Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5913

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-11-2016
Datum publicatie
07-11-2016
Zaaknummer
05/840948-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling van een man uit Arnhem tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van elf maanden voor het exploiteren van een hennepkwekerij, diefstal van stroom en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Een vrouw uit Heerde is veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 200 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden voor het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst die is verkregen met de hennepkwekerij. De aangebrachte ontnemingsvordering is toegewezen tot een bedrag van

€ 1.042.906,69. De rechtbank heeft bepaald dat de man en de vrouw ten aanzien van dit bedrag hoofdelijk aansprakelijk zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840948-15

Datum uitspraak : 7 november 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats] .

Raadsman: mr. W. Vahl, advocaat te Barneveld.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen 9 februari 2016, 1 juli 2016, 8 juli 2016, 22 juli 2016 en 24 oktober 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot en met 2 december 2014 te Epe tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1641 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid

van een middel (te weten 250 hennepplanten, althans meer dan 200

hennepplanten en/of delen daarvan);

2.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 2

december 2012 tot en met 2 december 2014 te Epe tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid energie

(stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming (door een of meer (ijk)zegel(s) en/of het deksel

van de elektriciteitsmeter te verbreken en/of verwijderen en/of (vervolgens)

een elektriciteitsaansluiting aan de boven- en/of buitenzijde, in elk geval

buiten de meter om, te maken);

4. (dit feit zal in het verdere vonnis worden aangehaald als feit 3)

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot en met 2 december 2014

te Epe, althans in Nederland één wapen van categorie III, te weten een

vuurwapen (merk: Glock, model 19), en/of munitie van categorie III, te weten

28 patronen (kaliber 9 x 19 met opschrift 9mm Luger Me9), voorhanden heeft

Gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 2 december 2014 zijn in een pand aan de [adres 2] in Epe drie kweekruimtes met in totaal 1651 hennepplanten aangetroffen.2 [verdachte] (hierna: [verdachte] ) en [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) bewoonden dit pand.3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte 1] opzettelijk hennepplanten aanwezig heeft gehad. Verdachte heeft daarnaast hennep geteeld, bereid en verwerkt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gezegd dat het onder 1 ten laste gelegde kan worden bewezen.

De beoordeling door de rechtbank

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of [verdachte] en [medeverdachte 1] ten aanzien van het ten laste gelegde als medeplegers kunnen worden gezien. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

[verdachte] heeft verklaard dat de hennepkwekerij van hem was.4 Hij heeft de installatie zelf aangelegd, verzorgde de planten en verkocht de hennep aan een growshop.5 [medeverdachte 1] wist van de kwekerij.6

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] de kweekruimtes heeft gebouwd en dat hij zelf knipte, oogstte, vervoerde en alles onderhield.7 Volgens haar was [verdachte] de hele dag bezig met de plantage.8 [medeverdachte 1] is wel eens in een kweekruimte geweest om te kijken. Zij heeft verder verklaard dat alle inkomsten van haar en [verdachte] uit de opbrengst van de hennepplantage kwamen. Ze leefden van die opbrengst, alles werd ervan betaald. [medeverdachte 1] en [verdachte] voerden ten tijde van het ten laste gelegde in de woning waarin de kwekerij zich bevond, een gezamenlijke huishouding.9

[verdachte] en [medeverdachte 1] hebben beide verklaard dat de kwekerij er al meerdere jaren was.10

Zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] hebben verklaard dat [medeverdachte 1] geen bemoeienis of aandeel had in de kwekerij. De rechtbank is gelet op het voorgaande evenwel van oordeel dat zij tezamen en in vereniging opzettelijk hennepplanten aanwezig hebben gehad. [medeverdachte 1] woonde in het pand waar [verdachte] de hennepplantage exploiteerde, terwijl zij wist dat [verdachte] zich daarmee bezig hield. Zij heeft zich niet gedistantieerd van het handelen van [verdachte] en heeft daarnaast gedeeld in de opbrengst. Zoals hiervoor is verwoord, voerden [verdachte] en [medeverdachte 1] immers een gezamenlijke huishouding, vormde de opbrengst uit de hennepkwekerij gedurende meerdere jaren hun enige bron van inkomsten en werd alles betaald uit deze inkomsten. Gelet hierop kan naar het oordeel van de rechtbank worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking en moeten [verdachte] en [medeverdachte 1] ten aanzien van het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten als medeplegers worden gezien.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de inhoud van het dossier niet worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] als “pleger” ook betrokken was bij het telen, bereiden, bewerken en verwerken van de hennepplanten. Gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] deze handelingen alleen heeft begaan.

