Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5773

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
31-10-2016
Zaaknummer
05/181120-15; 05/183302-14 (tul)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Twee veroordelingen voor openlijke geweldpleging in het uitgaansgebied in Nijmegen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0422

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/181120-15; 05/183302-14 (tul)

Datum uitspraak : 28 oktober 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats]

raadsman: mr. R.G.H.M. Jacobs, advocaat te Wijchen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 oktober 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 juni 2015, in de gemeente Nijmegen,

met een ander op of aan de openbare weg, te weten de "Molenstraat" openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

welk geweld bestond uit het

- indringen op en/of aanvallen van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht/hoofd van
voornoemde [slachtoffer 1] , waarbij voornoemde [slachtoffer 1] al dan niet op de grond lag en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht/hoofd
van voornoemde [slachtoffer 2] en/of het naar de grond slaan/brengen van voornoemde [slachtoffer 2]
en/of

- trappen/schoppen in/op/tegen het hoofd, en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam van
voornoemde [slachtoffer 2] ;

althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 26 juni 2015, in de gemeente Nijmegen,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een persoon genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft/hebben mishandeld door

- voornoemde [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, (met kracht) in/op/tegen het
gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt, waarbij voornoemde [slachtoffer 1] al dan niet op de
grond lag en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] (met kracht) in/op/tegen het gezicht heeft geslagen en/of gestompt
en/of voornoemde [slachtoffer 2] naar/tegen de grond heeft geslagen en/of gebracht en/of

- voornoemde [slachtoffer 2] (met kracht) in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft getrapt/geschopt
en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam heeft getrapt en/of geschopt.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 26 juni 2015 heeft voor/nabij de [naam 1] in de Molenstraat te Nijmegen een vechtpartij tussen meerdere personen plaatsgevonden.2 Verdachte was hierbij aanwezig.3 Nadat medeverdachte [medeverdachte] onenigheid kreeg met [slachtoffer 2] heeft [medeverdachte] hem een duw gegeven als gevolg waarvan [slachtoffer 2] op de grond terecht kwam. Vervolgens heeft [medeverdachte] hem tegen zijn benen getrapt.4 Hierna is [slachtoffer 2] terwijl hij op de grond zat in zijn gezicht getrapt.5 Er stonden toen drie mannen bij hem die hem sloegen en schopten.6 Nadien is geconstateerd dat [slachtoffer 2] een dikke onderlip en een verdikking op zijn jukbeen had.7

Op het moment dat [slachtoffer 2] werd aangevallen wilde zijn vriend [slachtoffer 1] ertussen komen. Hij werd toen met een vuist op zijn oog geslagen, waarna hij op de grond viel. Hierna voelde hij dat hij, onder meer, meerdere klappen kreeg op zijn gezicht.8

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit, te weten openlijke geweldpleging.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit. Verdachte heeft erkend één klap te hebben gegeven, nadat hij zelf werd geslagen. Hij weet niet aan wie. Verdachte heeft niet deelgenomen aan de openlijke geweldpleging en heeft hier met het geven van voornoemde klap ook geen opzet op gehad. De primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging kan dan ook niet worden bewezen. Daarnaast staat niet vast dat verdachte geweld heeft gebruikt jegens aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , zodat ook om deze reden geen bewezenverklaring kan volgens van het primair tenlastegelegde en evenmin ten aanzien van de subsidiair tenlastegelegde mishandeling. Gelet op het voorgaande dient vrijspraak te volgen.

Beoordeling door de rechtbank

Vaststaat dat in het uitgaansgebied in Nijmegen een gevecht heeft plaatsgevonden tussen meerdere personen. De rechtbank overweegt allereerst dat zij dit geweld definieert als openlijk geweld. Van openlijke geweldpleging is sprake bij geweld, gepleegd in vereniging, dat voor derden zichtbaar was of had kunnen zijn waardoor de openbare orde is verstoord. Geweld wordt in vereniging gepleegd als de dader nauw en bewust samenwerkt met één of meer anderen en daarbij zelf een ‘significante of wezenlijke bijdrage’ aan de openlijke geweldpleging levert. Deze bijdrage kan onder andere bestaan uit het verrichten van één of meer gewelddadige handelingen.

