Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2016:5610

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-10-2016
Datum publicatie
21-10-2016
Zaaknummer
05/982002-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een ambtenaar van de Dienst Landelijke Gebieden en de feitelijk beheerder van een voormalige steenfabriek veroordeeld tot werkstraffen en voorwaardelijke gevangenisstraffen.

De rechtbank achtte bewezen dat de mannen hadden nagelaten maatregelen te treffen om te voorkomen dat een voormalige steenfabriek werd betreden. In deze steenfabriek was asbest aangetroffen. Met name in de ovenruimte was sprake van een ernstige asbestbesmetting. Nadat was vastgesteld dat er vermoedelijk een asbestbesmetting in de fabriek was, zijn beide mannen hiervan op de hoogte gesteld. In plaats van maatregelen te treffen heeft nog een voor het publiek toegankelijk evenement plaatsgevonden in de ovenruimte, waarbij meer dan 400 personen aanwezig waren. Ook vonden er onderhouds- en beveiligingswerkzaamheden plaats op het terrein en in de fabriek. Daarbij werden alle ruimtes betreden.

De rechtbank was van oordeel dat op beide mannen een rechtsplicht rustte om maatregelen te treffen, zodat de fabriek niet meer toegankelijk was. Op de ene man lag een rechtsplicht omdat de instantie waarvoor de man werkte formeel de beheerder was van de voormalige steenfabriek en het bijbehorende terrein. De man zat in een projectgroep en had vanuit zijn functie veel bemoeienis met de dagelijkse gang van zaken van het terrein en de fabriek.

Op de andere man lag een rechtsplicht omdat hij feitelijk het beheer voerde op het terrein en in de fabriek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/982002-13

Datum uitspraak : 20 oktober 2016

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het Functioneel Parket Zwolle

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]

wonende te [adres 1]

raadsman: mr. J.L.J. Leijendekker, advocaat te Wijk bij Duurstede.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen

van 3 december 2015 en 6 oktober 2016.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 3 december 2015 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van september 2011 tot en met 2 november 2011,

in de gemeente Neder-Betuwe, in de (voormalige) steenfabriek aan de

Waalbanddijk te Dodewaard, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

opzettelijk en wederrechtelijk (een) stof(fen), te weten asbest en/of

asbestvezels, op en/of in de bodem en/of in de lucht heeft gebracht en/of

heeft doen of laten brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare

gezondheid en/of levensgevaar voor bezoekers en/of andere personen te duchten

was, immers heeft (hebben) hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- toegelaten, althans niet voorkomen of verhinderd dat op 2 november 2011 een

manifestatie, te weten de [naam 1] , werd gehouden in een of meer ruimten (te

weten in of nabij de (vlam) oven(ruimte)) in die (voormalige) steenfabriek,

waarin zich in slechte staat verkerende asbesthoudende toepassingen bevonden

(beschadigd asbestkoord), bij welke gelegenheid asbest en/of asbestvezels in

de lucht vrij is/zijn gekomen, althans in de lucht vrij kon/konden komen,

waardoor bezoekers van die manifestatie en/of andere personen in die

ruimte(n) werden en/of konden worden blootgesteld aan asbest en/of

asbestvezels, terwijl bij het inademen van die asbest en/of asbestvezels, de

asbest en/of de asbestvezels kunnen doordringen in de longen (en ernstige

ziekten kunnen veroorzaken zoals longkanker en/of mesothelioom - zijnde

buikvlies- en longvlieskanker) - en/of

- toegelaten, althans niet voorkomen of verhinderd dat in de periode van

september 2011 tot en met 1 november 2011 meerdere personen (onder meer voor

het uitvoeren van werkzaamheden) zich in een of meer ruimten (te weten in of

nabij de (vlam) oven(ruimte)) in die (voormalige) steenfabriek, waarin zich

in slechte staat verkerende asbesthoudende toepassingen bevonden (beschadigd

asbestkoord) hebben bevonden, bij welke gelegenheid/gelegenheden asbest en/of

asbestvezels in de lucht vrij is/zijn gekomen, althans in de lucht vrij

kon/konden komen, waardoor die personen in die ruimte(n) werden en/of konden

worden blootgesteld aan asbest en/of asbestvezels, terwijl bij het inademen

van die asbest en/of asbestvezels, de asbest en/of de asbestvezels kunnen

doordringen in de longen (en ernstige ziekten kunnen veroorzaken zoals

longkanker en/of mesothelioom - zijnde buikvlies- en longvlieskanker);

