Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5935

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-11-2016
Datum publicatie
07-11-2016
Zaaknummer
05/780022-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank wijst de verzoeken om nader onderzoek, die de raadsman ter terechtzitting van 31 oktober 2016 naar voren heeft gebracht, af en bepaalt dat het onderzoek zal worden voortgezet op maandag 14 november 2016.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/780022-14

Datum uitspraak : 7 november 2016

Tegenspraak

tussenbeslissing van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [p.i.] .

Raadsman: mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht.

Deze tussenbeslissing is gegeven naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 31 oktober 2016. Van deze terechtzitting is een proces-verbaal opgemaakt.

1 Onderzoekswensen van de verdediging

Ter terechtzitting heeft de verdediging verzocht om aanvullend onderzoek. De verdediging heeft, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang, de volgende onderzoekswensen kenbaar gemaakt:

Reconstructie

De verdediging heeft verzocht om een reconstructie van de verklaring zoals door de medeverdachte [medeverdachte] is afgelegd op 29 september 2014. Door de gegevens uit die verklaring te reconstrueren, kan worden getoetst of de verklaring van [medeverdachte] juist dan wel betrouwbaar dan wel aannemelijk kan zijn. De verdediging noemt in dit verband de volgende naar zijn mening toetsbare elementen:

  • -

    Uit de verklaring van [medeverdachte] en de overige onderzoeksresultaten blijken de datum, het tijdstip en de plaats delict. Hierdoor kan exact worden gereconstrueerd hoe de weersgesteldheid en lichtgesteldheid was. Uit de verklaring van [medeverdachte] en de overige onderzoeksresultaten blijkt ook de mate van verlichting in het chalet. Voormelde elementen zijn van belang, omdat ze het waarnemingsvermogen van [medeverdachte] bepalen.

  • -

    De aankomst van het latere slachtoffer bij het chalet, meer specifiek de posities van de auto’s en de feitelijke situatie op de plaats delict, een en ander in het licht van de stelling dat [medeverdachte] niets heeft meegekregen van de aankomst van het latere slachtoffer bij het chalet.

  • -

    De positie van het slachtoffer in slaapkamer 1 (op basis van het verhoor, de videoband van het verhoor en de tekeningen).

  • -

    De positie van verdachte in de gang om en nabij de deuropening van slaapkamer 1 en de beweging(en) die zij met de bijl zou hebben gemaakt.

  • -

    Het afnemen van de bijl door [medeverdachte] , waarbij hij zich heeft verwond aan zijn linkerhand door een aanraking met de muur van slaapkamer 1, de posities die hij en verdachte op dat moment hadden en de richting waarin verdachte zich vervolgens heeft begeven in het chalet.

De verdediging heeft daarnaast de volgende vragen/verzoeken aan de rechtbank voorgelegd.

  1. Is het juist dat de vraag aan de deskundigen om een volgorde vast te stellen waarin het letsel is toegebracht, niet is beantwoord?

  2. Is de bijl onderzocht op het gebruik van schoonmaakmiddel, meer specifiek op de aanwezigheid van stoffen die voorkomen in Dettol, chloor of gootsteenontstopper? Is dat onderzoek nu nog mogelijk?

  3. Is het chalet onderzocht met Luminol of Superluminol en kan dat onderzoek nu nog worden verricht?

  4. Is onderzoek gedaan naar het bloed op de bedpoot en/of de tafelpoot die in slaapkamer 1 stonden? Wat is de meest waarschijnlijke toedracht voor het tot stand komen van dit bloedspatpatroon? Kan hiernaar nog onderzoek worden gedaan?

  5. Is onderzoek gedaan naar de zwanenhals van de wastafel en het doucheputje/sifon van de douche? Kan dit onderzoek nog worden gedaan.

