Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5833

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
31-10-2016
Datum publicatie
02-11-2016
Zaaknummer
05/780095-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt vrijgesproken van de belaging van haar schoonzus. Uit het proces-verbaal, de verhoren bij de rechter-commissaris, de tapgesprekken en de sms-berichten tussen verdachte en haar schoonzus kan wel opgemaakt worden dat er in die contacten enige druk is uitgeoefend op haar, echter niet voldoende om te spreken van een dusdanige druk dat sprake was van beïnvloeding. Verdachte wordt ook vrijgesproken van het (mede)plegen van het opmaken van een valse arbeidsovereenkomst voor haar zus. Niet bewezen kan worden dat verdachte de arbeidsovereenkomst valselijk heeft opgemaakt, nu niet valt uit te sluiten dat er daadwerkelijk een arbeidsrelatie heeft bestaan tussen het bedrijf van verdachte en haar zus.

Verdachte heeft zich als directeur van een incassobedrijf wel schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van een arbeidsovereenkomst tussen dit bedrijf en haar schoonzus, terwijl er geen sprake was van een werkgever-werknemer relatie en ook niet de op de salarisspecificaties vermelde salarissen

werden betaald. Door het tonen van onder andere deze arbeidsovereenkomst heeft haar schoonzus een hypotheek verkregen.

Gelet op het gegeven dat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt, wordt verdachte voor dit feit veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/780095-14

Datum uitspraak : 31 oktober 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedatum 1] te [geboorteplaats 1] ,

wonende te [adres 1] .

Raadsman: mr. W.R. Jonk, advocaat te Almere.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 oktober 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 29 november 2012, in

elk geval in 2012, te Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

een arbeidsovereenkomst - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs

van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of

valselijk heeft doen opmaken of vervalsen,

immers heeft zij, verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededader(s),

althans alleen, valselijk en/of in strijd met de waarheid

-in die arbeidsovereenkomst vermeld en/of doen vermelden, zakelijk

weergegeven, dat de daarin genoemde persoon (te weten [naam 3] )

als werknemer in dienst was van [naam 2] , en/of

-die arbeidsovereenkomst bij de vermelding "voor akkoord werkgever" voorzien

van een paraaf/handtekening,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken

en/of door anderen te doen gebruiken;

art 47 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

zij in of omstreeks de periode van 10 april 2014 tot en met 26 juni 2014 te

Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

zich opzettelijk mondeling jegens [naam 3] heeft geuit,

kennelijk om haar vrijheid om naar waarheid of geweten ten overstaan van een

rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden,

terwijl zij, verdachte, en/of haar mededader(s) wist/wisten of ernstige reden

had/hadden te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd,

immers heeft/hebben zij, verdachte, en/of haar mededader(s) opzettelijk die

[naam 3] , terwijl deze was uitgenodigd voor het afleggen van een

(getuigen)verklaring ten overstaan van één of meer opsporingsambtenaren en/of

onderweg was naar het politiebureau om een (getuigen)verklaring te gaan

afleggen,

-opgebeld en gezegd dat deze [naam 3] moest wachten bij de

Rabobank en/of

-deze [naam 3] aangesproken en/of

-deze [naam 3] gezegd dat zij niet naar de politie moest gaan

en/of dat zij geen verklaring moest/mocht afleggen en/of dat zwijgen het

beste was

art 47 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 285a lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 21 november 2011, in

elk geval in 2011, te Apeldoorn, in elk geval in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

een arbeidsovereenkomst - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs

van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of

valselijk heeft doen opmaken of vervalsen,

immers heeft zij, verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededader(s),

althans alleen, valselijk en/of in strijd met de waarheid

-in die arbeidsovereenkomst vermeld en/of doen vermelden, zakelijk

weergegeven, dat de daarin genoemde persoon (te weten [naam 4]

[naam 4] als werknemer in dienst was van [naam 5]

[naam 5] , en/of

-die arbeidsovereenkomst bij vermelding "voor akkoord werkgever" voorzien van

een paraaf/handtekening,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken

en/of door anderen te doen gebruiken;

art 47 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – kort gezegd - gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en het onder 2 tenlastegelegde, te weten het opmaken van een valse arbeidsovereenkomst voor [naam 6] en het beïnvloeden van de verklaringsvrijheid van deze [naam 7] . Voorts heeft de officier van justitie gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde, te weten het opmaken van een valse arbeidsovereenkomst voor [naam 8] .

