Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5852

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-10-2016
Datum publicatie
07-11-2016
Zaaknummer
294607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Shockschade”. Vrouw door misdrijf om het leven gekomen. Confrontatie. Immateriële schadevergoeding voor destijds 7-jarige zoon van het slachtoffer.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 106
Burgerlijk Wetboek Boek 6 108
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0452
JA 2017/7
RAV 2017/29

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/294607 / HA ZA 15-704 / 167 / 57 / 103

Vonnis van 12 oktober 2016

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser sub 5] (pro se),

wonende te [woonplaats] ,

6. [eiser sub 5] , in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. C.W. Langereis te Arnhem,

tegen

[gedaagde] ,

verblijvend in een penitentiaire inrichting te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. M.A. Knobben te Deventer.

Eisers zullen hierna afzonderlijk [eiser sub 1] , [eiseres sub 2] , [eiser sub 3] , [eiseres sub 4] , [eiser sub 5] en [minderjarige] genoemd worden. Gedaagde zal [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 20 april 2016

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 21 juli 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] is de vader, [eiseres sub 2] de moeder, [eiser sub 3] de broer en [eiseres sub 4] de zus van [betrokkene] . [eiser sub 5] is de ex-partner van [betrokkene] en [minderjarige] is de minderjarige zoon van [eiser sub 5] en [betrokkene] .

2.2.

In de nacht van 22 op 23 juli 2013 is [gedaagde] de woning van [betrokkene] binnengedrongen en heeft hij haar door verwurging om het leven gebracht.

2.3.

Bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 april 2015 is [gedaagde] schuldig bevonden aan doodslag op [betrokkene] en is hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaar en TBS met dwangverpleging. Eisers hebben zich als benadeelde partijen in de strafzaak gevoegd. De vorderingen van [eiser sub 1] , [eiseres sub 2] en [eiser sub 3] tot betaling van schadevergoeding zijn deels toegewezen.

2.4.

Het tegen voormeld arrest door [gedaagde] ingestelde cassatieberoep is op 31 mei 2016 door de Hoge Raad verworpen, waarmee het arrest van het gerechtshof van 30 april 2015 onherroepelijk is geworden.

2.5.

Op 24 november 2015 heeft de kantonrechter aan [eiser sub 5] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige] toestemming verleend om de onderhavige procedure te voeren.

3 Het geschil

3.1.

Eisers vorderen, samengevat, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank zal bepalen dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade van alle zes eisers en [gedaagde] zal veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan elk van eisers (met bepaling dat het bedrag ten behoeve van [minderjarige] voor zover dat ziet op immateriële schade wordt gestort op een rekening met BEM-clausule), vermeerderd met rente, proceskosten en beslagkosten. Ter gelegenheid van de comparitie van partijen hebben eisers hun eis verminderd, in die zin dat de door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 30 april 2015 toegewezen bedragen ten titel van schadevergoeding in mindering strekken op de in deze procedure gevorderde bedragen.

3.2.

Eisers stellen dat sprake is van een onrechtmatige daad van [gedaagde] jegens hen en dat zij als gevolg daarvan schade hebben geleden, bestaande uit materiële en immateriële schade, tot vergoeding waarvan zij [gedaagde] gehouden achten.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Op grond van art. 161 Rv geldt dat een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis, waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit, behoudens tegenbewijs. Op grond van het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 30 april 2015, dat gezag van gewijsde heeft, staat dan ook vast dat [gedaagde] [betrokkene] door verwurging om het leven heeft gebracht en daarmee staat tevens vast dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [betrokkene] .

4.2.

Eisers vorderen in deze procedure vergoeding van [gedaagde] van de materiële schade (waaronder arbeidsvermogensschade) en immateriële schade die zij hebben geleden door de doodslag op [betrokkene] . Deze vorderingen worden hierdoor gekenmerkt dat eisers als nabestaanden vergoeding vorderen van schade die zij hebben geleden ten gevolge van de dood van hun kind/zus/ex-partner/moeder, die slachtoffer is geworden van een onrechtmatige daad van een derde. Bij de beoordeling van de vorderingen wordt het volgende vooropgesteld.

4.3.

