Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5707

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-10-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
AWB - 15 _ 5669
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

BPM. Naheffing.

Artikelen: 8:42 Awb, 16a Wet BPM, 28, 30 en 110 VWEU.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend en pas heel laat de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden. Er is wel verweer gevoerd (in een pleitnota die vijf dagen voor de zitting is toegezonden). De rechtbank acht de handelwijze van verweerder in strijd met de goede procesorde. De onderbouwing van stellingen waarvan verweerder de bewijslast draagt blijft buiten beschouwing, verweer wordt in beginsel wel geaccepteerd.

Naheffing anderhalf jaar na het belastbare feit is niet in strijd met het Unierecht. Waarde in onbeschadigde staat niet in geschil, wel de waardevermindering als gevolg van schade. Gelet op de deskundigenrapporten en de overige feiten wordt met 91% schadeaftrek rekening gehouden.

Geen beroep op historisch tarief van voor 1 juli 2012. Datum eerste toelating van de auto is 31 augustus 2012, de auto is in oktober 2013 ingevoerd. Niet valt in te zien dat auto’s met een datum eerste toelating voor 1 juli 2012 de juiste referenties zijn als bedoeld in artikel 110 VWEU. Regeling van artikel 16a Wet BPM geldt slechts als aan specifieke voorwaarden worden voldaan. Als eiseres de auto op 31 augustus 2012 (nieuw) in Nederland had geregistreerd, had zij evenmin een beroep op het tarief van voor 1 juli 2012 kunnen doen. Ook geen strijd met artikelen 28 en 30 VWEU. Het stellen van voorwaarden aan toepassing van het oudere tarief is niet in strijd met het Unierecht. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen Nederlandse en buitenlandse houders. De voorwaarden zijn gerechtvaardigd en proportioneel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2632
V-N Vandaag 2016/2324
Belastingblad 2016/529
mr. J.M. van der Vegt annotatie in NTFR 2016/2860

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 15/5669

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 oktober 2016

in de zaak tussen

[X] V.O.F., te [Z] , eiseres
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Emmen, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 17 augustus 2015, waarbij het bezwaar van eiseres tegen de aan hem opgelegde naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijtuigen (hierna: BPM) en boetebeschikking ongegrond is verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2016.

Namens eiseres is de gemachtigde verschenen, vergezeld van [A] . Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr. [B] .

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslag BPM tot een bedrag van € 441;

  • -

    vermindert de beschikking belastingrente dienovereenkomstig;

  • -

    vernietigt de boetebeschikking;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de door eiseres in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.238;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167 aan eiseres te vergoeden.

Overwegingen

Voorafgaand

1. Zoals ter zitting afgesproken, heeft eiseres na de zitting nog de volledige versie van de pleitnota toegezonden. Aangezien deze ter zitting is voorgedragen, ziet de rechtbank hierin - in overleg met partijen - geen aanleiding het onderzoek te heropenen.

Feiten en naheffing

2. Eiseres heeft op 22 oktober 2013 een Volvo, type [C] (hierna: de auto), gekocht. De eerste datum van toelating (in Duitsland) is 31 augustus 2012. De kilometerstand ten tijde van de aankoop was 16.077. De auto heeft aanzienlijke schade.

3. Op 25 oktober 2013 heeft eiseres aangifte gedaan voor de BPM. Zij heeft daarbij verwezen naar een taxatierapport van [D] . Deze heeft de waarde van de auto in onbeschadigde staat aan de hand van de koerslijst van [E] voor margeauto’s bepaald op € 26.509. Na aftrek van een bedrag van € 24.156 aan schade resteert een handelsinkoopwaarde van € 2.353. Eiseres heeft op aangifte € 561 BPM voldaan.

4. In opdracht van verweerder heeft [F] , werkzaam voor [G] BV (hierna: [G] ), de auto op 30 oktober 2013 getaxeerd. [G] heeft de verkoopwaarde van de auto in onbeschadigde staat bepaald op € 38.000. Na aftrek van een bedrag van € 22.000 in verband met schade en een handelsmarge van € 3.000 resteert een handelsinkoopwaarde van € 13.000.

