de staat van onderhoud van het onroerend goed. De vraagstelling zal daar niet op worden toegespitst. Uiteraard staat het partijen vrij om de deskundige te wijzen op aspecten die naar hun opvatting van belang zijn voor het beantwoorden van de vragen.

2.8.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis als peildatum voor de bepaling van de waarde van het onroerend goed de datum van het tussenvonnis genoemd (16 maart 2016). [eiser in conventie] verzoekt dat oordeel in heroverweging te nemen. Daartoe voert hij aan dat het hem praktisch voorkomt om als peildatum een in de toekomst gelegen datum te nemen. Hij stelt 1 januari 2017 voor, ervan uitgaande dat omstreeks die tijd een vonnis in deze zaak te verwachten is. [gedaagden in conventie] . hebben zich daarover niet meer uitgelaten; wel gaan zij in hun aktes uit van de datum 16 maart 2016.

2.9.

Hierover wordt geoordeeld als volgt. In beginsel dient de waarde van de onroerende zaak te worden getaxeerd naar het moment van de verdeling. Omdat nog niet duidelijk is wanneer dat is, heeft de rechtbank de peildatum vastgesteld op een ander moment, te weten de datum van het vonnis waarin die beslissing is genomen. De rechtbank houdt aan die datum vast om te voorkomen dat een moeilijk werkbare situatie ontstaat doordat de peildatum steeds verandert.

2.10.

De rechtbank zal de deskundige gezien het voorgaande de vragen stellen als in het dictum geformuleerd.

gedeclareerde werkzaamheden; benoeming deskundige

2.11.

De rechtbank heeft voorts een deskundigenbericht aangekondigd over de vraag of de door [gedaagden in conventie] . aan de gemeenschap gedeclareerde bouwwerkzaamheden zijn uitgevoerd en of de gedeclareerde bedragen redelijk zijn. De partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten.

2.12.

[eiser in conventie] heeft ook in dit verband geen deskundige voorgesteld. Wel wenst hij dat de te benoemen deskundige voorkomt op de deskundigenindex van de rechtbank. [gedaagden in conventie] . hebben geen mening over de te benoemen deskundige, anders dan dat deze lid dient te zijn van de Nederlandse Vereniging van Bouwkostendeskundigen (NVBK) en ervaring dient te hebben met het achteraf vaststellen van de kosten van bouwwerkzaamheden.

2.13.

De rechtbank heeft ir. C. van der Steen, werkzaam bij Technoconsult bouwtechnisch en bouwfysisch onderzoek en advies te Heeswijk benaderd. Deze heeft desgevraagd te kennen gegeven vrij te staan ten opzichte van de partijen en hun advocaten. De rechtbank zal hem als deskundige benoemen. Als voorschot op zijn kosten heeft hij een bedrag opgegeven van € 4.275,00. Dit bedrag dient onder de rechtbank te worden gedeponeerd door [eiser in conventie] omdat hij de eisende partij is (artikel 195 Rv).

2.14.

De deskundige zal zich moeten uitlaten over de werkzaamheden die aan de onroerende zaak zijn verricht. Deze staan vermeld op het overzicht dat [gedaagden in conventie] . bij conclusie van antwoord als productie 5 in het geding hebben gebracht. Naar aanleiding van het tussenvonnis hebben [gedaagden in conventie] . bij akte na tussenvonnis als productie 24 een nieuw overzicht overgelegd, dat van het eerder overgelegde afwijkt. Het nieuwe overzicht komt uit op een saldo van € 148.700,87. De deskundige zal van het nieuwe overzicht moeten uitgaan. [eiser in conventie] heeft een eerste reactie op dit overzicht gegeven en zich het recht voorbehouden er in een later stadium nader op in te gaan. Het debat over dit saldo zal kunnen worden gevoerd in samenhang met het door de te benoemen deskundige uit te voeren onderzoek.

2.15.

