Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5780

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-10-2016
Datum publicatie
03-11-2016
Zaaknummer
307561
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verwijdering van website. Vrijheid van meningsuiting versus het recht op bescherming van eer of goede naam. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0448
NJF 2016/518
Onder redactie van mr. M. van der Linden en mr. C.C.M. Kroeks – de Raaij annotatie in IR 2016/186, UDH:IR/13861

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/307561 / KG ZA 16-390

Vonnis in kort geding van 17 oktober 2016

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser sub 2] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaten mrs. J.J. van Kuijk en P.J.A. Geelhoed te Soest,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. S. van der Linden te Harderwijk,

2. de vennootschap naar Deens recht

[gedaagde sub 2] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [woonplaats] ( [land] ),

gedaagde,

niet verschenen.

Partijen zullen hierna [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de wijziging van eis

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnota van [eiser sub 1] en [eiser sub 2]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde sub 1] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

[gedaagde sub 2] is niet ter zitting verschenen. De voorzieningenrechter heeft op 1 september 2016 aan [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in afwijking van het bepaalde in artikel 115 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een verkorte termijn verleend om de dagvaarding te betekenen aan de in het buitenland gevestigde [gedaagde sub 2] , te weten uiterlijk op dinsdag 6 september 2016, om 17:00 uur. Op de door [eiser sub 1] en [eiser sub 2] overgelegde dagvaarding is louter de datum vermeld, zodat de voorzieningenrechter ter zitting heeft gevraagd of de betekening ook daadwerkelijk vóór het bepaalde tijdstip van 17:00 uur heeft plaatsgevonden. Omdat de deurwaarder tijdens een schorsing van de zitting niet bereikbaar was, heeft de voorzieningenrechter de advocaat van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de gelegenheid gesteld om na de zitting alsnog te verifiëren bij de deurwaarder op welk tijdstip de betekening heeft plaatsgevonden en dit aan de voorzieningenrechter zo spoedig mogelijk te berichten. Bij faxbericht van 6 oktober 2016 heeft de advocaat van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] diverse stukken overgelegd. Uit de overgelegde stukken blijkt onder meer dat de deurwaarder op 6 september 2016, om 14:26 uur, de dagvaarding per aangetekende post naar gedaagde 2 heeft verstuurd, welke dagvaarding op vrijdag 9 september 2016, om 10:24 uur, is bezorgd.

1.4.

Op grond van artikel 56, vierde lid Rv dient wanneer de betekening binnen een bepaalde termijn moet worden verricht de datum van verzending (ten aanzien van degene op wiens verzoek de betekening geschiedt) overeenkomstig het tweede of derde lid van datzelfde artikel in aanmerking te worden genomen als datum van betekening. Nu de dagvaarding op 6 september 2016 vóór 17:00 uur moest worden betekend en de deurwaarder de dagvaarding op grond van het bepaalde in artikel 56, derde lid Rv op 6 september 2016 om 14:23 uur rechtstreeks heeft verzonden naar [gedaagde sub 2] kan worden aangenomen dat een tijdige betekening heeft plaatsgevonden. Uit overgelegde stukken blijkt daarnaast dat reeds op 2 september 2016 een Engelse vertaling van de dagvaarding naar [gedaagde sub 2] was gemaild in reactie waarop [gedaagde sub 2] heeft geantwoord dat zij niet ter zitting zal verschijnen. De voorzieningenrechter zal dan ook verstek verlenen ten aanzien van [gedaagde sub 2] .

2 De feiten

2.1.

Op 20 oktober 2008 heeft [gedaagde sub 1] bij [eiser sub 2] , van welke vennootschap [eiser sub 1] bestuurder is, een haartransplantatie (met de zogenaamde FUT methode) ondergaan. Omdat een breder litteken dan gebruikelijk was ontstaan, hebben op 20 september 2009 een littekencorrectie en een hernieuwde haartransplantatie plaatsgevonden. Omdat dit niet tot het gewenste resultaat heeft geleid, is in juli 2013 een nieuwe haartransplantatie (volgens de FUE methode) uitgevoerd, die in juli 2014 is herhaald.

2.2.