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

het aan zijn, verdachtes schuld en/of aan zijn, verdachtes mededader(s) schuld, althans

aan zijn, verdachtes, schuld te wijten is geweest dat in of omstreeks de

periode van september 2011 tot en met 2 november 2011, in de gemeente

Neder-Betuwe, in de (voormalige) steenfabriek aan de Waalbanddijk te

Dodewaard, wederrechtelijk (een) stof(fen), te weten asbest en/of

asbestvezels, op en/of in de bodem en/of in de lucht werd(en) gebracht,

terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor

bezoekers en/of andere personen te duchten was, immers heeft (hebben) hij,

verdachte en/of zijn mededader(s),

- toegelaten, althans niet voorkomen of verhinderd dat op 2 november 2011 een

manifestatie, te weten de [naam 1] , werd gehouden in een of meer ruimten (te

weten in of nabij de (vlam) oven(ruimte)) in die (voormalige) steenfabriek,

waarin zich in slechte staat verkerende asbesthoudende toepassingen bevonden

(beschadigd asbestkoord), bij welke gelegenheid asbest en/of asbestvezels in

de lucht vrij is/zijn gekomen, althans in de lucht vrij kon/konden komen,

waardoor bezoekers van die manifestatie en/of andere personen in die

ruimte(n) werden en/of konden worden blootgesteld aan asbest en/of

asbestvezels, terwijl bij het inademen van die asbest en/of asbestvezels, de

asbest en/of de asbestvezels kunnen doordringen in de longen (en ernstige

ziekten kunnen veroorzaken zoals longkanker en/of mesothelioom - zijnde

buikvlies- en longvlieskanker) - en/of

- toegelaten, althans niet voorkomen of verhinderd dat in de periode van

september 2011 tot en met 1 november 2011 meerdere personen (onder meer voor

het uitvoeren van werkzaamheden)zich in een of meer ruimten (te weten in of

nabij de (vlam) oven(ruimte)) in die (voormalige) steenfabriek, waarin zich in

slechte staat verkerende asbesthoudende toepassingen bevonden (beschadigd

asbestkoord) hebben bevonden, bij welke bij welke gelegenheid/gelegenheden

asbest en/of asbestvezels in de lucht vrij is/zijn gekomen, althans in de

lucht vrij kon/konden komen, waardoor die personen in die ruimte(n) werden

en/of konden worden blootgesteld aan asbest en/of asbestvezels, terwijl bij

het inademen van die asbest en/of asbestvezels, de asbest en/of de

asbestvezels kunnen doordringen in de longen (en ernstige ziekten kunnen

veroorzaken zoals longkanker en/of mesothelioom - zijnde buikvlies- en

longvlieskanker).

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

De [naam 2] (hierna: [naam 2] ) heeft op 20 september 2011 opdracht gegeven aan [naam 3] (hierna: [naam 3] ) voor een asbestinventarisatie van de [naam 5]2, gevestigd op het adres [adres 2] te Dodewaard. In de periode van 23 september 2011 tot en met 1 december 2011 hebben [getuige 8] en [getuige 7] een asbestinventarisatie type A gedaan.3

Naar aanleiding hiervan heeft [naam 6] (hierna: [naam 6] ) een NEN2991-onderzoek gedaan. Daarbij zijn onder meer kleefmonsters genomen.4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Ter terechtzitting heeft zij uitvoerig de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Volgens de raadsman moet voorop worden gesteld dat het opzet, ook in voorwaardelijke vorm, bij verdachte ontbreekt. Hij heeft betoogd dat verdachte niets in de bodem en/of lucht heeft gebracht of laten brengen. Onder lucht in de zin van artikel 173a dan wel 173b van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) moet volgens de raadsman worden verstaan ‘buitenlucht’. Binnenlucht valt buiten het bereik van voormelde artikelen. Verder blijkt uit het rapport van [naam 6] niet dat sprake was van asbestverontreiniging in een binnenruimte, laat staan dat asbestvezels in de buitenlucht zijn gebracht. Als al vezels op de vloer van een binnenruimte zijn aangetroffen, valt deze situatie niet onder artikel 173a dan wel artikel 173b Sr. De vloer kan niet worden gelijkgesteld met de bodem waarop de artikelen 173a en 173b Sr doelen. In dit verband heeft de raadsman gewezen op een vonnis van de rechtbank Limburg van 29 januari 2016. De raadsman heeft verder opgemerkt dat het te duchten gevaar moet worden bepaald aan de hand van de omstandigheden. Onder verwijzing naar het rapport “Inzichten in de omgang met de risico’s van asbest”, geschreven door [naam 7] , heeft de raadsman betoogd dat het in deze situatie gaat om een verwaarloosbaar risico, nu het om een eenmalige blootstelling is gegaan. De raadsman heeft ten slotte naar voren gebracht dat verdachte geen beheerder was van de [naam 5] . Er was geen beheeropdracht, een beheerovereenkomst is nooit geëffectueerd en verdachte heeft nooit een vergoeding ontvangen. Het enkele feit dat hij aanwezig was, maakt hem niet tot beheerder. Verdachte kan dan ook niet worden aangesproken op het reilen en zeilen van het beheer van de [naam 5] . Uit de stukken blijkt verder ook niet dat verdachte, voordat de [naam 1] plaatsvond, op de hoogte was van het asbest.

