Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:6000

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-10-2016
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
295480
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gesubrogeerde verzekeraar van huurder spreekt onderaannemer van verhuurder/eigenaar aan na neerkomen plafond gehuurde. Onrechtmatigheidsoordeel. Omkeringsregel niet van toepassing. Bewijsopdracht causaal verband.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/295480 / HA ZA 16-11 / 546 / 560

Vonnis van 26 oktober 2016

in de zaak van

1. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

ACE EUROPEAN GROUP LIMITED,

gevestigd te Cardiff, Wales, Verenigd Koninkrijk,

2. de rechtspersoon naar het recht van de plaats van haar vestiging

ROYAL & SUN ALLIANCE INSURANCE PLC,

gevestigd te Cardiff, Wales, Verenigd Koninkrijk,

3. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

4. de naamloze vennootschap

NATIONALE NEDERLANDEN SCHADEVERZEKERING MAATSCHAPPIJ,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

5. de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

eiseressen,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MAT AFBOUW B.V.,

gevestigd te Zaltbommel,

gedaagde,

advocaat mr. H.M. Kruitwagen te Arnhem.

Partijen zullen hierna de verzekeraars en Mat Afbouw worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 april 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 20 juli 2016.

1.2. Vervolgens is opnieuw vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. In oktober 2006 heeft Mat Afbouw als onderaannemer een overeenkomst gesloten met Bakker Arkel B.V., die de hoofdaannemer was van de verbouwing en renovatie van het pand aan de Sloterkade 133 te Amsterdam. Op grond van die overeenkomst van onderaanneming heeft Mat Afbouw begin 2007 werkzaamheden uitgevoerd.

2.2. Na een separate meerwerkopdracht te hebben ontvangen, heeft Mat Afbouw op 21 december 2006 een offerte uitgebracht voor het aanbrengen van ‘een vrijhangend metal stud plafond met isolatie en folie 60 minuten brandwerend’. Op diezelfde datum heeft Bakker Arkel aan Mat Afbouw opgedragen dat plafond (verder: ‘het gipsplatenplafond’) aan te brengen.

2.3. Begin 2007 heeft Mat Afbouw het gipsplatenplafond op de begane grond van het pand aangebracht.

2.4. Op 26 augustus 2010 is een oppervlakte van 210 m² van het plafond inclusief het daaronder hangende systeemplafond met lichtarmaturen en airco naar beneden gevallen.

2.5. Het gaat om een pand dat (gedeeltelijk) was verhuurd aan Hema. Eisers zijn schadeverzekeraars van Hema.

2.6. De verzekeraars hebben het expertisebureau RVJ Expertises & Taxaties opdracht gegeven de schade op te nemen. RVJ was circa een uur na het voorval ter plaatse.

2.7. RVJ heeft aan bouwkundig adviesbureau Raadschelders Bouwadvies B.V. opdracht gegeven de de oorzaak van het voorval te achterhalen. Raadschelders heeft gerapporteerd op 7 september 2010. Uit het rapport wordt geciteerd:

5 Constateringen

(...)

Ter plaatse van de overgang hoogbouw-laagbouw was het mogelijk om boven het bezweken gedeelte te kijken (zie afb. 10). Hier werd geconstateerd dat het gipsplatenplafond inclusief het eronder hangende systeemplafond van de plafondhangers was losgetrokken. Dit hele pakket was op de winkelstellingen terecht gekomen. De gebruikte plafondhangers zijn van het type PlaGyp Afhanganker (zie hiernaast).

De onderlinge afstand van de plafondhangers was 1200mm gemeten parallel (x) aan de balk en 1200mm gemeten haaks (y) op de balkrichting.

(...)

Daarnaast kan op afbeelding 16 geconstateerd worden dat bij 1 het ophangpunt ontbreekt. Ondanks een grondige zoektocht is dit afhanganker niet in de restanten gevonden. Overigens geven de schroefgaten (afb. 17) geen reden om te veronderstellen dat deze bezweken zijn. Uit de potloodaantekeningen kan afgeleid kunnen worden dat er een anker gemonteerd is geweest waarvan gesteld is dat deze ca. 20 mm verplaatst moest worden. Deze aantekeningen zijn op diverse locaties geconstateerd. (...)

Uit een beknopt interview dat bij een medewerkster, die ter plaatse aanwezig was, is afgenomen blijkt dat de eerste tekenen (rare geluiden) zich in de buurt van ophangpunt 1 en 2 voordeden (afb 19). Dit lijkt te corresponderen met het feit dat hier een ophangpunt ontbreekt en een ophangpunt niet in het juiste stramien is geplaatst.

(...)

Het onder het gipsplatenplafond gemonteerde systeemplafond was slecht te inspecteren, aangezien deze tussen de stellingen en het gipsplatenplafond werd ingeklemd. (...)

6 Conclusies

Uit de voorgaande constateringen kunnen onderstaande conclusies getrokken worden:

1. De hart op hart afstand van de ophangpunten van het gipsplatenplafond is onvoldoende. (...)

2. Er ontbreekt een ophangpunt waardoor de belasting op de omringende ophangpunten met minimaal 12,5% wordt verhoogd. In de praktijk zullen er ophangpunten voorkomen waarbij de verhoging meer dan 25% zal bedragen.