In juni 2016 heeft [gedaagde sub 1] de website www. [website] .nl opgericht. [gedaagde sub 2] is de hostingprovider van die website. Op verzoek van [eiser sub 1] en [eiser sub 2] heeft een deurwaarder op 28 juni 2016 geconstateerd dat het volgende op de website was vermeld:

Mislukte haartransplantaties van [eiser sub 2]

Binnenkort zal ik samen met andere [eiser sub 2] slachtoffers mijn verhaal doen over leugens, misleidingen, manipulatie, financiële fraude en misbruik van onzekerheden door [eiser sub 2] (www. [eiser sub 2] .nl). Dit zal gebeuren na groenlicht van advocaten en diverse instanties. De slachtofferverhalen zullen op deze website en via sociale media gepubliceerd worden.

Onderstaande foto is een kleine impressie van de vele ‘gruwelijke’ fouten van [eiser sub 2] . Dit verschrikkelijke litteken is van een meneer van eind 20 die jaren geleden een FUT behandeling bij [eiser sub 2] heeft ondergaan. Dit is helaas het eindresultaat ondanks meerdere littekencorrecties. Deze meneer is voor de rest van zijn leven verminkt, doordat hij op zeer jonge leeftijd is misleid, misbruikt en gemanipuleerd d.m.v. zijn onzekerheden tegen hem te gebruiken. Tevens zijn er flinke bedragen geïncasseerd door [eiser sub 2] .

(…)

Onderstaande afbeelding is de eindmail van de directeur van [eiser sub 2] genaamd, [eiser sub 1] . Zodra het geld is ontvangen en de behandeling heeft plaatsgevonden (door slecht of beperkt Nederlands sprekende ‘specialisten’), maar het eindresultaat zeer teleurstellend is, gaan ze op deze wijze om met hun patiënten. De accountmanagers die de intake-gesprekken voeren zijn goed getrainde commerciële vakmensen. De ‘specialisten’ die de behandelingen uitvoeren zijn echter slecht sprekende ingehuurde Oostblokkers.

(…)

Slachtoffer : “Zoals u ook weet ben ik afgelopen donderdag [datum] wederom bij jullie op de kliniek geweest. Ook dit keer moest ik vrijnemen en retour ruim 100 km rijden. Ondanks telefonische toezeggingen kon u zelf niet aanwezig zijn i.v.m. een andere intake gesprek en meneer [eiser sub 1] zelf was in de eerste instantie verhinderd. Een vrouwelijk ‘medewerkster’, die eigenlijk andere werkzaamheden had, heeft voor jullie waargenomen. Dit heeft ze naar behoren gedaan. Tot meneer [eiser sub 1] na 20 minuten aanschoof was het gesprek goed en aangenaam.”

Meneer [eiser sub 1] was zeer ongevoelig en had absoluut geen empathie voor mijn situatie. Sterker nog meneer reageerde zeer onbeschoft met ‘godverdomme’ en verhief zijn stem regelmatig. Hij maakte ook een aantal keer aanstalten om weg te lopen. Meneer [eiser sub 1] heb ik als zeer agressief en ongevoelig ervaren. Helaas is het gesprek ook op een zeer ongepaste manier afgesloten met een dreigende vinger van meneer [eiser sub 1] . Je gaat niet zo om met gasten, klanten, clienten en vooral niet met getraumatiseerde mensen. Het is mijn goede recht om na alle nare ervaringen met [eiser sub 2] kritische vragen te stellen.

Zoals achteraf tijdens ons telefonische gesprek, nadit bizarre voorval is gebleken heeft [eiser sub 2] afgezien van permanente MHP behandelingen, omdat de resultaten niet goed waren. Nu bied [eiser sub 2] sinds enkele maanden een niet permanente MHP behandeling. Bij deze behandeling is na gemiddeld 1,5/2 jaar een nabehandeling nodig. De grote en omvang van deze nabehandeling is persoonsgebonden. Op dit moment is [eiser sub 2] op zoek naar ‘proefpersonen’ om ervaring op te doen. Dit staat ook op de website van [eiser sub 2] vermeld.

Nu lijkt me duidelijk dat mijn litteken met deze behandeling niet definitief verholpen kan worden, aangezien het een tijdelijke camouflage betreft. En vooral het feit dat [eiser sub 2] op dit moment met deze behandeling nog geen voldoende ervaring heeft en haar ‘resultaten’ percentages baseert op klinieken in het buitenland die wel al geruime tijd ervaring hebben. Het is op dit moment niet verstandig om via [eiser sub 2] deze behandeling bij mij toe te passen.

Bij een tijdelijke MHP behandeling zou ook voor de kosten van de periodieke nabehandelingen moeten opdraaien. Dit is natuurlijk niet eerlijk.