[eiser in conventie] stelt voor dat aan de te benoemen deskundige niet alleen wordt gevraagd of de werkzaamheden zijn uitgevoerd en of de kosten die daarvoor in rekening zijn gebracht redelijk zijn, maar dat ook een reeks andere vragen wordt gesteld, namelijk of er goedkopere alternatieven waren, wat de gevolgen van zelfwerkzaamheid zijn voor aansprakelijkheid en garantieverplichtingen, of de kosten zijn doorberekend aan de huurders, of de gekozen constructie gebruikelijk is en wat de fiscale consequenties ervan zijn, of de kosten niet moeten worden afgeschreven en welke invloed de kosten in de verdeling moeten hebben. De rechtbank zal deze vragen niet aan de deskundige stellen. Voor een deel lenen deze kwesties zich meer voor bewijslevering door partijen zelf dan voor een deskundigenbericht, voor een ander deel behoren zij tot het domein van het rechterlijke oordeel en voor het overige houden zij onvoldoende verband met concrete door partijen ingenomen standpunten.

2.16.

[gedaagden in conventie] . stellen voor vier vragen aan de deskundige te stellen. De door hen voorgestelde vraag 1 in samenhang met 2 en vraag 4 komen overeen met de vragen zoals de rechtbank die heeft aangekondigd. Voor het opnemen van een nadere omschrijving van de uitgevoerde werkzaamheden bij vraag 1, zoals door [gedaagden in conventie] . voorgesteld, ziet de rechtbank geen aanleiding. Evenmin draagt het opnemen van de voorgestelde vraag 3 naar de reden dat mogelijk niet (meer) kan worden vastgesteld of bepaalde werkzaamheden al dan niet zijn uitgevoerd, bij aan oplossing van het geschil.

2.17.

De rechtbank zal de deskundige gezien het voorgaande de vragen stellen als geformuleerd in het dictum.

overlegging bescheiden

2.18.

In verband met de vordering van [eiser in conventie] om [gedaagden in conventie] . te veroordelen alle bescheiden betreffende de exploitatie van het bedrijfsgebouw vanaf 2007 open te leggen, heeft de rechtbank [eiser in conventie] in de gelegenheid gesteld zich erover uit te laten welke stukken hij mist. [eiser in conventie] heeft de volgende opsomming gegeven:

a. a) jaarlijkse exploitatierekeningen vanaf 2007 tot en met 2015 (en tussentijds over 2016);

b) huurcontracten met alle huidige huurders alsmede, indien dat het geval is, aanvullende afspraken (wanneer deze niet op schrift zijn gesteld: een notitie van die afspraken);

c) afrekening servicekosten met de huurders en de facturen van de anderszins aan de huurders in rekening gebrachte kosten, diensten, etc. vanaf 2007 tot en met 2015 (en tussentijds over 2016);

d) alle bankafschriften betreffende de door [gedaagde in conventie] . genoemde rekening bij ING Bank; voor zover [eiser in conventie] bekend was bestond er alleen een rekening bij de Rabobank, maar kennelijk is er op enig moment een andere rekening geopend waar transacties op plaatsvinden;

e) de achterliggende facturen van de ‘doorbelaste’ advocaatkosten;

f) bankafschriften Rabobank sedert februari 2016;

g) bewijs recente bijstorting [gedaagden in conventie] . van € 2.500,00 elk;

h) BTW-administratie;

i. i) dossier betreffende de door [gedaagden in conventie] . aangevoerde verbouwing.

2.19.

[gedaagden in conventie] . voeren aan dat [eiser in conventie] niet concreet aangeeft welke stukken hij nog mist maar via een omweg de hele administratie opvraagt. Naar het oordeel van de rechtbank is de hierboven overgenomen opsomming voldoende concreet. Voor zover [gedaagden in conventie] . betogen dat deze vordering moet worden afgewezen omdat [eiser in conventie] geen belang heeft bij toewijzing, volstaat de rechtbank met verwijzen naar rechtsoverweging 2.13 van het tussenvonnis.

2.20.

[gedaagden in conventie] . voeren aan dat er met goedvinden van (naar de rechtbank begrijpt) [eiser in conventie] geen exploitatierekeningen zijn opgesteld, zodat zij het gevraagde onder a niet kunnen verstrekken. Zij betwisten voorts dat er ten name van de gemeenschap een rekening wordt aangehouden bij de ING Bank; wel houdt de onderneming van [eiser in conventie] jr. daar een rekening aan. Ten slotte voeren zij aan dat [eiser in conventie] reeds beschikt over de stukken genoemd onder b, c en e tot en met i.

