Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5725

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-10-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
295965
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Cessie; schorsing en hervatting. Cedent blijft na hervatting partij in procedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/295965 / HA ZA 16-28 / 546 / 560

Vonnis in incident van 5 oktober 2016

in de zaak van

1. de vennootschap naar buitenlands recht

CHECK ON ASIA LTD,

gevestigd te Shenzhen (China),

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in het incident ex artikel 224 Rv,

eiseres in het incident ex artikel 225 Rv,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HAPZAL BOYS B.V.,

gevestigd te Haps,

eiseres in de hoofdzaak,

advocaat mr. G.E. Hattink te Boxmeer,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

STRONG VIKING GROUP B.V.,

gevestigd te Wijchen,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident ex artikel 224 Rv,

verweerster in het incident ex artikel 225 Rv,

advocaat mr. J. Schröder te Nijmegen.

Partijen zullen hierna COA, Hapzal Boys en SVG genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 mei 2016;

  • -

    de akte tot hervatting van de zijde van SVG van 3 augustus 2016;

  • -

    de akte hervatting procedure ex artikel 227 Rv van de zijde van Hapzal Boys van 3 augustus 2016;

  • -

    de antwoordakte van de zijde van COA van 7 september 2016.

1.2.

Vervolgens is opnieuw vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling in het incident ex artikel 225 Rv (schorsing van het geding)

2.1.

In het tussenvonnis van 11 mei 2016 heeft de rechtbank verstaan dat het geding is geschorst vanaf 16 maart 2016, dat is de datum van de akte houdende schorsing van COA. Vervolgens is de zaak verwezen naar de parkeerrol.

2.2.

Reden voor de schorsing was dat COA de vordering die het onderwerp van de hoofdzaak vormt op 14 maart 2016 heeft gecedeerd aan Hapzal Boys. Door die cessie was COA niet meer de contractuele schuldeiser van SVG (artikel 225 lid 1 aanhef en sub c Rv).

2.3.

Bij akte ter rolle van 3 augustus 2016 hebben Hapzal Boys en SVG allebei gevraagd om hervatting van de procedure. De rechtbank stelt vast dat de procedure daardoor is hervat (artikel 227 lid 1 aanhef en sub b Rv).

2.4.

Hapzal Boys en COA hebben allebei bij akte gesteld dat de cessie een rechtsgrond vormt voor opvolging door Hapzal Boys als eiseres van de oorspronkelijke eiseres COA. De rechtbank leidt hieruit af dat zij menen dat Hapzal Boys in de plaats treedt van COA als eiseres en dat COA die positie daarmee kwijtraakt. SVG stelt bij akte met een beroep op artikel 227 lid 3 Rv dat de advocaat van COA zich op de datum van de rolzitting opnieuw zal dienen te stellen. Daaruit leidt de rechtbank af dat SVG meent dat COA na hervatting partij in de procedure blijft.

2.5.

Hierover wordt geoordeeld als volgt. De cessie door COA van de vordering tot betaling van boetes op grond van de samenwerkingsovereenkomst van 30 mei 2015 met nevenvorderingen aan Hapzal Boys en de schorsing van de procedure naar aanleiding van die cessie, leiden er niet toe dat COA na hervatting van de procedure geen partij in de procedure meer is. Een ander oordeel zou tot gevolg hebben dat SVG door deze cessie, schorsing en hervatting, waarop zij geen invloed heeft, geen aanspraak meer zou kunnen maken op vergoeding door COA van de tot op heden door SVG gemaakte proceskosten. Daar komt bij dat COA en Hapzal Boys niet duidelijk hebben gemaakt hoe de cessie zich verhoudt tot de vordering onder III, die ertoe strekt dat SVG dan wel haar bestuurder wordt veroordeeld zich te onthouden van gedrag dat (imago)schade toebrengt aan COA dan wel haar bestuurders. Die vordering, die lijkt te zijn gebaseerd op onrechtmatige daad en die zich op het eerste gezicht niet leent voor cessie, is niet opgenomen in de akte van cessie van 14 maart 2016. Binnen het kader van dit incident gaat de rechtbank ervan uit dat COA ook na de cessie, schorsing en hervatting de partij is die aanspraak maakt op toewijzing van deze vordering. De conclusie is dat COA en Hapzal Boys thans allebei eisers in de procedure zijn.

2.6.

COA zal worden veroordeeld in de proceskosten van het incident, omdat de grond voor schorsing aan haar zijde is opgekomen doordat zij haar vordering, na deze te hebben ingesteld, aan Hapzal Boys heeft gecedeerd.

3. De verdere beoordeling in het incident ex artikel 224 Rv (zekerheidstelling voor proceskosten)

3.1.

Daarmee komt de incidentele vordering van SVG om COA te veroordelen zekerheid te stellen voor de proceskosten aan de orde. SVG baseert deze vordering op artikel 224 lid 1 Rv. Zij stelt dat COA is gevestigd in China en dat zij geen vestiging en ook geen sociale en economische activiteiten in Nederland heeft.