5. De auto is op 8 januari 2014 op naam gesteld.

6. Verweerder heeft op 21 april 2015 een bedrag van € 2.305 nageheven. Hierbij is hij uitgegaan van een handelsinkoopwaarde van de auto van € 12.022, uitgaande van een handelsinkoopwaarde van € 26.509 en een waardevermindering als gevolg van schade van € 14.487. Tevens is een boete opgelegd van € 1.152.

Stukken en verweer

7. Eiseres heeft zich in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat de naheffingsaanslag dient te worden vernietigd, nu verweerder geen verweerschrift heeft ingediend. Zij heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van Gerechtshof Arnhem van 20 maart 2006, ECLI:NL:GHARN:2006:AV8604 en het bepaalde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

8. Op grond van artikel 8:42 van de Awb dienen de op de zaak betrekking hebbende stukken en het verweerschrift binnen vier weken na de dag van verzending van het beroepschrift aan het bestuursorgaan te worden ingediend. De desbetreffende brief van de rechtbank dateert van 1 oktober 2015. Verweerder heeft binnen vier weken geen stukken ingediend, geen verweerschrift ingediend, geen uitstel verzocht, maar eenvoudigweg niet gereageerd en aldus in strijd met de wet gehandeld. Zelfs nadat bij brief van 27 juli 2016 de rechtbank heeft aangekondigd dat de zitting zou plaatsvinden op 17 oktober 2016 is in eerste instantie niet gereageerd. Pas bij brief van 6 oktober 2016 zijn de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden, maar nog steeds geen verweerschrift. Bij brief van 12 oktober 2016, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, heeft verweerder een pleitnota ingezonden.

9. Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat geen verweerschrift is ingediend. Er is echter wel verweer gevoerd. De rechtbank kan de pleitnota en hetgeen ter zitting is besproken immers niet negeren. Het is juist dat artikel 8:42 van de Awb een dode letter zou worden als het veel te laat voeren van verweer zonder gevolgen zou blijven, maar de rechtbank ziet hierin geen aanleiding de naheffingsaanslag te vernietigen.

10. In de hiervoor genoemde zaak van Gerechtshof Arnhem was in het geheel geen verweer gevoerd (naar de rechtbank begrijpt heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden, nu uitspraak is gedaan met toepassing van artikel 8:54 van de Awb). Het ging daar bovendien om een naheffingsaanslag fosfaatheffing, ter zake waarvan moet worden aangenomen dat de bewijslast van de juistheid op verweerder rust. Als er geen stellingen worden ingenomen, kan die juistheid niet aannemelijk geoordeeld worden. Dan is er geen onderbouwing voor de naheffingsaanslag en volgt onvermijdelijk vernietiging daarvan.

11. De rechtbank acht de handelwijze van verweerder wel in strijd met de goede procesorde. Onderbezetting en de keuze van de staatssecretaris of de Belastingdienst niet meer mensen ter beschikking te stellen voor de BPM (om wat voor reden dan ook) is hiervoor geen rechtvaardiging, nu deze omstandigheden zich volledig in de sfeer van verweerder afspelen en niet kunnen worden afgewenteld op belastingplichtigen. De stelling van verweerder dat nog getracht is in overleg tot een oplossing te komen en dat daarom de pleitnota niet als verweer uiterlijk tien dagen voor de zitting is ingediend (indachtig artikel 8:58 van de Awb) kan hem evenmin baten. Het verweerschrift had uiterlijk 29 oktober 2015 moeten worden ingediend. Op dat moment waren er nog geen onderhandelingen. In hoeverre onderhandelingen uitstel rechtvaardigen kan bovendien pas beoordeeld worden als een uitstelverzoek wordt gedaan, wat niet is gebeurd. Het is niet aan verweerder eenzijdig te beslissen dat onderhandelingen een latere indiening van stukken rechtvaardigt.