In het door hem ter zitting overgelegde en voorgedragen – aan het proces-verbaal gehechte – schriftelijk requisitoir heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken. De verdediging heeft haar standpunt toegelicht aan de hand van een – aan het proces-verbaal gehechte – pleitnotitie.

Beoordeling door de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden afgeleid dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde, te weten de beïnvloeding van de verklaringsvrijheid van [naam 6] .

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten laste is gelegd artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht. Deze bepaling is ingevoerd

in verband met de bedreiging van beschermde getuigen. Bij de behandeling van dat wetsontwerp heeft de toenmalige minister van justitie, E.M.H. Hirsch Ballin over die bepaling in de Memorie van Toelichting opgemerkt (kamerstukken vergaderjaar 1991-1992, 22 483, nr. 3, blz. 39): “Ik stel voor niet alleen de intimidatie van getuigen en deskundigen doch ook de intimidatie van personen die tijdens het opsporingsonderzoek een verklaring willen afleggen onder het bereik van de voorgestelde strafbepaling te brengen.”

Het woord “intimidatie” komt de rechtbank voor als een begrip met een beperktere strekking dan de woorden in de wetstekst “…diens vrijheid … beïnvloeden”; wetshistorie en jurisprudentie laten zich hierover niet uit.

De rechtbank is in deze van oordeel dat, mede gelet op het hierboven gemelde, vereist is dat sprake is geweest van enige vorm van intimidatie om te komen tot beïnvloeding in de zin van artikel 285a van het Wetboek van Strafrecht. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het proces-verbaal, de verhoren bij de rechter-commissaris, de tapgesprekken en de sms-berichten tussen verdachte en [voornaam] [naam 7] , opgemaakt kan worden dat er in die contacten enige druk is uitgeoefend op [naam 7] . Echter, om te spreken van een dusdanige druk dat geconcludeerd moet worden dat sprake was van beïnvloeding als bedoeld in de strafbepaling, voert te ver. Verdachte dient daarom van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde (mede)plegen van het opmaken van een valse arbeidsovereenkomst voor [naam 9] , is de rechtbank – met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Niet bewezen kan worden dat verdachte de arbeidsovereenkomst valselijk heeft opgemaakt, nu niet valt uit te sluiten dat er daadwerkelijk een arbeidsrelatie heeft bestaan tussen [naam 10] en/of [naam 11] en [naam 9] .

Feiten

Feit 1 1

De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor het onder 1 ten laste gelegde.

De rechtbank acht hiervoor de volgende bewijsmiddelen redengevend.

[voornaam] [naam 7] heeft bij de politie onder meer –zakelijk weergegeven – verklaard dat er ergens in september/oktober 2012 gesprekken zijn gevoerd tussen [naam 12] [naam 20] , [naam 13] [naam 21] , [naam 14] [naam 20] en haarzelf omdat de financiële problemen van de zaak van [naam 14] groot waren. Om tot een oplossing te komen werd er voorgesteld dat zij, [voornaam] , een hypotheek zou aanvragen bij een bank. De woning van [voornaam] en [naam 14] aan de [adres 3] zou daarbij als onderpand dienen.2

[voornaam] heeft verder verklaard dat de documenten die naar de ING zijn gestuurd met betrekking tot de werk- en loongegevens kennelijk door haar zijn ondertekend. Ze kent deze documenten niet; ze heeft deze zelf nooit aangeleverd en ze denkt ook niet dat ze kennis heeft genomen van de inhoud daarvan. In goed vertrouwen heeft zij de documenten die [naam 12] , [naam 13] en/of [naam 14] vroegen te tekenen, kennelijk ondertekend.3

[voornaam] heeft over de arbeidsovereenkomst4 die op 1 juni 2012 zou zijn afgesloten en op 30 november 2012 is beëindigd, verklaard dat zij nooit bij [naam 11] heeft gewerkt.5

