Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5998

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-11-2016
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 6862
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015, huishoudelijke hulp, algemene voorziening.

Geen volwaardig alternatief, nu niet in geschil is dat eiseres beperkt is, dat de medische situatie niet is verbeterd en dat zij onveranderd gedurende vier uren per week huishoudelijke hulp nodig heeft. Aangezien de algemene voorziening huishoudelijke hulp slechts ziet op huishoudelijke hulp gedurende 2,2 uren per week is deze daarom niet toereikend.

De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit ook om een andere reden onjuist is. Weliswaar is het in beginsel mogelijk om huishoudelijke hulp aan te bieden in de vorm van een algemene voorziening, maar aan de vaststelling dat dit in het concrete geval mogelijk is worden grenzen gesteld. In rechtsoverweging 4.5.5 van de uitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1404) heeft de CRvB in dat verband overwogen dat als maatschappelijke ondersteuning ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid noodzakelijk is, onderzocht dient te worden of een algemene voorziening, indien deze in de gemeente bestaat, voor de betrokkene ook financieel haalbaar is.

Verweerder heeft in het geval van eiseres nagelaten een onderzoek naar de financiële situatie van eiseres in te stellen.

Beroep gegrond, verweerder moet een nieuw besluit op bezwaar nemen. Met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb wordt een voorlopige voorziening getroffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2017/19
JG 2016/70 met annotatie van mw. mr. E.E. Schaake
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/6862

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. E.T. 't Jong),

en

[verweerder] te [plaats], verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2015 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij met ingang van 1 juli 2015 niet (meer) in aanmerking komt voor de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp.

Bij besluit van 21 juli 2015 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij per 1 juli 2015 onder de vangnetregeling Algemene Voorziening Huishoudelijke Hulp valt.

Bij besluit van 12 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L. Bolhuis en mr.drs. T.H.G. Robbe.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres had vanwege haar fysieke klachten en beperkingen huishoudelijke hulp, laatstelijk voor vier uren per week, en heeft een verlenging van die huishoudelijke hulp aangevraagd.

2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beleid ter zake van huishoudelijke hulp is gewijzigd en dat eiseres gebruik kan maken van de algemene voorziening huishoudelijke hulp, welke inhoudt dat gedurende 2,2 uren per week tegen een gereduceerd tarief gebruik kan worden gemaakt van huishoudelijke hulp. Deze hulp is van gemeentewege georganiseerd en wordt verstrekt door een aantal gecontracteerde zorgaanbieders. Eiseres komt daarom per 1 juli 2015 niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening. Wel heeft verweerder eiseres op 21 juli 2015 meegedeeld dat zij onder de vangnetregeling valt en dat zij gedurende 2,2 uren per week gebruik kan maken van de algemene voorziening huishoudelijke hulp tegen een verdergaand gereduceerd tarief van € 5 euro per uur.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en heeft dit gemotiveerd aangevochten. Zij heeft enerzijds aangevoerd dat de algemene voorziening niet volstaat en anderzijds dat deze niet bereikbaar en beschikbaar is voor haar.

4. Op grond van de Wmo 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Deze ondersteuning moet erop zijn gericht dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven.

Ingevolge artikel 2.3.1 van de Wmo 2015 draagt verweerder er zorg voor dat aan personen die daarvoor in aanmerking komen, een maatwerkvoorziening wordt verstrekt.

Ingevolge artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015, beslist verweerder tot verstrekking van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, dan wel met gebruikmaking van algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

5. De Centrale Raad van Beroep heeft, mede gelet op de geconstateerde verschillen in de rechtspraak hierover (ECLI:NL:RBZWB:2016:10 en ECLI:NL:RBGEL:2015:7847), in zijn uitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1402) de vraag beantwoord of huishoudelijke hulp een prestatie is die onder de Wmo 2015 valt. De CRvB heeft deze vraag bevestigend beantwoord. Overwogen is dat de wetsgeschiedenis geen enkel aanknopingspunt bevat dat de wetgever op dit punt heeft willen breken met de Wmo (zoals deze voor 1 januari 2015 gold) en evenmin dat het voeren van een gestructureerd huishouden als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 niet mede de zorg voor het schoon en op orde houden van het huishouden zou omvatten, alsook de zorg voor het kunnen beschikken over schoon beddengoed en schone kleding.