12. In de lijn met de uitspraak van Gerechtshof Arnhem van 20 maart 2006 zal de rechtbank onderscheid maken naar gelang de verdeling van de bewijslast. Eiseres is het meest geschaad in haar procespositie ter zake van de elementen van de naheffingsaanslag waarvan verweerder de bewijslast draagt. Zij heeft zich onvoldoende kunnen voorbereiden op de stellingen die verweerder op die punten inneemt. Deze laat de rechtbank daarom buiten beschouwing. Voor zover het elementen betreft waarvan eiseres de bewijslast draagt, dient eiseres haar stellingen voldoende te onderbouwen en diende zij naar het oordeel van de rechtbank reeds rekening te houden met een mogelijke betwisting door verweerder (zelfs nog tot op de zitting) en haar bewijspositie op voorhand te onderzoeken. Hier zijn de gevolgen van de late inzending van de pleitnota door verweerder daarom minder verstrekkend. In zoverre worden de standpunten van verweerder om die reden in beginsel wel in de beoordeling betrokken.

Naheffing na belastbaar feit

13. Eiseres heeft aangevoerd dat de naheffingsaanslag te laat is opgelegd. Er dient volgens haar zo kort mogelijk nadat het belastbare feit heeft plaatsgevonden te worden nageheven, omdat naheffing ook niet mogelijk is bij (her)registratie van Nederlandse gebruikte auto’s. Er wordt dan immers geen BPM van de koper geheven, en dus ook niet nageheven. Eiseres had de auto reeds verkocht ten tijde van de naheffingsaanslag en is dus niet in staat de nageheven BPM nog door te berekenen in haar verkoopprijs. Daar komt bij dat indien de auto inmiddels is uitgevoerd te weinig BPM is teruggegeven op grond van artikel 14a van de Wet op de belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 (hierna: Wet BPM). Gelet op dit alles komt de naheffingsaanslag volgens eiseres in strijd met artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU).

14. Ingevolge artikel 110 van het VWEU heffen de lidstaten op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven. De rechtbank is van oordeel dat de mogelijkheid tot naheffing van BPM niet met zich brengt dat in strijd met artikel 110 van het VWEU ter zake van auto’s uit andere lidstaten een hogere belasting wordt geheven dan ter zake van gelijksoortige auto’s die zich reeds op de Nederlandse markt bevinden. Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ) is het Nederland toegestaan om een in een andere lidstaat geregistreerde personenauto aan een eenmalige registratiebelasting te onderwerpen in gevallen waarin de auto hoofdzakelijk bestemd is voor duurzaam gebruik in Nederland of daar aldus feitelijk duurzaam wordt gebruikt (vgl. HvJ 21 november 2013, C-302/12, V-N 2013/59.22, punten 24 tot en met 26). Naar het oordeel van de rechtbank volgt de mogelijkheid tot naheffing van BPM direct uit de mogelijkheid tot heffing van BPM en maakt deze daarvan onderdeel uit. Naheffing dient immers alleen om te voorkomen dat te weinig BPM wordt geheven en ervoor te zorgen dat de BPM die op de ingevoerde auto drukt in lijn is met de BPM die drukt op een vergelijkbare auto op de binnenlandse markt. Toepassing van de wet leidt niet tot heffing van een hogere belasting dan op gelijksoortige binnenlandse auto’s drukt. Als een juiste aangifte wordt gedaan, bestaat voorts niet het risico van naheffing. Naheffing nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is ook voor het overige niet in strijd met het Unierecht. De wettelijke regeling is - mocht al sprake zijn van een belemmering - gerechtvaardigd en bovendien geschikt om de daarmee beoogde doelstellingen te verwezenlijken en proportioneel.