Beoordeling door de rechtbank

Aanwezigheid asbest en verspreiding en gevaar voor de gezondheid

Op 28 oktober 2010 is voormalige steenfabriek de [naam 5] door [naam 8] verkocht aan [naam 10] (hierna: [naam 10] )5, een publiekrechtelijk vormgegeven bestuursorgaan. [naam 10] heeft geen personeel. Het werk wordt gedaan door medewerkers van [naam 2] en door onafhankelijke (lokale) taxateurs.6

Na aanschaf van de [naam 5] is het beheer ervan uitgevoerd door [naam 2] . Medeverdachte [medeverdachte] maakte onderdeel uit van het projectteam met de provincie wat betreft de [naam 5] .7 Hij en zijn collega [naam 4] waren belast met de dagelijkse gang van zaken rond de [naam 5] .8

Voorafgaand aan de verkoop van de [naam 5] door Derksen aan [naam 10] heeft er een taxatie plaatsgevonden in opdracht van [naam 2] , waarbij [medeverdachte] als contactpersoon is genoemd. In het taxatierapport is onder het kopje ‘Waardering’ onder 4.2 onder meer opgenomen: “Naast het voorgaande dient de relatieve hoge post voor onderhoud als reservering voor asbestsanering.”9

[naam 2] heeft op 20 september 2011 opdracht gegeven aan [naam 3] voor een asbestinventarisatie van de [naam 5] . In de periode van 23 september 2011 tot en met 1 december 2011 hebben [getuige 8] en [getuige 7] van [naam 3] een asbestinventarisatie type A gedaan.10

Uit het asbestinventarisatierapport komt naar voren dat op meerdere plaatsen asbestverdachte materialen zijn aangetroffen. Zo bleken meerdere daken afgewerkt te zijn met hechtgebonden asbesthoudende golfplaten en is rondom vrijwel alle vlamovens niet-hechtgebonden asbestverdacht materiaal, asbestvezels, aangetroffen. Ook is rondom alle openingen op de vlamovens niet-hechtgebonden asbestkoord aangetroffen.11

Naar aanleiding van de bevindingen van [naam 3] heeft [naam 6] een NEN2991-onderzoek gedaan. Daarbij zijn onder meer 100 kleefmonsters genomen. Van de 100 kleefmonsters zijn op 35 monsters zeer veel Chrysotiel asbestvezels aangetroffen. 32 van deze 35 monsters zijn genomen in de ovenruimte. In het rapport van [naam 6] wordt onder meer geconcludeerd dat de ovenruimte inclusief de doorgang als asbestbesmet dient te worden beschouwd en afgesloten dient te blijven. Als noodzakelijke beheersmaatregel is aangegeven dat het pand als geheel afgesloten diende te blijven en herkenbaar diende te worden gemaakt als met asbestbesmet gebied, tot nadat de benodigde saneringswerkzaamheden zouden zijn uitgevoerd door een SC-530 gecertificeerd bedrijf. Betreding werd slechts mogelijk geacht met behulp van volledige persoonlijke beschermingsmiddelen inclusief adembescherming en volgelaatsmasker, en decontaminatie-mogelijkheid, niet alleen ter voorkoming van ongecontroleerde blootstelling aan asbestvezels via de lucht, maar ook ter voorkoming van verdere verspreiding van de aanwezige asbestbesmettingen.12

[getuige 2] , destijds vanuit [naam 6] projectleider bij de asbestinventarisatie, heeft verklaard dat in de vlamoven een deel van de ramen kapot was. In het gebouw tochtte het verschrikkelijk.

Volgens [getuige 2] liepen personen die zonder persoonlijke beschermingsmiddelen de ruimte zouden betreden het risico asbestvezels in te ademen en asbestvezels onder hun schoenen of aan hun kleding mee te nemen, waardoor de besmetting zich verder zou kunnen verspreiden. Op de vraag hoe groot zij de kans achtte dat er een asbestconcentratie in de lucht zou ontstaan die boven de wettelijke grenswaarde zoals bedoeld in het arbobesluit zou uitkomen, indien een groot feest in de ovenruimte zou worden georganiseerd, waarbij gedacht moest worden aan 300 à 400 mensen, heeft [getuige 2] geantwoord dat die kans 98% was. Volgens [getuige 2] kon er bijna garantie worden gegeven dat mensen in dat geval zijn blootgesteld aan asbestvezels.13

[getuige 3] , organisator van de [naam 1] , heeft verklaard dat de [naam 1] op 2 november 2011 heeft plaatsgevonden in de voormalige steenfabriek in Dodewaard. De beurs werd gehouden in de hal met de ovens. Voor de [naam 1] waren ter decoratie zwarte doeken tegen de wanden bevestigd, aan de rand van de ovens waren lampen geplaatst die de ovens verlichtten en op de vloer was vloerbedekking gelegd. De standjes stonden langs de ovens en de bezoekers liepen daar tussen door. Het buffet dat tijdens de [naam 1] werd georganiseerd, werd bezocht door 350 personen. In totaal zijn ongeveer 470 personen bij de [naam 1] geweest. Daarnaast waren die dag ongeveer tien personeelsleden aanwezig.14

Uit het dossier komt verder naar voren dat er in de ten laste gelegde periode ook werkzaamheden hebben plaatsgevonden in de [naam 5] .