3. In vergelijking met de rest van het plafond werden de ophangpunten in de buurt van het ontbrekende ophangpunt praktisch gezien het zwaarst belast aangezien hier een koelunit aan het plafond was opgehangen. Het gewicht hiervan ligt echter in de orde van grootte welke door een plafond opgenomen zou moeten kunnen worden. Een kleine overschrijding van de door de leverancier aangegeven 20 kg/m² is niet uit te sluiten.

4. Het deel van het plafond waar vermoedelijk de kettingreactie van het bezwijken van de plafondhangers is begonnen ligt hoogstwaarschijnlijk in de buurt van het ontbrekende ophangpunt. Aangezien deze actie boven het gipsplatenplafond (en dus ook boven het systeemplafond) plaatsvond, is de nauwkeurigheid van deze plaatsbepaling beperkt.

Gezien de bovenstaande conclusies kan gesteld worden dat het gipsplatenplafond niet correct is uitgevoerd waardoor er zonder systeemplafond reeds overbelaste ophangpunten waren. Door het plaatsen van het systeemplafond en de koelunits zijn deze ankers nog verder belast en op enig moment is er een kettingreactie begonnen waardoor het gehele plafond naar beneden is gevallen.

2.8. RVJ heeft gerapporteerd op 19 september 2011. Uit het rapport wordt geciteerd:

(...)

Bijzonderheden

(...)

In opdracht van de pandeigenaar heeft een onderaannemer van Bouwbedrijf Arkel B.V. te Gorinchem na oplevering van het casco onder het bouwkundig plafond van het bovengelegen dakterras, een 60 minuten brandwerend plafond aangebracht.

(...)

Omvang van de schade

Zoals gememoreerd waren de goederen in de winkel en magazijn door de instorting en de aansluitende sloopwerkzaamheden van het plafond ernstig onder de bouwstof gekomen. Wij hebben een proefreiniging uitgevoerd, echter geconcludeerd moest worden dat niet alle stof kon worden verwijderd, alsmede dat het een kostbare aangelegenheid zou gaan worden. Op grond hiervan hebben wij opkopers van goederen uitgenodigd en werd de partij aan de hoogst biedende partij gegund.

(...)

Schaderegeling (vervolg)

Aan Goederen: (...) € 46.548,--

Aan Bedrijfsuitrusting/Inventaris: (...) € 128.792,--

Aan Bedrijfsschade: (...) € 67.001,--

TOTAALSCHADEBEDRAG, exclusief verrekenbare BTW € 242.341,--

(...)

2.9. RVJ heeft een aanvullend expertiserapport uitgebracht op 18 januari 2012.

2.10. Mat Afbouw heeft expertisebureau Crawford & Company (Nederland) B.V. ingeschakeld. Deze heeft Adviesbureau ir. J.G. Hageman opdracht gegeven onderzoek te doen naar de schadetoedracht. Hageman heeft gerapporteerd op 13 februari 2012.

3 Observatie

(...)

3.2 Observatie vanuit de winkel

In 2010 is de schade hersteld door een nieuwe plafondconstructie aan te brengen. (...)

6 Resumerend

In opdracht van Crawford & Company is een onderzoek uitgevoerd naar de bezweken plafondconstructie bij de Hema aan de Sloterkade 133 te Amsterdam.

Uit de beschikbare gegevens over de schade volgt dat bij het naar beneden komen van de plafondconstructie de verbindingen tussen de plafondhangers en de primaire dragers van het gipsplatenplafond zijn bezweken. Dit is het gevolg van overbelasting van deze verbindingen, dat wil zeggen dat de belasting groter is dan de verbindingssterkte. Na het bezwijken van één hangerverbinding kan vervolgens een kettingreactie optreden (domino effect). Op basis van de beschikbare gegevens over de schade kan geen verklaring worden gegeven voor de overbelasting. De belasting op de verbindingen tussen de plafondhangers en de primaire dragers is (op basis van de beschikbare gegevens) berekend op maximaal 89 kg in een gebied met een ontbrekende hanger en een koelunit, terwijl de (1% ondergrens van de) bezwijkbelasting 118 kg is.

Er zijn meerdere oorzaken te bedenken voor de overbelasting van de verbindingen, zoals bijvoorbeeld het ontbreken van meerdere hangers vlak bij elkaar, (lokaal) extra belasting door leidingen of andere onderdelen en onregelmatigheden in de bevestigingspunten van het systeemplafond. Desalniettemin kan worden gesteld dat de belasting door het aanwezige systeemplafond, dat aan het gipsplatenplafond is opgehangen en waarmee in het ontwerpstadium geen rekening is gehouden, een rol heeft gespeeld. Tevens wordt verwacht dat de ontbrekende plafondhanger ook een rol heeft gespeeld.

Hierna zijn korte antwoorden op de vragen van Crawford & Company geformuleerd. Voor een uitgebreide beantwoording wordt verwezen naar hoofdstuk 5.

Vraag 1: Voldoet de houten platdakconstructie voorzien van een dakbedekking met mos-sedum afwerking aan de geldende normen?