Het stelsel van de wet brengt mee dat nabestaanden ingeval iemand met wie zij een nauwe en/of affectieve band hadden, overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, geen vordering geldend kunnen maken tot vergoeding van nadeel wegens het verdriet dat zij ondervinden als gevolg van dit overlijden. Art. 6:108 BW geeft immers in een dergelijk geval slechts aan een beperkt aantal gerechtigden bij overlijden van een naaste of dierbare – ongeacht of degene die jegens de overledene aansprakelijk is voor de gebeurtenis die tot diens dood heeft geleid zich tevens onrechtmatig heeft gedragen jegens deze gerechtigden en ongeacht of die persoon tegenover de overledene een opzetdelict heeft begaan – alleen aanspraak op de in art. 6:108 BW genoemde vermogensschade. Het stelsel van de wet staat aan toekenning van een vergoeding van ook andere materiële en immateriële schade in de weg. Dit stelsel staat er echter niet aan in de weg dat de dader (ook) onrechtmatig kan handelen jegens een derde (nabestaande) indien de dader het oogmerk had aan de derde immateriële schade toe te brengen als bedoeld in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder a, BW of als die derde daardoor in zijn persoon is aangetast in de zin van art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW. Degene die een misdrijf pleegt met de dood tot gevolg, handelt niet alleen onrechtmatig jegens degene die daardoor is gedood, maar ook jegens degene bij wie door het waarnemen van de door een ongeval of onrechtmatige daad veroorzaakte dood of de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het ongeval of de gepleegde onrechtmatige daad is gedood of gewond. De daardoor ontstane immateriële schade komt op grond van het bepaalde in art. 6:106 lid 1, aanhef en onder b, BW voor vergoeding in aanmerking (‘shockschade’). Daarvoor is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Voor toekenning van ‘shockschade’ als hier bedoeld is voldoende dat een rechtstreeks verband bestaat tussen het gevaarzettend handelen enerzijds en het geestelijk letsel dat een derde door de confrontatie met de gevolgen van dit handelen oploopt anderzijds. Deze confrontatie kan ook plaatsvinden (kort) nadat de gebeurtenis die tot de dood of verwonding van een ander heeft geleid, heeft plaatsgevonden (Hoge Raad 22 februari 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5356).

4.4.

Eisers stellen dat [betrokkene] en [gedaagde] geruime tijd een relatie hebben gehad en dat [gedaagde] na het verbreken van de relatie [betrokkene] begon te belagen, te volgen en lastig te vallen. Daarbij heeft hij [betrokkene] meermalen verbaal en fysiek bedreigd. Ook heeft hij tegenover derden kenbaar gemaakt dat hij [betrokkene] kapot zou maken/zou doden. [betrokkene] heeft aangifte gedaan bij de politie van bedreiging en stalking door [gedaagde] . Eisers stellen dat de politie protocollen/richtlijnen hanteert voor dit soort aangiftes en dat de politie op dat moment niets kon/heeft kunnen ondernemen. Eisers stellen dat zij in die periode in grote angst leefden dat [gedaagde] [betrokkene] iets zou aandoen en dat die angst uiteindelijk bewaarheid is geworden. [gedaagde] is in de nacht van 22 op 23 juli 2013 met een ladder de woning van [betrokkene] binnengegaan, terwijl zij sliep. Hij heeft een dekbed over haar hoofd geduwd, haar gestompt en geslagen en gewurgd tot de dood er op volgde. Gelet op hun grote angst voorafgaand aan dood van [betrokkene] , hun woede en onbegrip over het handelen van de politie (lees: het uitblijven van actie door de politie), alsmede de brute wijze waarop [betrokkene] om het leven is gekomen is sprake van een directe confrontatie, waardoor zij allen zijn getraumatiseerd, aldus eisers. Voor [minderjarige] geldt bovendien dat hij in de nacht van het misdrijf – hij was destijds net zeven jaar oud – in het huis van [betrokkene] lag te slapen en de volgende ochtend het gekneusde en gebroken dode lichaam van zijn moeder heeft gevonden, liggend naast haar bed in een plas bloed. Hij heeft 112 gebeld en nadat de politie was gearriveerd moest [minderjarige] in de woning blijven gedurende het sporenonderzoek dat de politie verrichte, waarbij ook aan zijn lichaam forensisch onderzoek is verricht, omdat hij het bed en zijn moeder had aangeraakt. [minderjarige] is door dit alles ernstig getraumatiseerd, aldus eisers.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van [minderjarige] , gelet op de hiervoor gegeven beschrijving van de omstandigheden waaronder hij zijn moeder op de ochtend van 23 juli 2013 heeft aangetroffen, sprake is van een directe en rechtstreekse confrontatie met de gevolgen van het misdrijf en dat het geen twijfel lijdt, en dat wordt ook niet betwist, dat hij bij deze confrontatie een ernstige psychische schok heeft opgelopen. Verder is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam komen vast te staan dat sprake is geweest van een dermate ernstige schok dat deze heeft geleid tot geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Uit de als productie 11 bij dagvaarding overgelegde verklaring van drs. L.J. Vos, GZ-psycholoog en psychotherapeut en verbonden aan het Psychotraumacentrum voor Kinderen en Jongeren van het UMC Utrecht, blijkt dat [minderjarige] vanaf september 2013 onder psychologische behandeling staat voor onder meer posttraumatische stressklachten, passend bij het beeld van een DSM-IV-TR classificatie Posttraumatische Stress Stoornis, en dat de klachten [minderjarige] aanzienlijk belemmeren in zijn functioneren.