[getuige 4] heeft in dit verband verklaard dat hij in augustus 2011 contact heeft gehad met [medeverdachte] . [medeverdachte] vertelde dat er ophef op de [naam 5] was, omdat inbrekers koper hadden gestolen. Hij zei dat het zo niet verder kon. [getuige 4] heeft toen aangeboden het terrein te bewaken. Hij denkt dat hij in september 2011 alle avonden op de [naam 5] is geweest en daarna twee dagen in de week, de ene keer overdag en de andere keer ’s nachts. Hij liep onder meer ieder half uur tot een uur het terrein rond en de fabriek door. Hij heeft overal in de fabriek gelopen waar hij kon komen. Hij heeft de werkzaamheden verricht in de periode van september 2011 tot 1 januari 2012.15 Wat betreft de [naam 1] , die een dag van tevoren was opgebouwd, heeft hij de hele nacht als bewaker in de ovenhal gezeten.16

[getuige 5] heeft verklaard dat hij sinds omstreeks oktober 2011 in een woning van [naam 2] gelegen aan de [adres 2] te Dodewaard woont. Nadat hij de woning had betrokken, heeft hij werkzaamheden verricht op het terrein van de steenfabriek en in de steenfabriek. Deze werkzaamheden zijn begonnen in oktober/november 2011 en bestonden uit het dichttimmeren van de ramen van de steenfabriek en uit beveiligingswerkzaamheden. Volgens [getuige 5] is hij in alle ruimtes van de fabriek geweest. Hij bedoelt daarmee onder andere de hal met de vlamovens, de opslag droog, de werkplaats, de drogerij en de zolders van de steenfabriek.17

[getuige 6] heeft verklaard dat hij regelmatig werkzaamheden heeft verricht in de voormalige steenfabriek de [naam 5] . Op 12 oktober 2011 heeft hij in de kantine van de [naam 5] een reparatie uitgevoerd.18

Tussenconclusie

De rechtbank leidt uit voornoemde rapporten af, dat er veel niet-hechtgebonden asbest/asbestvezels is/zijn gevonden in en rondom de ovenruimte. Er is sprake van een asbestbesmetting in een zodanige ernstige mate dat de ruimte niet kon worden betreden zonder persoonlijke beschermingsmiddelen en decontaminatiemogelijkheid. Bovendien leidt de rechtbank uit voormelde bewijsmiddelen af dat, indien geen persoonlijke beschermingsmiddelen zouden worden gebruikt, personen niet alleen werden blootgesteld aan asbestvezels via de lucht, maar ook dat de asbestbesmetting verder zou worden verspreid. De rechtbank concludeert verder dat de bewijsmiddelen erop wijzen dat in de ten laste gelegde periode werkzaamheden hebben plaatsgevonden in de steenfabriek, onder meer in de ovenruimte. Daarnaast heeft op 2 november 2011 een voor publiek toegankelijk evenement (een [naam 1] ) plaatsgevonden, die is bezocht door ruim 400 personen.

De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat asbest een stof is die gevaarlijk is voor de veiligheid en/of gezondheid van personen. Hoewel achteraf niet of moeilijk precies is vast te stellen of mensen inderdaad in een zodanige mate en duur aan een te hoge concentratie asbestvezels hebben blootgestaan dat zij een asbestgerelateerde ziekte zullen ontwikkelen, kan op basis van de rapporten [naam 3] en [naam 6] en de verklaring van [getuige 2] wel worden bewezen dat personen die de ovenruimte zonder persoonlijke beschermingsmiddelen hebben betreden, aan een aanmerkelijke, niet te verwaarlozen asbestvezelconcentratie in de lucht zijn blootgesteld. De medische wetenschap leert dat asbest als het ware als een depot in het lichaam blijft en dat de vezels niet afbreken en nauwelijks uit het lichaam verdwijnen. Al dan niet samen met een eerdere of latere blootstelling kan een kritische waarde worden overschreden, waardoor asbestgerelateerde ziektes zich kunnen ontwikkelen. Gelet daarop en gezien het feit dat bij een asbestgerelateerde ziekte als bijvoorbeeld een maligne mesothelioom, waarvan bekend is dat er naar de huidige stand van medische kennis geen genezende behandeling mogelijk is, dient het binnenkrijgen van (een) niet te verwaarlozen hoeveelhe(i)d(en) asbestvezels per definitie als ‘ernstige schade voor de gezondheid’ dan wel ‘levensgevaar’ te worden aangemerkt.19

Voor zover de raadsman heeft verwezen naar het rapport ‘Inzichten in de omgang met de risico’s van asbest’, van [naam 7] , en heeft betoogd dat het in de onderhavige situatie gaat om een verwaarloosbaar risico, wordt dit standpunt niet door de rechtbank gedeeld. De status van het door de raadsman bedoelde rapport is niet duidelijk. Bovendien doet dit rapport niet af aan het feit dat een groot aantal personen, waarvan sommigen zelfs meerdere malen, zijn blootgesteld aan een aanmerkelijke concentratie asbest. De rest van hun leven dragen die personen dus mogelijk een depot van asbest bij zich, waardoor zij het risico hebben asbestgerelateerde ziektes te krijgen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman in zoverre.

