Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5971

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-11-2016
Datum publicatie
10-11-2016
Zaaknummer
05/780099-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot 50 maanden gevangenisstraf voor poging tot doodslag, mishandeling en diefstal door middel van inklimming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0467
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/780099-16

Datum uitspraak : 7 november 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres 1] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Overijssel, HvB Karelskamp te Almelo

raadsman: mr. J.H. Stam, advocaat te Zutphen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter openbare zitting

van 5 september 2016 en 24 oktober 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 19 mei 2016 te Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] met kracht tegen/in het gezicht heeft gestompt/geslagen, waardoor die [slachtoffer 1] (hard) ten val is gekomen en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer 1] , terwijl hij (weerloos)

op de grond lag, (meermalen) (met kracht) tegen het (met zijn arm(en) bedekte/afgeschermde) hoofd heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 19 mei 2016 te Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] met kracht tegen/in het gezicht heeft

gestompt/geslagen, waardoor die [slachtoffer 1] (hard) ten val is gekomen en/of

(vervolgens) voornoemde [slachtoffer 1] , terwijl hij (weerloos) op de grond lag,

(meermalen) (met kracht) tegen het (met zijn arm(en) bedekte/afgeschermde)

hoofd heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen

misdrijf niet is voltooid;

2.

Primair

hij op of omstreeks 19 mei 2016 te Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 2] met kracht tegen/in het gezicht heeft gestompt/geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 19 mei 2016 te Lochem, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 2] , met kracht tegen/in het gezicht heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 19 mei 2016 te Lochem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 2] , heeft weggenomen een of meer fotocamera('s) en/of (een) horloge(s) en/of een of meer fietssleutel(s) en/of een hoeveelheid

buitenlandse valuta (Russische roebels), in elk geval (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn bereik

heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 19 mei 2016 zijn er uit de woning aan de [adres 2] te Lochem, fotocamera’s, horloges, fietssleutels en een hoeveelheid buitenlandse valuta weggenomen, toebehorende aan de heer [slachtoffer 1] en mevrouw [slachtoffer 2]2. Nadat de bewoners waren thuis gekomen is eerst de heer [slachtoffer 1] en daarna mevrouw [slachtoffer 2] in de tuin bij hun woning aangevallen door een man, waarbij zij beiden letsel hebben opgelopen3. Verdachte is enige tijd later aangehouden, waarbij een deel van de hiervoor genoemde weggenomen goederen te weten: de fotocamera’s, horloges en buitenlandse valuta, bij hem werd aangetroffen4.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in feit 1 primair tenlastegelegde poging tot doodslag, aan de in feit 2 primair tenlastegelegde poging tot zware mishandeling en aan de in feit 3 tenlastegelegde diefstal door middel van inklimming.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat er geen sprake kan zijn van poging tot doodslag, noch van poging tot zware mishandeling ten aanzien van de heer [slachtoffer 1] en dat er ten aanzien van mevrouw [slachtoffer 2] evenmin sprake kan zijn van poging tot zware mishandeling omdat bij verdachte de opzet op het gevolg heeft ontbroken. Ten aanzien van feit 3 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank acht, voor de beantwoording of verdachte het hem tenlastegelegde heeft gepleegd, de volgende bewijsmiddelen van belang.

Op 19 mei 2016 komt er om 16.16 uur op de meldkamer Oost-Nederland de melding binnen dat melder (de heer [slachtoffer 1] ) en zijn vrouw zijn overvallen door een Engels sprekende persoon. Melder en zijn vrouw zijn geschopt en geslagen en bloeden allebei5. Er wordt een signalement doorgegeven van de dader: blanke man, ongeveer 20-25 jaar, gekleed in een blauw grijze jas met capuchon en hij droeg grote schoenen6.