4.6.

Het voorgaande betekent dat voldaan is aan alle in de jurisprudentie geformuleerde vereisten voor het toekennen van ‘shockschade’ (vgl. rov. 4.3). Daarmee is de conclusie gerechtvaardigd dat [gedaagde] ook onrechtmatig jegens [minderjarige] heeft gehandeld en dat hij gehouden is de schade te vergoeden die [minderjarige] als gevolg daarvan lijdt.

4.7.

Ten aanzien van eisers 1 tot en met 5 wordt het volgende overwogen.

Met art. 6:106 BW is beoogd vergoeding van ander nadeel dan vermogensschade slechts in beperkte mate mogelijk te maken, in verband waarmee voor vergoeding van ‘shockschade’ alleen onder strikte voorwaarden plaats is. Hiermee strookt niet het vereiste van het ongeval of directe confrontatie met zijn ernstige gevolgen vanwege de aard of ernst van de normschending, zoals vanwege het opzettelijke begaan daarvan, terzijde te stellen of af te zwakken (Hoge Raad 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8583). De rechtbank overweegt dat uit de stellingen van eisers 1 tot en met 5 en het verhandelde ter zitting volgt dat bij hen allen voorafgaand aan de dood van [betrokkene] grote zorg en angst bestond voor haar welzijn en veiligheid. Het feit dat de politie, ondanks aangifte(n) van [betrokkene] over bedreiging en stalking door [gedaagde] , niet heeft kunnen voorkomen dat zich een misdrijf heeft voltrokken, waarbij [betrokkene] om het leven is gebracht door [gedaagde] , heeft bij eisers 1 tot en met 5 niet alleen geleid tot gevoelens van diep verdriet maar ook van grote machteloosheid en woede, niet alleen jegens [gedaagde] maar ook jegens de politie en andere instanties (de wetgever). De rechtbank is van oordeel dat die gevoelens van eisers 1 tot en met 5 oprecht, voorstelbaar en invoelbaar zijn, maar dat de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden niet kunnen leiden tot het oordeel dat sprake is van een directe confrontatie met (de gevolgen van) het misdrijf in de door de Hoge Raad bedoelde zin. Dat [betrokkene] door geweld om het leven is gebracht en de wijze waarop dat is gebeurd, leidt ten aanzien van de eisers 1 tot en met 5 niet tot een ander oordeel. Gesteld noch gebleken is of, en zo ja, wanneer en op welke wijze, zij zijn geconfronteerd met het lichaam van [betrokkene] en/of de feiten in de media rondom en/of tijdens het strafproces, op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd zou zijn dat sprake is van een directe confrontatie met (de gevolgen van) het misdrijf, die een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht. Daarop stranden reeds de vorderingen van eisers 1 tot en met 5, voor zover die gebaseerd zijn op de vergoeding van ‘shockschade’. De vraag of, en zo ja in hoeverre, sprake is van geestelijk letsel in de vorm van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld bij eisers 1 tot en met 5 behoeft in dat geval geen bespreking meer.

4.8.