Hoewel 1651 planten zijn aangetroffen, zijn ongeveer 1641 planten ten laste gelegd. Dit staat aan een bewezenverklaring niet in de weg gezien de relatief beperkte afwijking.


[verdachte] heeft verklaard dat hij sinds zeven jaar in de woning aan de [adres 2] woont en dat hij een paar maanden nadat hij daar is komen wonen, is begonnen met het kweken van hennep in de kelder.11 Sinds de zomer van 2013 heeft hij ook de andere twee kweekruimtes in gebruik.12 Hij heeft ook verklaard dat het ongeveer negen weken duurt voordat hij oogst.13 In de tenlastegelegde periode (1 oktober 2014 tot en met 2 december 2014) is uitgegaan van negen weken. Hoewel niet alle aangetroffen planten oogstrijp waren, acht de rechtbank, gelet op de hiervoor weergegeven verklaring van [verdachte] de gehele periode wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte door [naam 2] namens [naam 1] , p. 109 t/m 111; en

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 8 juli 2016.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 8 juli 2016 verklaard dat één jaar nadat hij met zijn partner en haar zoon in het huis is gaan wonen, hij is begonnen met het aftappen van stroom. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij sinds ongeveer zeven jaar aan de [adres 2] in Epe woont en dat zijn partner en zoon vanaf het begin bij hem in huis wonen.14 De rechtbank acht gelet hierop bewezen dat gedurende de gehele ten laste gelegde periode op illegale wijze stroom is afgenomen.

Ten aanzien van feit 3

Verweer strekkende tot bewijsuitsluiting

De raadsman heeft ter terechtzitting van 8 juli 2016 aangevoerd dat het in de tenlastelegging bedoelde vuurwapen op onrechtmatige wijze is aangetroffen. Het wapen is door een medewerker van [naam 1] , [getuige] , in de slaapkamer van verdachte aangetroffen in een nachtkastje dat vast zat aan de ombouw van het bed. [getuige] had geen bevoegdheid om in dat kastje te zoeken. De raadsman acht niet aannemelijk dat [getuige] op zoek was naar de gasmeter en om die reden in het nachtkastje van verdachte keek.

Ter terechtzitting van 24 oktober 2016 heeft de raadsman bepleit dat [getuige] op het moment dat hij op zoek ging naar de gasmeter in het kader van de veiligheid geen zorgplicht meer had, nu verbalisanten en hij al enige tijd in de woning aan het werk waren.

De raadsman heeft gesteld dat verdachte door deze gang van zaken onherstelbaar in zijn belangen is geschaad, wat tot bewijsuitsluiting dient te leiden. De raadsman is van oordeel dat verdachte daarom moet worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt als volgt.

