Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5990

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-11-2016
Datum publicatie
27-12-2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1529
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2017:8971, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Geen samenvatting, publicatie op verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/1529

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

11 november 2016 in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 24 december 2015 op het bezwaar van eiser tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting voor het tijdvak 1 februari 2010 tot en met 31 december 2011, en de daarbij gelijktijdig opgelegde boetebeschikking.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2016.

Eiser is verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde] .

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep tegen de boetebeschikking gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar voor zover deze ziet op de boetebeschikking;

  • -

    vermindert de boete tot € 2.155;

  • -

    verklaart het beroep tegen de naheffingsaanslag ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Eiser drijft sinds [2010] een eenmanszaak onder de naam ‘ [A] ’. De ondernemingsactiviteiten bestaan uit handel in gebruikte meubelen en bemiddeling voor diverse uitzendbureaus.

2. Verweerder is op 4 maart 2013 een onderzoek gestart naar onder meer de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting over de tijdvakken 1 februari 2010 tot en met 31 december 2011 en 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012. De reden voor het onderzoek is gelegen in het feit dat eiser over meerdere jaren maandelijks nihilaangiften heeft ingediend voor de omzetbelasting. Ook heeft hij suppletieaangiften ingediend waarbij bedragen zijn teruggevraagd doch waaruit niet blijkt of eiser enige omzet heeft genoten.

Van de bevindingen van het boekenonderzoek is op 17 maart 2014 een controlerapport opgemaakt. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder de volgende naheffingsaanslagen omzetbelasting en vergrijpboetes opgelegd (de nummering van de thans relevante correcties is overgenomen uit het rapport boekenonderzoek):

Correctie

Naheffingsaanslag 2010

Naheffingsaanslag 2011

Boete

Correctie 2: meer omzet (verkoop [B] ad

€ 82.000)

€ 19.798

€ 9.899

Correctie 3: meer omzet (privéstorting

ad € 18.000)

€ 2.874

€ 1.437

Correctie 5: minder voorbelasting (inkoop [C] )

€ 6.479

€ 1.619,75

3. In de motivering van de uitspraak op bezwaar heeft verweerder de gecorrigeerde omzetbelasting met betrekking tot de verkoop van [B] verminderd tot € 6.705 (de naheffingsaanslag is berekend over een omzet van € 42.000). In de beschikking van 24 december 2015, waarin de motivering in cijfers is omgezet, is de nageheven omzetbelasting verminderd van € 29.151 tot € 9.579 en de boete van € 12.955 tot € 3.113. Verweerder heeft verder vermeld dat de correctie voor 2011 met betrekking tot [C] kan vervallen, evenals de boete daarvoor.

Ontvankelijkheid beroep

4. Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) vangt de termijn voor het instellen van beroep aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar.

5. Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

6. De uitspraak op bezwaar dateert van 24 december 2015. Er is geen reden aan te nemen dat zij later is verzonden. Op grond van artikel 26c van de AWR eindigde de termijn voor het indienen van een beroepschrift daarom op 4 februari 2016. Het beroepschrift - dat eiser in eerste instantie naar verweerder heeft gestuurd - is op 10 februari 2016 door verweerder ontvangen en dus niet binnen de beroepstermijn. Desgevraagd heeft eiser ter zitting verklaard dat hij niet meer weet of hij het beroepschrift ook op de datum van dagtekening (3 februari 2016) ter post heeft bezorgd. Nu het beroepschrift door verweerder niet binnen de beroepstermijn is ontvangen en eiser niet meer weet of hij het beroepschrift tijdig ter post heeft bezorgd, is de rechtbank van oordeel dat het beroepschrift te laat is ingediend.

7. Eiser heeft aangevoerd dat hij in september 2015 hartklachten heeft gekregen en dat hij toen aan zijn hart is geopereerd en een pacemaker heeft gekregen. Daarna was nog enige tijd gemoeid met het (lichamelijk) herstel van eiser. Volgens eiser had hij er in februari 2016 nog steeds veel last van. De rechtbank is daarom met verweerder van oordeel dat de medische klachten van eiser in dit geval de overschrijding van de beroepstermijn verschoonbaar maken als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb.

Het beroep is daarom voor zowel de naheffingsaanslag als de boete ontvankelijk.

De rechtbank gaat daarom over tot een inhoudelijke beoordeling van de onderhavige zaak.

Naheffingsaanslag

8. In beroep spitst het geschil zich toe op de na uitspraak op bezwaar overgebleven twee correcties voor het jaar 2010 ter zake van de verkoop van [B] en de privéstorting (correcties 2 en 3 in het rapport boekenonderzoek). De correctie over het jaar 2011 (met betrekking tot de inkoop van [C] ) en de in dit verband opgelegde boete zijn bij uitspraak op bezwaar verminderd tot nihil. De correctie en de boete over het jaar 2011 zijn daarom niet meer in geschil. Daarnaast is aan de orde of de bewijslast moet worden omgekeerd en verzwaard en of verweerder terecht en tot de juiste hoogte een boete heeft opgelegd.