De slotsom van het voorgaande is dat aan eisers 1 tot en met 5 alleen vergoeding van schade toekomt voor zover art. 6:108 BW daar aanspraak op geeft. Voor [eiser sub 5] geldt dat hij niet behoort tot de in lid 1 en 2 van bedoeld artikel genoemde kring van gerechtigden, zodat reeds om die reden de door hem gevorderde schadevergoeding niet toewijsbaar is. Ten aanzien van [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] wordt overwogen dat zij op grond van artikel 6:108 lid 2 BW aanspraak kunnen maken op vergoeding van begrafeniskosten. Dat zijn de door hen opgevoerde kosten van respectievelijk € 330,00 en € 255,00. Deze bedragen zijn door het gerechtshof bij arrest van 30 april 2015 reeds toegewezen en [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] hebben hun vorderingen met deze twee bedragen verminderd, zodat zij geen belang hebben bij dit deel van hun vordering. De overige gevorderde bedragen komen op grond van art. 6:108 BW niet voor vergoeding in aanmerking. Dat geldt ook voor de door [eiseres sub 4] gevorderde bedragen. In de strafrechtelijke procedure is door het gerechtshof aan [eiser sub 3] een bedrag toegewezen van € 5.166,38 wegens begrafeniskosten. Uit productie 6 bij dagvaarding blijkt dat in dat bedrag de (door Monuta vergoede) begrafeniskosten, de kosten van de grafsteen, de notaris, bloemen en diverse kosten zijn begrepen. [eiser sub 3] heeft zijn vordering met voormeld bedrag verminderd. De overige door [eiser sub 3] in privé gevorderde kosten komen op grond van art. 6:108 BW niet voor vergoeding in aanmerking.

4.9.

[eiser sub 3] vordert tevens vergoeding van kosten in zijn hoedanigheid van executeur van de nalatenschap van [betrokkene] . De rechtbank overweegt dat [eiser sub 3] daarmee kennelijk bedoeld heeft een vordering in te stellen namens de erfgenamen van de nalatenschap van [betrokkene] , in dit geval namens [minderjarige] als enig erfgenaam (art. 4:145 BW). [eiser sub 3] voert de volgende kosten op: de huur van de woning van [betrokkene] tot 26 augustus 2013, de wegenbelasting van haar auto, de verzekeringen voor haar auto, brommer en woning, schade aan de auto door politieonderzoek en de kosten van grafonderhoud. De rechtbank overweegt dat alleen sprake kan zijn van een vordering van de nalatenschap op [gedaagde] als sprake is van een vordering van [betrokkene] op [gedaagde] , die na haar overlijden is overgegaan op [minderjarige] als enig erfgenaam. De door [eiser sub 3] genoemde kosten, wat daar ook van zij, kunnen niet als zodanig worden aangemerkt. Verder is een deel van deze kosten het gevolg van en daarmee inherent aan het overlijden van [betrokkene] en als zodanig niet te beschouwen als schade.

4.10.

De rechtbank komt dan toe aan de gevorderde schadevergoeding met betrekking tot [minderjarige] . Een deel van de namens [minderjarige] gevorderde schade is voorwaardelijk gevorderd. Nu aan [eiser sub 5] geen schadevergoeding wordt toegekend, komt dat deel van de schade thans aan de orde. Namens [minderjarige] wordt onder meer vergoeding gevorderd van extra telefoonkosten en reis- en parkeerkosten in verband met de psychologische behandeling die hij ondergaat in Utrecht. Dit zijn kosten die voor rekening komen van [eiser sub 5] en zijn huidige partner en die kosten zijn niet aan te merken als schade van [minderjarige] . Datzelfde geldt voor de gevorderde verhuiskosten, de kosten voor het opknappen van het huis, de aanschaf van extra meubels en de extra huurkosten. Deze kosten worden gevorderd omdat [minderjarige] , die zijn hoofdverblijf had bij zijn moeder, na haar overlijden bij zijn vader en diens partner is komen wonen en zij, om de veranderingen voor [minderjarige] zo beperkt mogelijk te laten zijn, zijn verhuisd naar de woonomgeving van [minderjarige] in [woonplaats] . Ook dit zijn geen kosten die kunnen worden aangemerkt als schade, die voor vergoeding in aanmerking komt.

4.11.

Namens [minderjarige] wordt tevens immateriële schadevergoeding gevorderd tot een bedrag van € 40.000,00. [gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de hoogte van dit bedrag.

4.12.