De toepasselijkheid van artikel 173a dan wel 173b Sr

De rechtbank dient nu te beoordelen of asbest op of in de bodem en/of in de lucht is gebracht, zoals bedoeld in artikel 173a en 173 b Sr. Daarvoor is van belang vast te stellen wat onder bodem en lucht in het kader van de artikelen 173a en 173b Sr dient te worden verstaan.

De rechtbank overweegt allereerst dat de artikelen 173a en 173b Sr de volksgezondheid beogen te beschermen. Dat wil zeggen dat mensen worden beschermd tegen gezondheidsbedreigende milieuverontreiniging in het algemeen en dat het leven wordt beschermd tegen gevaarlijke (ontplofbare) stoffen in het bijzonder.

De Memorie van Toelichting (19 020 nr. 3 pagina 8) vermeldt ten aanzien van de artikelen 173a en 173b Sr het volgende:

“Het lijkt thans wenselijk, los van een van de deelgebieden van de milieuwetgeving, overkoepelende bepalingen in te voeren die ernstige vormen van milieuverontreiniging strafbaar stellen. Deze bepalingen komen er op neer dat het opzettelijk of op nalatige wijze een stof op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater brengen, wordt strafbaar gesteld, indien hierdoor gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten is. Indien bovendien hierdoor iemand sterft, kan een zwaardere straf worden opgelegd. Bij de formulering van de thans voorgelegde bepalingen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de eerdere, reeds genoemde bepalingen die tegelijk met bijzondere milieuwetten in het Wetboek van Strafrecht zijn ingevoerd. Slechts is getracht thans de bepalingen zodanig te formuleren dat elke vorm van verontreiniging van het milieu waardoor gevaar voor de openbare gezondheid te duchten is, daaronder wordt gevat.”

De rechtbank overweegt dat voor het begrip bodem ingevolge de jurisprudentie moet worden aangesloten bij de milieuwetgeving. In de onderhavige zaak is asbest aangetroffen op de vloer van onder meer de ovenruimte. Naar het oordeel van de rechtbank kan de vloer niet worden gelijkgesteld met de bodem.

Ten aanzien van het “in de lucht brengen” overweegt de rechtbank als volgt.

Als een inrichting, zoals de voormalige steenfabriek de [naam 5] , in bedrijf is, gelden de voorschriften zoals verbonden aan de voor de inrichting geldende vergunningen. Deze vergunningen zien onder andere op de verschillende - sectorale - milieubelangen die bescherming behoeven tegen het in werking zijn van de inrichting. Overtreding van de voorschriften is strafbaar. Niet alleen het milieu - in verschillende sectoren - maar ook bij de inrichting betrokken personen en omwonenden en omstanders worden op deze manier beschermd. Werknemers van de inrichting worden bovendien beschermd door de arbowetgeving.

Met de ontmanteling van de steenfabriek zijn de geldende vergunningen komen te vervallen. [naam 2] heeft het beheer van de leegstaande gebouwen op zich genomen.

De rechtbank heeft hiervoor al vastgesteld dat in een van de gebouwen een voor het publiek toegankelijk evenement heeft plaatsgevonden. Ook hebben verschillende personen werkzaamheden uitgevoerd. Er was op de betreffende plekken sprake van een ernstige asbestbesmetting in de lucht. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de wind vrij spel had omdat een groot aantal ramen in dat gebouw kapot was, zoals [getuige 2] heeft verklaard. Door de sluiting van de inrichting en door vervolgens het terrein en de betreffende gebouwen open te stellen voor derden, is het karakter van de gebouwen en het terrein en daarmee ook het karakter van de lucht in de gebouwen naar het oordeel van de rechtbank veranderd. Er is geen sprake meer van een in werking zijnde inrichting, met alle publiekrechtelijke (milieu) waarborgen van dien, maar van een publieke ruimte. De lucht in de betreffende gebouwen is daarmee aan te merken als lucht, die op basis van de artikelen 173a en 173b Sr bescherming verdient. Ook de mensen die met deze lucht in aanraking komen, verdienen op basis van dat artikel bescherming. Een ander oordeel laat zich, aldus de rechtbank, mede gelet op het belang dat de artikelen 173a en 173b Sr beogen te beschermen en mede gelet op de Memorie van Toelichting, ook moeilijk denken. De lucht in een inrichting die vol in bedrijf is, zou in dat geval immers volledig beschermd zijn, en het enkel vervallen van de vergunningplicht zou tot gevolg hebben dat de beheerder van een ontmantelde inrichting, in dit geval [naam 2] , zich aan de mate van verontreiniging van de lucht en de mogelijke gevaren voor degenen die met deze lucht in aanraking komen, niets gelegen zou hoeven te laten liggen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de lucht in de gebouwen van de voormalige steenfabriek de [naam 5] is aan te merken als lucht die onder de werking van de artikelen 173a en 173b Sr valt. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman voor zover dat ziet op de toepasselijkheid van de artikelen 173a en 173b Sr.