[eiser sub 1] : “Ik neem aan dat jij deze mail beantwoord. Met name als hij vind dat [eiser sub 2] fouten heeft gemaakt dan kan hij ons in rechte aanspreken en geven wij het door aan de verzekering. Op deze manier zijn wij van deze man af want dit blijft anders en probleem want hjij is getraumatiseerd en kan niet meer gewoon door het leven. Daarnaast rijdt hij steeds 100 km en is zodoende is hij een zaak aan het opbouwen.”

Tevens hebben mensen van [eiser sub 2] foute inschattingen gemaakt met permanente Micro Haar Pigmentatie. In eerste instantie boden ze permanente inkt aan (zie onderstaande afbeelding), maar deze verkleurde na verloop van tijd. Dus zwarte inkt werd op den duur grijs/blauwachtige inkt. Vergelijkbaar met een goedkoop tatoeage van 40 jaar oud. Op dit moment bieden ze een niet permanente inkt aan, die zij naar verluid vorig jaar medio 2015 via een malafide praktijk uit Italië hebben geïmporteerd, maar dit heb ik helaas niet kunnen verifiëren. Ze spreken over ruime ervaring, maar dat is niet het geval. Ze werken nu bijna een jaar met niet permanente Micro Haar Pigmentatie, maar deze behandeling moet constant herhaald worden wat weer een fortuin voor de patiënt kost. Daarbij is de lange termijn verwachting en het resultaat op dit moment nog onduidelijk.

(…)

Bovenstaande is een voorproefje van alle leugens en misleidingen van [eiser sub 2] . Alle slachtofferverhalen zullen straks aan de hand van mailwisselingen, medische dossiers en foto’s gepubliceerd worden. Tevens zal een klokkenluider, een ex-medewerker(ster), uitgebreid zijn/haar verhaal doen.

(…)

Heeft u vragen en/of bent u zelf slachtoffer van [eiser sub 2] mail dan ons uw verhaal met foto’s en indien mogelijk met onderbouwende stukken;

[website] @gmail.com

Houd ook onze facebookpagina in de gaten.

https://www.facebook.com [facebook]

Op de website www. [website] .nl is onder meer het beeldmerk van [eiser sub 2] (dat op 2 juni 1995 door Eurolizenz International Sarl is geregistreerd in het merkenregister van de World Intellectual Property Organization en waarvan [eiser sub 2] licentiehouder is) afgebeeld. Tevens is op de website een foto van het kaalgeschoren achterhoofd met litteken van [gedaagde sub 1] afgebeeld.

2.3.

Indien via google op ‘ [eiser sub 2] ’ wordt gezocht, wordt op de vierde pagina de website www. [website] .nl weergegeven.

2.4.

[gedaagde sub 1] heeft tevens een facebookpagina aangemaakt, genaamd https://www.facebook.com [facebook] .

2.5.

Bij brief van 4 juli 2016 heeft de advocaat van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] [gedaagde sub 1] – kort gezegd – verzocht om de website en de facebookpagina te verwijderen, het plegen van smaadschrift te staken, te bevestigen dat elke inbreuk op de merken- en handelsnaamrechten van [eiser sub 2] zal worden gestaakt, te bevestigen dat aansprakelijkheid wordt erkend en over te gaan tot betaling van een voorschot op de geleden schade van een bedrag van

€ 75.000,00. Op diezelfde datum heeft de advocaat van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] [gedaagde sub 2] ook aansprakelijk gesteld voor de schade en haar – kort gezegd – verzocht om de website te verwijderen, om opgave te doen van de namen, de woon-/vestigingsadressen en de IP-adressen van de (rechts)personen van alle gebruikers van de website en indien mocht blijken dat opnieuw de website toegankelijk is die toegang tot het internet van de nieuwe website te staken.

2.6.

[gedaagde sub 2] heeft de advocaat van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] bij e-mailbericht van 21 juli 2016 medegedeeld dat hij zich dient te wenden tot de eigenaar/gebruiker van de website en dat [gedaagde sub 2] de website pas verwijdert indien er een ‘EU or US court order’ kan worden overgelegd waaruit volgt dat de gebruiker de website dient te verwijderen.

2.7.