Bij het bepalen van de hoogte van de vergoeding voor immateriële schade naar billijkheid dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de ernst van het aan [gedaagde] te maken verwijt en de aard en ernst van het psychische letsel. Daarbij dient tevens gekeken te worden naar hetgeen blijkens de jurisprudentie in vergelijkbare gevallen gebruikelijk is. Het gaat in deze zaak om een misdrijf dat is gepleegd in de eigen, veilige woonomgeving van [minderjarige] , destijds zeven jaar oud, terwijl hij en zijn moeder ’s nachts lagen te slapen. [minderjarige] heeft zijn moeder de volgende ochtend in haar slaapkamer naast haar bed gevonden, gewurgd, met uiterlijke verwondingen en liggend in een plas bloed. Nadat [minderjarige] het alarmnummer 112 had gebeld is hij, totdat de politie arriveerde, nog enige tijd alleen met het lichaam van zijn overleden moeder in de woning geweest. Toen de politie was gearriveerd mocht [minderjarige] de woning niet verlaten totdat de politie haar sporenonderzoek had afgerond, waarbij ook forensisch onderzoek aan zijn eigen lichaam is verricht. [minderjarige] lijdt onder meer aan posttraumatische stressklachten, passend bij het beeld van een DSM-IV-TR classificatie Posttraumatische Stress Stoornis. Deze klachten belemmeren [minderjarige] tot op heden aanzienlijk in zijn functioneren. Er is een negatief effect op onder andere zijn zelfvertrouwen, vertrouwen in anderen en in zijn basisgevoel van veiligheid, aldus de psycholoog die [minderjarige] behandelt.

4.13.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de brute wijze waarop [gedaagde] [betrokkene] om het leven heeft gebracht, de gruwelijke omstandigheden waaronder [minderjarige] zijn moeder de ochtend daarna heeft aangetroffen in zijn eigen woonomgeving, waarbij hij gedurende het sporenonderzoek de woning niet mocht verlaten, zonder dat hij gedurende die tijd bijstand had van vertrouwde personen en rekening houdend met de jonge leeftijd van [minderjarige] ten tijde van het misdrijf, de gevolgen die [minderjarige] daarvan ondervindt en de mogelijke (ernstige) gevolgen die hij daarvan gedurende zijn verdere leven nog zal ondervinden, en gelet op de bedragen die in vergelijkbare gevallen van ‘shockschade’ worden toegekend, een bedrag van € 40.000,00 aan immateriële schadevergoeding gerechtvaardigd is. Dit bedrag zal worden toegewezen, evenals de gevorderde wettelijke rente. Zoals gevorderd zal worden bepaald dat dit bedrag wordt gestort op een rekening met een BEM-clausule.

Beslagkosten

4.14.

Eisers vorderen [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De rechtbank ziet aanleiding om voor het te hanteren liquidatietarief aansluiting te zoeken bij het toegewezen bedrag. De beslagkosten worden begroot op € 890,39 aan verschotten en € 579,00 voor salaris advocaat (1 rekest x € 579,00).

Proceskosten

4.15.

Aangezien het in de onderhavige zaak ten aanzien van alle eisers gaat om hetzelfde feitencomplex (voor wat betreft het strafbare feit en de dood van [betrokkene] ) en de vordering tot schadevergoeding jegens één van hen wordt toegewezen, is [gedaagde] te beschouwen als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij en zal hij in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank ziet aanleiding om voor de hoogte van het salaris van de gemachtigde aansluiting te zoeken bij de hoogte van het toe te wijzen bedrag. De kosten aan de zijde van eisers worden begroot op € 1.330,19 (€ 78,00 aan griffierecht, € 94,19 aan explootkosten en € 1.158,00 (2 punten x tarief III) voor salaris gemachtigde.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser sub 5] , in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige] , van een schadevergoeding van € 40.000,00 (veertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 23 juli 2013 tot de dag van volledige betaling, welk bedrag, na daartoe verkregen toestemming van de kantonrechter, dient te worden gestort op een door [eiser sub 5] op naam van [minderjarige] te openen kinderspaarrekening met BEM-clausule,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 1.469,39,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van eisers tot op heden begroot op € 1.330,19,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. van Vlimmeren-van Ommen, mr. R.J.B. Boonekamp en mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2016.

Coll.: KV