De hypotheekakte is op 29 november 2012 getekend.6

Bij de rechter-commissaris heeft [voornaam] [naam 7] hierover – zakelijk weergegeven – verklaard dat ze de arbeidsovereenkomst heeft gelezen voordat zij deze heeft getekend en het feit dat er als functieomschrijving was opgenomen dat ze als administratief medewerkster werkzaam zou zijn bij [naam 11] baarde haar later bij de politie wel zorgen; dat was namelijk helemaal niet zoals het hoorde. Op het moment dat ze de arbeidsovereenkomst tekende wist ze wel dat het niet helemaal was zoals het hoorde. Zij werd gerustgesteld met de mededeling dat dit wel vaker zo gebeurde en dat er wel meer mensen op de loonlijst stonden die daar niet werkten, zoals ook haar schoonzus [naam 15] .7

[naam 17] heeft hierover bij de rechter-commissaris – zakelijk weergegeven - verklaard dat [voornaam] [naam 7] in 2012 feitelijk niet werkzaam was bij [naam 11] . Zij heeft wel met [voornaam] een arbeidsovereenkomst ondertekend.8

De rechtbank acht op grond van voormelde bewijsmiddelen het feit bewezen. De in de arbeidsovereenkomst ingevulde informatie komt niet overeen met de werkelijkheid en derhalve is sprake van een valselijk opgemaakte arbeidsovereenkomst. Daartoe overweegt de rechtbank dat verdachte, gelet op het feit dat deze arbeidsovereenkomst is gebruikt ter verkrijging van een hypothecaire lening en verdachte dat wist, het oogmerk heeft gehad deze arbeidsovereenkomst als echt en onvervalst te gebruiken of doen gebruiken.

Met betrekking tot de bewezenverklaarde periode overweegt de rechtbank dat het voormelde bewezen verklaarde feit in de periode van 1 juni 2012 tot en met 29 november 2012 heeft plaatsgehad.

De rechtbank betrekt daarbij de verklaring van getuige [getuige 1] , directeur/boekhouder bij [naam 16] , die verwijst naar mailverkeer met betrekking tot de verloning van [voornaam] [naam 7] . Daaruit volgt dat de boekhouder pas op de hoogte is gebracht van het “dienstverband” van [voornaam] met [naam 11] op het moment dat er een werkgeversverklaring moest worden verstrekt en dat [voornaam] tot en met oktober 2012 niet in de boekhouding was opgenomen.9 De werkgeversverklaring dateert van 16 november 2012.10

[naam 17] heeft hierover bij de rechter-commissaris verklaard dat [voornaam] eerst om een loonstaat vroeg in verband met een hypotheekaanvraag.11 De offerte van de ING met betrekking tot de hypotheekaanvraag dateert van 13 november 2012.12

Daarbij komt nog de verklaring van getuige [getuige 2] , administratief/financieel medewerkster bij [naam 16] , waarin zij – zakelijk weergegeven – over de salarisspecificaties over 2012 heeft verklaard dat zij ziet dat er bij ‘einde dienstverband’ bij alle loonspecificaties de einddatum van het dienstverband is ingevuld, behalve bij periode 11.13 Zij heeft daarover verklaard dat het verschil zit in het feit dat deze loonstroken achteraf zijn ingevuld en uitgedraaid. De toenmalige boekhoudster van [naam 11] had hierover een verzoek aan [getuige 3] gedaan. Achteraf gezien vond [naam 18] het raar dat op 16 november 2012 gevraagd werd een werkgeversverklaring in te vullen en dat op 30 november 2012 de arbeidsovereenkomst ontboden werd, maar ze heeft alleen maar uitgevoerd wat haar verzocht werd.14

Gelet op bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte deze arbeidsovereenkomst pas achteraf, ergens in de tenlastegelegde periode, heeft opgesteld en dat het voormelde bewezen verklaarde feit aldus in de periode van 1 juni 2012 tot en met 29 november 2012 heeft plaatsgehad. Dat [voornaam] [naam 7] , zoals verdachte stelt, feitelijk bij haar moeder in de huishouding zou hebben gewerkt in plaats van bij haar op kantoor acht de rechtbank, voor zover al relevant voor de beoordeling van het tenlastegelegde, niet aannemelijk. Veeleer lijkt dit verhaal achteraf geconstrueerd om de situatie rechtmatig te laten lijken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 juni 2012 tot en met 29 november 2012, in elk geval in 2012, te Apeldoorn, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, een arbeidsovereenkomst - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst en/of valselijk heeft doen opmaken of vervalsen, immers heeft zij, verdachte, tezamen en in vereniging met haar mededader(s), althans alleen, valselijk en/of in strijd met de waarheid