Hoogte naheffing

15. Voor de vaststelling van de vermindering als bedoeld in artikel 10 van de Wet BPM (de afschrijving) dient de handelsinkoopwaarde van de auto te worden vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat deze kan worden bepaald door op de waarde van de auto in onbeschadigde staat een waardevermindering in verband met schade toe te passen. Ook over de waarde van de auto in onbeschadigde staat verschillen partijen niet van mening. Zij gaan uit van de waarde op grond van de koerslijst van [E] , zijnde € 26.509. Wel verschillen partijen van mening over de vraag wat de waardevermindering is als gevolg van de schade.

16. Tussen partijen is niet in geschil dat de auto schade heeft en dat deze schade leidt tot een waardevermindering. Gelet op de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:4640, zal de rechtbank als uitgangspunt hanteren dat eiseres de omvang van de waardevermindering aannemelijk dient te maken. Vanwege hetgeen hiervoor is overwogen ter zake van de aanlevering van stukken en verweer gaat de rechtbank voorbij aan de stellingen van verweerder dat de waardevermindering minder dient te zijn dan het bedrag van € 22.000 waarmee de door verweerder ingeschakelde deskundige rekening heeft gehouden. Het behoefde eiseres immers tot vijf dagen voor de zitting niet duidelijk te zijn dat verweerder - ook na voormelde uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waartegen geen cassatie is ingesteld - het standpunt zou handhaven dat met een aftrek vanwege schade van zelfs minder dan 72% rekening dient te worden gehouden. Dit betekent dat de rechtbank slechts zal beoordelen of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de waardevermindering meer dan € 22.000 is.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dit niet aannemelijk gemaakt. Een waardevermindering van € 22.000 is afgerond 91% van de door de deskundige van eiseres getaxeerde herstelkosten. Zoals de rechtbank al vaker heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 5 februari 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:656), leidt niet elke euro aan herstelkosten per definitie tot een euro waardevermindering. Onder omstandigheden kan er aanleiding bestaan om met (vrijwel) iedere euro aan kosten rekening te houden. Het is echter aan eiseres die omstandigheden te stellen en te onderbouwen. In dit geval is erop gewezen dat sprake is van een auto in het luxere segment van nog geen veertien maanden oud met ruim 16.000 kilometer op de teller. Dit geval wijkt zo weinig af van de gevallen waarin verschillende rechtbanken en gerechtshoven 100% van de herstelkosten als waardevermindering hebben geaccepteerd, dat dit ook voor deze auto heeft te gelden, aldus eiseres. De rechtbank is echter van oordeel dat in de combinatie van de leeftijd en de kilometerstand in dit geval te weinig aanknopingspunten zijn te vinden om ervan uit te gaan dat de auto naar nieuwstaat zal moeten worden hersteld om goed verkocht te kunnen worden. Niet aannemelijk is dat een koper van de auto verwacht dat deze in een staat verkeert vergelijkbaar met nieuw. Door met 91% van de kosten rekening te houden is naar het oordeel van de rechtbank voldoende verdisconteerd dat het een nog vrij jonge auto met vrij weinig kilometers betreft.

18. Op grond van het voorgaande houdt de rechtbank rekening met een waardevermindering als gevolg van schade van € 22.000. Gezien de waarde in onbeschadigde staat van € 26.509 betekent dit dat de handelsinkoopwaarde van de auto wordt vastgesteld op € 4.509. Uitgaande van de historische nieuwprijs van € 52.315 bedraagt de afschrijving 91,38%.

19. Ter bepaling van de hoogte van de verschuldigde BPM dient tevens de historische BPM te worden vastgesteld. Eiseres heeft een beroep gedaan op het historische tarief dat geldt voor de eerste helft van 2012 (hierna: het tarief 2012-1). Weliswaar is de datum van eerste toelating van de auto 31 augustus 2012, maar indien deze inschrijving in Nederland had plaatsgevonden, zou gelet op artikel 16a van de Wet BPM een beroep op het tarief 2012-1 mogelijk zijn geweest. Er zijn bovendien (in ieder geval in theorie) referentievoertuigen met een datum eerste toelating in Nederland in augustus 2012 waarop het tarief 2012-1 wel is toegepast. Toepassing van een hoger tarief op de onderhavige auto is in strijd met artikel 110 van het VWEU, aldus eiseres.