Op 16 augustus 2016 heeft de advocaat van [gedaagde sub 1] een verzoekschrift deelgeschil letselschade ex artikel 1019w Rv ingediend bij de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, welk verzoek is gericht tegen [eiser sub 2] en haar verzekeringsmaatschappij, waarin wordt verzocht te verklaren voor recht dat [eiser sub 2] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de behandelovereenkomst met [gedaagde sub 1] , dan wel onrechtmatig jegens [gedaagde sub 1] heeft gehandeld, in die zin dat [gedaagde sub 1] voorafgaand aan de behandeling op 20 oktober 2008 niet, dan wel onvoldoende door [eiser sub 2] is voorgelicht over het risico van het ontstaan van een breed onbehaard litteken en dat [gedaagde sub 1] van de behandeling had afgezien indien hij wel op correcte wijze zou zijn voorgelicht. De mondelinge behandeling staat op 27 oktober 2016 gepland.

3 Het geschil

3.1.

[eiser sub 2] vordert – na een wijziging van eis, die alleen toelaatbaar is ten aanzien van de verschenen [gedaagde sub 1] – dat de voorzieningenrechter

[gedaagde sub 1]

I. beveelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de website www. [website] .nl te verwijderen en verwijderd te houden, één en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro) per dag of gedeelte van de dag dat [gedaagde sub 1] niet volledig aan dit bevel voldoet,

II. verbiedt zich op enigerlei wijze via het internet of enig ander openbaar medium over [eiser sub 2] en [eiser sub 1] uit te laten, althans zich uit te laten op een vergelijkbare wijze zoals in de dagvaarding omschreven, één en ander onder verbeurte van een dwangsom van

€ 10.000,00 (zegge: tienduizend euro) per dag of gedeelte van de dag dat [gedaagde sub 1] dit verbod overtreedt,

III. veroordeelt om binnen 2 x 24 uur na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] te voldoen een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen schadevergoeding voor gederfde winst ter grootte van € 50.000,00 (zegge: vijftigduizend euro),

IV. veroordeelt om binnen 2 x 24 uur na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] te voldoen een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen schadevergoeding voor kosten rechtsbijstand

bovenop het toe te kennen liquidatietarief ter grootte van € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro),

V. veroordeelt om binnen 2 x 24 uur na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] te voldoen een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen schadevergoeding voor gederfde winst ter grootte van € 3.500,00 (zegge: drieduizend vijfhonderdeuro),

VI. veroordeelt in de werkelijke door [eiser sub 2] en [eiser sub 1] gemaakte kosten van dit geding ex artikel 1019h Rv, althans een in goede justitie door de voorzieningenrechter te bepalen percentage daarvan, althans in de proceskosten conform het liquidatietarief,

in het geval de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] (deels) niet mochten worden toegewezen, [gedaagde sub 2]

VII. beveelt om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de website www. [website] .nl te verwijderen en verwijderd te houden, één en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro) per dag of gedeelte van de dag dat [gedaagde sub 2] niet volledig aan dit bevel voldoet,

VIII. beveelt om binnen 2 x 24 uur na betekening van dit vonnis aan de raadsman van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] schriftelijk opgave te doen van de namen, de woon-/

vestigingsadressen en de IP-adressen van de (rechts)personen van alle gebruiker(s) van de website www. [website] .nl, één en ander onder verbeurte van een dwangsom van

€ 10.000,00 (zegge: tienduizend euro) per dag of gedeelte van de dag dat [gedaagde sub 2] niet volledig aan dit bevel voldoet,

IX. beveelt om op eerste verzoek van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] , indien mocht blijken dat een persoon via een (andere) website aanwezig op een server bij en/of van [gedaagde sub 2] , althans een server binnen de invloedssfeer van [gedaagde sub 2] , opnieuw de website die via het internet toegankelijk is via www. [website] .nl, althans een met deze website vergelijkbare website met daarop vergelijkbare uitingen die [eiser sub 2] en [eiser sub 1] betreffen zoals in het lichaam van deze dagvaarding omschreven op het internet plaatst, de toegang tot het internet van de nieuwe website te staken en gestaakt te houden, één en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro) per dag of gedeelte van de dag dat [gedaagde sub 2] niet volledig aan dit bevel voldoet,

X. veroordeelt om binnen 2 x 24 uur na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] te voldoen een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen schadevergoeding voor gederfde winst ter grootte van € 50.000,00 (zegge: vijftigduizend euro),

XI. veroordeelt om binnen 2 x 24 uur na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] te voldoen een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen schadevergoeding voor kosten rechtsbijstand

ter grootte van € 2.500,00 (zegge: tweeduizend vijfhonderd euro),

XII. veroordeelt om binnen 2 x 24 uur na betekening van dit vonnis tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] te voldoen een voorschot op de in een bodemprocedure te verwachten toe te wijzen immateriële schadevergoeding ter grootte van € 3.500,00 (zegge: drieduizend vijfhonderdeuro),

XIII. veroordeelt in de kosten van dit geding.

3.2.