Rechtsplicht maatregelen te treffen

Nu uit het voorgaande volgt dat sprake is geweest van een ernstige asbestbesmetting in de voormalige bedrijfsruimten, er in de ten laste gelegde periode een voor publiek toegankelijk evenement en werkzaamheden hebben plaatsgevonden, meerdere personen in aanmerkelijke mate zijn blootgesteld aan asbest en daardoor gevaar voor hun gezondheid hebben gelopen, en het handelen dan wel nalaten kan worden gebracht onder de werking van artikel 173a en/of artikel 173b Sr, dient de rechtbank de betrokkenheid van verdachte daarbij te beoordelen.

De asbestinventarisatie bij de [naam 5] is, zoals eerder is overwogen, gedaan door [getuige 7] en [getuige 8] .

[getuige 7] heeft hierover verklaard dat ze toegang hebben gekregen van verdachte. Hij was de beheerder en de contactpersoon. Bij binnenkomst hebben ze naar asbesthoudende toepassingen gezocht. Daartoe hadden ze voor zichzelf de nodige voorzorgsmaatregelen getroffen. Ze hebben wat monsters genomen van hechtgebonden materiaal en hadden ook wat losse stukken hechtgebonden materiaal gezien. Toen ze op het dak van de vlamoven kwamen, zijn ze gestopt met de inventarisatie, omdat ze daar niet-hechtgebonden restanten asbestverdacht materiaal zagen. Ze hebben verdachte toen direct mondeling daarvan op de hoogte gesteld en meegedeeld dat ze het vermoeden hadden dat de fabriek met asbest besmet was. Ze hebben verdachte duidelijk gemaakt dat er geen mensen meer naar binnen mochten. Volgens [getuige 7] schoot verdachte toen in de stress en vertelde hij dat er partijen waren die moesten doorgaan. Verdachte is verteld dat dat niet kon en dat hij bij het toelaten van mensen met mensenlevens speelde. Volgens [getuige 7] hebben hij en [getuige 8] iedere mogelijke toegang voorzien van linten met waarschuwing. Met verdachte is besproken dat hij de linten tot nader order moest laten zitten, totdat het afgenomen monster was geanalyseerd. Toen [getuige 7] op 22 november 2011 op de locatie kwam, was een deel van de door hen aangebrachte linten weg.20

[getuige 8] heeft eveneens verklaard dat met de beheerder is gesproken. Toen ze linten aan het ophangen waren, kwam de beheerder vragen wat ze aan het doen waren. Ze hebben hun bevindingen verteld, waarna de beheerder een reactie gaf in de zin van ‘moet dat nou zo, ik loop hier al heel lang’.21

Volgens [getuige 3] was zijn contactpersoon namens [naam 2] onder meer verdachte. Samen met [naam 11] is [getuige 3] voor de organisatie van de [naam 1] meerdere malen met verdachte in de voormalige steenfabriek geweest. Hij heeft toen geen waarschuwingen voor asbest gezien. Ook waren er geen aanwijzingen waaruit zou kunnen blijken dat hij de steenfabriek niet in mocht.22

Ook volgens [naam 4] , werkzaam bij [naam 2] , was de ovenhal op 1 november 2011, de dag voor de [naam 12] plaatsvond, niet afgesloten met linten. Hij is toen in de steenfabriek geweest en heeft rood/witte linten zien hangen in het gedeelte achter de ovenhal.23

[getuige 5] , die als anti-kraakwacht in de voormalige bedrijfswoning woonde, heeft verklaard dat verdachte zijn contactpersoon van [naam 2] was en dat deze beheerder was van de [naam 5] . De afspraken over de door hem uit te voeren werkzaamheden liepen via verdachte. Zijn werkzaamheden verrichtte hij in opdracht van en in overleg met verdachte.24 [getuige 5] heeft een Vrijwilligerscontract overgelegd, waaruit blijkt dat op 21 oktober 2011 afspraken met hem zijn gemaakt over de te verrichten werkzaamheden. Onder het kopje ‘Verantwoordelijkheid’ is vermeld dat de vrijwilliger verantwoording aflegt aan verdachte (beheerder [naam 5] ).25 [getuige 5] heeft verder een bruikleenovereenkomst overgelegd met betrekking tot de door hem gehuurde woning. Onder punt 2 is daarin onder meer opgenomen dat de bruiklener erkent de sleutels te hebben ontvangen van verdachte.26

[getuige 6] heeft verklaard dat verdachte zijn contactpersoon voor de [naam 5] was. Verdachte begeleidde hem en gaf aan waar de werkzaamheden moesten worden verricht.27

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij sleutelhouder was en de poort opende voor mensen die op het terrein moesten zijn.28

De rechtbank leidt uit voormelde bewijsmiddelen af dat verdachte feitelijk het beheer had over de fabriek en het terrein van De [naam 5] , zij het dat hij niet zelfstandig besluiten kon nemen ten aanzien van het (juridische) beheer. Hij was niet alleen sleutelhouder, zoals hij zelf heeft verklaard, maar hij was ook contactpersoon. Bovendien werden werkzaamheden in opdracht van hem en in overleg met hem verricht. Naar derden deed verdachte zich voor als beheerder van het terrein en de fabriek. Derden omschreven hem dan ook allemaal als de beheerder. Dat aan het beheer geen formele overeenkomst ten grondslag heeft gelegen, doet niet af aan het feit dat hij zich feitelijk wel als beheerder heeft gedragen. Ook het feit dat verdachte kennelijk geen vergoeding voor zijn werk kreeg, leidt niet tot een ander oordeel. Het verweer van de raadsman wordt in zoverre verworpen.