[getuige] is als getuige door de politie gehoord. Hij heeft toen onder meer verklaard dat hij aan de [adres 2] in Epe constateerde dat sprake was van diefstal van stroom. In verband met mogelijke gevaarzetting en om de meterstand van de gasmeter op te nemen, moest (ook) de gasmeter worden afgesloten. Toen hij op zoek ging naar de gasmeter, zag hij in een slaapkamer in de hoek tegen de buitenmuur een nachtkastje staan. Toen hij dit kastje opende zag hij een vuurwapen liggen.
[getuige] is vervolgens gehoord door de rechter-commissaris. Hij heeft toen verklaard dat hem is gevraagd om zich op 2 december 2014 aan te sluiten bij een actie (opmerking rechtbank: met betrekking tot een mogelijke hennepkwekerij). Hij wist vooraf niet op welk adres de actie plaats zou vinden. Hij heeft verder verklaard dat hij in dergelijke gevallen altijd op zoek gaat naar de gasmeter om te kijken of met die meter gefraudeerd wordt. [getuige] maakt zes tot zeven keer per jaar mee dat gefraudeerd wordt met de gasmeter. Normaal gesproken zit de gasmeter vlak bij de technische installatie. Omdat dat dat in dit geval niet zo was, is hij verder gaan zoeken. Op de slaapkamer zag hij een kastje tegen de muur staan. Volgens [getuige] komt het vaker voor dat mensen een kastje om de gasmeter bouwen. Toen [getuige] het kastdeurtje opende, zag hij het vuurwapen liggen. Volgens [getuige] is het een procedure van [naam 1] om naar de elektriciteit en het gas te kijken. De politie heeft daar met [naam 1] geen afspraken over gemaakt. De gasmeter bleek zich in de garage, op enige afstand van de woning te bevinden. Het was voor [getuige] , die dertien jaar werkzaam is bij [naam 1] , de eerste keer dat hij zo’n situatie aantrof. Hij kon de bewoners van het pand niet vragen naar de plek van de gasmeter, omdat zij al door de politie waren meegenomen. Tot slot heeft [getuige] verklaard dat hij in verband met het zoeken naar de gasmeter door niemand werd gestuurd. Niemand heeft gesuggereerd dat hij in dat kastje kon kijken.

De rechtbank is van oordeel dat niet onrechtmatig jegens verdachte is gehandeld. [getuige] volgde uit hoofde van zijn functie als fraudespecialist de standaardprocedure van [naam 1] . Dit deed hij onder meer in het kader van de veiligheid. Dat hij en verbalisanten al enige tijd aan het werk waren in de woning, betekent niet – zoals de raadsman stelt – dat het veiligheidsaspect was komen te vervallen. Door fraude met een gasmeter kunnen onveilige situaties ontstaan, niet alleen voor personen in het pand, maar ook voor omwonenden. Het risico op het ontstaan van zo’n situatie is pas geweken als de gasmeter is afgesloten. [getuige] heeft uitgelegd dat de gasmeter niet op een gebruikelijke plek zat en dat hij de bewoners niet naar de plek van de gasmeter kon vragen. Ook heeft [getuige] uitgelegd waarom hij in zijn zoektocht naar de gasmeter het nachtkastje heeft geopend. Dat het kastje (mogelijk) onderdeel uitmaakte van de ombouw van het bed, doet niet af aan de mogelijkheid dat dit kastje om een gasmeter geplaatst had kunnen zijn.

[getuige] is daarnaast geen opsporingsambtenaar; niet gebleken is dat hij met betrekking tot het zoeken naar en het controleren van de gasmeter opdrachten kreeg van de dienstdoende verbalisanten. Zoals gezegd handelde [getuige] op eigen initiatief. Dat maakt dat naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van een vormverzuim dat dient te leiden tot bewijsuitsluiting. Het verweer wordt verworpen.

Nu verdachte ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde overigens een bekennende verklaring heeft afgelegd en aldus sprake is van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering, wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] door de rechter-commissaris d.d. 26 augustus 2016;

- het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 1] , p. 27;

- het proces-verbaal van onderzoek wapen, p. 101 t/m 103; en

- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 54, onderaan en p. 55.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot en met 2 december 2014 te Epe tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1641 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid

van een middel (te weten 250 hennepplanten, althans meer dan 200

hennepplanten en/of delen daarvan)

en

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot en met 2 december 2014 te Epe tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval

opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 1641 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, terwijl dit gepleegde feit (mede) betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet, welke hoeveelheid meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid

van een middel (te weten 250 hennepplanten, althans meer dan 200

hennepplanten en/of delen daarvan);

2.

hij op één of meer verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 2

december 2012 tot en met 2 december 2014 te Epe tezamen en in vereniging met

een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid energie

(stroom), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam 1] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn

mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en/of inklimming (door een of meer (ijk)zegel(s) en/of het deksel

van de elektriciteitsmeter te verbreken en/of verwijderen en/of (vervolgens)

een elektriciteitsaansluiting aan de boven- en/of buitenzijde, in elk geval

buiten de meter om, te maken);