De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of verdachte aan dit openlijk geweld een significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte was aanwezig toen de openlijke geweldpleging plaatsvond en heeft verklaard één klap te hebben uitgedeeld. Hij droeg die avond/nacht een zwart pak met daaronder een licht shirt/overhemd.9 Verdachte heeft donker haar.10

Er zijn verschillende getuigen die hebben verklaard een jongen in pak te hebben gezien die gewelddadig was. Zo heeft getuige [getuige 1] verklaard dat hij zag dat een man met donker haar en een zwart colbertje aan [slachtoffer 2] een harde vuistslag in zijn gezicht gaf.11 Getuige [getuige 2] zag dat een jongen die op de grond zat werd geslagen door twee mannen, waaronder een man met donker haar die een pak en een witte blouse droeg.12 Getuige [getuige 3] heeft verklaard dat de vrienden van de oudere groep en de vrienden van de jongere groep met elkaar in gevecht gingen en dat de jongen met het zwarte pak een jongen uit de jongere groep aanviel en deze een vuistslag tegen zijn hoofd aangaf.13 Door getuige [getuige 4] is gezien dat een jongen die op de grond zat een harde vuistslag kreeg tegen zijn slaap van een man die een witte blouse aan had en een zwarte stropdas droeg.14

Gelet op de aanwezigheid van verdachte bij het geweldsincident, de wijze waarop hij gekleed ging en voornoemde getuigenverklaringen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is geweest die door de getuigen wordt omschreven als de gewelddadige man gekleed in een pak/colbert.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte een significante bijdrage heeft geleverd aan het openlijk geweld. Zijn bijdrage heeft daarbij bestaan uit het meerdere malen slaan dan wel stompen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde openlijke geweldpleging.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 26 juni 2015, in de gemeente Nijmegen,

met een ander op of aan de openbare weg, te weten de "Molenstraat" openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

welk geweld bestond uit het

- indringen op en/of aanvallen van voornoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of

- meermalen, althans eenmaal, slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht/hoofd van
voornoemde [slachtoffer 1] , waarbij voornoemde [slachtoffer 1] al dan niet op de grond lag en/of

- meermalen, althans eenmaal, (met kracht) slaan en/of stompen in/op/tegen het gezicht/hoofd
van voornoemde [slachtoffer 2] en/of het naar de grond slaan/brengen van voornoemde [slachtoffer 2]
en/of

- trappen/schoppen in/op/tegen het hoofd, en/althans (elders) in/op/tegen het lichaam van
voornoemde [slachtoffer 2] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit

Het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen .

5 De strafbaarheid van het feit en de strafbaarheid van de verdachte

Noodweer(exces)

Door de verdediging is een beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces. Verdachte heeft één maal geslagen nadat hij zelf een klap had gekregen. Zijn handelen moet dan ook als verdedigingshandeling worden aangemerkt, nu sprake was van een wederrechtelijke aanranding. Door de acute vrees voor verdere agressie heeft verdachte zich met een klap verweerd. Gelet hierop dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.

De rechtbank verwerpt het beroep op noodweer. Dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding is niet aannemelijk geworden en vindt ook geen steun in het onderliggende dossier. Met de verwerping van het beroep op noodweer, komt de rechtbank niet toe aan een bespreking van een beroep op noodweerexces.

Gelet op het voorgaande is het feit strafbaar en ook verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

6a. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van 2 jaren, en voorts tot het verrichten van 200 uren werkstraf, te vervangen door 100 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

Door de verdediging is verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de omstandigheid dat verdachte na dit feit is veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie weken, waarbij de verdenking in de onderhavige zaak een rol lijkt te hebben gespeeld. Daarnaast dient mee te wegen dat verdachte zich nu volledig heeft gericht op zijn (afstudeer)stage bij de [naam 2] en hij nauwelijks meer uitgaat en zeer beperkt alcohol drinkt.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 02 september 2016.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van openlijk geweld in het uitgaansgebied in Nijmegen. Verdachte heeft hierbij fors geweld gebruikt door meerdere malen te slaan dan wel te stompen, terwijl het slachtoffer op dat moment op de grond zat. De rechtbank vindt het gedrag van verdachte zeer kwalijk en rekent dit hem aan.

Openlijk geweld is een ernstig feit. Dergelijk uitgaansgeweld leidt tot gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij. Verdachte heeft hier met zijn handelen aan bijgedragen. Verdachte is reeds meerdere malen veroordeeld voor geweldsdelicten. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook een werkstraf voor de duur van 150 uur gerechtvaardigd. Gelet op de mate van recidive acht de rechtbank daarnaast een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel (drie dagen) gelijk is aan de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, passend om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst dergelijke feiten te plegen.

6b. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van 40 uren werkstraf die door de politierechter te Arnhem op 16 oktober 2014 voorwaardelijk is opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzet zich in het geval het tot een veroordeling komt niet tegen de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde werkstraf.

Beoordeling door de rechtbank

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de politierechter van het arrondissement Gelderland van 16 oktober 2014 (parketnummer 05/183302-14) voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer te worden gelegd.