Antwoord: Ja, de houten balklaag voldoet aan de geldende normen.

Vraag 2: Is het mogelijk dat de dakconstructie als gevolg van de stortbuien/waterbelasting van 26 augustus 2010 kan gaan doorbuigen?

Antwoord: Ja, maar de doorbuiging is zeer beperkt.

Vraag 3: Is het mogelijk dat het brandwerende plafond als gevolg van het doorbuigen van de dakconstructie ongelijk is belast?

Antwoord: Ja, maar de krachten van deze doorbuiging zijn zeer beperkt en kunnen daarom geen significante rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de schade.

Vraag 4: Voldoet het door ons verzekerde aangebrachte plafond constructief?

Antwoord: Dit is alleen voor de verbindingen van de plafondhangers aan de primaire dragers beoordeeld, omdat deze verbindingen zijn bezweken. De verbindingen voldoen zowel zonder als met systeemplafond niet aan de gestelde eisen. De overschrijding van de toelaatbare belasting is ca. 10% zonder systeemplafond en ten minste ca. 40% met systeemplafond (beide situaties bij één ontbrekende hanger, zoals is waargenomen).

Vraag 5: In de opdrachtbevestiging voor het aanbrengen van het brandwerende plafond worden geen eisen gesteld aan de belasting van het plafond, maar wordt alleen een omschrijving gegeven van het plafond. In deze offerte staat niet vermeld dat het plafond wordt belast met een systeemplafond met werktuigbouwkundige en elektrotechnische installaties met armaturen. Moest verzekerde volgens de geldende regelgeving rekening houden met een nuttige belasting als deze belastingen niet in de opdrachtbevestiging worden genoemd?

Antwoord: Gezien de juridische achtergrond van deze vraag, kan deze vraag niet worden beantwoord door ondergetekende. Technisch inhoudelijk kan wel worden gesteld dat als bij verzekerde niet bekend was dat het systeemplafond aan het gipsplatenplafond zou worden opgehangen, hij daarmee bij het ontwerp van de plafondconstructie en de bepaling van het benodigde aantal plafondhanger geen rekening hoeft te houden.

2.11. Bij brief van 29 mei 2013 heeft RVJ in opdracht van ‘de verzekeraars van HEMA B.V.’ aan Mat Afbouw bericht dat zij aansprakelijk wordt gehouden voor de schade van de verzekeraars en heeft zij haar gesommeerd € 257.596,80 te voldoen.

2.12. Op verzoek van Mat Afbouw heeft Hageman een ‘aanvullend bericht’ opgesteld, gedateerd 11 maart 2016. Uit de conclusie daarvan wordt geciteerd:

Uit de aanvullende beschouwingen kan worden geconcludeerd dat het ontwerp van de hangers van de plafondconstructie, waarbij door MAT is uitgegaan van alleen belasting door een brandwerend gipsplatenplafond, voldoet aan de regelgeving. De hangerbelasting van 46 kg is namelijk kleiner dan de toelaatbare belasting van 50 kg, waarin een veiligheidsfactor van 2,5 is verdisconteerd.

Op een foto van de schade is te zien dat op één locatie een hanger ontbreekt. Bij het eerdere onderzoek door Hageman is verondersteld dat deze hanger nooit aanwezig is geweest en niet bijvoorbeeld met het bezweken plafond naar beneden is gekomen. Het ontbreken van een hanger zou leiden tot een belasting van circa 55 kg en daarmee tot een beperkte overschrijding van de toelaatbare belasting, namelijk 10%. Dit kan echter niet leiden tot het bezwijken van de plafondconstructie, omdat de werkelijke bezwijkbelasting veel hoger ligt (minimaal 118 kg). Om de bezwijkbelasting te bereiken, is een overschrijding van de toelaatbare belasting van 136% nodig.

Hoewel de oorzaak van het bezwijken van de plafondconstructie op basis van de beschikbare gegevens niet kan worden vastgesteld, kan wel worden geconcludeerd dat extra belastingen, zoals het later aangebrachte systeemplafond en koelunits, een veel grotere invloed op de hangerbelasting hebben dan het ontbreken van een hanger.

Met betrekking tot het toegepaste type hanger wordt opgemerkt dat in het rapport van Raadschelders (productie 2) is uitgegaan van Plagyp hangers, vermoedelijk omdat de rest van de plafondconstructie is geleverd door Plagyp. Er zijn echter hangers van leverancier Georg Kimmel toegepast. Door dit onjuiste uitgangspunt ten aanzien van het type hangers, zijn de conclusies van Raadschelders ten aanzien van het aantal benodigde hangers niet correct.

2.13. Op verzoek van de verzekeraars heeft Raadschelders een memo opgesteld gedateerd 25 mei 2016. Daaruit wordt geciteerd:

(...)

2 Mogelijk extra gewicht

Het feit dat men poneert dat het aanbrengen van een systeemplafond onder een brandwerend gipsplaten plafond niet verwacht kon worden getuigt niet van kennis en/of vakmanschap. Een systeemplafond is eerder usance dan uitzondering. Het feit dat er wordt gesteld dat er ook geen installaties verwacht hadden hoeven te worden, is nog kwalijker. Hiervoor is echter geen regelgeving. (...)