  6. Is onderzoek gedaan naar de wijze van toebrengen van het letsel zoals beschreven in het sectierapport onder Q, R, T en U? Kan een uitspraak worden gedaan over de wijze van het hanteren van het mes en over de positie en houding ten opzichte van elkaar van het slachtoffer en de persoon die het mes hanteerde bij het toebrengen van het letsel Q, R, T en U?

  7. Kunnen de vragen weergegeven onder 6. worden beantwoord ten aanzien van letsel onder E?

  8. Kan onderzoek worden gedaan naar het bloed op de [merk] jas op zowel bron- als op activiteitenniveau?

  9. Kan onderzoek worden gedaan naar bloedsporen op de beha op activiteitenniveau?

In tweede termijn heeft de verdediging de vraag/het verzoek onder 1 laten vallen.

2 Standpunt van het Openbaar Ministerie

Reconstructie

De officieren van justitie hebben betoogd dat voor een reconstructie veel gedetailleerde en goede informatie nodig is. Of [medeverdachte] naar waarheid heeft verklaard, zal niet blijken uit een reconstructie. [medeverdachte] heeft in de woning fragmenten gezien. Onduidelijk blijft wat hij daadwerkelijk heeft gezien. Voor een reconstructie alleen op basis van de verklaringen van [medeverdachte] is de informatie volgens de officieren van justitie te minimaal. Wat er in de woning heeft plaatsgevonden kan op basis van zijn verklaring niet worden gereconstrueerd. De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat het verzoek om een reconstructie moet worden afgewezen.

Overige vragen/verzoeken

De officieren van justitie hebben ten aanzien van de vragen onder 2 tot en met 9 betoogd dat de feitelijke context ontbreekt. Om die reden dienen de verzoeken te worden afgewezen. In dit verband hebben zij het volgende naar voren gebracht:

Onderzoek bijl

De bijl is niet onderzocht op schoonmaakmiddelen. Het is heel goed mogelijk dat het wapen al eerder is schoongemaakt. Onderzoek naar welk schoonmaakmiddel is gebruikt, zegt dan ook weinig, aldus de officieren van justitie. Daarnaast zou dan ook een vergelijkend onderzoek moeten worden gedaan met een soortgelijke bijl onder soortgelijke omstandigheden, waarbij die bijl dan ook weer eenzelfde periode begraven zou moeten hebben gelegen in het bos.

Onderzoek met Luminol/Superluminol

Een onderzoek met Luminol wordt volgens de officieren van justitie gedaan als sporen niet zichtbaar zijn. In de onderhavige situatie was echter wel bloed zichtbaar. Daarnaar is onderzoek gedaan en de resultaten van dat onderzoek zijn opgenomen in een proces-verbaal. Nu alsnog een Luminol-onderzoek doen, heeft geen zin gelet op de brand die heeft plaatsgevonden in het chalet.

Onderzoek bloedspatpatronen

[medeverdachte] heeft maar een deel van de bloedspatten gezien. Een nader onderzoek zal volgens de officieren van justitie niets opleveren.

Onderzoek zwanenhals/sifon

Naar eventueel bloed in de sifon heeft alleen een basisonderzoek plaatsgevonden. De verklaringen dat er zou zijn gedoucht, zijn pas veel later afgelegd. Verdachte woonde in het chalet. Het ligt daarom voor de hand dat haar DNA al in het sifon kon worden aangetroffen. De officieren van justitie menen dat als er bloed in het sifon zat, dat niets zegt over het moment dat het bloed daarin terecht is gekomen.

Steekrichting en houdingen van dader en slachtoffer

De steekrichting van het toegebrachte letsel is volgens de officieren van justitie wel te bepalen als het om één of twee letsels gaat. Het slachtoffer had echter veel steekletsels. Daarbij is onbekend hoe de houding van het slachtoffer was en welke houding de dader had. De officieren van justitie achten het aannemelijk dat beiden meerdere houdingen hebben gehad. Uit de verklaring van [medeverdachte] kan wel iets worden afgeleid, maar dan nog blijft onduidelijk hoe de houdingen van het slachtoffer en de dader daarvoor waren. Datzelfde geldt voor het letsel toegebracht onder ‘E’.

