Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5774

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
31-10-2016
Zaaknummer
05/181139-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een vrijspraak en twee veroordelingen voor openlijke geweldpleging in het uitgaansgebied in Nijmegen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/181139-15

Datum uitspraak : 28 oktober 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] .

raadsman: mr. P. van Zon, advocaat te 's-Hertogenbosch.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 oktober 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 juni 2015, in de gemeente Nijmegen,

met een ander op of aan de openbare weg, te weten de "Molenstraat" openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

welk geweld bestond uit het

- indringen op en/of aanvallen van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht/hoofd van
voornoemde [slachtoffer 1] , waarbij voornoemde [slachtoffer 1] al dan niet op de grond lag en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht/hoofd
van voornoemde [slachtoffer 2] en/of het naar de grond slaan/brengen van voornoemde [slachtoffer 2]
en/of

- trappen/schoppen in/op/tegen het hoofd, en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam van
voornoemde [slachtoffer 2] ;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 26 juni 2015, in de gemeente Nijmegen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen

een persoon genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben mishandeld door

- voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het
gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waarbij voornoemde [slachtoffer 1] al dan niet op de
grond lag en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] (met kracht) in/op/tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt
en/of voornoemde [slachtoffer 2] naar/tegen de grond heeft geslagen en/of gebracht en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] (met kracht) in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft getrapt/geschopt
en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschopt.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit, te weten openlijke geweldpleging. Vaststaat dat verdachte samen met zijn vrienden/medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en getuige [getuige 1] naar de [naam] is gegaan en dat daar vervolgens een gevecht is ontstaan. Verdachte heeft hieraan deelgenomen. In dit verband wijst de officier van justitie op de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . Zij hebben beiden verklaard over een jongen met een getint uiterlijk die gewelddadig was. Dit in combinatie met het feit dat de groep van verdachte uit vier jongens bestond waarvan verdachte de enige is met een getint uiterlijk, is voldoende om te kunnen bewijzen dat verdachte heeft deelgenomen aan het openlijk geweld. Niet bewezen kan worden dat verdachte de – door de officier van justitie als zodanig aangeduide – ‘doodschop’ heeft uitgedeeld. Hierover bestaat op basis van het dossier onvoldoende duidelijkheid. De officier van justitie weegt dit mee in zijn strafeis. Daarnaast houdt hij rekening met het (geringe) aandeel dat verdachte in het geheel heeft gehad.

De officier van justitie heeft geëist dat verdacht wordt veroordeeld tot het verrichten van 120 uren werkstraf, te vervangen door 60 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit, nu de rechtbank op basis van de bewijsmiddelen niet de overtuiging kan bekomen dat verdachte heeft deelgenomen aan de openlijke geweldpleging. De voor verdachte belastende verklaringen betreffen de getuigenverklaringen van [getuige 2] en van [getuige 3] . [getuige 2] heeft verklaard dat een licht getinte jongen zou hebben geslagen en [getuige 3] heeft verklaard over een getinte jongen die de ‘doodschop’ heeft gegeven en omschrijft zijn uiterlijk als Mediterraan. De laatstgenoemde omschrijving past niet bij het uiterlijk van verdachte. Daarnaast kan niet worden bewezen dat verdachte deze schop heeft uitgedeeld, nu zich in het dossier op dit punt verschillende (tegenstrijdige) verklaringen bevinden. Het enige dat in de richting van verdachte wijst is de omschrijving van een licht getinte jongen. Voor het overige bevat het dossier tegenstrijdige verklaringen en wordt de stelling dat verdachte de getinte jongen zou zijn die heeft deelgenomen aan het openlijk geweld niet door andere bewijsmiddelen ondersteund. Gelet hierop dient verdachte te worden vrijgesproken.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken. Op grond van de wettige bewijsmiddelen heeft de rechtbank niet de overtuiging bekomen dat verdachte een aandeel heeft gehad in de openlijke geweldpleging.

Door de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] is verklaard dat zij hebben gezien dat een getinte jongen geweldshandelingen heeft verricht. [getuige 2] heeft verklaard dat een licht getinte jongen met een beige jas heeft geslagen. Door [getuige 3] is verklaard dat een getinte jongen met lichte kleding de zogenoemde ‘doodschop’ heeft uitgedeeld. De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat op basis van het onderliggende dossier, en de daarin tegenstrijdige verklaringen omtrent dit punt, niet bewezen kan worden dat verdachte deze schop heeft gegeven. Behalve het door getuige [getuige 2] gegeven signalement van de dader bevinden zich in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen voor de stelling dat verdachte geweld heeft gepleegd. Daar komt bij dat getuige [getuige 1] ter terechtzitting heeft verklaard dat verdachte gedurende het geweldsincident bij hem was en dat hij niet heeft gezien dat verdachte geweld heeft gebruikt. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank niet de overtuiging dat verdachte heeft deelgenomen aan de openlijke geweldpleging dan wel op enige wijze geweld tegen [slachtoffer 1] of [slachtoffer 2] heeft gebruikt. De rechtbank zal hem daarom vrijspreken van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.

3. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het (primair en subsidiair) tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.335,00.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd en dient te worden bepaald dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de vordering.

De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering, nu vrijspraak is bepleit.

De rechtbank overweegt als volgt. De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, nu verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit. De benadeelde partij kan derhalve zijn vordering ten aanzien van verdachte slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

4 De beslissing

De rechtbank:

spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Gerritsen (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. H.C. Leemreize, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Bongers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 oktober 2016.