3 Sterkte van het afhanganker

Door Hageman wordt uitgegaan van 135kg gemiddelde bezwijkbelasting, daarbij wordt tevens de 1% ondergrens bepaald. Men vergeet hierbij te vermelden dat dit om laboratoriumsituaties gaat. Ook wordt niet duidelijk gemaakt welk bezwijkmecahnisme van toepassing is. Teneinde een reële sterkte voor de gebruiker in de praktijk te bepalen wordt de veiligheidscoëfficiënt van 2,5 gebruikt. Hiermee bepaalt men de toelaatbare sterkte; dit is een gebruikelijke methodiek (...). In deze wettelijk vastgestelde veiligheidscoëfficiënt worden de volgende aspecten verdisconteerd, welke verschillend zijn bij laboratorium of uitvoerings (praktijk) omstandigheden:

1. spreiding in de materiaal specificaties

2. toleranties en geometrische afwijkingen

3. scheefstanden

4. ongelijkmatige verdeling

5. ongelijkmatige stijfheden

Dit zijn omstandigheden welke in de praktijk voorkomen, maar niet of nauwelijks te beïnvloeden zijn. Vandaar dat door het gebruik van de veiligheidscoëfficiënt de negatieve effecten hiervan verdisconteerd worden. De veiligheidscoëfficiënt is duidelijk niet bedoeld om de ongewenste effecten van het ontbreken van één (of meerdere?) afhanganker(s) te kunnen weerstaan. Deze suggestie wordt echter wel gewekt door te rekenen naar een bezwijkbelasting.

Wanneer een plafond ontworpen wordt, dient men te rekenen met de toelaatbare sterkte. Wanneer zich dan omstandigheden voordoen als hierboven opgesomd, is er statistisch voldoende reserve om de effecten van de omstandigheden op te vangen.

4 Plagyp vs Georg Kimmel

Terecht is door Hageman opgemerkt dat wij zijn uitgegaan van de afhangankers van Plagyp. Op het moment dat wij met spoed ons rapport moesten opleveren hadden wij nog niet de beschikking over de documentatie van Georg Kimmel. Op zich is dit echter niet zo heel relevant, aangezien het probleem zit in het feit dat er een anker ontbreekt.

(...)

3. De vordering

3.1.

De verzekeraars vorderen dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1) voor recht verklaart dat Mat Afbouw aansprakelijk is ten opzichte van hen voor de schade van Hema die het gevolg is van het neerkomen van het plafond op 26 augustus 2010;

2) Mat Afbouw veroordeelt tot betaling aan hen van € 242.341,00, verminderd met het eigen risico van Hema van € 27.418,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

3) Mat Afbouw veroordeelt tot betaling van € 12.820,00 aan expertisekosten aan de verzekeraars, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

4) Mat Afbouw veroordeelt tot betaling van € 4.000,00 aan buitengerechtelijke kosten aan de verzekeraars, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 augustus 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;

5) Mat Afbouw veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De verzekeraars hebben het volgende aan deze vorderingen ten grondslag gelegd. Mat Afbouw, althans haar werknemers (artikel 6:170 BW), heeft (hebben) een brandwerend plafond geplaatst dat niet voldoet. Dat levert niet alleen een tekortkoming op jegens haar opdrachtgever maar ook een onrechtmatige daad jegens Hema. Zij stellen dat zij als verzekeraars van Hema haar schade aan haar hebben vergoed en betogen dat zij daardoor zijn gesubrogeerd in de rechten van Hema jegens Mat Afbouw (artikel 7:962 BW). Zij spreken Mat Afbouw thans aan tot schadevergoeding.

4. De beoordeling

positie eiseressen

4.1.

Mat Afbouw wijst er allereerst op dat de eiseressen verklaren dat zij ‘de verzekeraars van Hema’ zijn, zonder dat toe te lichten en te onderbouwen. Volgens Mat Afbouw blijkt uit niets dat eiseressen vorderingsgerechtigd zijn, waaruit zij concludeert dat zij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.

4.2.

Ter comparitie hebben de verzekeraars onder meer als productie een master agreement and master policy (nummer B0100084967) in het geding gebracht waarin de vijf eisers gezamenlijk voor verschillende delen worden vermeld als het panel of insurers van Hema. Mat Afbouw heeft daarmee geen genoegen genomen, maar heeft verlangd dat verzekeraars ook een ‘lokale polis’ zouden tonen. Bij akte na comparitie hebben de verzekeraars een lokale polis als onderdeel van een internationaal verzekeringsprogramma in het geding gebracht. Mat Afbouw heeft zich vervolgens gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot deze productie. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de overgelegde stukken genoegzaam dat eiseressen inderdaad de verzekeraars van Hema zijn. Daarom faalt het verweer van Mat Afbouw dat zij hun positie niet voldoende hebben toegelicht en onderbouwd.

klachtplicht

4.3.