Onderzoek jas

De jas was in de woning. Onbekend is wie de jas heeft aangehad en of de jas is gedragen door de dader.

Onderzoek beha

De beha is slechts onderzocht in verband met de basisverdenking.

3 Beoordeling door de rechtbank

Toetsingscriterium

In de tussenbeslissing van 11 maart 2016 heeft de rechtbank beslist dat en waarom (toen) de onderzoekswensen aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium dienden te worden getoetst. Die overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd. Gesteld noch gebleken is dat er reden is nu een ander criterium te hanteren. De rechtbank zal de verzoeken daarom beoordelen aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium.

Reconstructie

Het verzoek van de verdediging om een reconstructie te houden dient er - samengevat - toe de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] (afgelegd bij de politie op 29 september 2014) te toetsen. Het gaat daarbij in de kern om de volgende, volgens de verdediging toetsbare, elementen:

  1. De weersgesteldheid en de lichtgesteldheid op (de avond van) 13 maart 2014,

  2. De mate van verlichting in het chalet,

  3. De aankomst van het latere slachtoffer bij het chalet waaronder de posities van de voertuigen,

  4. De positie van verdachte in de gang om en nabij de deuropening van slaapkamer 1,

  5. De positie van het slachtoffer in slaapkamer 1,

  6. Het hanteren van de bijl door verdachte volgens [medeverdachte] ,

  7. Het afpakken van de bijl door [medeverdachte] ,

  8. De posities van verdachte en [medeverdachte] na het afpakken van de bijl.

De rechtbank stelt voorop dat eerder in deze procedure meermalen afwijzend is beslist op een verzoek tot reconstructie. Voor zover sprake is of kan zijn van enige overlap, dienen de toen gegeven beslissingen als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. Verwezen wordt naar de tussenbeslissingen van 11 maart 2016 en 8 juni 2016. De rechtbank overweegt verder als volgt. Die overwegingen ten aanzien van de verschillende onderdelen dienen tevens in onderlinge samenhang te worden beschouwd.

Ad a

Naar het oordeel van de rechtbank is niet (voldoende) concreet en specifiek onderbouwd dat juist de onder a (weersgesteldheid en lichtgesteldheid) bedoelde informatie op basis van een reconstructie verkregen kan worden.

Ad b

De verdediging heeft naar het oordeel van de rechtbank evenmin (voldoende) concreet en specifiek onderbouwd op welke wijze (juist) een reconstructie rechtens relevante informatie zou kunnen geven over de mate van verlichting in de woning. Zonder een oordeel te geven over de juistheid of betrouwbaarheid daarvan, overweegt de rechtbank dat door [medeverdachte] onder meer is verklaard (p. 1023) “dat ze aan het hakken was, ik kon haar niet goed zien maar ik zag haar een beweging maken.”, “ik kon ook niet goed zien, maar ik zag wel dat daar iets lag”, “ze had geen lichten aan in de hal ook niet, ik kon het niet goed zien” en (p. 1048) “Ze had geen licht aan. Alleen, niks was er aan. Alleen de badkamer volgens mij”. Verdachte ontkent dat zij in de woning was ten tijde van het delict. Niet gesteld is dat zich in het dossier (andere) informatie (aard, plaats, wattage) over lichtbronnen in de woning en hun functioneren ten tijde van het delict bevindt. Een alternatief scenario dat door middel van een reconstructie getoetst zou kunnen worden, is niet aangedragen.