3.2.

COA heeft het verweer gevoerd dat de incidentele vordering moet worden afgewezen omdat zij haar vordering heeft gecedeerd aan Hapzal Boys. Dat verweer faalt omdat deze cessie niet tot gevolg heeft dat COA, na schorsing en hervatting van de procedure, geen partij meer is in de procedure, zoals hiervoor gemotiveerd. Een ander verweer tegen de vordering tot zekerheidstelling als zodanig heeft COA niet gevoerd. Die vordering is op grond van artikel 224 Rv toewijsbaar. Zekerheid zal moeten worden gesteld binnen een termijn die in redelijkheid wordt vastgesteld op vier weken na heden (artikel 616 lid 3, aanhef en sub a Rv). Hoewel zij het niet uitdrukkelijk heeft gevorderd, maakt de rechtbank uit de akte van SVG van 2 maart 2016 onder 11 op dat zij zekerheid wenst te krijgen door een bankgarantie die wordt afgegeven door een Nederlandse bank. De zekerheid zal zo gesteld moeten worden. Daaraan wordt toegevoegd dat de garantie afroepbaar moet zijn op vertoon van een rechterlijke uitspraak met een kostenveroordeling ten laste van COA en ten gunste van SVG die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard of waarvan de appeltermijn ongebruikt is verstreken.

3.3.

SVG meent dat zekerheid moet worden gesteld tot een bedrag van € 28.403,00. Dat is het totaal van € 3.903,00 aan griffierecht en € 24.500,00 aan salaris voor de advocaat volgens het liquidatietarief. SVG berekent het salaris als 12¼ punten volgens tarief VI (€ 2.000,00 per punt). De punten zien deels op de conventie en deels op een door SVG aangekondigde reconventie. COA voert verweer tegen de hoogte van dit bedrag. Dat verweer ziet zowel op het aantal te berekenen punten als op het te hanteren tarief.

3.4.

De rechtbank stelt de hoogte van het bedrag waarvoor zekerheid moet worden gesteld als volgt vast. In het geval dat ten gunste van SVG een kostenveroordeling wordt uitgesproken, zal in elk geval het door SVG betaalde griffiegeld van € 3.903,00 en het salaris voor de advocaat van SVG tot op heden in de begroting worden betrokken. Ter zake van het salaris zal een bedrag van € 678,00 voor vergoeding in aanmerking komen, dat is drie halve punten (aktes van 2 maart 2016, 30 maart 2016 en 3 augustus 2016) volgens tarief II (€ 452,00 per punt). Omdat de rechtbank in het kader van dit incident niet kan aannemen dat COA haar vordering onder III laat varen, wordt eveneens een bedrag begroot ter zake van het vervolg van de procedure voor zover het op die vordering ziet. De vergoeding voor salariskosten in dat verband wordt begroot op € 904,00, dat is twee punten (antwoord en comparitie) volgens tarief II. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van een complexere procedure. Evenmin speelt een door SVG in te stellen vordering in reconventie een rol, omdat deze vordering niet door maar tegen COA wordt ingesteld. In totaal zal COA dus zekerheid moeten stellen voor een bedrag van € 5.485,00 (€ 678,00 + € 904,00 + € 3.903,00).

3.5.

COA wordt beschouwd als de in het ongelijk te stellen partij en wordt daarom veroordeeld in de proceskosten van het incident.

4 De beoordeling in de hoofdzaak

4.1.

De zaak zal worden verwezen naar de rol voor conclusie van eis aan de zijde van Hapzal Boys.

4.2.

Voor het overige zullen alle beslissingen worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in het incident ex artikel 225 Rv (schorsing van het geding)

5.1.

verstaat dat het geding is hervat tussen COA en Hapzal Boys als eisers en SVG als gedaagde;

5.2.

veroordeelt COA in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van SVG begroot op € 452,00 aan salaris voor de advocaat (twee maal een half punt, tarief II);

in het incident ex artikel 224 Rv (zekerheidstelling voor proceskosten)

5.3.

veroordeelt COA om binnen vier weken na heden zekerheid te stellen voor aan de zijde van SVG te vallen proceskosten tot een bedrag van € 5.485,00, in de vorm van een onherroepelijke onafhankelijke bankgarantie af te geven door een Nederlandse bank en afroepbaar op vertoon van een rechterlijke uitspraak met een kostenveroordeling ten laste van COA en ten gunste van SVG die uitvoerbaar bij voorraad is verklaard of waarvan de appeltermijn ongebruikt is verstreken;

5.4.

veroordeelt COA in de proceskosten, tot aan dit vonnis aan de zijde van SVG begroot € 226,00 aan salaris voor de advocaat (een half punt, tarief II);

5.5.

verklaart het vonnis in dit incident uitvoerbaar bij voorraad;

in de hoofdzaak

5.6.

verwijst de zaak naar de rol van 16 november 2016 voor conclusie van eis aan de zijde van Hapzal Boys;

5.7.

houdt voor het overige alle beslissingen aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Veerman en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2016.