De vraag die vervolgens dient te worden beantwoord is of op verdachte de rechtsplicht rustte om maatregelen te treffen om te voorkomen dat mensen het terrein zouden betreden. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is en dat deze rechtsplicht voortvloeit uit de werkzaamheden die verdachte heeft verricht en de kennis die hij droeg.

Op 23 september 2011 heeft verdachte [getuige 7] en [getuige 8] binnen gelaten voor een asbestinventarisatieonderzoek. Beide onderzoekers droegen persoonlijke beschermingsmiddelen. Verdachte is door [getuige 7] en [getuige 8] aangesproken en in kennis gesteld van de vermoedelijke asbestbesmetting. Hij is er toen op gewezen dat er geen mensen meer naar binnen mochten. Verder is hij erop gewezen dat de linten die waren aangebracht moesten blijven zitten, totdat het afgenomen monster was geanalyseerd. Hieruit kan worden geconcludeerd dat verdachte op 23 september 2011 op de hoogte is geraakt van de situatie ter plaatse. Verdachte heeft met deze kennis echter niets gedaan, terwijl hij dat wèl had kunnen en moeten doen. De rechtbank onderkent dat verdachte niet de mogelijkheid of bevoegdheid had de fabriek en/of het terrein af te sluiten, maar hij heeft in het geheel niets gedaan om te voorkomen dat mensen in de fabriek, en meer specifiek, in de ovenruimte kwamen; hij heeft hen niet eens gewaarschuwd, hetgeen toch wel in de rede lag nadat hij had gezien hoe de deskundigen van [naam 3] meteen maatregelen ter beveiliging namen. Evenmin heeft hij enige actie ondernomen om [naam 2] hiervan in kennis te stellen teneinde te bewerkstelligen dat [naam 2] de fabriek zou sluiten en activiteiten en/of werkzaamheden in de fabriek zou stopzetten. Bovendien heeft verdachte geen melding gemaakt van het feit dat een deel van de linten in de loop van de ten laste gelegde periode kennelijk is verdwenen. Het lijkt er op dat verdachte voorrang heeft gegeven aan het organiseren van de [naam 1] , wat de reden daarvoor ook geweest moge zijn. De rechtbank neemt hierbij met name in aanmerking dat [getuige 3] en [naam 4] ten tijde van de [naam 1] geen waarschuwing voor asbest hebben gezien, noch aanwijzingen in die richting. Dat verdachte had moeten handelen, volgt uit het feit dat hij vrijwel de enige was die dat op dat moment kòn. Immers, hij had kennis van de mogelijke ernstige asbestbesmetting èn hij wist welke activiteiten op welk moment werden uitgevoerd. Gezien de ernst van de problematiek had verdachte niet weg moeten kijken, maar had hij de onwetende werklieden en bezoekers moeten beschermen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van minstgenomen voorwaardelijk opzet. Verdachte heeft door na te laten maatregelen te treffen om te voorkomen dat mensen de (ovenruimte van de) [naam 5] zouden betreden, bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat personen die zich in de fabriek begaven ten gevolge van hun nalaten het risico liepen op een asbestbesmetting.

De rechtbank acht, al het voorgaande in aanmerking nemend, het primair tenlastegelegde bewezen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij in of omstreeks de periode van september 2011 tot en met 2 november 2011, in de gemeente Neder-Betuwe, in de (voormalige) steenfabriek aan de Waalbandijk te Dodewaard, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk (een) stof(fen), te weten asbest en/of asbestvezels, op en/of in de bodem en/of in de lucht heeft gebracht en/of heeft doen of laten brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid en/of levensgevaar voor bezoekers en/of andere personen te duchten was, immers heeft (hebben) hij, verdachte en/of zijn mededader(s),

- toegelaten, althans niet voorkomen of verhinderd dat op 2 november 2011 een manifestatie, te weten de [naam 1] , werd gehouden in een of meer ruimten (te weten in of nabij de (vlam) oven(ruimte)) in die (voormalige) steenfabriek, waarin zich in slechte staat verkerende asbesthoudende toepassingen bevonden (beschadigd asbestkoord), bij welke gelegenheid asbest en/of asbestvezels in de lucht vrij is/zijn gekomen, althans in de lucht vrij kon/konden komen, waardoor bezoekers van die manifestatie en/of andere personen in die ruimte(n) werden en/of konden worden blootgesteld aan asbest en/of asbestvezels, terwijl bij het inademen van die asbest en/of asbestvezels, de asbest en/of de asbestvezels kunnen doordringen in de longen (en ernstige ziekten kunnen veroorzaken zoals longkanker en/of mesothelioom - zijnde buikvlies- en longvlieskanker) - en/of

- toegelaten, althans niet voorkomen of verhinderd dat in de periode van september 2011 tot en met 1 november 2011 meerdere personen (onder meer voor het uitvoeren van werkzaamheden) zich in een of meer ruimten (te weten in of nabij de (vlam) oven(ruimte)) in die (voormalige) steenfabriek, waarin zich in slechte staat verkerende asbesthoudende toepassingen bevonden (beschadigd asbestkoord) hebben bevonden, bij welke gelegenheid/gelegenheden asbest en/of asbestvezels in de lucht vrij is/zijn gekomen, althans in de lucht vrij kon/konden komen, waardoor die personen in die ruimte(n) werden en/of konden worden blootgesteld aan asbest en/of asbestvezels, terwijl bij het inademen van die asbest en/of asbestvezels, de asbest en/of de asbestvezels kunnen doordringen in de longen (en ernstige ziekten kunnen veroorzaken zoals

longkanker en/of mesothelioom - zijnde buikvlies- en longvlieskanker).