Mat Afbouw voert voorts het verweer dat de verzekeraars haar veel te laat aansprakelijk hebben gesteld. Zij doet daartoe een beroep op artikel 6:89 BW en betoogt dat dit artikel niet alleen ziet op verbintenissen uit overeenkomst maar ook op verbintenissen uit onrechtmatige daad. De klachttermijn gaat volgens haar lopen op het moment dat verzekeraars bekend waren of redelijkerwijs bekend konden zijn met het vermeende gebrek in de prestatie. Dat moment is volgens Mat Afbouw kort na het bezwijken van het plafond op 26 augustus 2010, zeker gelet op de bevindingen van Raadschelders, die heeft gerapporteerd op 7 september 2010. Mat Afbouw is echter pas aangesproken op 29 mei 2013. Mat Afbouw voert aan dat zij als gevolg daarvan geen gelegenheid meer had om op enigerlei wijze invloed uit te oefenen op schadebeperking en/of herstel van het plafond, zodat zij is benadeeld. De verzekeraars weerspreken dit verweer gemotiveerd, waartoe zij onder meer betogen dat artikel 6:89 BW niet ziet op een vordering uit onrechtmatige daad en voorts dat de lengte van de klachttermijn afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval.

4.4.

Het oordeel hierover luidt als volgt. Weliswaar kan ook degene die wordt aangesproken op grond van onrechtmatige daad zijn wederpartij onder omstandigheden tegenwerpen dat deze niet tijdig heeft geklaagd, maar de aanspraak van die wederpartij dient dan wel te zijn gebaseerd op een gebrek in een prestatie. Zoals hierna te overwegen, kan de vordering van de verzekeraars naar het oordeel van de rechtbank alleen worden toegewezen op grond van een onrechtmatige daad die is gelegen in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Omdat het plegen van een dergelijke onrechtmatige daad geen verband houdt met een gebrek in enige prestatie, althans niet in een prestatie tot levering van Mat Afbouw jegens Hema als schuldeiser, is de bepaling van artikel 6:89 BW hier niet van toepassing. Het beroep op de klachtplicht faalt daarom.

4.5.

Indien over het voorgaande al anders moet worden geoordeeld, en derhalve van een klachtplicht sprake is, geldt dat de verzekeraars c.q. Hema tijdig hebben geklaagd. De verzekeraars waren vrijwel onmiddellijk na het voorval (nog dezelfde dag) bekend met de schade. Zij waren toen evenwel nog niet bekend met Mat Afbouw als mogelijk aansprakelijke partij, zoals kan worden afgeleid uit het rapport van RVJ van 19 september 2011, waarin slechts sprake is van ‘een onderaannemer van Bouwbedrijf Arkel B.V. te Gorinchem’ als bouwer van het plafond. Naar het oordeel van de rechtbank kon van de verzekeraars niet worden verwacht dat zij reeds voor het opruimen van het neergekomen plafond, het aanbrengen van een nieuw plafond en het hervatten van de commerciële activiteiten met Mat Afbouw als mogelijke aansprakelijke partij bekend zouden zijn. Het tijdsverloop sindsdien heeft niet meer geleid tot nadeel voor Mat Afbouw. Reeds daarom faalt het beroep op de klachtplicht. Als dat al anders is, dan wordt overwogen dat de heer [X] , directeur/eigenaar van Mat Afbouw, ter comparitie heeft verklaard dat hij nog de avond waarop het plafond naar beneden is gekomen is gebeld en dat hij de volgende ochtend de schade heeft opgenomen, waarbij hij foto’s heeft genomen, die overeenkomen met de foto’s uit het rapport van de verzekeraars. Ook is hij toen naar eigen zeggen door aanwezige experts gewezen op de situatie, waaronder de ontbrekende hanger. Mat Afbouw is aldus direct na het voorval bij de zaak betrokken. Het is bovendien Mat Afbouw zelf geweest die het plafond heeft hersteld. Hieruit wordt geconcludeerd dat Mat Afbouw niet is benadeeld door het tijdsverloop tot aan het moment waarop de verzekeraars haar hebben aangesproken. Het beroep op de klachtplicht zou ook op die grond falen.

vordering gegrond op onrechtmatige daad

4.6.

De verzekeraars stellen dat het aanbrengen van een gipsplatenplafond dat niet voldeed niet alleen een toerekenbare tekortkoming oplevert van Mat Afbouw jegens haar opdrachtgever, maar ook een onrechtmatige daad jegens Hema. De verzekeraars baseren zich hiertoe op het arrest van de Hoge Raad van 24 september 2004, NJ 2008, 587 (Alog/Vleesmeesters) en stellen dat Mat Afbouw wist of behoorde te weten dat in het pand een winkel zou worden gevestigd en voorts dat Mat Afbouw er rekening mee had moeten houden dat het plafond met extra gewicht zou worden verzwaard.

4.7.

Volgens Mat Afbouw levert een toerekenbaar tekortschieten jegens een contractant in beginsel geen onrechtmatige daad op jegens derden en is dat slechts anders onder bijzondere omstandigheden, die zich hier niet voordoen. Zij betwist dat zij wist of behoorde te weten dat er in het pand een winkel van Hema zou worden gevestigd en voorts dat zij er rekening mee had moeten houden dat het plafond zou worden verzwaard met extra gewicht. Zij wijst verder op een uitspraak van de rechtbank Overijssel van 24 december 2014 (NJF 2015, 355), waarin zij de juistheid van haar verweer bevestigd ziet.

