Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5965

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-10-2016
Datum publicatie
08-11-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 7224
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Korting op AOW-pensioen. Schuldig nalatig verklaring. Voldoende aannemelijk dat brieven in 1972 door SVB zijn verzonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 15/7224

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] eiseres

(gemachtigde: mr. T.P. Boer),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2015 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 18 november 2015 een pensioen toegekend ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), waarop verweerder een korting van 2% heeft toegepast.

Bij besluit van 27 november 2015 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 september 2016. De gemachtigde van eiseres is verschenen. Verweerder heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De Belastingdienst heeft eiseres over het jaar 1969 een aanslag opgelegd met betrekking tot onder meer de premies voor de AOW. In 1972 heeft de Belastingdienst vastgesteld dat eiseres deze premies niet heeft voldaan. Verweerder heeft eiseres daarop bij brief van 28 oktober 1972 geïnformeerd over het voornemen om haar, wanneer zij voor het verzuim de premies te voldoen geen toereikende verklaring zou geven, over het jaar 1969 schuldig nalatig te verklaren. Na het uitblijven van een reactie van eiseres heeft verweerder bij besluit van 29 november 1972 vastgesteld dat eiseres over het jaar 1969 schuldig nalatig is geweest de verschuldigde premies te voldoen. Eiseres heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder toegelicht dat de korting van 2% een gevolg is van het feit dat eiseres in 1969 schuldig nalatig is geweest. Volgens verweerder is het niet aannemelijk dat eiseres zowel de beslissing als de voorafgaande brief niet heeft ontvangen, nu deze aan het juiste adres zijn verzonden en nimmer retour zijn gekomen.

3. In beroep stelt eiseres zich in de eerste plaats op het standpunt dat zij de brieven van verweerder nimmer heeft ontvangen en dat de bewijslast van het tegendeel rust op verweerder. In de tweede plaats stelt eiseres zich op het standpunt dat verweerder teveel tijd heeft laten verstrijken tussen het jaar waarin geen premie zou zijn betaald (1969) en het moment van de beslissing om eiseres schuldig nalatig te verklaren (november 1972). Tenslotte stelt zij dat zij reeds op het absolute minimum leeft en dat de beslissing om een korting toe te passen op het AOW-pensioen derhalve volstrekt onredelijk is.

4. De door eiseres aangevoerde beroepsgronden kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Daarbij is het navolgende van belang.

Eiseres stelt zich terecht op het standpunt dat het in beginsel aan verweerder is om aannemelijk te maken dat de brieven van 28 oktober 1972 en 29 november 1972 eiseres hebben bereikt. Gelet op de gedingstukken en het ter zitting verhandelde acht de rechtbank het echter voldoende aannemelijk dat de brieven destijds aan het juiste adres zijn verzonden. Daarbij is van belang dat een verzendadministratie over het jaar 1972 weliswaar ontbreekt, maar dat er wel datumstempels op de brieven zijn aangebracht. Nu deze stempels doorgaans slechts bij het verzenden op een poststuk worden aangebracht, acht de rechtbank het voldoende aannemelijk dat de brieven zijn verzonden naar het op de brieven aangegeven adres. Niet in geschil is dat eiseres in 1972 woonachtig was op dit adres. Uitgaande van verzending aan het juiste adres acht de rechtbank het geenszins aannemelijk dat eiseres geen van de verzonden brieven zou hebben ontvangen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat eiseres in 1972 op de hoogte is geraakt van de beslissing om haar over het jaar 1969 schuldig nalatig te verklaren. Dat maakt dat deze beslissing, nu eiseres hiertegen geen rechtsmiddelen heeft aangewend, formele rechtskracht heeft. Eiseres kan de juistheid van deze beslissing dan ook niet langer betwisten, zodat vaststaat dat zij schuldig nalatig is geweest om de over 1969 verschuldigde premies te voldoen. De tweede beroepsgrond behoeft dan ook geen bespreking meer, nu deze is gericht tegen de (in rechte vaststaande) juistheid van deze beslissing.

Gelet op artikel 13, eerste en tweede lid, aanhef en onder b, van de AOW zoals deze gold op de datum dat eiseres de pensioengerechtigde leeftijd bereikte, heeft verweerder aan de vaststelling dat eiseres schuldig nalatig was terecht de conclusie verbonden dat op het AOW-pensioen een korting van 2% moet worden toegepast. In de enkele, niet onderbouwde stelling dat eiseres op het absolute minimum leeft en de korting absoluut niet kan missen ziet de rechtbank geen aanleiding om de korting onredelijk te achten. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat het toepassen van de korting in haar concrete situatie leidt tot volstrekt onaanvaardbare gevolgen, nog afgezien van de vraag of de wet verweerder ruimte biedt om een andere beslissing te nemen in het geval dit wel aannemelijk zou worden gemaakt.

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.W. Blok, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.