6c. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het (primair en subsidiair) tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.335,00.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] geheel toe te wijzen, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd en dient te worden bepaald dat verdachte hoofdelijk aansprakelijk is voor de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen. Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat uit de vordering (en bijlage 4) niet volgt dat het gevorderde bedrag van € 390,90 wegens behandeling op de afdeling spoedeisende hulp voor rekening van de benadeelde partij is gekomen, zodat dit bedrag niet voor toewijzing vatbaar is.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 760,00 wegens materiële schade overweegt de rechtbank als volgt. Voor het ambulancevervoer is een bedrag van € 391,10 gevorderd. In bijlage 2 waar in dit verband naar verwezen wordt, staat echter dat de benadeelde partij een bedrag van € 319,10 verschuldigd is wegens ambulancevervoer. De rechtbank zal de vordering op dit punt dan ook tot dit bedrag toewijzen.

Met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 300,90 wegens de behandeling op de afdeling spoedeisende hulp en één nachtopname is de rechtbank van oordeel dat de vordering op dit punt onvoldoende duidelijk is dan wel onvoldoende is onderbouwd. In bijlage 4 waar in dit verband naar verwezen wordt staan andere bedragen genoemd. Op dit punt is de vordering daarom niet eenvoudig te beoordelen en zal de benadeelde partij in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

De gevorderde bedragen van € 28,00 en € 40,00 wegens één nachtopname in het ziekenhuis respectievelijk wegens reiskosten acht de rechtbank voldoende onderbouwd en toewijsbaar.

Ten aanzien van het gevorderde bedrag van € 575,00 wegens immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks nadeel toegebracht dat niet in vermogensschade bestaat. Als gevolg van de openlijke geweldpleging heeft de benadeelde partij een hersenschudding, een gebroken neus en verschillende blauwe plekken in het gezicht opgelopen. Dit is aan verdachte en zijn medeverdachten toe te rekenen. Hierbij overweegt de rechtbank dat in het geval van openlijke geweldpleging niet hoeft vast te staan dat verdachte degene is geweest die voornoemd letsel aan de benadeelde partij heeft toegebracht. Vaststaat dat de benadeelde partij schade heeft geleden als gevolg van het openlijk geweld waaraan verdachte heeft deelgenomen. Aan de wettelijke vereisten, waaronder die genoemd in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek, is voldaan. Gelet op hetgeen in gelijksoortige zaken doorgaans wordt toegewezen, acht de rechtbank een bedrag van € 575,00 toewijsbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen tot een totaalbedrag van

€ 962,10 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is tot dit bedrag voor toewijzing vatbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2015.

De rechtbank zal bepalen dat verdachte hoofdelijk met zijn mededader aansprakelijk is voor de vordering.

Ter meerdere zekerheid voor daadwerkelijke betaling aan de benadeelde partij, zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

7 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14g, 22b, 22c, 22d, 27, 36f, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

8 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) dagen;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf 27 (zevenentwintig) dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op 2 (twee) jaren wordt bepaald;


stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

een werkstraf gedurende 150 (honderdvijftig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 75 (vijfenzeventig) dagen;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Arnhem van 16 oktober 2014, te weten van 40 (veertig) uren werkstraf te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij ten dele toe

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van het primair tenlastegelegde feit tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1], ten bedrage van € 962,10 (negenhonderdtweeënzestig euro en tien cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2016, tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering;

  • -

    verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Maatregel tot schadevergoeding

- legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 962,10 (negenhonderdtweeënzestig euro en tien cent), vermeerderd met de wettelijke rente

vanaf 26 juni 2015 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 19 (negentien) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

- bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

- verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Gerritsen (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en mr. H.C. Leemreize, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.E. Bongers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 oktober 2016.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost- Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2015322118, gesloten op 29 september 2015 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de op 26 juni 2015 afgelegde verklaring van [getuige 2] , p. 21; proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de op 27 juni 2015 afgelegde verklaring van [getuige 4] , p. 25.

3 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2016.

4 Proces-verbaal van verhoor meerderjarige verdachte, inhoudende de op 26 juni 2015 afgelegde verklaring van verdachte, p. 82; 85.

5 Proces-verbaal van aangifte, inhoudende de op 26 juni 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] , p. 15.

6 Proces-verbaal van aangifte, inhoudende de op 26 juni 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] , p.11.

7 Proces-verbaal van aangifte, inhoudende de op 26 juni 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] , p. 16.

8 Proces-verbaal van aangifte, inhoudende de op 26 juni 2015 afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] , p.11.

9 Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 oktober 2016.

10 Eigen waarneming van de rechtbank ter terechtzitting van 14 oktober 2016.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de op 26 juni 2015 afgelegde verklaring van [getuige 1] , p. 19.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de op 26 juni 2015 afgelegde verklaring van [getuige 2] , p. 21.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de op 28 juni 2015 afgelegde verklaring van [getuige 3] , p. 27.

14 Proces-verbaal van verhoor getuige, inhoudende de op 27 juni 2015 afgelegde verklaring van [getuige 4] , p. 25.