9. Artikel 27e, eerste lid, van de AWR bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien de vereiste aangifte niet is gedaan het beroep ongegrond wordt verklaard, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is (‘de omkering en verzwaring van de bewijslast’).

10. Verweerder heeft gesteld dat sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast, omdat eiser niet de juiste aangifte heeft gedaan, gelet op het doen van nihilaangiften en negatieve suppletieaangiften terwijl hij in werkelijkheid omzet heeft behaald met de verkoop van meubels.

11. Bij inhoudelijke gebreken in een aangifte kan slechts dan worden aangenomen dat de vereiste aangifte niet is gedaan, indien aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast is vastgesteld dat sprake is van één of meer gebreken die ertoe leiden dat de volgens de aangifte verschuldigde belasting verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde belasting. Tevens is vereist dat het bedrag van de belasting dat als gevolg van de gebreken in de aangifte niet zou zijn geheven, op zichzelf beschouwd aanzienlijk is. Inhoudelijke gebreken in de aangifte worden voor de toepassing van deze regels slechts in aanmerking genomen indien de belastingplichtige ten tijde van het doen van de aangifte wist of zich ervan bewust moest zijn dat daardoor een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde belasting niet zou worden geheven. Ook dit moet worden vastgesteld aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast. Vergelijk HR 30 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH1083, BNB 2010/47.

12. Ten aanzien van de omzetcorrectie over de ontvangen koopsom van [B] te [Q] (België) overweegt de rechtbank als volgt. Uit de overgelegde stukken en uit het verhandelde ter zitting volgt dat [B] € 42.000 contant aan eiser heeft betaald voor een aantal meubels die eiser heeft geleverd. In totaal was [B] voor de meubels € 82.000 verschuldigd, maar vanwege zijn faillissement heeft hij slechts € 42.000 betaald. Ter zitting heeft eiser deze (contante) betaling erkend. Ten aanzien van de geleverde meubels heeft eiser geen omzetbelasting afgedragen. Eiser heeft toegelicht dat de levering van meubels betrekking heeft op een intracommunautaire levering aan een bedrijf in België en dat deze levering daarom is belast met 0% btw. De bewijslast dat sprake is van een intracommunautaire levering rust op eiser (artikel 9, tweede lid, sub b en Tabel II onder a post 6 van de Wet op de omzetbelasting 1968 en artikel 12, eerste lid en tweede lid, sub a ten 2e van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting). Eiser heeft geen bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat de meubels daadwerkelijk het grondgebied van Nederland hebben verlaten en naar België zijn vervoerd. Daarom heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een intracommunautaire levering en dat om die reden het 0% tarief van toepassing is. Verweerder heeft aldus terecht een bedrag van € 6.705 nageheven over het contant betaalde bedrag van € 42.000 in verband met de verkoop van [B] .

13. Gelet op het onder 12. vermelde acht de rechtbank het aannemelijk dat het verschil tussen hetgeen eiser aan omzet heeft aangegeven (nihil) en de daadwerkelijk verschuldigde omzetbelasting van € 6.705 leidt tot een bedrag aan verschuldigde maar niet aangegeven belasting dat zowel absoluut als relatief aanzienlijk is. Ook acht de rechtbank aannemelijk dat eiser zich als ondernemer ervan bewust moest zijn dat door het achterwege laten van de juiste aangifte een aanzienlijk bedrag aan belasting niet is betaald. De rechtbank is op basis hiervan van oordeel dat eiser niet de vereiste aangifte heeft gedaan, zodat de bewijslast voor wat betreft de privéstorting wordt omgekeerd en verzwaard. Dit betekent dat eiser moet bewijzen dat de uitspraak op bezwaar ter zake van de gecorrigeerde privéstorting onjuist is.

Eisers enkele verklaring ter zitting dat de privéstorting een overboeking van zijn spaargeld betreft en geen behaalde omzet behelst, is daarvoor onvoldoende. Hij heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen dat de uitspraak op bezwaar onjuist is.

14. Beoordeeld dient dan te worden of de naheffingsaanslag berust op een redelijke schatting. De rechtbank stelt voorop dat in dit kader van verweerder slechts kan worden verlangd dat de schatting redelijk is, dat wil zeggen niet naar willekeur is vastgesteld (zie Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3291). Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat het bedrag van € 18.000 dat van zijn privérekening naar zijn zakelijke rekening is overgemaakt geen omzet betrof maar spaargeld dat hij in de onderneming heeft gestopt. Verweerder acht deze verklaring van eiser niet aannemelijk vanwege de grote hoeveelheid contante transacties binnen eisers onderneming en het feit dat de administratie niet op orde was. De rechtbank volgt verweerder hierin en is daarom van oordeel dat verweerders schatting over de behaalde omzet van € 18.000 niet onredelijk is. Het nageheven bedrag daarover van € 2.874 blijft dus in stand.