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Opzettelijk en wederrechtelijk een stof in de lucht brengen, terwijl daarvan gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar voor een ander te duchten is, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie niet is gemotiveerd en dat zij, nu de redelijke termijn is geschonden, niet met deze eis kon komen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 30 juni 2016.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte geen maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat personen zouden worden blootgesteld aan het risico van een asbestbesmetting. Verdachte heeft bewoners van de [naam 5] en werklieden toegang gegeven tot het terrein en de voormalige fabrieksgebouwen en hen opgedragen onderhouds- dan wel beveiligingswerkzaamheden te verrichten. Daarnaast heeft verdachte geen maatregelen genomen om te voorkomen dat de [naam 1] zou plaatsvinden. Hij is zelfs behulpzaam geweest bij de organisatie, ondanks de wetenschap dat er sprake was van een mogelijk ernstige asbestbesmetting. Door zijn handelen en nalaten zijn meer dan 400 personen die dit evenement bezochten blootgesteld aan het risico van een asbestbesmetting. Op termijn kan dit ernstige nadelige gevolgen hebben voor hun gezondheid. De rechtbank rekent het verdachte met name aan dat hij geen acht heeft geslagen op de ernst van de problematiek. Toen hij door de onderzoekers van [naam 3] werd geattendeerd op de vermoedelijke asbestbesmetting en hem werd gezegd dat hij geen mensen meer mocht toelaten, reageerde hij met de mededeling dat er partijen waren gepland en dat die wel moesten doorgaan. Ook reageerde hij met woorden in de zin van “moet dat nou zo, ik loop hier al heel lang”. Verdachte heeft hiermee de ernst van de geconstateerde vermoedelijke asbestbesmetting gebagatelliseerd en daarmee bewust de gezondheid van vele mensen genegeerd.

De rechtbank neemt verder in aanmerking dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is geweest. Tijdens de mondelinge behandeling is duidelijk geworden dat verdachte door de zaak ernstig is aangeslagen en in het bijzonder door de dagen die hij in verzekering heeft doorgebracht. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met het feit dat de redelijke termijn door het Openbaar Ministerie niet in acht is genomen. Deze omstandigheden zijn voor de rechtbank aanleiding om geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen zoals door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank acht een werkstraf van 180 uur passend en geboden. Gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit, zal de rechtbank daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen van 4 maanden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 47 en 173a van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

  • -

    bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

  • -

    stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

  • -

    veroordeelt verdachte tot een werkstraf gedurende 180 (honderdtachtig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

  • -

    beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de werkstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Klep (voorzitter), mr. W.A. Holland en mr. F.J.H. Hovens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2016.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 20131210.1044, gesloten op 10 december 2013 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Brief van 20 september 2011 van [naam 2] aan [naam 3] , geen paginanummer.

3 Rapport “Volledig asbestinventarisatierapport type A” van 7 december 2011, p. 700.

4 NEN2991-rapport van 25 november 2011, p. 816.

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 282.

6 Proces-verbaal: algemeen relaas van onderzoek, p. 9.

7 Proces-verbaal van verhoor van de als verdachte gehoorde [naam 4] , p. 117.

8 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , p. 1590.

9 Taxatierapport, p. 676, 682.

10 Rapport ‘Volledig asbestinventarisatierapport type A’ van 7 december 2011, p. 700.

11 Rapport ‘Volledig asbestinventarisatierapport type A’ van 7 december 2011, p. 712-713 en 718.

12 NEN2991-rapport van 25 november 2011, p. 816, 818-819.

13 Proces-verbaal van getuige [getuige 2] , p. 1357, 1359.

14 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , p. 1384-1385.

15 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 4] , p. 1434.

16 Proces-verbaal van verhoor van 18 februari 2016 van getuige [getuige 4] bij de rechter-commissaris.

17 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , p. 1421-1422.

18 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] , p. 1474.

19 Proces-verbaal: algemeen relaas van onderzoek, p. 7.

20 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 7] , p. 1333-1337.

21 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 8] , p. 1344.

22 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3] , p. 1383-1384

23 Proces-verbaal van de als verdachte gehoorde [naam 4] , p. 120.

24 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 5] , p. 1421-1422.

25 Vrijwilligerscontract, p. 1424.

26 [naam 10] , bruikleenovereenkomst, p. 1426.

27 Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 6] , p. 1474.

28 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 oktober 2016.