Ad c

Door de verdediging is niet (voldoende) concreet en specifiek onderbouwd dat en waarom (juist) een reconstructie noodzakelijk is om informatie te verschaffen over de aankomst van het latere slachtoffer bij het chalet, van welke aankomst [medeverdachte] naar zijn zeggen niets heeft meegekregen. Door de verdediging is verwezen naar verklaringen van [medeverdachte] over de plaats (naast/voor de woning) en positie (richting neus auto) van de Volvo en de Audi en de positie van [medeverdachte] in de Volvo. Daarmee is echter onvoldoende onderbouwd dat en waarom een reconstructie het aangewezen middel is om de juistheid van die verklaring te toetsen. Ook hier is een alternatief scenario dat door middel van een reconstructie getoetst zou kunnen worden, niet aangedragen.

Ad d en e

Door de verdediging is niet (voldoende) concreet en specifiek onderbouwd waarom (juist) een reconstructie noodzakelijk is voor het toetsen van de verklaring van [medeverdachte] over de positie van verdachte en van het slachtoffer. Zonder vooruit te lopen op enige inhoudelijke beslissing, bevat het dossier aanknopingspunten voor de aanname voorshands dat het slachtoffer in het chalet om het leven is gekomen door geweld dat door een of meer personen op hem is uitgeoefend. Een alternatief scenario dat door middel van een reconstructie getoetst zou kunnen worden, is niet aangedragen. Niet voldoende gesteld is waarom het beweerde zitten in/nabij de deuropening door verdachte en het liggen van het slachtoffer in de slaapkamer gereconstrueerd zou moeten worden en waarom dit noodzakelijk zou kunnen zijn voor de in deze zaak te beantwoorden vragen.

Ad f, g en h

Als het gaat om de bijl en de posities van [medeverdachte] en verdachte is door de verdediging niet (voldoende) concreet en specifiek onderbouwd gesteld dat en waarom een reconstructie noodzakelijk is voor de in deze zaak te beantwoorden vragen op deze punten. Het verzoek steunt op de verklaringen van [medeverdachte] waarbij door de verdediging niet is aangegeven waarom die verklaringen (feitelijk of technisch) niet juist (kunnen) zijn of waarom die verklaringen nader onderzoek vergen. Een algemeen beroep op het kunnen toetsen van de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] is daartoe niet voldoende. Verder: een alternatief scenario dat door middel van een reconstructie getoetst zou kunnen worden, is niet aangedragen.

Conclusie a-h

Het verzoek om een reconstructie wordt gelet op het vorenstaande door de rechtbank nu afgewezen, omdat van de noodzaak niet is gebleken. Hetgeen meer of anders is aangevoerd door de verdediging brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Ter terechtzitting van 31 oktober 2016 is door de rechtbank beslist dat de audiobestanden van het verhoor van [medeverdachte] van 29 september 2016 aan het dossier dienen te worden toegevoegd. Eerder is beslist dat [medeverdachte] als getuige ter terechtzitting zal worden gehoord in de zaak van verdachte. In het geval de audiobestanden en/of het verhoor van [medeverdachte] de rechtbank aanleiding geven de beslissing ten aanzien van de verzochte reconstructie te heroverwegen, dan zal de rechtbank daartoe een beslissing nemen.

Overige onderzoekswensen

De verdediging heeft ter terechtzitting van 31 oktober 2016 zijn onder 1 geformuleerde vraag laten vallen. De rechtbank zal daarop dan ook niet ingaan.

Het verzoek onder 2 strekt ertoe een nader onderzoek te doen naar het schoonmaakmiddel dat is gebruikt om de bijl schoon te maken. De verdediging heeft ter onderbouwing aangegeven dat [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de bijl heeft schoongemaakt en dat hij spreekt over een mogelijk gebruik van Dettol. Op de bijl is geen bloed en/of DNA aangetroffen. Volgens de verdediging roept dit de vraag op of het schoonmaken met Dettol daadwerkelijk is gebeurd en of dit kan leiden tot het volstrekt wissen van bloed- en/of DNA-sporen.