2.21.

[gedaagden in conventie] . zullen niet worden veroordeeld tot openlegging van de stukken genoemd onder a en d. Zij zijn immers niet gehouden tot openlegging van stukken waarover zij niet beschikken (a) en van stukken die geen verband houden met de gemeenschap (d). Zij zullen ook niet worden veroordeeld tot het overleggen van stukken die zien op de periode na de peildatum. Deze zijn immers voor de verdeling niet van belang. Uit het verweer ten aanzien van de stukken b, c en e tot en met i leidt de rechtbank af dat [gedaagden in conventie] . er geen bezwaar tegen hebben dat [eiser in conventie] de beschikking over deze stukken krijgt. Zij zullen daarom worden veroordeeld tot openlegging van die stukken voor zover die zien op de periode tot aan de peildatum. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat in goed overleg tussen de advocaten nadere afstemming plaatsvindt teneinde te voorkomen dat [gedaagden in conventie] . stukken zullen overleggen waarover [eiser in conventie] al blijkt te beschikken.

hypotheek, facturen, werkzaamheden

2.22.

De rechtbank heeft [gedaagden in conventie] . opgedragen opgave te doen van de hoogte van de hypothecaire schuld op de datum van het tussenvonnis, waarbij zij ook een eventuele achterstand in de rentebetaling en/of aflossing dienen te vermelden. [gedaagden in conventie] . hebben onder overlegging van een rekeningafschrift van 31 maart 2016 gesteld dat de hoogte van de hypotheekschuld op 16 maart 2016 € 566.829,89 bedroeg en dat er toen geen achterstanden waren in aflossing of rentebetaling. [eiser in conventie] heeft die opgave niet betwist, zodat die in deze procedure vaststaat.

2.23.

In verband met de wens van [gedaagden in conventie] . ook kostenfacturen en eigen declaraties in de verdeling te betrekken, heeft de rechtbank geoordeeld dat dit alleen kan als deze nog niet zijn voldaan, zodat deze facturen staan voor te verdelen schulden. Zij heeft [gedaagden in conventie] . vervolgens in de gelegenheid gesteld een opgave te doen van facturen die verhaalbaar zijn op huurders en facturen die nog niet zijn voldaan, en van facturen die wel zijn voldaan.

2.24.

[eiser in conventie] maakt bezwaar tegen deze overweging. Hij betoogt dat de bedoelde ‘uitgaven’ van [gedaagden in conventie] . moeten worden betrokken in de exploitatierekening en langs de weg van artikel 3:172 BW moeten worden verrekend. Een dergelijke afrekening is in deze procedure volgens [eiser in conventie] echter in beginsel niet aan de orde. [gedaagden in conventie] . zijn op dit bezwaar niet meer ingegaan.

2.25.

Hierover wordt geoordeeld als volgt. Anders dan [eiser in conventie] (onder het voorbehoud: ‘in beginsel’) betoogt, is de exploitatie deel gaan uitmaken van het voorliggende geschil en wel op grond van het verweer van [gedaagden in conventie] . en gezien artikel 3:179 lid 1 BW, dat bepaalt dat bij een vordering tot verdeling iedere deelgenoot kan verlangen dat (onder meer) voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen. De rechtbank zal daarom niet terugkomen van dit gegeven oordeel.

2.26.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis overwogen dat [eiser in conventie] niet de noodzaak heeft betwist van de werkzaamheden die worden vermeld in de declaraties die [gedaagden in conventie] . hebben opgevoerd, welke werkzaamheden voor het overgrote deel zien op een door hen uitgevoerde verbouwing van het bedrijfsgebouw. [eiser in conventie] heeft daarover eerst bij antwoordakte opgemerkt dat dit niet van belang is, omdat [gedaagden in conventie] . die noodzaak niet hebben gesteld. Hij wordt daarin niet gevolgd, nu die noodzaak is gesteld in de conclusie van antwoord onder 9 tot en met 12, 35 en 41 (eerste gedachtestreepje).

vervolg van de procedure

2.27.