6. In een andere uitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1404) heeft de CRvB in rechtsoverweging 4.5.3 het volgende overwogen:

“Volgens artikel 2.2.3 van de Wmo 2015 moet het college, ter uitvoering van het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2, tweede lid, van de Wmo 2015 algemene voorzieningen bevorderen en treffen ter bevordering van onder meer de zelfredzaamheid. In de memorie van toelichting bij de Wmo 2015 is in paragraaf 3.5 over algemene voorzieningen het volgende opgenomen (kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 34): ‘De gemeente is vrij in de keuze welke algemene voorzieningen zij treft. De regering kan zich bijvoorbeeld voorstellen dat gemeenten ervoor kiezen om in bepaalde situaties ondersteuning in het huishouden of sociaal vervoer in de vorm van een algemene voorziening aan te bieden. Door deze ondersteuning in de vorm van een algemene voorziening aan te bieden, kan de gemeente voorzien in een door de gemeente nader in te vullen niveau van ondersteuning als het gaat om bijvoorbeeld de kwaliteit, de beschikbaarheid en de voor de ingezetenen daaraan verbonden kosten. Doordat het treffen van algemene voorzieningen gericht op maatschappelijke ondersteuning onderdeel moet uitmaken van het periodiek door de gemeenteraad vast te stellen plan, wordt ook benadrukt dat een algemene voorziening in de daarvoor geschikte situaties een voorliggend en volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening. Of dit in een individueel geval ook zo is, onderzoekt de gemeente indien door of namens een betrokkene een melding is gedaan dat deze maatschappelijke ondersteuning nodig heeft. Een cliënt die naar het oordeel van de gemeente voor een specifieke vorm van ondersteuning gebruik kan maken van een algemene voorziening, komt dus niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening voor die ondersteuning.’ De Raad leidt hieruit af dat een gemeente ervoor kan kiezen om huishoudelijke verzorging aan te bieden in de vorm van een algemene voorziening en dat deze voorziening in dat geval als basisvoorziening voorliggend kan zijn op een eventueel in aanvulling daarop te verstrekken maatwerkvoorziening indien deze noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid van de betrokken cliënt. Door een zodanig systeem neer te leggen in de Verordening heeft de gemeenteraad niet in strijd gehandeld met de Wmo 2015.”

7. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 en de onder 6 weergegeven passage uit de uitspraak van de CRvB, verweerder heeft miskend dat, indien door of namens een betrokkene een melding is gedaan dat deze maatschappelijke ondersteuning nodig heeft, in dat geval door verweerder moet worden onderzocht of de algemene voorziening een volwaardig alternatief is voor een maatwerkvoorziening. Dat heeft verweerder niet gedaan. De rechtbank is voorts van oordeel dat van een volwaardig alternatief geen sprake is, nu niet in geschil is dat eiseres beperkt is, dat de medische situatie niet is verbeterd en dat zij onveranderd gedurende vier uren per week huishoudelijke hulp nodig heeft. Aangezien de algemene voorziening huishoudelijke hulp slechts ziet op huishoudelijke hulp gedurende 2,2 uren per week is deze daarom niet toereikend.

8. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit ook om een andere reden onjuist is. Weliswaar kan uit hetgeen onder 6 is overwogen worden afgeleid dat het in beginsel mogelijk is om huishoudelijke hulp aan te bieden in de vorm van een algemene voorziening, maar aan de vaststelling dat dit in het concrete geval mogelijk is worden grenzen gesteld. In rechtsoverweging 4.5.5 van de uitspraak van 18 mei 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1404) heeft de CRvB in dat verband overwogen dat als

maatschappelijke ondersteuning ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid noodzakelijk is, onderzocht dient te worden of een algemene voorziening, indien deze in de gemeente bestaat, voor de betrokkene ook financieel haalbaar is.

Eiseres heeft aangevoerd dat de algemene voorziening niet bereikbaar en beschikbaar is en daarmee gedoeld op het feit dat deze te duur voor haar is. Onder deze omstandigheden mag verweerder er niet zonder nader onderzoek vanuit gaan dat eiseres verwezen kan worden naar de algemene voorziening. Verweerder heeft in het geval van eiseres nagelaten een onderzoek naar de financiële situatie van eiseres in te stellen.

9. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank kan niet zelf in de zaak voorzien, aangezien verweerder nog het hiervoor bedoelde onderzoek naar de financiële situatie van eiseres dient te verrichten. De rechtbank beschikt derhalve niet over de benodigde informatie om ter zake zelf te voorzien. Verweerder zal met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.

De rechtbank ziet evenwel, nu gebleken is dat eiseres onveranderd vier uren huishoudelijke hulp per week nodig heeft, aanleiding om op grond van het bepaalde in artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht tot zes weken na verzending van het nieuwe besluit op bezwaar een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat aan eiseres de maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp gedurende vier uren per week wordt toegekend.

10. De gemaakte proceskosten komen, gezien het voorgaande, voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 992 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Tevens dient verweerder het betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuw besluit op bezwaar neemt;

- treft de voorlopige voorziening dat verweerder eiseres tot zes weken na verzending van het nieuwe besluit op bezwaar huishoudelijke hulp toekent gedurende vier uren per week;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht groot € 45 aan haar vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 992.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W.C.A. Bruggeman, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.M. Litjens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

Griffier

Rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.