4.8.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. Het criterium dat de Hoge Raad heeft gegeven in het genoemde arrest van 24 september 2004 ziet op gevallen waarin iemand zich contractueel heeft gebonden, waardoor de contractverhouding waarbij hij partij is in het rechtsverkeer een schakel is gaan vormen waarmee de belangen van derden, die aan dit verkeer deelnemen, in allerlei vormen kunnen worden verbonden. Een dergelijk geval doet zich hier niet voor. De contractverhouding tussen Mat Afbouw en haar opdrachtgever is immers niet in het rechtsverkeer een schakel gaan vormen waarmee de belangen van Hema (of bijvoorbeeld een willekeurige werknemer of klant van Hema) als deelnemer aan dat rechtsverkeer zijn verbonden. De vordering van de verzekeraars is dus niet toewijsbaar op de grondslag dat de toerekenbare tekortkoming van Mat Afbouw in de nakoming van haar overeenkomst met haar opdrachtgever tevens een onrechtmatige daad oplevert jegens Hema.

4.9.

Dat neemt niet weg dat het monteren van een gipsplatenplafond dat niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet als gevolg waarvan het gevaar dreigt dat het naar beneden komt op zichzelf (dus los van enige overeenkomst) in strijd kan zijn met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt en aldus een onrechtmatige daad kan opleveren jegens degene die daardoor schade lijdt. De rechtbank zal met toepassing van artikel 25 Rv nagaan of dat hier het geval is. Het oordeel hierover hangt er mede van af of (in hoeverre) de verwijten die de verzekeraars Mat Afbouw maken met betrekking tot het door haar aangebrachte gipsplatenplafond terecht zijn.

drie verwijten

4.10.

De verzekeraars maken Mat Afbouw ter zake van het door haar aangebrachte plafond drie verwijten:

1) Mat Afbouw heeft de hangers gemonteerd met een te grote hart-op-hart afstand;

2) er ontbrak een hanger die niet had mogen ontbreken;

3) het door Mat Afbouw aangebrachte gipsplatenplafond had berekend moeten zijn op extra gewicht, en anders had Mat Afbouw moeten waarschuwen dat het daar niet op berekend was.

4.11.

De drie verwijten worden hieronder beoordeeld (in de volgorde 1, 3, 2)

hart-op-hart afstand

4.12.

Het verwijt dat de hangers zijn gemonteerd met een te grote hart-op-hart afstand is gebaseerd op het door Raadschelders in haar rapport van 7 september 2010 gehanteerde uitgangspunt dat Mat Afbouw gebruik heeft gemaakt van hangers van PlaGyp. Mat Afbouw heeft daartegen ingebracht dat zij geen hangers van PlaGyp heeft gebruikt maar hangers van Georg Kimmel, en dat daarom de conclusies van Raadschelders over de hart-op-hart afstanden niet juist zijn. Ter comparitie is van de zijde van de verzekeraars betoogd dat het niet relevant is welk type hanger is gebruikt. Zij hebben daarbij verwezen naar het memo van Raadschelders van 25 mei 2016, punt 4. Daar staat dat het gebruikte type hanger ‘op zich niet zo heel relevant’ is, ‘aangezien het probleem zit in het feit dat er een anker ontbreekt’. De rechtbank leidt hieruit af dat de verzekeraars het verwijt dat Mat Afbouw te grote hart-op-hart afstanden heeft gebruikt niet handhaven.

extra gewicht

4.13.

De verzekeraars lichten het verwijt dat Mat Afbouw rekening had moeten houden met extra gewicht aan het gipsplatenplafond als volgt toe. Volgens hen was het voor een professioneel bedrijf als Mat Afbouw redelijkerwijs voorzienbaar dat aan het gipsplatenplafond een systeemplafond met lichtarmaturen en een airco zou worden gehangen. Volgens de verzekeraars oogt een gipsplatenplafond natuurlijk niet representatief in een winkel, terwijl het voorts niet aannemelijk is dat een winkel geen lichtarmaturen en airco zou aanbrengen. Als Mat Afbouw al niet een gipsplatenplafond had moeten aanbrengen dat berekend was op extra gewicht, dan had zij volgens de verzekeraars op zijn minst moeten waarschuwen dat het gipsplatenplafond geen extra gewicht kon dragen, bijvoorbeeld met stickers.

4.14.

Mat Afbouw betwist dat zij er rekening mee had moeten houden dat er nog een systeemplafond met lichtarmaturen en een airco aan het gipsplatenplafond zou worden gehangen. Zij voert daartoe aan dat zij niet de instructie gekregen dat het gipsplatenplafond berekend moest zijn op extra gewicht. Zij betoogt verder dat het volstrekt onbegrijpelijk, onverstandig, onverantwoord en onjuist is dergelijke zware objecten aan een gipsplatenplafond te hangen. Deze moeten volgens haar aan een constructief plafond worden gehangen. Bovendien wist Mat Afbouw ten tijde van de opdracht niet waarvoor de ruimte gebruikt zou worden. Mat Afbouw betwist ook dat zij had moeten waarschuwen.

4.15.