Getuige [getuige 1] ziet rond 16.35 uur nabij zijn woning aan de [adres 3] iemand het bos uit komen lopen. De man liep via een weiland en een sloot het bosperceel in de richting van Landgoed Ampsenpad in. Getuige geeft een signalement door aan 112: 20-30 jaar, donkere sweater met capuchon die hij over zijn hoofd droeg. Over de sweater droeg hij een lichtere jas. Om zijn rug droeg de man een grijze rugzak met rode vlakken. Zijn schoenen en broekspijpen moeten nat en bemodderd zijn, omdat hij door de sloot is gelopen7.

Getuige [getuige 2] ziet veel politie in de omgeving van Exel. Rond 16:30 uur ziet hij, net na het dorp bij sloperij Stegeman, iemand langs de weg staan die zijn duim omhoog doet alsof hij wilde liften. Hij is teruggereden en heeft de politie geïnformeerd over de man. Getuige [getuige 2] geeft aan dat de man een rode rugzak droeg en geeft een omschrijving van de man die past binnen het signalement8.

In respons op de melding van getuige [getuige 2] zien verbalisanten rond 17:00 uur, al rijdend over de Exelseweg, verdachte aan de rechterkant van de weg in de berm staan. Hij spreekt Engels en voldoet aan het signalement, heeft een grijze rugzak op zijn rug met een erg grote rode baan in de stof, heeft met modder besmeurde schoenen en heeft roodkleurige vegen op zijn spijkerbroek en rode spatjes in zijn gezicht. Hierop wordt verdachte aangehouden9.

De politie heeft vastgesteld dat het badkamerraam open stond. Buiten en binnen in de woning van de heer en mevrouw [slachtoffer 1] zijn schoensporen aangetroffen; onder andere een doorklimspoor bij het badkamerraam en op de vaste trap naar boven10. Het schoenspoor gevonden op de trap komt qua maat en profiel overeen met de maat en het profiel van de linkerschoen van verdachte11.

Vanaf het lichaam en de kleiding zijn bloedsporen veiliggesteld12. Uit de NFI rapportage blijkt dat op de broek van verdachte het DNA profiel van de heer [slachtoffer 1] is aangetroffen met een matchkans kleiner dan 1:1 miljard13.

Tijdens zijn aangifte heeft de heer [slachtoffer 1] , kort en zakelijk samengevat, als volgt verklaard. Op 19 mei 2016 is hij (aangever), na terugkomst van het boodschappen doen, omstreeks 16:00 uur via de achterdeur de tuin van zijn woning aan de [adres 2] ingelopen. Hij zag dat daar een onbekende man bezig was het hek te openen. Nadat hij het hek had geopend, kwam de man naar aangever toelopen en vroeg hem in het Engels naar zijn naam. Plotseling en uit het niets voelde aangever dat hij hard geslagen werd door de man, op de linker kaak. Aangever viel daardoor op de grond. Vervolgens begon de man aangever, terwijl deze op de grond lag, tegen het hoofd te trappen. Aangever heeft zijn hoofd met zijn armen beschermd. Hij voelde meerdere trappen tegen de zijkant, achterkant en voorkant van zijn hoofd. Aangever denkt dat de man hem zeker 10 keer tegen het hoofd geschopt heeft. Aangever heeft geprobeerd om overeind te komen, moest toen zijn armen gebruiken om zich tegen de grond af te zetten en voelde dat hij toen een harde trap tegen het hoofd kreeg waardoor hij weer in elkaar zakte. Vervolgens hoorde aangever zijn vrouw roepen. Toen hield het schoppen op, en zag aangever de man niet meer. Aangever heeft letsel opgelopen bestaande uit een bult op zijn elleboog, een bult achter zijn rechteroor, verwondingen aan zijn hoofd, waarbij 4 hechtingen in zijn voorhoofd zijn geplaatst, een snee in zin linker wijsvinger en een gekneusde rechterarm. 14.