[gedaagde sub 1] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

rechtsmacht

4.1.

Gedaagde 1, [gedaagde sub 1] , is woonachtig in [woonplaats] , zodat aan de Nederlandse voorzieningenrechter (van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem) rechtsmacht toekomt en hij ook relatief bevoegd is. De voorzieningenrechter heeft op grond van het bepaalde in artikel 8, aanhef en onder 1. van de Herschikte EEX-verordening (EG Verordening nr. nr. 1215/2012) ook rechtsmacht ten aanzien van gedaagde sub 2, [gedaagde sub 2] , die is gevestigd in [land] , nu tussen de vorderingen zo’n nauwe band bestaat ( [gedaagde sub 2] is de hostingprovider van de door [gedaagde sub 1] opgerichte website www. [website] .nl waarvan onder meer verwijdering wordt gevraagd) dat een goede rechtsbedeling vraagt om een gelijktijdige behandeling van de zaak.

toepasselijk recht

4.2.

Tussen partijen is niet in discussie dat op hun rechtsverhouding, de vorderingen en de beoordeling daarvan Nederlands recht toepasselijk is.

inhoudelijke beoordeling

4.3.

[eiser sub 2] en [eiser sub 1] hebben een spoedeisend belang bij hun vorderingen onder I. en II. nu zij een voorziening vragen die ertoe moet strekken een einde te maken aan als stelselmatige inbreuk op een subjectief recht aan te merken handelingen waarvan zij stellen schade te ondervinden.

4.4.

De vraag die in dit kort geding centraal staat, is of [gedaagde sub 1] onrechtmatig handelt jegens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] door op de website www. [website] .nl berichten/uitlatingen over [eiser sub 2] en/of haar bestuurder [eiser sub 1] te plaatsen. Aangezien de uitlatingen over [eiser sub 2] en [eiser sub 1] op een website op internet zijn geplaatst en derhalve openbaar en voor iedereen toegankelijk zijn gemaakt, dienen deze te worden beschouwd als een publicatie.

4.5.

Voorop gesteld wordt dat de vorderingen van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in beginsel een beperking inhouden van het in artikel 10 lid 1 van het (Europese) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde grondrecht van [gedaagde sub 1] op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijk recht kan slechts worden beperkt indien dit bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam en de rechten van anderen (artikel 10 lid 2 EVRM). Van een beperking die bij de wet is voorzien is sprake, wanneer de uitlatingen van [gedaagde sub 1] onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Voor het antwoord op de vraag welk recht - het recht op vrijheid van meningsuiting of het recht op bescherming van eer of goede naam - in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Het belang van [gedaagde sub 1] is dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over misstanden die de samenleving raken. Het belang van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] is erin gelegen dat zij niet lichtvaardig worden blootgesteld aan verdachtmakingen en/of voor hen ongewenste publiciteit omtrent haar/zijn (privé)gegevens en (privé)situatie. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval. Ten slotte spelen nog een rol de vraag of de beweringen die worden gedaan op waarheid berusten en de manier waarop die beweringen worden gedaan.

4.6.

[gedaagde sub 1] heeft ter zitting erkend dat hij degene is die de website www. [website] .nl heeft opgericht en die de onder 2.2. vermelde berichten/uitlatingen daarop heeft geplaatst, zodat hij verantwoordelijk kan worden gehouden hiervoor. Dat de tekst door een derde (een ander slachtoffer volgens [gedaagde sub 1] ) is geschreven, maakt het voorgaande niet anders.

4.7.