-in die arbeidsovereenkomst vermeld en/of doen vermelden, zakelijk weergegeven, dat de daarin

genoemde persoon (te weten [naam 3] ) als werknemer in dienst was van

[naam 2] , en/of

-die arbeidsovereenkomst bij de vermelding "voor akkoord werkgever" voorzien van een

paraaf/handtekening,

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Valsheid in geschrift.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het tenlastegelegde onder feit 1 en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar en een werkstraf voor de duur van 150 uur subsidiair 75 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het standpunt van de verdediging ten aanzien van de strafmaat toegelicht aan de hand van zijn – aan het proces-verbaal gehechte – pleitnota.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 5 september 2016.

De rechtbank overweegt als volgt.

De verdachte heeft zich als directeur van incassobedrijf [naam 11] op de

bewezenverklaarde wijze schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van een

arbeidsovereenkomst tussen [naam 11] en haar schoonzus [voornaam] [naam 7] , terwijl er geen sprake was van een werkgever-werknemer relatie en ook niet de op de salarisspecificaties vermelde salarissen werden betaald. Door het tonen van onder andere deze arbeidsovereenkomst heeft [voornaam] [naam 7] een hypotheek verkregen. Met dergelijk handelen schaadt verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van bepaalde geschriften moet kunnen worden gesteld. Dit heeft een ontwrichtende werking op het economische verkeer en de rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Ten voordele van verdachte laat de rechtbank meewegen dat het strafbare feit lange tijd geleden is begaan.

De rechtbank heeft verder acht geslagen op de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting en op het strafblad van verdachte, waaruit gebleken is dat zij niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Alles overwegende, als ook gelet op het gegeven dat de rechtbank tot een andere

bewezenverklaring komt dan de officier van justitie, komt de rechtbank tot oplegging van een werkstraf voor de duur van 60 uren te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Gelet op het gegeven dat het strafbare feit langere tijd geleden is begaan en verdachte zowel daarvoor als daarna niet (meer) met politie en justitie in aanraking is geweest, ziet de rechtbank geen toegevoegde waarde in oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf, zoals door de officier van justitie gevorderd.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart niet bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verklaart bewezen dat verdachte het feit, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 60 (zestig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen.

Dit vonnis is gegeven door mr. [voorzitter] , voorzitter, mr. [rechter 1] en mr. [rechter 2] , rechters, in tegenwoordigheid van [naam 19] , griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 oktober 2016.

[rechter 3] is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Team strafrecht

Parketnummer: 05/780095-14[jw.sys.1.verdachte_1_parketnummer]

Uitspraak d.d.: 31 oktober 2016

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van 31 oktober 2016.

Tegenwoordig:

mr. , rechter,

mr. , officier van justitie,

en , griffier.

De rechter doet de zaak uitroepen.

De verdachte,

[verdachte 2] ,

geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] ,

wonende te [adres 2] ,

is wel / niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De raadsman mr. W.R. Jonk, advocaat te Almere is wel/niet verschenen.

De rechter spreekt het vonnis uit

Waarvan proces-verbaal,

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Eenheid Oost-Nederland, Dienst Regionale Recherche, dossier Katwijk, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 2013107525, gesloten op 26 november 2014 te Apeldoorn en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor van [naam 6] , pag. 862-863

3 Proces-verbaal van verhoor van [naam 6] , pag. 863

4 Arbeidsovereenkomst tussen [naam 11] en [naam 6] , pag. 317-318

5 Proces-verbaal van verhoor van [naam 6] , pag. 710

6 Hypotheekakte, pag. 426 van het proces-verbaal

7 Verklaring van [naam 6] , afgelegd bij de rechter-commissaris op 23 juni 2016

8 Verklaring van [verdachte 3] , afgelegd bij de rechter-commissaris op 31 mei 2016

9 Uitdraai mailverkeer [getuige 4] , pag. 460

10 Werkgeversverklaring [naam 6] , pag. 467

11 Verklaring [verdachte 4] , afgelegd bij de rechter-commissaris op 31 mei 2016

12 Offerte ING Bank, pag. 365-367

13 Loonspecificaties periode 6 tot en met 11, pag. 330-335

14 Verklaring van S.E. [naam 18] , pag. 463