Tijdens haar aangifte heeft mevrouw [slachtoffer 2] , kort en zakelijk samengevat, als volgt verklaard. Toen zij en haar man rond 16:00 uur terug kwamen van het boodschappen doen viel op dat de hond zich sloom en vreemd gedroeg. Zij hebben de boodschappen opgeruimd en ze zag vervolgens dat de slaapkamerdeur openstond en dat er spullen anders lagen dan normaal. Vervolgens hebben ze samen koffie gedronken en zijn zij begonnen aan de voorbereidingen voor het eten. Haar man liep naar buiten om wat kruiden uit de tuin te halen.

Op een gegeven moment hoorde ze vreemde geluiden. Ze ging kijken en zag haar man op de grond liggen. Ze zag dat hij door een onbekende man hard in het gezicht werd getrapt. Ze heeft toen iets geroepen als: “Wat is dit?”. De man kwam toen op haar af. Hij droeg een grijze jas en een capuchon. Meteen voelde ze een harde vuistslag in het gezicht. Er was meteen bloed. Ze is naar binnen gevlucht en heeft zich verstopt. In de loop van de dag voelde ze pijn opkomen. 15.

De rechtbank concludeert uit de hiervoor opgesomde bewijsmiddelen in samenhang met de vaststaande feiten dat verdachte de hem tenlastegelegde gedragingen heeft gepleegd.

Vervolgens dient te worden bezien hoe deze gedragingen dienen te worden gekwalificeerd. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Feit 1

De rechtbank overweegt dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomst aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Er is geen grond de inhoud van het begrip “aanmerkelijke kans” afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de heer [slachtoffer 1] eerst door verdachte tegen het gezicht is gestompt waardoor hij ten val is gekomen. Vervolgens heeft verdachte meermalen met geschoeide voet met kracht tegen het hoofd van de heer [slachtoffer 1] getrapt en geschopt terwijl deze weerloos op de grond lag. Verdachte heeft meerdere trappen tegen de zijkant, achterkant en voorkant van zijn hoofd gegeven. Deze gedragingen leveren naar het oordeel van de rechtbank een aanmerkelijke kans op dat de heer [slachtoffer 1] dodelijk wordt getroffen. Immers, met deze handelingen kunnen diverse kwetsbare en vitale lichaamsfuncties in het hoofd worden geraakt met zeer wel mogelijke fatale gevolgen. Dat de heer [slachtoffer 1] geen zwaarder letsel heeft opgelopen is vermoedelijk slechts te danken aan het feit dat hij, op de grond liggend, met zijn armen zijn hoofd heeft beschermd. Toen de heer [slachtoffer 1] wilde opstaan en op dat moment even zijn armen naar beneden deed om te kunnen steunen, heeft verdachte hem wederom een harde trap tegen het hoofd gegeven. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat de gedragingen van verdachte – minst genomen – kunnen worden aangemerkt als zo zeer gericht op het doden van de heer [slachtoffer 1] dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde, te weten poging tot doodslag.

Feit 2

Met betrekking tot de primair tenlastegelegde zware mishandeling is uit de bewijsmiddelen op te maken dat verdachte één harde vuistslag tegen het gezicht van aangeefster heeft gegeven. Het geven van één vuistslag is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat verdachte zich heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou ontstaan. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.

Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank verder af dat de vuistslag door verdachte er wel toe heeft geleid dat aangeefster letsel heeft opgelopen, bestaande uit een neusfractuur, een blauw oog en blauwe plekken. Het voorgaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde, te weten mishandeling.

Feit 3

De rechtbank is van oordeel dat het verdachte is geweest die door inklimming, via het badkamerraam, de woning van de heer en mevrouw [slachtoffer 1] is binnengegaan en zich daar goederen heeft toegeëigend. Nu er geen fietssleutels bij verdachte zijn aangetroffen, vindt de rechtbank dat onvoldoende wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte deze heeft weggenomen. De overige weggenomen goederen zijn bij verdachte aangetroffen en daarom acht de rechtbank het overige onder 3 aan verdachte tenlastegelegde feit wel wettig en overtuigend bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 19 mei 2016 te Lochem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet voornoemde [slachtoffer 1] met kracht tegen/in het gezicht heeft gestompt/geslagen, waardoor die [slachtoffer 1] (hard) ten val is gekomen en/of (vervolgens) voornoemde [slachtoffer 1] , terwijl hij (weerloos)

op de grond lag, (meermalen) (met kracht) tegen het (met zijn arm(en) bedekte/afgeschermde) hoofd heeft getrapt/geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 19 mei 2016 te Lochem, opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer 2] , met kracht tegen/in het gezicht heeft gestompt/geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