20. De rechtbank volgt eiseres niet in deze redenering. Eiseres heeft de auto ingevoerd in oktober 2013. Op dat moment is de belasting geheven en dus dient voor de toepassing van artikel 110 van het VWEU te worden vergeleken met de auto’s die zich op dat moment op de Nederlandse markt bevonden.

21. De regeling van artikel 16a van de Wet BPM heeft betrekking op de situatie waarin tijd is verstreken tussen het moment waarop een kenteken is afgegeven voor een voertuig en het moment waarop de tenaamstelling plaatsvindt. Als in de tussentijd het tarief is gewijzigd, geldt het gunstigste tarief. Dit geldt bij een tussentijdse verhoging van het tarief alleen als de tenaamstelling plaatsvindt binnen twee maanden na de inwerkingtreding van de verhoging. Een van de voorwaarden voor het op voorhand mogen inschrijven van kentekens is dat de aanvrager vergunninghouder in de zin van artikel 8 van de Wet BPM is. Dit volgt onder meer uit het feit dat de BPM voor deze auto’s pas op het latere tijdstip verschuldigd wordt (zie de memorie van toelichting bij de Wijziging van enkele belastingwetten c.a. 1998, Kamerstukken II, 25 689, nr. 3, p. 31).

22. De regeling is blijkens de memorie van toelichting met name ingegeven door het feit dat op de reeds afgegeven kentekenbewijzen voor nog niet tenaamgestelde auto’s een historische BPM is vermeld en voorkomen moet worden dat extra administratieve handelingen moeten worden verricht. Bij een verhoging van de BPM zou zonder deze regeling het historische tarief immers moeten worden aangepast.

23. Artikel 16a van de Wet BPM beperkt de termijn tot twee maanden. Deze beperking is door de Hoge Raad niet in strijd met het Unierecht geacht (zie Hoge Raad 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:165). Een verschillende datum van registratie kan dus leiden tot een verschillende belastingdruk voor dezelfde auto. De stelling van eiseres dat onder alle omstandigheden voorkomen moet worden dat op een ingevoerde auto meer BPM rust dan op een vergelijkbare zich reeds op de Nederlandse markt bevindende auto is dus te absoluut. De stelling van eiseres komt er in dit verband op neer dat zij de auto wenst te vergelijken met auto’s met een datum eerste toelating gelegen voor 1 juli 2012. Niet valt in te zien dat dit voor de toepassing van artikel 110 van het VWEU de juiste referenties zijn.

24. Als de auto wordt vergeleken met een auto die een datum eerste toelating op 31 augustus 2012 in Nederland heeft, leidt dit niet tot een andere uitkomst. Op die auto was niet zonder meer de tweemaandentermijn van artikel 16a van de Wet BPM van toepassing geweest. Daarbij dient immers ook aan de overige voorwaarden van dat artikel en het Kentekenreglement te zijn voldaan. Indien eiseres de auto nieuw had aangekocht en op 31 augustus 2012 had ingeschreven, had zij geen beroep op het tarief 2012-1 kunnen doen, omdat zij niet aan de voorwaarden voldoet. Er is dan ook geen sprake van strijd met artikel 110 van het VWEU.