[gedaagde sub 1] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij internet (meer in het bijzonder de website www. [website] .nl) als een goede plaats ziet om zijn mening te uiten. [gedaagde sub 1] ’s onvrede over [eiser sub 2] en [eiser sub 1] komt voort uit de omstandigheid dat [gedaagde sub 1] voorafgaand aan de behandeling op 20 oktober 2008 niet, dan wel onvoldoende door [eiser sub 2] is voorgelicht over het risico van het ontstaan van een breed onbehaard litteken op zijn achterhoofd. Volgens [gedaagde sub 1] heeft [eiser sub 2] aangegeven dat er een litteken ter grootte van een potlood dun streepje zou ontstaan dat bij een kort kapsel nauwelijks zichtbaar zou zijn. Na de eerste behandeling heeft een littekencorrectie plaatsgevonden en vervolgens nog drie FUE behandelingen. De bedoeling was dat [gedaagde sub 1] een MHP behandeling (het injecteren met permanente inkt) zou ondergaan, maar gaandeweg het traject gaf [eiser sub 2] aan dat dit toch niet de gewenste methode was, omdat de inkt op lange termijn zou verkleuren. Vervolgens werd injectering met niet permanente inkt aangeboden. Toen [gedaagde sub 1] hier meer over wilde weten, gaf [eiser sub 2] aan dat zij nog niet zoveel ervaring daarmee had. Na een geëscaleerd gesprek heeft [eiser sub 1] abusievelijk een mail over [gedaagde sub 1] naar [gedaagde sub 1] in plaats van naar zijn collega verstuurd. [gedaagde sub 1] voelde zich hierdoor niet serieus genomen en stelt dat zijn letsel wordt gebagatelliseerd. De medisch adviseurs van partijen zijn tot de conclusie gekomen dat het verbrede litteken zijn oorzaak vindt in de huideigenschap van [gedaagde sub 1] . Een bekend probleem bij jonge mensen zoals [gedaagde sub 1] . [eiser sub 2] heeft [gedaagde sub 1] verzuimd in te lichten hierover, aldus [gedaagde sub 1] . [eiser sub 2] heeft de aansprakelijkheid van de hand gewezen. Vervolgens is [gedaagde sub 1] via een internetforum in contact gekomen met andere slachtoffers van [eiser sub 2] . [gedaagde sub 1] wil, nu deze andere slachtoffers een zogenaamd zwijgcontract hebben ondertekend, potentiële klanten behoeden voor de werkwijze van [eiser sub 2] en heeft daarom de website opgericht. In het licht van deze feiten kunnen de bewoordingen op de website niet als een aantasting van de eer of goede naam van [eiser sub 2] en/of [eiser sub 1] worden aangemerkt, zo betoogt [gedaagde sub 1] .

4.8.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Het is op zichzelf niet ongeoorloofd dat op een particuliere website kritiek wordt geleverd op het handelen van een kliniek/behandelaar of een andere instelling/persoon, althans dat een geschil tussen partijen op een website uiteen wordt gezet. [gedaagde sub 1] is hier evenwel over de grens van het toelaatbare gegaan, nu hij zich niet heeft beperkt tot zakelijke informatie over het geschil tussen hem en [eiser sub 2] , maar zich ook persoonlijk in negatieve zin over [eiser sub 2] en [eiser sub 1] heeft uitgelaten. De betreffende passages op de website www. [website] .nl zoals opgenomen onder 2.2. van dit vonnis wekken minstgenomen de indruk dat [eiser sub 2] geen betrouwbare haartransplantatiekliniek voor zijn cliënten is en dat (potentiële) cliënten dan ook uiterst waakzaam en alert moeten zijn indien zij een behandeling bij [eiser sub 2] overwegen en/of ondergaan. [gedaagde sub 1] bezigt de volgende bewoordingen als hij het over [eiser sub 2] en/of [eiser sub 1] heeft: ‘vele gruwelijke fouten’, ‘verminkt’, ‘misleid, misbruikt en gemanipuleerd’, ‘malafide praktijk’ en ‘voorproefje van alle leugens en misleidingen’. Tevens heeft [gedaagde sub 1] op de website het volgende vermeld: “Binnenkort zal ik samen met andere [eiser sub 2] slachtoffers mijn verhaal doen over leugens, misleidingen, manipulatie, financiële fraude en misbruik van onzekerheden door [eiser sub 2] (www. [eiser sub 2] .nl).” Het beeldmerk van [eiser sub 2] is hierbij opgenomen, zo blijkt uit het proces-verbaal van constateringen van de deurwaarder van 28 juni 2016.

4.9.