De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek als onvoldoende onderbouwd, althans als niet noodzakelijk, dient te worden afgewezen. De verdediging heeft onvoldoende concreet en specifiek onderbouwd aangevoerd in hoeverre een antwoord op die vraag (zo al mogelijk) kan leiden tot de identificatie van de dader(s).

Het verzoek onder 3 strekt ertoe met Luminol dan wel Superluminol nader onderzoek te doen naar de aanwezigheid van bloed in het chalet. Ter onderbouwing heeft de verdediging aangegeven dat [medeverdachte] heeft verklaard dat de muren van de slaapkamer volledig onder het bloed zaten en dat medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de gang van het chalet onder het bloed zat.

De rechtbank overweegt. zonder vooruit te lopen op enige inhoudelijke beslissing, dat het dossier aanknopingspunten bevat voor de aanname voorshands dat het slachtoffer in het chalet om het leven is gekomen door geweld dat door een of meer personen op hem is uitgeoefend.

Verdachte heeft verklaard dat ze bloed(spatten) op de muur wilde weghalen met chloor, maar dat ze geen chloor had (p. 242). Mede gelet op de verklaring van verdachte is het verzoek van de verdediging onvoldoende onderbouwd en zal de rechtbank het afwijzen. De verdediging heeft onvoldoende concreet en specifiek onderbouwd aangevoerd in hoeverre het onderzoek (zo dat al mogelijk is gelet op de brand die in het chalet heeft plaatsgevonden) kan leiden tot de identificatie van de dader(s).

Onder 4 is de vraag opgeworpen of er onderzoek op activiteitniveau is gedaan of nog kan worden gedaan naar het bloed op de bedpoot en/of tafelpoot in slaapkamer 1: wat is de meest waarschijnlijke toedracht voor het tot stand komen van dit bloedspatpatroon? Ter toelichting heeft de verdediging naar voren gebracht dat [medeverdachte] heeft verklaard dat het slachtoffer op de grond lag. Een bloedspoorpatroononderzoek, dat mogelijk informatie kan geven over de positie/houding van het slachtoffer, zou deze verklaring kunnen bevestigen of ontkrachten.

De rechtbank overweegt als volgt.

De politie heeft bij een onderzoek naar bloedsporen (p. 6011) geverbaliseerd dat na uitvouwen van het tapijt in de betreffende slaapkamer sprake was van een grote concentratie nog vochtig bloed, dat schoenprofielafdrukken in bloed werden waargenomen alsmede diverse bloedspatten op het tapijt die kunnen passen bij een of meerdere impacts. Verder is als onderschrift bij foto 10 (p. 6019) opgenomen dat de donkere delen van het tapijt grote vlekken bloed betreffen. De bloedspatten op de tafelpoot passen volgens dat proces-verbaal in het patroon dat door plaatsing van de meubelstukken in de slaapkamer, met de bloedspatten op de staander van de bedbodem, op de met stof beklede zijkant van de bedbodem ter hoogte van de staander en de bloedsporen op het tapijt is verkregen. Voorts is daarbij gerelateerd dat het zeer waarschijnlijk is dat de bloedsporen zijn ontstaan op een moment dat deze meubelstukken nagenoeg op deze plaats in de ruimte aanwezig waren (p. 6012, 6013 en 6023). De rechtbank overweegt verder dat uit het rapport van de patholoog (p. 6370) blijkt dat er zes scherprandige huidperforaties aan de voorzijde van de romp en armen en 35 snijverwondingen aan hoofd, hals en armen zijn geconstateerd. Twee verwondingen (A: voorhoofd rechts; I: achterhoofd) zouden meerdere tientallen minuten oud zijn, richting een uur. Andere letsels zijn toegebracht enkele minuten voor het overlijden. Hieruit zou kunnen volgen dat de letsels zijn toegebracht in een tijdspanne die enkele tientallen minuten kan omvatten. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij verdachte hakkende bewegingen met een bijl heeft zien maken en dat hij die bijl vervolgens heeft afgepakt. De man lag op de grond en bewoog niet meer (p. 1024). Die verklaring volgend (waarbij de rechtbank de juistheid daarvan uitdrukkelijk in het midden laat) zou [medeverdachte] slechts de nasleep hebben gezien. [medeverdachte] is de enige die iets heeft verklaard over de toedracht van het overlijden van het slachtoffer. In die context bezien, zal een bloedspoorpatroononderzoek als door de verdediging verzocht, naar het oordeel van de rechtbank geen nadere opheldering kunnen verschaffen over de betrouwbaarheid van [medeverdachte] ’s verklaring. Hij verklaart immers niet dat hij alle geweldshandelingen heeft gezien.