De rechtbank zal nu eerst overgaan tot benoeming van deskundigen teneinde duidelijkheid te verkrijgen over de waarde van het onroerend goed op de peildatum en over de vraag of de gefactureerde werkzaamheden zijn uitgevoerd en of de daarvoor in rekening gebrachte bedragen redelijk zijn. De partijen moeten rekening houden met de mogelijkheid dat de rechtbank vervolgens zal overgaan tot benoeming van een accountant als deskundige teneinde de eindafrekening van de gemeenschap in kaart te brengen, alvorens de vordering tot verdeling te beoordelen.

2.28.

Gezien de risico’s en de kosten in tijd en geld die zijn verbonden aan de benoeming van deskundigen, geeft de rechtbank partijen opnieuw in overweging tot een vergelijk te komen, al dan niet alsnog op basis van hetgeen is overwogen in rechtsoverweging 2.14 van het tussenvonnis van 16 maart 2016.

3 De beslissing

De rechtbank

in conventie en in reconventie

3.1.

gelast [gedaagden in conventie] . de openlegging van de volgende bescheiden:

b) huurcontracten met alle huidige huurders alsmede, indien dat het geval is, aanvullende afspraken (wanneer deze niet op schrift zijn gesteld: een notitie van die afspraken);

c) afrekening servicekosten met de huurders en de facturen van de anderszins aan de huurders in rekening gebrachte kosten, diensten, etc. vanaf 2007 tot en met 2015 (en tussentijds over 2016);

e) de achterliggende facturen van de ‘doorbelaste’ advocaatkosten;

f) bankafschriften Rabobank sedert februari 2016;

g) bewijs recente bijstorting [gedaagden in conventie] . van € 2.500,00 elk;

h) BTW-administratie;

i. i) dossier betreffende de door [gedaagden in conventie] . aangevoerde verbouwing;

alles over de periode tot de peildatum (16 maart 2016).

benoeming deskundige in verband met waardering van het onroerend goed

3.2.

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1) Wat was op de peildatum 16 maart 2016 de werkelijke waarde in het economisch verkeer van de onroerende zaak gelegen aan de Vijfhuizenberg 48A (4708 AL) Roosendaal, kadastraal bekend gemeente Roosendaal en Nispen, sectie K, nummer 7298 (bedrijfsgebouw), en het 2/8e onverdeelde aandeel in de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Roosendaal en Nispen, sectie K, nummer 7299 (toegangsweg)?

2) Wat is overigens van belang voor een goede beoordeling van de zaak?

3.3.

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

de heer M.F.W. Verberne RM RT

werkzaam bij RSP taxaties en vastgoedadvies B.V.

Koningsweg 66

postbus 375

5201 AJ ’s-Hertogenbosch

telefoon: 073-6488750

3.4.

bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

3.5.

bepaalt dat [eiser in conventie] (S.H.M.) binnen twee weken na datum van dit vonnis (kopieën van) de overige processtukken aan de rechtbank Gelderland, Team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem, civiele roladministratie, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem zal doen toekomen,

3.6.

bepaalt dat [eiser in conventie] , [gedaagden in conventie] . binnen twee weken na datum van dit vonnis als voorschot op de kosten inclusief omzetbelasting van de deskundige elk een derde van € 5.747,50, derhalve elk € 1.915,84 ter griffie van deze rechtbank dienen te deponeren door voldoening van de nota’s die het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak aan hen zal toesturen,

3.7.

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,

3.8.

bepaalt dat de deskundige binnen twee weken nadat hij bericht heeft gekregen dat het voorschot is gedeponeerd met de partijen een afspraak moet hebben gemaakt voor een datum en tijdstip waarop het onderzoek zal plaatsvinden en die datum aan de rechtbank moet hebben doorgegeven, tenzij een dergelijke afspraak vanwege de aard van het onderzoek naar het oordeel van de deskundige niet nodig is,

3.9.

bepaalt dat indien een partij of de deskundige de aldus afgesproken datum voor het onderzoek wil wijzigen, die partij of de deskundige daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek moet doen aan de griffie van de rechtbank, met afschrift aan de andere betrokkenen,

3.10.

bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de rechter mr. J.R. Veerman,

3.11.