Boete

15. Aan eiser is een boete wegens opzet opgelegd op grond van artikel van artikel 67f van de AWR. In paragraaf 25, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) is bepaald dat de boete in het geval van opzet (maximaal) 50 procent bedraagt van de nageheven belasting. In paragraaf 25, tweede lid, van het BBBB is bepaald dat de boete in het geval van grove schuld (maximaal) 25 procent bedraagt van de nageheven belasting. Verweerder heeft primair gesteld dat sprake is van opzet en subsidiair van grove schuld van eiser. De bewijslast dat sprake is van opzet of grove schuld rust - ook nu de bewijslast ter zake van de naheffingsaanslag omzetbelasting moet worden omgekeerd en verzwaard - op verweerder.

16. Eiser heeft aangevoerd dat hij volledig vertrouwde op zijn boekhouder ten aanzien van de juiste indiening van de aangiften omzetbelasting. Hij heeft gedurende de vele jaren die hij als ondernemer actief is (sinds de jaren ’80) altijd vertrouwd op de deskundige bijstand van een boekhouder. Hij had echter in de onderhavige periode een andere boekhouder dan de boekhouder die hij in het verleden had. Ter zitting heeft eiser toegegeven dat hij achteraf gezien ten onrechte heeft vertrouwd op de deskundige bijstand van de door hem ingeschakelde boekhouder. Eiser was verder ook niet bekend met de vereisten waaraan hij moest voldoen om bij een intracommunautaire levering toepassing te mogen geven aan het tarief van 0%. Verweerder heeft om die reden het standpunt ingenomen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet dan wel grove schuld aan de zijde van eiser omdat hij zelf controle had moeten uitoefenen op zijn boekhouding en de werkzaamheden die zijn boekhouder in dit verband uitvoerde.

17. Gelet op de uitlatingen van eiser ter zitting en verweerders reactie daarop zoals hiervoor (onder 16.) weergegeven acht de rechtbank niet bewezen dat eiser opzettelijk onjuist aangifte omzetbelasting heeft gedaan. Eiser heeft, zoals hij reeds vele jaren heeft gedaan, vertrouwd op de deskundigheid van zijn boekhouder. Dat vertrouwen was ongefundeerd en eiser had beter moeten weten door zich nader te verdiepen in de boekhouding en de ingediende aangiften omzetbelasting. Eiser heeft, door die nadere verdieping achterwege te laten en blind te varen op de uitlatingen van zijn boekhouder, ernstig nalatig gehandeld in de nakoming van zijn fiscale verplichtingen. De rechtbank is van oordeel dat hem grove schuld kan worden verweten, omdat hij beter had moeten weten. Dat eiser welbewust de kans heeft aanvaard dat te weinig omzetbelasting zou worden geheven, hetgeen voor het verwijt van opzet noodzakelijk is, acht de rechtbank echter niet bewezen. Daarbij heeft zij ook rekening gehouden met het feit dat de correctie op de privéstorting door de rechtbank is geaccepteerd omdat de bewijslast in zoverre moet worden omgekeerd en verzwaard en eiser niet aan deze zware bewijslast heeft kunnen voldoen.

18. Nu verweerder geen opzet maar grove schuld heeft bewezen moet de boete worden verminderd tot 25 procent van de nageheven belasting, oftewel (€ 1.676,25 + € 718,50 =)

€ 2.395. De rechtbank ziet geen aanleiding om die boete te matigen, ook niet in verband met de omkering en verzwaring van de bewijslast met betrekking tot de correctie privéstorting.

Eiser heeft aangevoerd dat hij in een penibele financiële situatie verkeert. Hij heeft dit echter op een geen enkele manier onderbouwd met stukken zodat de rechtbank aan die stelling geen gevolgen kan verbinden. Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de boete van € 2.395 passend en geboden is.

Overschrijding van de redelijke termijn

19. Aangezien de rechtbank niet binnen twee jaar nadat de boete aan eiser is aangekondigd, 5 november 2013, uitspraak heeft gedaan, dient de boete ambtshalve te worden verminderd. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat sprake is van omstandigheden die aanleiding geven om de redelijke termijn voor de onderhavige procedure op een langere termijn dan twee jaren te stellen. Hij heeft in dit verband erop gewezen dat het boekenonderzoek moeizaam is verlopen omdat eiser en zijn boekhouder veelvuldig afspraken met verweerder hebben afgezegd. Uit de overgelegde stukken volgt naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de overschrijding van de redelijke termijn is veroorzaakt door het veelvuldig afzeggen van afspraken door eiser en/of zijn boekhouder. Er is daarom geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen. Nu de redelijke termijn is overschreden met (enkele dagen meer dan) een jaar, zal de rechtbank de boete verminderen met 10 procent tot een bedrag van € 2.155.

Conclusie

20. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de naheffingsaanslag en gegrond verklaard voor zover het is gericht tegen de (hoogte van de) boete.

21. Nu eiser geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente heeft aangevoerd, dient ook het beroep inzake de beschikking heffingsrente ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

22. De rechtbank ziet geen aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, nu niet is gebleken van daarvoor in aanmerking komende kosten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Kranenbarg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.