Het verzoek van de verdediging onder 5 strekt ertoe onderzoek te doen verrichten naar de zwanenhals van de wastafel en naar het doucheputje in het chalet. Ter onderbouwing heeft de verdediging aangevoerd dat zowel [medeverdachte] als verdachte die avond gewond zijn geraakt. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] heeft gedoucht terwijl [medeverdachte] heeft verklaard dat verdachte onder het bloed zat en heel kort heeft gedoucht (p. 1025). Volgens de verdediging kan onderzoek naar de zwanenhals en het doucheputje aanknopingspunten geven voor de betrouwbaarheid of onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] .

Nader onderzoek naar de sifoninhoud (zwanenhals) van de wastafel acht de rechtbank niet noodzakelijk in het kader van onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring omtrent het douchen, nu het verschillende afvoeren betreft. Een onderzoek naar de afvoer van de douche, dat kennelijk eerder niet is verricht, is naar het oordeel van de rechtbank niet noodzakelijk. Immers, het tenlastegelegde feit heeft nu 2½ jaar geleden plaats gevonden. In het chalet is brand geweest en aannemelijk is dat het chalet daarna grondig is schoongemaakt. De verdediging heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat er een kans is dat er nu nog biologisch materiaal (dat van voldoende kwaliteit is om op aard en DNA te kunnen onderzoeken) van verdachte of [medeverdachte] op die specifieke plaatsen kan worden aangetroffen.

De verzoeken onder 6 en 7 strekken ertoe een uitspraak te verkrijgen over de meest aannemelijke wijze van het hanteren van het mes en de positie en houding ten opzichte van elkaar van het slachtoffer en de dader met betrekking tot de letsels E, Q, R. T en U zoals omschreven in het sectierapport.

Naar het oordeel van de rechtbank dienen deze verzoeken als onvoldoende onderbouwd, althans als niet noodzakelijk, te worden afgewezen. De verdediging heeft namelijk onvoldoende concreet en specifiek onderbouwd aangevoerd in hoeverre een antwoord op die vragen (zo al mogelijk) kan leiden tot de identificatie van de dader.

Eerder in deze procedure zijn door de verdediging verzoeken gedaan, toen langs de weg van een reconstructie en schouw, die antwoord zouden moeten geven op de vraag of het mogelijk is dat verdachte het slachtoffer in haar eentje heeft overmeesterd en verwond. Die rechtbank heeft bij tussenbeslissing van 11 maart 2016 die onderzoekswens afgewezen; de overwegingen dienen hier als herhaald en ingelast te worden beschouwd voor zover sprake kan zijn van enige overlap tussen de toenmalige en de huidige onderzoekswens.

Verzoek 8 behelst de vraag of er nog onderzoek gedaan kan worden naar het bloed op de [merk] jas ( [nummer] ). Nader onderzoek kan volgens de verdediging uitwijzen of deze jas werd gedragen op het moment van toebrengen van het letsel en van wie het bloed afkomstig is.