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 oktober 2014 tot en met 2 december 2014

te Epe, althans in Nederland één wapen van categorie III, te weten een

vuurwapen (merk: Glock, model 19), en/of munitie van categorie III, te weten

28 patronen (kaliber 9 x 19 met opschrift 9mm Luger Me9), voorhanden heeft gehad.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel

en

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal waarbij de schuldige het goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Ten aanzien van feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering gesteld is geweest. Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat verdachte wist dat hij een strafbaar feit pleegde. Hennep is gevaarlijk voor de volksgezondheid en het telen ervan is interessant voor criminelen. Er was sprake van een grote kwekerij, met (hoewel dat niet ten laste is gelegd) een langere kweekperiode. Daarnaast heeft verdachte illegaal een vuurwapen voorhanden gehad. De officier van justitie heeft ook rekening gehouden met het strafblad van verdachte en de omstandigheid dat de feiten dateren uit 2014.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft opgemerkt dat rekening moet worden gehouden met de aard van, de omstandigheden waaronder en de omvang van wat er is aangetroffen. In twee kweekruimten werd gebruik gemaakt van stellingen, op een zeer beperkt vloeroppervlak. De opbrengst van de kwekerij, en daarmee het gewicht van de zaak zelf, zijn daarom niet te vergelijken met een situatie waarin de planten alle ruimte krijgen om te groeien. Volgens de raadsman zou daarom, en ook nu geen sprake is van recente recidive, een werkstraf opgelegd kunnen worden.

De raadsman vindt de eis van de officier van justitie niet passend, mede gelet op de hoogte van de aangebrachte ontnemingsvordering. Daarnaast staat de eis volgens hem niet in verhouding tot de eis die in de zaak van de partner van verdachte is geëist.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 13 september 2016.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft in zijn woning drie kweekruimtes gehad, met in totaal een groot aantal hennepplanten. Hoewel dit niet ten laste is gelegd, bevat het dossier aanwijzingen dat verdachte in die woning gedurende meerdere jaren hennep heeft geteeld. Ten behoeve van die hennepteelt heeft verdachte ook langdurig op illegale wijze stroom afgetapt. Hierdoor heeft hij energiemaatschappij [naam 1] benadeeld. Het is bovendien een feit van algemene bekendheid dat door hennepkwekerijen een ernstig gevaar voor brand ontstaat, in dit geval ook voor aangrenzende percelen met woningen. Daarnaast gaat de handel in softdrugs, die zeer lucratief is, vaak gepaard met andere vormen van (gewelds)criminaliteit. Ook verdachte heeft dat ondervonden. Hij had immers naar eigen zeggen een vuurwapen en munitie voorhanden om zichzelf te beschermen. Het vuurwapen dat verdachte voorhanden had, is aangetroffen in een nachtkastje naast het bed. Het wapen was half geladen. Verdachte had dus niet veel handelingen hoeven te verrichten om een schot te kunnen lossen. Vuurwapens vormen een groot gevaar en een aanzienlijke bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving.

De rechtbank acht een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf passend en in geboden, ook ondanks het tijdsverloop. Zij ziet, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, geen reden om af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is geëist. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van het bewezenverklaarde veroordelen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden. De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, zal daarop in mindering worden gebracht.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 47, 57, 91, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3, 11 en 13 van de Opiumwet en de artikelen 26, 55 en 56 van de Wet wapens en munitie.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.S.M. Bak (voorzitter), mr. C. Kleinrensink en mr. M.C. van der Mei, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 november 2016.

mr. D.S.M. Bak is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost Nederland, district Noord- een Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2014191900, gesloten op 7 september 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij, p. 4 en 5 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 8 juli 2016.

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 48, onderaan en p. 59, midden en proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 75, onderaan.

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 50, boven het midden.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 50, 52 en 67.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 67, onderaan.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 76.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 77.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 77.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 48 onderaan, p. 65, een na laatste alinea en p. 66, vierde en vijfde alinea en proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 1] , p. 76, vierde alinea.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 48, onderaan en p. 65, één na laatste alinea.

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 65 en 66.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 51 onderaan en p. 52, bovenaan.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 48, onderaan en p. 59, onder het midden.