De rechtbank volgt de verzekeraars niet in hun betoog dat Mat Afbouw er rekening mee had moeten houden dat aan het gipsplatenplafond een systeemplafond met lichtarmaturen en een airco zou worden bevestigd. Dat dit is opgenomen in de opdracht die Mat Afbouw heeft gekregen, is gesteld noch gebleken. Dat gipsplatenplafonds in het algemeen zo moeten worden gemonteerd dat zij dit extra gewicht kunnen dragen, kan evenmin worden aangenomen. Raadschelders rapporteert dat hierover geen regelgeving is. De enkele omstandigheid dat een gipsplatenplafond niet representatief is (hetgeen overigens is betwist), is daarvoor niet voldoende. De verzekeraars hebben niet voldoende gemotiveerd gesteld dat het systeemplafond met de lichtarmaturen en de airco niet op een andere manier dan aan het gipsplatenplafond konden worden gemonteerd, bijvoorbeeld aan het constructieve plafond of aan de muren. Weliswaar hebben zij aangevoerd dat in een gipsplatenplafond geen gaten mogen worden aangebracht, maar zij hebben niet betwist dat dit na herstel wel is gebeurd. Dit verwijt is dus niet terecht. Hetzelfde geldt voor het verwijt dat Mat Afbouw had moeten waarschuwen, bijvoorbeeld met stickers. Het ligt veeleer op de weg van degene die het gipsplatenplafond belast met extra gewicht om er niet zonder meer van uit te gaan dat het gipsplatenplafond daarop is berekend maar van tevoren te onderzoeken of dat het geval is. De conclusie is dat de verzekeraars Mat Afbouw ten onrechte verwijten dat het plafond niet was berekend op extra gewicht en dat Mat Afbouw daarvoor niet heeft gewaarschuwd.

ontbrekende hanger

4.16.

Het verwijt dat er een hanger ontbrak is gebaseerd op het rapport van Raadschelders van 7 september 2010. Daarin zijn kleurenfoto’s opgenomen waarop de positie van de ontbrekende hanger zichtbaar is. Voorts wordt daarin gerapporteerd dat er ondanks zoeken in de restanten geen hanger is aangetroffen. Mat Afbouw betwist dat er een hanger ontbrak. Het zou volgens haar kunnen dat de hanger er heeft gehangen maar met het plafond naar beneden is gekomen. Zij voert voorts aan dat zij uit de foto’s niet duidelijk kan opmaken dat er een hanger heeft ontbroken en dat dit achteraf niet meer is vast te stellen. Mooren heeft ter comparitie desgevraagd verklaard dat hij de dag na het voorval ter plaatse is geweest en door de experts is gewezen op hetgeen op de foto’s genummerd 16 en 17 zichtbaar is. Hij heeft niet verklaard dat hij toen tekenen van het loskomen van een hanger heeft gezien (bijvoorbeeld indrukken in het hout, splinters, verwijde boorgaten). Aldus heeft Mat Afbouw de onderbouwde stelling van de verzekeraars naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd betwist. Op de foto’s genummerd 16 en 17, bij akte in kleur in het geding gebracht, is goed te zien dat even naast de plaats waar volgens het patroon een hanger had moeten hangen slechts drie gave boorgaten zijn aangebracht. Sporen van het loskomen van een hanger als gevolg van het neerkomen van het plafond ontbreken. Op grond van het voorgaande staat in deze procedure vast dat de hanger op die plek ontbrak en dat dit het gevolg is van een nalatigheid van Mat Afbouw.

onrechtmatigheidsoordeel

4.17.

Aangenomen mag worden dat Mat Afbouw zich bij het aanbrengen van een gipsplatenplafond bewust is van het gevaar dat dit kan vallen en dat zij probeert het risico daarop te beperken tot aanvaardbare proporties. Voorts zal zij zich realiseren dat de schade aanmerkelijk kan zijn als het risico zich niettemin verwezenlijkt (tot personenschade aan toe). Het mag dan ook van Mat Afbouw worden verwacht dat zij bij het aanbrengen van het gipsplatenplafond te werk gaat volgens de toepasselijke voorschriften en binnen de geldende normen, dat wil zeggen dat zij op alle daarvoor bestemde plaatsen hangers monteert. Door dat in dit geval niet te doen maar na te laten een hanger op de daarvoor bestemde plek te monteren, met het risico dat de draagkracht van deze hangers voor dit gipsplatenplafond onvoldoende zou zijn en het gipsplatenplafond daardoor zou vallen met mogelijk ernstige schade tot gevolg, heeft Mat Afbouw naar het oordeel van de rechtbank gehandeld in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarom is zij gehouden de schade te vergoeden die Hema dientengevolge lijdt. Aan dit oordeel doet niet af dat het gipsplatenplafond bij oplevering is goedgekeurd, dat er toen niet over de montage is geklaagd en ook niet binnen twee jaar nadien (de garantietermijn) en verder dat het gipsplatenplafond van begin 2007 tot en met augustus 2010 probleemloos heeft gefunctioneerd, zelfs met het eraan gehangen systeemplafond met lichtarmaturen en airco.

condicio sine qua non-verband, bewijslast, ‘omkeringsregel’

4.18.