De rechtbank overweegt dat bij de doorzoeking van het chalet in de (inpandige) berging een beige [merk] is aangetroffen, die later werd voorzien van SIN nummer [nummer] (p. 2950). Van de jas werden foto’s gemaakt (waaronder foto O, p. 2954). Op de jas zijn diverse bloedsporen (in de vorm van bloedspatten en bloedvegen) aangetroffen, onder meer aan de rechtervoorzijde en de rechtermouw, aan de ritssluiting, aan de binnenzijde bij de binnenzak en aan de binnenzijde van de capuchon en kraag (p. 6030). Verdachte heeft tijdens het RC-verhoor van 12 januari 2016 bij het zien van foto O verklaard dat de [merk] jas van haar is (p. 280). Niet gesteld is dat over deze jas in delictgerelateerde zin verklaard is, in die zin dat de jas ten tijde van het delict zou zijn gedragen. Wel hebben zowel verdachte als [medeverdachte] verklaringen afgelegd over het aanraken en/of het verplaatsen van het lichaam van [slachtoffer] . Daarmee kunnen zij beiden in aanraking zijn gekomen met het bloed van [slachtoffer] . Door de verdediging is gelet op het vorenstaande onvoldoende onderbouwd gesteld dat dit onderzoek opheldering kan verschaffen over de identiteit van degene(n) die verantwoordelijk is/zijn voor het overlijden van [slachtoffer] . Op grond daarvan acht de rechtbank een dergelijk onderzoek niet noodzakelijk om een bijdrage te leveren aan de beantwoording van de vragen van artikelen 348 en 350 Sv.

Verzoek 9 strekt ertoe onderzoek te laten verrichten naar de bloedsporen op de beha die verdachte droeg bij aankomst in het ziekenhuis.

Van de bloedsporen kon een DNA-profiel van een man worden opgemaakt. Dit DNA-profiel matcht met het DNA-profiel van het slachtoffer, met een matchkans kleiner dan één op één miljard (rapport van 18 maart 2014, p. 6492). In het proces-verbaal van sporenonderzoek op p. 5732 staan deze bloedsporen omschreven als minuscuul. Naar het oordeel van de rechtbank is door de verdediging niet (voldoende) concreet en specifiek onderbouwd gesteld dat en waarom een nader onderzoek noodzakelijk is voor de in deze zaak te beantwoorden vragen. De enkele stelling dat een onderzoek een rol kan spelen bij het toetsen van de geloofwaardigheid van verdachte [verdachte] is daarvoor niet voldoende.

Conclusie verzoeken 2-9

De rechtbank zal gelet op het voorgaande de verzoeken van de verdediging afwijzen, omdat deze niet voldoende zijn onderbouwd althans omdat van de noodzaak tot het verrichten van nader onderzoek op die onderdelen niet is gebleken. Hetgeen meer of anders is aangevoerd door de verdediging brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

Het vorenstaande brengt mee dat het onderzoek ter terechtzitting van 14 november 2016 om 09.00 uur zal worden hervat.

4 Beslissing

De rechtbank:

 wijst af de ter terechtzitting van 31 oktober 2016 gedane verzoeken met betrekking tot onderzoekshandelingen;

 bepaalt dat het onderzoek ter terechtzitting van 14 november 2016 om 09.00 uur zal worden hervat.

Deze tussenbeslissing is gegeven door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. F.J.H. Hovens en mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 november 2016.

Mr. Hovens is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer:[jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer] 05/780022-14

Uitspraak d.d.: 7 november 2016

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van
7 november 2016.

Tegenwoordig:

mr. Van der Mei , rechter,

mr. , officier van justitie,

en Van Aalst , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De gedetineerde verdachte,

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd in [p.i.] ,

is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.


Ter terechtzitting van 31 oktober 2016 heeft de verdachte aangegeven niet bij de uitspraak aanwezig te willen zijn.

De raadsman, mr. P.W. Szymkowiak, is wel / niet verschenen.

De rechter spreekt de beslissing uit.

Waarvan proces-verbaal,