3.

hij op of omstreeks 19 mei 2016 te Lochem, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning, gelegen aan de [adres 2] , heeft weggenomen een of meer fotocamera('s) en/of (een) horloge(s) en/of een of meer fietssleutel(s) en/of een hoeveelheid

buitenlandse valuta (Russische roebels), in elk geval (enig) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) en/of geld onder zijn bereik

heeft gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Poging tot doodslag.

Ten aanzien van feit 2:

Mishandeling.

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

In geval van strafoplegging heeft de raadsman gepleit voor matiging van de door de officier van justitie geëiste straf.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 9-9-2016;

- een reclasseringsadvies (beknopt), gedateerd 24-5-2016.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt

daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden

duur leiden - dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan twee ernstige geweldsmisdrijven en een gekwalificeerde diefstal. Verdachte heeft zonder enige aanleiding fors geweld gepleegd tegen een bejaard echtpaar. Verdachte heeft daarbij de heer [slachtoffer 1] tegen de grond geslagen en, terwijl hij weerloos op de grond lag, hem meermalen met kracht in het gezicht en tegen het hoofd geschopt. Mevrouw [slachtoffer 1] die hier op enig moment

getuige van was, werd vervolgens door verdachte in het gezicht gestompt. Verdachte heeft op laffe en grove wijze de lichamelijke integriteit van aangevers aangetast. Uit de slachtofferverklaringen blijkt dat het gebeuren een grote impact heeft gehad op de slachtoffers en hun familie. De heer [slachtoffer 1] vreesde voor zijn leven. Het gevoel van veiligheid van de slachtoffers is in ernstige mate aangetast, temeer daar het geweld plaats vond in de tuin van hun woning. Voorts wordt door dergelijk geweld algemene gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving aangewakkerd.

Verdachte heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht. Verdachte heeft geen inzicht gegeven hoe hij tot zijn handelen is gekomen. De rechtbank houdt hier dus ook geen rekening mee.

Uit de beschikbare justitiële documentatie blijkt voorts dat verdachte niet eerder is veroordeeld

voor geweldsfeiten. De rechtbank laat echter in het nadeel van verdachte meewegen dat hij op

de dag dat de preventieve hechtenis naar aanleiding van een eerder strafbaar feit is opgeheven,

zich onmiddellijk wederom schuldig maakt aan ernstige strafbare feiten. Mede gelet hierop acht

de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel niet aan de orde.

Nu de rechtbank in tegenstelling tot de officier van justitie niet het onder 2 primair

tenlastegelegde, maar het subsidiaire bewezen heeft geacht en alles overwegende, acht de

rechtbank een gevangenisstraf van 50 maanden passend en geboden.

Het beslag:

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van:

-zijn kleding, schoenen en roze pillen aan de veroordeelde;

-de bij verdachte aangetroffen goederen en geld aan de rechthebbende eigenaars (aangevers);

-de rode bril en brillenglazen aan de rechthebbende eigenaars (aangevers);

-de zwarte jas en de daarin aangetroffen sleutels aan de rechtmatige eigenaar zodra deze bekend is en tot die tijd bewaring bij de politie.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van feit 1 van de tenlastelegging. Gevorderd wordt een bedrag van € 3081,22 aan schadevergoeding – waaronder een bedrag van € 2000,00 voor immateriële schade - en een bedrag van € 10,64 aan vergoeding proceskosten.

De benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van feit 2 van de tenlastelegging. Gevorderd wordt een bedrag van € 2489,57 waaronder een bedrag van € 1800,00 voor immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de kosten voor beveiligingsmaatregelen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Derhalve heeft de officier van justitie verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe te wijzen tot het bedrag van € 2837,80 te vermeerderen met de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 38 dagen hechtenis en dat de vordering voor het overige wordt afgewezen.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] tot betaling van het bedrag van € 2489,57 toe te wijzen te vermeerderen met de wettelijke rente, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 34 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is het met de officier van justitie eens dat wegens een te ver verwijderd causaal verband de kosten voor beveiligingsmaatregelen niet voor vergoeding in aanmerking dienen te komen. Bovendien is de verdediging van mening dat de gevorderde vergoedingen voor immateriële schade circa 30% hoger liggen dan in vergelijkbare zaken bij de civiele rechter.

Beoordeling door de rechtbank

Met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] is de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van mening dat de kosten voor beveiligingsmaatregelen niet voor vergoeding in aanmerking komen nu deze geen rechtstreeks gevolg zijn van de bewezenverklaarde feiten, maar dienen ter voorkoming van nieuwe, andere feiten. Tevens zal de rechtbank, nu niet is bewezenverklaard dat verdachte de fietssleutels heeft weggenomen, de daarvoor opgevoerde kosten (€ 24,90) in mindering brengen. De rechtbank is van mening dat het onder proceskosten opgevoerde bedrag voor vergoeding van reiskosten naar Slachtoffer Hulp Nederland, onder materiele schade vallen en zal daartoe het toe te kennen bedrag aan materiele schadevergoeding vermeerderen met € 10,64.

Derhalve is naar het oordeel van de rechtbank, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van het als feit 1 bewezen verklaarde tot een bedrag van € 2823,54 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij zal niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering.

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 2] is naar het oordeel van de rechtbank, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het als feit 2 bewezen verklaarde handelen tot het gevorderde bedrag van € 2489,57 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 57, 287, 300 eerste lid, 310, 311 aanhef en onder 5˚ van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 Spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 50 (vijftig) maanden;

 Beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen te weten: kleding, schoenen en roze pillen, aan veroordeelde;

 gelast de teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan de rechthebbende, te weten: rode bril met losse brillenglazen en de gestolen artikelen die bij verdachte zijn aangetroffen, aan de aangevers;

 gelast de bewaring van de in beslag genomen voorwerpen te weten: zwarte jas met daarin aangetroffen sleutels, ten behoeve van de rechthebbende.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van € 2823,54 (tweeduizend achthonderd drieëntwintig Euro en vierenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 2823,54 (tweeduizend achthonderd drieëntwintig Euro en vierenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 38 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 2], van een bedrag van € 2489,57 (tweeduizend vierhonderd negenentachtig Euro en zevenenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag te betalen van € 2489,57 (tweeduizend vierhonderd negenentachtig Euro en zevenenvijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 34 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.M. Snellen, voorzitter en mrs. mr. G. Noordraven en

J. Barrau, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 november 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost Gelderland, Basisteam Achterhoek-West opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016349701 z, gesloten op 1 augustus 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte, p. 66 en proces-verbaal van aangifte p. 170.

3 Proces-verbaal van aangifte p. 64-65, foto’s letsel p. 68-71, proces-verbaal van aangifte p. 169, foto letsel p. 173.

4 Proces-verbaal van bevindingen p. 51, proces-verbaal van bevindingen p. 52, proces-verbaal van bevindingen p. 120.

5 Proces-verbaal relaas p.16.

6 Proces-verbaal van bevindingen p. 78.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige p. 99.

8 Proces-verbaal verhoor getuige p.102-103.

9 Proces-verbaal van aanhouding p. 30.

10 Proces-verbaal sporenonderzoek p. 130-131.

11 Proces-verbaal uitslag vergelijkend sporenonderzoek p. 147.

12 Proces-verbaal sporenonderzoek p. 144.

13 Rapport Nederlands Forensisch Instituut van 13 september 2016.

14 Proces-verbaal van aangifte p. 64-65.

15 Proces-verbaal van aangifte p. 167-171