Op voorhand kan niet worden uitgesloten dat deze bewoordingen en passages, die nodeloos grievend van aard zijn (want eventuele kritiek op [eiser sub 2] en [eiser sub 1] had ook in meer zakelijke bewoordingen vervat kunnen worden) negatieve gevolgen kunnen hebben voor [eiser sub 2] en [eiser sub 1] . Dit terwijl [gedaagde sub 1] in dit kort geding onvoldoende duidelijk heeft kunnen maken op welke concrete feiten of gebeurtenissen hij zijn uitlatingen over [eiser sub 2] en [eiser sub 1] doet steunen. Immers volgens de door [gedaagde sub 1] ingeschakelde medisch adviseur (zie de brief van 22 juni 2016 van [medisch adviseur] ) zijn er geen aanwijzingen dat in technische zin sprake is geweest van onzorgvuldige of foutieve uitvoering van de behandeling en was de littekenvorming niet te voorzien. Dat sprake zou zijn van verminking, leugens, misleiding, gruwelijke fouten, misbruik en/of manipulatie is niet aannemelijk geworden, behoudens dan dat [eiser sub 2] [gedaagde sub 1] mogelijk niet volledig zou hebben voorgelicht. Daarover dient de rechter zich evenwel nog uit te spreken in het door [gedaagde sub 1] aanhangig gemaakte deelgeschil. Wat hier verder ook van zij, dit rechtvaardigt evenwel nog niet het gebruik van voornoemde termen op de website.

4.10.

Op de website is tevens een foto geplaatst van [gedaagde sub 1] waarop zijn achterhoofd (kaalgeschoren) met het litteken daarop te zien is. Vastgesteld kan worden dat deze foto jaren geleden is gemaakt en is gemanipuleerd nu deze gespiegeld is weergegeven. Daarnaast komt de foto niet overeen met de huidige toestand/situatie, nu [gedaagde sub 1] niet door het leven gaat met een kaalgeschoren hoofd en het litteken thans nauwelijks zichtbaar is, zelfs niet nadat de voorzieningenrechter [gedaagde sub 1] ter zitting had gevraagd om het litteken te tonen.

Op de door [eiser sub 2] ter zitting overgelegde foto van [gedaagde sub 1] gemaakt in 2014/2015 is te zien – terwijl de daarover groeiende haren met een kam omhoog worden gehouden – dat er op het achterhoofd van [gedaagde sub 1] in de breedte een reepje haar ontbreekt. [gedaagde sub 1] heeft te dien aanzien ter zitting toegelicht dat hij met zwarte verf (spuitbus) zijn huid camoufleert en dat die verf afgeeft indien hij met zijn handen aan zijn haar rondom het litteken komt. Het is voorstelbaar dat dit voor [gedaagde sub 1] , die nog jong is, heel vervelend is, maar dit maakt niet dat het [gedaagde sub 1] daarom zou moeten worden toegestaan om voornoemde bewoordingen te bezigen.

4.11.

Voor de bewering dat de niet permanente inkt waarmee [eiser sub 2] [gedaagde sub 1] wilde behandelen via een malafide praktijk uit Italië zou zijn geïmporteerd, bestaat geen enkel aanknopingspunt, zodat ook deze bewoordingen niet toelaatbaar zijn. Weliswaar is/was het kennelijk mogelijk om bij [eiser sub 2] zonder factuur een lager bedrag voor een behandeling te betalen, maar dat maakt nog niet dat sprake zou zijn van financiële fraude. Evenmin is aannemelijk geworden dat talloze slachtoffers iets soortgelijks is overkomen. [gedaagde sub 1] heeft ter zitting gesproken over hooguit twee ontevreden klanten, waarbij het overigens gaat om niet vergelijkbare behandelingen en omstandigheden.

4.12.

Voorshands geoordeeld moet het er daarom voor gehouden worden dat [gedaagde sub 1] geen enkele feitelijke grond heeft voor zijn gewraakte uitlatingen en dat hij de grenzen van zorgvuldigheid die hij jegens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] in acht had moeten nemen, heeft overschreden. Voldoende aannemelijk is dan ook geworden dat sprake is van laster. Daarnaast is het handelen van [gedaagde sub 1] jegens [eiser sub 2] en [eiser sub 1] als onrechtmatig te kwalificeren. Het belang van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] om gevrijwaard te worden van ongefundeerde verdachtmakingen en beschuldigingen dient tegen deze achtergrond dus zwaarder te wegen dan het belang dat [gedaagde sub 1] kennelijk stelt te hebben bij zijn uitlatingen. Dat [gedaagde sub 1] zijn oorspronkelijk op de website geplaatste uitlatingen heeft aangepast maakt het voorgaande niet anders. Immers er wordt nog steeds door [gedaagde sub 1] op een ongenuanceerde en onnodig grievende wijze bericht gedaan van zijn ervaringen met [eiser sub 2] en [eiser sub 1] .

4.13.