25. Evenmin acht de rechtbank toepassing van het tarief 2012-1 geboden met het oog op de artikelen 28 en 30 van het VWEU. Deze artikelen waarborgen het vrije verkeer van goederen en verbieden in- en uitvoerrechten en alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen de lidstaten onderling. Gelet op het arrest van de Hoge Raad van 30 januari 2015 vermag de rechtbank niet in te zien dat het stellen van voorwaarden aan de toepassing van het gunstigere tarief in strijd is met het Unierecht. Dat eiseres geen beroep kan doen op het tarief 2012-1 heeft ook niet zozeer te maken met het feit dat de eerste toelating van de auto in het buitenland heeft plaatsgevonden, maar met het feit dat degene die de auto heeft geregistreerd niet voldeed aan de voorwaarden die de Nederlandse wetgever stelt. Er wordt bij die voorwaarden geen onderscheid gemaakt tussen Nederlandse houders en buitenlandse houders. Weliswaar kan hierdoor sprake zijn van een verschillend historisch tarief (en dus een verschillende afschrijvingsgrondslag) voor overigens vergelijkbare auto’s, maar de rechtbank acht het stellen van voorwaarden aan toepassing van het gunstiger (oude) tarief gerechtvaardigd, nu een wijziging van het tarief voor vergunninghouders administratieve gevolgen heeft wanneer zij reeds in het bezit zijn van kentekens voor nog niet tenaamgestelde auto’s. Juist die situatie heeft de wetgever met de regeling van artikel 16a van de Wet BPM willen regelen. De rechtbank acht deze verschillende behandeling dan ook gerechtvaardigd gelet op het doel van deze regeling. De verschillende behandeling acht de rechtbank ook proportioneel met het oog op het doel daarvan.

26. Eiseres heeft ter zitting nog de vergelijking getrokken met het beroep op de extra leeftijdskorting als gevolg van het verstrijken van tijd tussen de datum van aangifte en de datum van registratie van het voertuig. Het moet op grond van die jurisprudentie - kort gezegd - voor de hoogte van de verschuldigde BPM geen verschil maken of de auto wordt ingevoerd door een vergunninghouder of door een niet-vergunninghouder.

27. Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie van de leeftijdskorting niet te vergelijken met de onderhavige situatie. Er heeft een eerste toelating in het buitenland plaatsgevonden op 31 augustus 2012. De auto is in oktober 2013 ingevoerd en op 25 oktober 2013 heeft de aangifte plaatsgevonden. Het maakt voor de hoogte van de BPM geen verschil of deze op dat moment is ingevoerd en geregistreerd door een vergunninghouder of door een niet-vergunninghouder, anders dan in de situatie waarin een beroep werd gedaan op extra leeftijdskorting.

28. Gelet op het voorgaande komt eiseres geen beroep toe op het tarief 2012-1. Voor die situatie is tussen partijen niet in geschil dat de bruto BPM € 12.473 bedraagt.

29. Op grond van het voorgaande zou € 1.075 verschuldigd zijn (8,62% van € 12.473). Eiseres heeft echter een beroep op extra leeftijdskorting gedaan, nu de registratie van de auto heeft plaatsgevonden op 8 januari 2014. Er waren toen drie extra maanden verstreken. Verweerder heeft zich tegen de toepassing van de extra leeftijdskorting niet verzet.

30. De tabelafschrijving ten tijde van de aangifte bedroeg 35,22%. Dit leidt tot een herrekende BPM van € 1.659. De tabelafschrijving ten tijde van de registratie bedroeg 39,552%. Dit betekent dat eiseres rekening houdend met de extra leeftijdskorting € 1.002 verschuldigd is. Op aangifte is € 561 voldaan. Daarom heeft de rechtbank de naheffingsaanslag verminderd tot € 441.

Boete

31. Verweerder stemt ermee in dat de boete komt te vervallen.

Proceskostenvergoeding

32. Eiseres heeft verzocht verweerder te veroordelen tot voldoening van de werkelijke door eiseres in bezwaar en beroep gemaakte kosten. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) wordt in geval van een gegrond beroep een forfaitaire kostenvergoeding toegekend. Op grond van artikel 2, derde lid van het Besluit kan in bijzondere omstandigheden daarvan worden afgeweken. Op eiseres rust de last aannemelijk te maken dat sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. Dat verweerder zeer laat stukken heeft ingediend en verweer heeft gevoerd is - helaas - in BPM-zaken geen bijzondere omstandigheid. Voorts is weliswaar te veel nageheven, maar is geen sprake van heffing tegen beter weten in of het volharden in onjuiste standpunten. Gelet hierop heeft de rechtbank aanleiding gezien verweerder te veroordelen in de forfaitaire kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.238 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde van € 246, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496 en

een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.