Mat Afbouw betoogt met een beroep op het aanvullende bericht van Hageman dat het ontbreken van een hanger niet de oorzaak kan zijn geweest van het naar beneden komen van het plafond, omdat de belasting op de overige hangers vermeerderd met de extra belasting doordat er een hanger ontbreekt veel lager is dan de belasting waaronder het systeem zou bezwijken. Het effect van het gewicht van het systeemplafond met lichtarmaturen en een airco die aan het gipsplatenplafond zijn gehangen, is volgens haar veel groter. Zij betwist aldus gemotiveerd het causale verband tussen de haar verweten nalatigheid (een hanger niet ophangen) en het ontstaan van de schade (het naar beneden komen van het plafond). Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv dienen de verzekeraars dat causale verband te bewijzen. Zij beroepen zich immers op de rechtsgevolgen daarvan, te weten dat Mat Afbouw gehouden is schade te vergoeden.

4.19.

Volgens de verzekeraars moet in dit geval de ‘omkeringsregel’ worden toegepast. Daarmee doelen zij op de door de Hoge Raad in een reeks van arresten aanvaarde ‘regel’ die inhoudt dat indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband, in de zin van condicio sine qua non-verband, tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven en dat het aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken, is om te stellen en te bewijzen (aannemelijk te maken) dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Voor toepassing van deze ‘regel’ is alleen plaats als het gaat om schending van een norm die ertoe strekt een specifiek gevaar ter zake van het ontstaan van schade bij een ander te voorkomen en als dit gevaar door de normschending in het algemeen aanmerkelijk wordt vergroot. De verzekeraars betogen dat bij het aanbrengen van een gipsplatenplafond daadwerkelijk hangers dienen te worden gemonteerd op alle daarvoor bestemde plekken en dat dit is gebaseerd op een veiligheidsnorm die beoogt bescherming te bieden tegen het specifieke gevaar dat er schade ontstaat doordat het plafond onvoldoende draagkracht heeft en bezwijkt. Dat gevaar heeft zich volgens haar hier verwezenlijkt (spreekaantekeningen mr. Jongkind bladzijde 3 bovenaan). De rechtbank volgt hen hier niet in. De door de verzekeraars geformuleerde norm dient er naar het oordeel van de rechtbank toe bescherming te bieden tegen het specifieke gevaar dat er schade ontstaat doordat de draagkracht van de gemonteerde hangers onvoldoende is voor uitsluitend het aan die hangers bevestigde gipsplatenplafond, dus niet voor een gipsplatenplafond met daaraan bevestigd een systeemplafond, lichtarmaturen en een airco. Of het in dit gevaar gelegen risico zich heeft verwezenlijkt, kan vooralsnog niet worden aangenomen. Het is immers niet alleen het gipsplatenplafond dat naar beneden is gekomen, maar het gipsplatenplafond met daaraan bevestigd het systeemplafond, lichtarmaturen en airco, en het is aannemelijk dat het extra gewicht daarvan een rol heeft gespeeld bij het neerkomen van het geheel. Daarom is het, gelet op de bescherming die de door de verzekeraars geformuleerde norm naar het oordeel van de rechtbank beoogt te bieden, niet redelijk er (behoudens tegenbewijs) van uit te gaan dat het neerkomen van het plafond het gevolg moet zijn geweest van de normschending (het ontbreken van een hanger). Er is daarom niet voldaan aan de voorwaarden waaronder de ‘omkeringsregel’ geldt.

4.20.

Alle beslissingen worden aangehouden in afwachting van bewijslevering.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt de verzekeraars op te bewijzen dat het gipsplatenplafond is neergekomen als gevolg van het ontbreken van een hanger (condicio sine qua non-verband);

5.2.

bepaalt dat, voor zover de verzekeraars dit bewijs door middel van getuigen willen leveren, het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de terechtzitting van mr. J.R. Veerman in het Paleis van Justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 9 november 2016 voor het opgeven door de verzekeraars van de getuigen en van hun respectieve verhinderdagen, alsmede de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de vrijdagen in de maanden november 2016 tot en met februari 2017, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.4.

verwijst voor het geval de verzekeraars op die roldatum hebben medegedeeld geen getuigenbewijs te willen leveren of geen getuigen of verhinderdata hebben opgegeven de zaak naar de achtste rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor vonnis of, maar alleen indien de verzekeraars daarom op de onder 5.3 bedoelde roldatum heeft verzocht, naar de zesde rolzitting na de dag waarop dit vonnis is uitgesproken voor het nemen van een conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aan de zijde van verzekeraars, waarbij deze desgewenst ook het bewijs schriftelijk kunnen leveren,

5.5.

bepaalt voorts dat de partijen bij de getuigenverhoren aanwezig zullen zijn en, indien daartoe naar het oordeel van de rechter aanleiding bestaat, tijdens en/of na de getuigenverhoren voor de rechter zullen verschijnen om aan deze inlichtingen over de zaak te geven en deze te laten onderzoeken of de partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden,

5.6.

bepaalt dat de partijen alle schriftelijke (bewijs)stukken die zij nog in het geding willen brengen uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor in fotokopie aan de andere partij en aan de rechtbank toegezonden moeten hebben,

5.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2016.