De vordering van [eiser sub 2] en [eiser sub 1] onder I. dat [gedaagde sub 1] de website www. [website] .nl dient te verwijderen en verwijderd dient te (doen) houden, zal dan ook worden toegewezen. Dit geldt daarmee ook voor het zich daarop bevindende beeldmerk van [eiser sub 2] ten aanzien waarvan [eiser sub 2] heeft gesteld dat verwijdering van dat beeldmerk onder de vordering sub I. dient te worden geschaard. Het is [gedaagde sub 1] immers niet toegestaan om dit beeldmerk te gebruiken. Door dit wel te doen handelt hij in strijd met artikel 2.20 lid 1 sub d van het Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (BVIE).

4.14.

Tevens zal het [gedaagde sub 1] worden verboden om zich op enigerlei wijze via internet of enig ander openbaar medium over [eiser sub 2] en [eiser sub 1] uit te laten op een vergelijkbare wijze zoals hij dat heeft gedaan op de website www. [website] .nl, bijvoorbeeld op Facebook. [gedaagde sub 1] heeft ook een Facebookpagina met als naam [website] aangemaakt, die toegankelijk is voor gebruikers van Facebook. Uit de overgelegde stukken is niet duidelijk wat thans daarop is geplaatst. Indien hierop uitlatingen over [eiser sub 2] en [eiser sub 1] worden gedaan vergelijkbaar met hetgeen is vermeld op de website, is dat niet toegestaan.

4.15.

Aan beide veroordelingen zal een dwangsom worden verbonden die zal worden beperkt en gemaximeerd.

4.16.

[eiser sub 2] en [eiser sub 1] hebben voorts nog een voorschot op geleden en te lijden schade gevorderd ten bedrage van € 50.000,00 voor gederfde winst, € 2.500,00 voor kosten van rechtsbijstand en € 3.500,00 voor immateriële schadevergoeding. Een geldvordering is in kort geding alleen toewijsbaar, indien voldoende aannemelijk is dat de vordering in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen en indien van de eisende partij niet gevergd kan worden dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht. Aan dit criterium is hier niet voldaan. [eiser sub 2] en [eiser sub 1] hebben nagelaten te stellen wat het spoedeisend belang bij de geldvorderingen is. Bovendien is de omvang van de schade onvoldoende aannemelijk geworden om afgedaan te kunnen worden in het bestek van een kort geding. De vorderingen onder III. t/m V. zullen dan ook worden afgewezen.

4.17.

Nu de vorderingen ten aanzien van gedaagde sub 1 zullen worden toegewezen en de vorderingen ten aanzien van gedaagde sub 2 slechts zijn ingesteld onder de voorwaarde dat de vorderingen ten aanzien van gedaagde sub 1 worden afgewezen, komt de voorzieningenrechter niet toe aan de beoordeling van de vorderingen onder VII. t/m XIII. Weliswaar worden de geldvorderingen ten aanzien van [gedaagde sub 1] afgewezen, maar er bestaat voorshands geoordeeld reeds om dezelfde redenen geen aanleiding om diezelfde geldvorderingen jegens [gedaagde sub 2] wel toe te wijzen.

4.18.

[gedaagde sub 1] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Er bestaat geen aanleiding voor een volledige proceskostenveroordeling ex artikel 1019h Rv. De vordering onder I. is slechts voor een heel beperkt deel gegrond op artikel 2.20 BVIE. Bovendien wordt in het petitum een verbod op grond van dat artikel niet expliciet gevorderd. De kosten aan de zijde van [eiser sub 2] worden begroot op:

- dagvaarding € 96,01

- griffierecht 1.929,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 2.841,01

4.19.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten ten aanzien van [gedaagde sub 2] worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Oce.com worden begroot op nihil.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

ten aanzien van gedaagde sub 1,

5.1.

beveelt [gedaagde sub 1] om binnen vijf werkdagen na betekening van dit vonnis de website www. [website] .nl te verwijderen en verwijderd te houden,

5.2.

verbiedt [gedaagde sub 1] om zich op enigerlei wijze via het internet of enig ander openbaar medium over [eiser sub 2] en [eiser sub 1] uit te laten op een vergelijkbare wijze zoals [gedaagde sub 1] dat op de website www. [website] heeft gedaan,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan [eiser sub 2] en [eiser sub 1] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.1. en/of 5.2. uitgesproken hoofdveroordelingen voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van [eiser sub 2] tot op heden begroot op € 2.841,01,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af,

ten aanzien van gedaagde sub 2,

5.7.

verleent verstek tegen [gedaagde sub 2] ,

5.8.

wijst de vorderingen af,

5.9.

veroordeelt [eiser sub 1] en [eiser sub 2] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. B.J.M. Vermulst op 17 oktober 2016.