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

3.12.

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend conceptrapport zal inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 14 december 2016, waarna schriftelijk nadere instructies van de rechtbank zullen volgen over de indiening van het definitieve rapport en de declaratie van de deskundige,

3.13.

verwijst de zaak naar de rolzitting van vier weken na de datum waarop het definitieve rapport ter griffie is ingeleverd voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eiser in conventie] (S.H.M.) of voor bepaling datum vonnis,

benoeming deskundige in verband met werkzaamheden aan het onroerend goed

3.14.

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:

1) Welke van de werkzaamheden waarop de facturen zien die worden vermeld onder ‘Openstaande en nog te betalen kostenfacturen’ in het ‘financieel overzicht Vijfhuizenberg 48a t/m i, 4708 AL Roosendaal’ dat [gedaagden in conventie] hebben overgelegd als productie 24 bij akte na tussenvonnis van 8 juni 2016 zijn daadwerkelijk uitgevoerd?

2) Zijn de kosten die [gedaagden in conventie] . in rekening hebben gebracht voor de door hen uitgevoerde bouwwerkzaamheden redelijk?

3) Zo nee, welke kosten voor bouwwerkzaamheden zijn wel redelijk?

4) Wat is overigens van belang voor een goede beoordeling van de zaak?

3.15.

benoemt tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:

ir. C. van der Steen

werkzaam bij Technoconsult bouwtechnisch en bouwfysisch onderzoek en advies

postbus 24 (5473 ZG)

Hoofdstraat 81c

5473 AP Heeswijk

telefoon: 0413-293737

telefax: 0413-294135

3.16.

bepaalt dat de griffier een kopie van dit vonnis aan de deskundige zal toezenden,

3.17.

bepaalt dat [eiser in conventie] (S.H.M.) binnen twee weken na datum van dit vonnis (kopieën van) de overige processtukken aan de rechtbank Gelderland, Team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem, civiele roladministratie, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem zal doen toekomen,

3.18.

bepaalt dat [eiser in conventie] (S.H.M.) binnen twee weken na datum van dit vonnis als voorschot op de kosten inclusief omzetbelasting van de deskundige € 4.275,00 ter griffie van deze rechtbank dient te deponeren door voldoening van de nota die het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak zal toesturen,

3.19.

bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van dit voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen,

3.20.

bepaalt dat de deskundige binnen twee weken nadat hij bericht heeft gekregen dat het voorschot is gedeponeerd met de partijen een afspraak moet hebben gemaakt voor een datum en tijdstip waarop het onderzoek zal plaatsvinden en die datum aan de rechtbank moet hebben doorgegeven, tenzij een dergelijke afspraak vanwege de aard van het onderzoek naar het oordeel van de deskundige niet nodig is,

3.21.

bepaalt dat indien een partij of de deskundige de aldus afgesproken datum voor het onderzoek wil wijzigen, die partij of de deskundige daartoe een schriftelijk gemotiveerd verzoek moet doen aan de griffie van de rechtbank, met afschrift aan de andere betrokkenen,

3.22.

bepaalt dat de deskundige zich met vragen over het onderzoek kan wenden tot de rechter mr. J.R. Veerman,

3.23.

bepaalt dat de deskundige bij het onderzoek de partijen in de gelegenheid moet stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen, en dat de deskundige in het schriftelijk bericht moet doen blijken of aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding in dat bericht van de eventueel gemaakte opmerkingen en/of gedane verzoeken,

3.24.

bepaalt dat de deskundige een schriftelijk en ondertekend conceptrapport zal inleveren ter griffie van deze rechtbank voor 21 december 2016, waarna schriftelijk nadere instructies van de rechtbank zullen volgen over de indiening van het definitieve rapport en de declaratie van de deskundige,

3.25.

verwijst de zaak naar de rolzitting van vier weken na de datum waarop het definitieve rapport ter griffie is ingeleverd voor het nemen van een conclusie na deskundigenbericht aan de zijde van [eiser in conventie] (S.H.M.) of voor bepaling datum vonnis,

3.26.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2016.